De ziel van de koelkast

| Geen reacties

Het was een mooie voorjaarsdag toen ik het ouderlijk huis verliet. Het werd tijd. Ik had beter naar het tuinhuis van een psychiater kunnen verhuizen. Mentaal verkeerde ik in beroerde conditie en fysiek was het nauwelijks beter. De huisarts stelde gordelroos vast, de tandarts achterstallig onderhoud en de kapper werd niet naar zijn mening gevraagd. Ten onrechte, want mijn haardos was even lang als die van Ozzy Osbourne en had wel een knipbeurt kunnen gebruiken.

Geregeld hoor ik hoe jonge mensen tegenwoordig op zichzelf gaan wonen. Velen van hen hebben noten op hun zang waar ik onverminderd bij in de lach schiet. Zo jong en wijs, zo vroeg al uit de broek, zo bijdehand met de wereld op zak, zo verwend en verworden, zo hulpeloos wanneer de fiets een lekke achterband heeft. Jongeren moeten bijna de deur worden uitgeschopt en dat lukt pas wanneer hen een huis wordt aangeboden of een betaalde stageplek in Rio de Janeiro met terugkeergarantie.
Jaloers ben ik niet. Jonge mensen van vandaag zijn vaak opgegroeid met de idee dat alles kan en niets kost: geen geld en vooral geen inspanning. Hun ouders sturen hen naar de verkeerde school omdat ze denken een Einstein te hebben voortgebracht. De commercie prent hen in dat het kopen van merkkleding en smartphones een onomstreden recht is en dat ze eeuwig jong zullen blijven. Wat een gedoe zal het vergen om deze onzalige overtuigingen ongedaan te maken.

Ik betrok een bovenkamer in een dorp aan de rand van Alkmaar. Je moest het hebben van persoonlijke contacten of advertenties in de krant, dus veel te kiezen was er niet. Mijn verhuurders waren aardige mensen, die juist een zoon hadden uitgezwaaid. De dochter stond op punt van trouwen. Gelukkig niet met mij, want de mensen waren gereformeerd. Een derde telg was dienstplichtig militair en om die reden alleen in het weekeinde thuis.
De ouders hadden op voorhand last van het lege nest syndroom en veronderstelden dat een huurder wat gezelligheid zou meebrengen. Af en toe aan tafel schuiven of een uurtje samen tv kijken, zal de gedachte zijn geweest.
Ik betaalde de huur, trok mijn kamerdeur dicht en viel in een slaap die minstens vierentwintig uur duurde. Ik werd wakker, keek rond en overzag mijn bezittingen. Alleen mijn stereo was in orde. Dat was in ieder geval iets.
Ik werkte op het kantoor van een grote koekfabriek. Het was een flinke ruimte zonder schotten, die vandaag als moderne kantoortuin zou worden aangeprezen. Je had er geen enkele privacy en wist precies wie er verkouden was. Heel vroeg in de morgen verliet ik mijn woonstede, haastte me naar het treinstation enkele kilometers verderop en liet me rijden. Tegen dat ik het pand betrad, werden hier juist de TL lampen ontstoken. De klok wees dan 7.15 uur. Het kantoor rook naar sigaretten, inkt en verveling.
Het eerste half uur deed ik helemaal niets. Af en toe kwam een collega binnen die, na te zijn neergestreken op zijn of haar plek, ook niets deed. Pas wanneer de chefs binnenkwamen, ontstond er beweging.

Van huis uit gewend te buffelen, moest ik nogal wennen aan het werktempo. Dit lag zo laag, dat ik gemakkelijk twee banen had kunnen aannemen.
Er werd ongelooflijk geouwehoerd aan de bureaus. Om tien uur kwam de koffie. Om drie uur in de middag was er thee. Je mocht roken op bepaalde tijden. Daarbuiten zaten sommigen geregeld op de wc te paffen. Was je jarig, dan werd een lied gezongen en kreeg je een cadeautje van je collega’s. Buiten scheen de zon en waaide de wind. De dagdetentie sleepte zich voort.
Hoe ik dit allemaal overleefd heb? Het is de vraag of dit het geval is. Ik arriveerde als halfdode en werd eruit gegooid toen ik nauwelijks nog bewoog. Dit proces duurde tien maanden.

