Kabouter Plop

| Geen reacties

Van nature ben ik tamelijk argeloos en meegaand. Dit is uiteraard geen verdienste, maar een overlevingsstrategie. Om energie te sparen, mijd ik conflicten of de kans daartoe.
Waarschijnlijk ben ik meer geïnteresseerd in ideëen dan in mensen, zo zit het. Iemand interesseert me pas wanneer de daden, gedachten en beweegredenen van die persoon daartoe aanleiding geven. De anderen zijn passanten, marionetten, schimmen.

Argeloosheid is een gevaarlijke houding, want sinds Calvijn is het bekend dat de mens slecht is of minstens zwak en geneigd tot het kwade.
Onder dit kwade versta ik niet alleen grove uitingen van egoïsme als moord, roof en verkrachting maar ook de meer slinkse en alledaagse pogingen om anderen naar je pijpen te laten dansen.
Door gebrek aan oplettendheid en mijn onwil om aandacht te schenken aan anderman’s hersenspinsels waarin aan mij een rol is toebedeeld, kom ik geregeld in ongewenste situaties terecht. Eenmaal in zo’n slangenkuil beland, ontwaak ik eindelijk en dan moeten er soms noodgrepen worden uitgevoerd om het getij te keren.

Afgelopen dinsdag was het weer eens zover.
In slaap gesust door eerdere, alleszins redelijke ervaringen op dit gebied, had ik mij laten overhalen om deel te nemen aan de jaarlijkse Kerstlunch op het werk. Op zichzelf geef ik niets om een zogeheten feestelijke bijeenkomst met collega’s. Van een  meute komt zelden iets goeds. Ik stemde ermee in om niet uit de toon te vallen, misschien ook uit gebrek aan tegenargumenten die bij de collega’s houdbaar zouden blijken. Het is niet verstandig om voortdurend tegen de wind in te pissen.
Zelfs ging ik zover om twee uur in de keuken te besteden aan de bereiding van een gerecht voor gezamenlijk gebruik. Indiase kip had ik gemaakt, met kokos, cardemon en weet ik wat en dit meegebracht in een mooie rode braadpan, want mijn gerecht moest wel warm geserveerd kunnen worden.
De enige luxe die ik mij had veroorloofd was, om de nodige boodschappen te doen in werktijd.
En daaraan had niemand zich gestoord, al was het maar omdat het niemand was opgevallen.

In de vroege morgen parkeerde ik mijn auto op het plein voor het werkgebouw en droeg mijn pan naar de kantine. Hier waren al versieringen aangebracht, waarvoor zo te zien een kerstboom was gesloopt. Tafels werden op een gezellige wijze bijeen geplaatst en rode en zilverkleurige waxines vonden hierop een plaats.
Omdat ik niet behoorde tot de ploeg die de boel ging opbouwen, trok ik mij terug en ging een paar uur werken.
Tegen het middaguur ging ik poolshoogte nemen. Verscheidene collega’s liepen al rond in de feestcantine, kennelijk zonder enig doel of aanwijsbare activiteit. Ze stonden voornamelijk in de weg. Ik zag dat er een geluidsinstallatie was neergezet: een synthesizer en een stang met microfoon en uiteraard geluidsboxen. Nog steeds ging er geen alarm bij mij af. Voorzover ik al iets dacht, ging dit waarschijnlijk in de richting van een muzikaal omlijste toespraak over het afgelopen jaar. En er zou ook wel iets over het door zoveel mensen bereide voedsel worden gezegd. Zalig zijn de armen van geest.

