Pen en Papier

| Geen reacties

Als perfectionist heb ik de neiging eindeloos door te gaan met verbeteren en polijsten.
Een mens knoeit wat af. Altijd is er iets bij te stellen, te vervolmaken.
Deze afwijking heb ik genetisch meegekregen, laat hierover geen misverstand ontstaan bij psychologen of andere doorvorsers van mens en samenleving. Goede en minder handige eigenschappen zitten voor een angstwekkend hoog percentage ingesloten in erfelijk materiaal.
Als kind bijvoorbeeld schilde ik de aardappelen voor het gezin. Moeder controleerde de schillen op dikte en hoekigheid, net zolang tot ik de piepers feilloos zonder bovenmatig schilverlies of achterlating van irritante pitten afleverde.
Gebrek aan aardappelen hadden we allerminst. We teelden ze zelf en in grote hoeveelheden.
Het ging om de aandrang iets goed te doen en niet halfbakken.
Ik ontwikkelde een bijzondere behendigheid in het schillen. Niet uit angst voor Moeder, maar omdat mijn gevoel voor perfectionisme werd aangesproken. Al een halve eeuw kan ik met hoge snelheid een appel, peer of pieper ontdoen van zijn schil. Deze krult wellustig van mijn mes omlaag. Aan zulke vaardigheden heb je wat in het leven.

Om nog even in het warme nest te blijven: mijn ouders hadden lange tijd weinig geld. Dit belette hen niet om de beste spullen te kopen die Bruin kon trekken, om een term uit die tijd te gebruiken. Onze kleding was onverslijtbaar en dat wil wat zeggen als je weet hoe ik ermee omging. Vader kocht een Massey Ferguson trekker, nog altijd één der betere merken. Zodra hij het zich kon veroorloven, stond er een kleine maar dappere BMW voor de deur. Alles tweedehands, want de nieuwprijs ging de begroting te boven en mijn ouders meden het aangaan van leningen als de pest. Door hun bedrijfshypotheek voelden ze zich al genoeg slaaf van de bank.
In huis arriveerden weinig moderne apparaten, maar als ze kwamen stond er Krupp, Philips of Bang & Olufsen op.

Zo vader zo zoon. Bij mij kwamen er de genen van moeders kant bij en dus werd het alleen maar erger.
Ik kon nog nauwelijks over mijn klompen pissen, toen ik al onderscheid maakte tussen de geweldige Dinky Toy en zijn mindere concurrent, de Corgi. Plastic speelgoed verafschuwde ik vanaf het moment dat het in de winkel verscheen. Verschrikkelijk! Wat een waardeloos materiaal! En dan die helse kleuren!
Als boerenjongen ging ik bij vriendjes kijken wanneer hun vaders een nieuwe aankoop hadden gedaan. Een hooischudder van het merk Vicon Lely, fris gelakt in rood en geel, wekte bewondering, al hadden wijzelf geen weilanden maar bouwakkers. Een rooimachine voor de aardappelen moest van New Holland zijn. John Deere en het al genoemde MF leverden de betere trekkers. Die dingen wist je en op andere merken keek je neer als een koe op zijn plak.

Was dit een vorm van plattelands snobisme? In het betrekkelijke isolement van een landbouwbedrijf wil je dat de boel functioneert, zonder gehannes met monteurs en slecht verkrijgbare onderdelen. Niets ergerlijker dan machines die kapot gaan en het werk stilleggen.
Ik heb hieraan in mijn latere jaren op kantoor nog vaak gedacht wanneer een kopieerder of printer de geest gaf. Dagenlang duurde het voor het defecte barrel van een goedkoop merk werd hersteld. Met nog veertig collega’s liep je zinloos heen en weer tussen werkstoel en onbruikbaar apparaat.
Razend maakte het mij en nog meer ergernis wekte het laconieke gedrag hierover.
Er is gebeld, heette het. Vervolgens gebeurde er niets.
Maar dit is niet het hele verhaal. Er scholen weldegelijk andere elementen in de voorkeur voor bepaalde merken. Aanschaf van goed materiaal bevestigt dat je de zaken serieus neemt. Een Monk heeft niet alleen altijd werk liggen, maar vooral een missie.
Het had ook te maken met standsgevoel. Onderin de maag knaagde de angst af te zakken tot het niveau van een gewone arbeider. De aankoop van troep wijst op ongeduld en dat is een valstrik voor mensen zonder ambitie.
In mijn geval is het bovendien een kwestie van esthetiek. Een oude Rover P5 is een lust voor het oog. Van de aanblik van een Toyota Prius word je ter plekke ziek.