Al snel schafte ik een paar elektrische apparaten aan. Als eerste liet ik een koelkast komen. Het was een bescheiden tafelmodel zonder vriessterren, maar genoeg om de etensvoorraad wat meer houdbaarheid te geven. Het ding stond vlak naast mijn bed te zoemen. Dit hinderde mij niet en ik kon de deur openen zonder op te staan. Een alcoholist zou feest hebben gevierd, maar ik ben geen drinker.

Dagen kwamen en gingen. Op dinsdagavond kreeg ik altijd bezoek van vriend Herman. Hij woonde aan de andere kant van Alkmaar in een tuinhuis op een camping. Er stonden daar nogal veel van die huisjes, dus toen ik hem eens bezocht, had ik moeite hem te vinden. Uiteindelijk herkende ik zijn verblijf aan de vele lege melkpakken die bij de voordeur lagen. Herman kon wel stevig zuipen, trouwens. In mijn kot draaiden we veel muziek, bespraken de politiek en het wereldtoneel en voelden we ons verbonden. Herman was communist, wat goed bij zijn karakter paste. Vergeleken met hem was ik een ideologische zwerver, een scheppend nihilist, geen staat op te maken.
Wat heb je in huis, was zijn standaardvraag.
Kijk zelf maar, luidde steevast mijn antwoord.
Dus opende Herman de witte deur van de koeling en onderwierp de inhoud aan een korte blik.
Een boterham met kaas, stelde hij meestal voor. Om koek gaf hij weinig en gebak was mij te duur. Ik bereidde Herman de gevraagde boterham, als was ik zijn moeder en zette er een pot thee bij.

Mijn ontslag kwam plotseling. De aanleiding was triviaal en zal hier onbesproken blijven. De reden was dat mijn chef genoeg had van mijn vrijpostige aanmerkingen op de gang van zaken. Hij zocht en vond een stok en gaf de hond een klap. De klap was raak.
Het ontslag kwam harder aan dan ik had gedacht. Ik houd niet erg van verandering waarop ik geen invloed heb en begreep snel wat het voor mijn inkomen betekende. Bovendien vond ik dat anderen veel eerder in aanmerking kwamen de laan te worden uitgestuurd. Bijvoorbeeld de chef zelf, met zijn zinloze geschreeuw aan de telefoon en het verzinnen van werkzaamheden die nergens toe leidden.
Ik mocht de maand nog uitdienen, wat ik niet deed. Ik meldde mij meteen ziek en dat was ik ook in feite.

De dagen kropen voorbij. Zoals dat gaat, belde er aanvankelijk soms een collega. Of ik echt wegbleef, want mijn aanwezigheid had wel wat afleiding gebracht. Als ik maar excuses wilde maken, had ik daaraan al gedacht? Ik dacht veel, maar hier kwamen meer vloeken en messen in voor dan excuses. Toch knaagde het. Ik meende mijn collega’s te benadelen door me ziek te melden en weg te blijven tot mijn contract eindigde. Hieronder school het ongeloof, dat ik was weggestuurd door een stel droplullen.

Op de laatste dag die in aanmerking kwam om nog naar kantoor te gaan, stond ik vroeg op. Ik voelde mij bepaald beroerd. Ik kon onmogelijk ontslagen zijn! In werkelijkheid wachtte mij een stapel achterstallig werk! In het wegwerken van bergen werk was ik een kei. Ik zou wel even tonen wat er onder werken verstaan moest worden.
In een soort trance fietste ik naar het station van Alkmaar. Ik stapte in de trein, die zich na enkele minuten in beweging stelde. De vraag waarmee ik eigenlijk bezig was, besloot ik uit te stellen. Mensen die teveel denken en niet handelen, komen immers nergens.