Ik bleef in de buurt, want het is vervelend om als laatste te arriveren en dan ergens armoedig een stoel te moeten aanschuiven bij een tafel die eigenlijk al helemaal bezet is.
Dus zorgde ik ervoor vroegtijdig op een tamelijk gunstige plek neer te strijken, een plek vanwaar je de gerechten goed kon bereiken zonder over drie collega’s te moeten klauteren.
Toen ongeveer iedereen zat, werd de geluidsinstallatie ingeschakeld. Een paar jonge vrouwelijke collega’s, uitgedost met uit zilverpapier geknipte haardossen, heetten iedereen welkom en vertelden dat er live muziek was ingehuurd om de maaltijd te begeleiden.
Geen woord over verleden of toekomst, geen letter over de soepen, salades, vleesgerechten of toetjes. De meiden wilden een feestje bouwen en wel meteen. Ik had net zo goed een hopeloze hutspot kunnen maken.
De gangbare verlichting floepte uit, er werden de waxines aangestoken en er verschenen tekstregels op een witte wand. Een korte, jolige mededeling maakte duidelijk dat het hier een karaoke-machine betrof. Middels een lotingssysteem zouden mensen worden aangewezen om met de getoonde teksten mee te zingen. Op deze manier zou het een wel heel gezellige middag worden, werd ons voorgehouden.
Daarbij kreeg ik de indruk, op een braderie te zijn aangeland. Want een andere collega kwam naar voren en hield een leuterverhaal over zielige kinderen in trieste landen, waarvoor hier en nu speelgoedberen in de verkoop gingen. Je betaalde minimaal 10 euri en leverde de aangekochte beer weer in, dat was de idee. De collega verwachtte heel veel beren op tafel, liet hij bijna dreigend weten.
Hierna werden de muzikale trossen losgegooid. De Titanic kon de haven verlaten.

Op een menigte van 60 mensen is de kans, dat je bij de eerste 5 loten zit, niet erg groot.
Toch onderging ik het oplezen van de namen met meer zelfverzekerdheid dan verdedigbaar was. Want 5 op 60 = 1 op 12, dus altijd nog 8%.
Ik hoorde zwakke protesten om mij heen van een paar slachtoffers die moesten meezingen met Yellow River en het uitgekauwde You’re the one that I love van Olivia Newton John.
Maar niemand volhardde in een echte weigering. Zelf schepte ik mijn bordje vol en ging aan tafel zitten, vergeefs wachtend op mijn directe gezelschap. De muziek beukte flink door en ik besloot maar te gaan eten.
Wat is er in godsnaam aan de hand, vroeg ik me af, het lijkt godverdomme wel een staatgreep.
Mijn tafelgenoten verschenen alsnog, maar toen had ik mijn bordje al leeg en was de Karaoke vervangen door de ingehuurde zanger, een oude kerel met een bierbuik en een achterlijke feestmuts op zijn lelijke kop. Het geluidsniveau bleef onveranderd en ik begon ongerust te worden.
Stel, zo dacht ik, stel dat dit gesodemieter de hele tijd doorgaat, stel dat dadelijk een tweede ronde Karaoke wordt ingezet..
Ik keek rond en zag dat alle drie de toegangsdeuren gesloten waren. Mijn analyse was kort en bondig: De eerste deur kan ik wel vergeten, want daar zit het sectorhoofd. De tweede komt evenmin in aanmerking, want er staan tafels in de weg. Ik fixeerde me op de enige deur die redding kon brengen en schatte mijn kansen. Als ik nu al opstap, komt iemand mij achterna om te vragen of ik ziek ben.
Omdat mijn disgenoten door het lawaai toch onbereikbaar waren voor conversatie, stelde ik mij vlug een tweede maal op in de rij voor het eten.
Ik moet hoe dan ook nog een kwartier of twintig minuten tijd rekken. De stemming moet erin komen, mensen gaan hoe dan ook proberen een paar woorden met elkaar te wisselen. Daarmee verslapt hun aandacht voor de omgeving.
De contouren van mijn voornemens begonnen zichtbaar te worden. Voor de goede verstaander dan en daarvan bestaat er maar één en dat ben ikzelf.
Ik had het buffet nog niet bereikt, of de zingende huurling werd onderbroken door de mededeling dat de tweede lichting meezingers werd opgeroepen. Allemaal heel demokratisch en verrassend door wederom 5 lootjes uit een hoge hoed te halen.
Opnieuw was mijn naam er niet bij. Dit gaat fout, schoot mij nu opeens als een lichtflits in mijn hersenpan,  my luck is running out.
Angst of een scherp bewustzijn van de situatie maakte zich meester van mij en ik begreep dat ik snel en adequaat moest handelen.
Ik lepelde de hele resterende voorraad Hollandse garnalen op mijn bord, stapelde er snel enkele camoeflerende andere lekkernijen bovenop.
Dit moet ik in pakweg 6 minuten soldaat kunnen maken zonder op grofheid te kunnen worden betrapt.
Ik snelde terug naar mijn eetplek, schonk mezelf een glas rode wijn in en begon beheerst maar efficient mijn bord leeg te maken.
Spoel de garnalen omlaag met een eenvoudige rode wijn van Albert Heyn. Piep zegt de Bonuskaart.
Voor de vorm knikte en grijnsde ik een paar keer naar mensen in de buurt, maar eigenlijk was ik al weg, verweg, buiten, in mijn auto.
Tas en sleutels meenemen, hield ik mezelf voor, de braadpan moet morgenochtend maar gered worden.
Achter mijn rug denderde de muziek voort. De door het lot getroffen collega’s hakkelden of piepten maar wat mee en er begon een plaatsvervangende witte woede in mij te ontstaan. Ik kreeg zin om amok te maken, stekkers uit contacten te trekken, iemand voor zijn of haar kop te slaan, een paar van die domme speelgoedbeertjes door de ruimte te schoppen, of Heil Hitler! te roepen. Het mocht duidelijk zijn dat mijn breekpunt naderde.
Intussen was de tweede Karaoke ronde voorbij en nam de halfgare Kerstman de microfoon weer over. Op speciaal verzoek (van wie?), ging hij By the rivers of Babylon uitmelken.