Tussen toen en vandaag zitten meerdere decennia. De tijd verglijdt als kanariezand tussen je vingers en dat is maar goed ook. Gebrek aan tijdsbesef wijst op een staat van geluk.
Een mens verandert wel, maar gewoonlijk niet op grond van een besluit. De verandering komt geleidelijk en gedijt alleen waar de omgeving stelselmatig bevestiging levert.
Ongetwijfeld ben ik een andere persoon dan veertig jaar geleden, maar ook weer niet zo heel veel anders. Aan de drang je te omringen met aanschaffen waar je op voorhand van weet dat ze over anderhalf jaar bij de vuilbak staan, probeer ik me te onttrekken. Dit is geen kwestie van milieuzorg of politieke ideologie, maar gewoon weerzin tegen slecht gemaakte of nutteloze spullen.
Dit vol te houden, lukt niet helemaal. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om een dure hightech laptop te kopen, want over twee jaar of minder zit je met verouderde software. Daarom heb ik een pc uit het middensegment en erger me halfdood wanneer er een stukje plastic afbreekt.
En ook ik kom wel eens thuis met een gebruiksvoorwerp dat op een kermis niet zou misstaan.

Perfectionisme is een lastige eigenschap. Het is een harde strijd tegen de tijd en de eis om vooral veel en snel te produceren. Ik ben zolang bezig met verbeteringen aan te brengen en te zoeken naar de ultieme kwaliteit in werk, tijdverdrijf, gesprekken, meningen en relaties, dat ik gemakkelijk voorbijschiet aan andere dingen die belangrijk kunnen zijn.
Gewoon op mijn kont zitten of een halve middag ontspannen op het strand liggen, is er niet bij. Na vijf minuten schieten mij gedachten te binnen die ik moet opschrijven. Ik zie overal potentiële foto’s die ik moet maken, denk aan werk dat thuis wacht, aan verplichtingen en rampen, aan de afstand tussen hemel en aarde, de tijd die eindig is voor de mens. In mijn hoofd beukt muziek van Peter Green: I gotta keep on moving, with that
hellhound on my trail.

Standsgevoel is mij evenmin vreemd. Wat moet je met mensen die platte grappen vertellen, idiote tv programma’s bewonderen en naar Disney Land willen? Evenmin voel ik me thuis tussen yuppen die hun kinderen uitzenden over de wereld om daarginder een zangschooltje op te zetten met geld dat door het netwerk bijeen is geharkt. Ik voel me onprettig tussen managers en directeuren. Ik wil me niet hoger voordoen dan ik ben, maar evenmin worden overschreeuwd door de opvattingen van Nico Normaal.

Thuis vind ik geluk door een oude maar puntgave LP van The Trees op de feilloze draaitafel te leggen, een ingebonden boek van Celine open te slaan en een paar bladzijden te lezen. Een kopje lemontea van Jacksons of Piccadilly wil ik er graag bij. Om aantekeningen te maken heb ik een notitieblok van zuurvrij papier bij de hand en een prachtige metalen pen van Rotring. Omringd door deze attributen kan ik eindelijk wegdromen of een herinnering ophalen.
Plotseling is daar het beeld van mijn schoolklas met die leraar ervoor. De man draagt ouderwetse kleren met een dakgoot onderaan de broekspijpen. Zijn adem fluit amechtig, want hij is een verstokte roker van Engelse sigaretten, merk Senior Service.
Hij overziet de groep en zegt in alle eenvoud: Kinderen, neem pen en papier en noteer.
Deze man wil ons iets leren en vindt dit alleszins normaal. Wat een monument van inzicht en schoonheid.
Zo stel ik mij het voor, in een volgend leven.

 

Monk

14 augustus 2011

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.