Veel te vroeg arriveerde ik in de buurt van de koekfabriek. Het had geen zin om vroegtijdig het kantoor te betreden en daarbij bestond de kans mijn chef tegen het lijf te lopen. Hij zou mij waarschijnlijk gewoon de deur wijzen nog voor ik uit mijn jas was.
Ik hing rond op het treinstation en stapte iets na 9 uur de winkel van een banketbakker binnen. Een beetje driest bestelde ik vijfentwintig gebakjes. Allemaal even heerlijk en ovenvers. Ik zou mij op kantoor niet laten kennen. Gebak zou ik het vulgus voorzetten! Het was een onverantwoorde financiële aderlating, mocht je wel zeggen. De rest van de week zou ik droog brood moeten eten.

Terug op straat zette ik de gebaksdoos op de motorkap van een auto om mijn jas dicht te ritsen. Aan de overkant van de straat naderden twee mij bekende mensen. Daar kwam de chef aan, die vuile schreeuwbek. Hij werd geflankeerd door Jan, een jongen met wie ik het wel kon vinden. De twee voerden een geanimeerd gesprek, waar ook bij werd gelachen.
Ik gleed weg achter de auto om niet vroegtijdig ontdekt te worden. Mijn kantoorgenoten passeerden zonder zelfs mijn kant uit te kijken.
Verbijsterd over wat ik had gezien, kwam ik overeind om mij meteen rot te schrikken. Iemand tikte me nogal ruw op de schouder.
Wij gaan deze auto toch niet openbreken, maat?
Een beetje verward legde ik uit wat ik stond te doen. Zelfs de gebaksdoos moest open om aan nare gevolgen te ontkomen.

Even later stond ik alleen. De eigenaar was met zijn auto weggereden, een lege parkeerplek achterlatend als een schaduw in de woestijn.
De echte situatie begon tot me door te dringen. Ik leek wel helemaal gestoord om de idioten op kantoor gebak te komen brengen! Een ogenblik overwoog ik de doos in de Zaan te smijten, maar dit ging me toch te ver.
Hevig vermoeid sjokte ik terug naar het station, stapte in de eerste trein die arriveerde en merkte na een half uur dat Alkmaar naderde.

Mijn huisbaas en zijn vrouw waren thuis. Onze blikken kruisten elkaar toen ik langs het keukenraam fietste, de gebaksdoos met mijn verkrampte hand ondersteunend. Ik zette de fiets weg, trok mijn jas los en was duizelig. Woedend was ik ook, op mezelf vooral. Het moment leende zich bij uitstek om mijn ijzeren zelfbeheersing te beproeven. Ik opende de achterdeur, liep het huis in en klopte op de keukendeur.
Ik ben jarig geweest. Kan ik u een gebakje aanbieden?
Jarig geweest. Ja, acht maanden eerder.
In de keuken werd het gezellig. De vrouw ging koffie zetten en de man vertelde over zijn werk voor de dierenbescherming. Dieren waren soms beter te harden dan mensen, vond hij en wie was ik vandaag om hem ongelijk te geven. Aan mijn voornemen zelfstandig te blijven en geen ingehuurd familielid te worden, deed de situatie niets af.

De volgende avond kwam vriend Herman. Stipt op tijd was hij.
Na een korte begroeting richtte hij zijn neus omhoog en vroeg: Wat is hier aan de hand?
Nee, vandaag geen boterham met kaas. Ik had nog achttien gebakjes op voorraad.
Ik gebaarde Herman plaats te nemen in de enige fauteuil dat mijn kamer rijk was. Zelf zat ik op het bed, mijn rug tegen de muur. Naast mij lag de zwarte basgitaar die ik van hem had overgenomen. Ik had nu alle dagen tijd om te oefenen.
Je ruikt de ziel van de koelkast, antwoordde ik droog, ik zou er maar snel kennis van nemen want een volgende kans komt niet snel weer.

Monk

16 september 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.