Zonder verdere plichtplegingen en mij bewust van elke minuut die verstreek (hoeveel resteren  er voor de derde Karaoke-ronde begint, de ronde die mij gevoelsmatig fataal ging worden) stond ik andermaal op, benaderde een paar collega’s die eten haalden, wisselde zogenaamd ontspannen een paar schreeuwwoorden, wierp een begeleidende blik op de toetjes, gleed in de schaduw van iemand die langs de bevrijdende uitgangs liep en loste op in licht en lucht.
De gang was leeg. De afstand tot de hal bedroeg zo’n 35 meter. In die hal kon ik naar links zwenken om uit het zicht te verdwijnen, maar wel moest ik nog door weer andere deuren om jas en tas op te halen. Ik moest denken aan Kafka en andere nachtmerries.
Als de wind snelde ik voort. De debiele kleuters van Kabouter Plop hebben de boel overgenomen, vloekte ik binnensmonds, de Generatie Nix bepaalt wel even wat leuk is voor iedereen. Ik word oud en heb een lijfwacht nodig.
In mijn werkkamer zat nog een collega rustig voort te werken. Hij was verstandig geweest en liet het hele gedoe aan zich voorbijgaan. Hij vroeg niets aan mij, maar zei: “Ja, het is ook onderhand jouw tijd, he”.
“Het is een hel daarginder”, antwoordde ik, “een hel van lawaai en stompzinnig vermaak. Maar de garnalen zijn geweldig, dat moet ik toegeven.”
Even later was ik op straat. Ik zoog de buitenlucht naar binnen, herwon mijn evenwicht, liep naar mijn auto, stapte in en dacht: als zo’n idiote feestcollega mij probeert te stoppen, rijd ik hem dood.

De volgende morgen betrad ik mijn werkkamer. Altijd ben ik de eerste. Ik klikte mijn pc aan, nam kennis van binnengekomen mail en besloot de rest van de dag in ledigheid door te brengen. Voor straf, omdat jullie mijn kerstluch verkankerd hebben. En nu wil ik mijn braadpan terug.
Het duurde wel een uur voor de eerstvolgende collega arriveerde. Mijn rode braadpan had ik toen al opgespoord en in veiligheid gebracht, dat is: in de kofferbak van mijn auto.
Eenmaal geïnstalleerd met koffie, zei de kamergenoot: “Dat is waar ook. Gistermiddag werd je opgeroepen voor de Karaoke. Maar je was er niet. We hebben gezocht, maar je was al weg. Dat vond ik eigenlijk wel leuk”.
Ja, dacht ik, je vond het vermakelijk, maar je hebt wel geholpen met zoeken. En wat, als je mij had gevonden?
Ik lachte en vroeg hoe laat dit was geweest en begreep uit het antwoord dat ik inderdaad ter nauwernood was ontkomen aan de terreur van Kabouter Plop.
Ik bracht de rest van de dag zoek met zinloze handelingen, bekeek autosites op internet, dronk teveel koffie en verliet precies op tijd het gebouw.
De Kerst kon voor mij beginnen.

24.12.2004

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.