Alles is niets

| Geen reacties

Na een statement als bovenstaande te hebben bedacht en opgeschreven, heb ik de neiging mijn werk als af te beschouwen. Drie woorden moeten genoeg zijn om een dag over te kunnen nadenken. Met een beetje goede wil gaat er immers een geheimzinnige suggestie van uit. Bovendien zijn drie woorden zo minimaal dat je vooral bij je eigen gedachten uitkomt en die beklijven beter dan gedachten van buitenaf. Also sprach  Zarathustra.

Ik kan de stelling iets uitbreiden. Als alles aanwezig is om onze behoeften te bevredigen, dan hebben we geen behoeften meer, want deze ontlenen hun bestaansrecht aan schaarste.
Eigenlijk is het jammer om zoveel woorden toe te voegen aan de oorspronkelijke cryptische stelling. Ik heb nu al het voorwerk gedaan en zo draait het gemakkelijk uit op een nietes-welles of ja, maar spelletje. Ondanks dat ik mogelijk geregeld uitspraken doe die weerstand oproepen, ben ik de laatste om te willen redetwisten. Ik heb het allang opgegeven op deze manier gelijk te willen krijgen. Ik heb er nimmer een brood voor kunnen kopen, bijvoorbeeld.
Blaise Pascal heeft lang geleden een boek volgeschreven op bovenstaande manier. Het heet Pensées en je kunt er een half leven mee toe. Om een indruk te geven: Pascal stelt dat de rede haar grenzen moet kennen en dat zij moet buigen voor de van God gegeven werkelijkheid. Wie lang op kantoor heeft gewerkt, weet dat hier geen speld tussen is te krijgen. Maar hij had ook kunnen zeggen:  alles leidt tot niets. En dat lijkt verdacht veel op mijn stelling.

Nu ik het toch over God heb: wie de hel wil leren kennen met mogelijkheid tot terugkeer, moet een bezoek brengen aan de halfjaarlijkse verzamelbeurs in Utrecht. Ooit een redelijk te behappen bijeenkomst van liefhebbers en handelaren in antiek en curiosa plus een flinke hoek  met muziekboeren, is dit uitgegroeid tot een mega uitstalling waar de gemiddelde bezoeker een week of drie voor nodig heeft om doorheen te komen. Van enigerlei crisis is hier helemaal niets te merken.

Aangezien ik een liefhebber ben van het edele vinyl met geluidsgroeven, had ik reden om, na jaren van afwezigheid, weer eens mijn neus te laten zien. Mijn vrouw ging mee. Zij had haar eigen voornemens op de Beurs der Beurzen.
Het viel niet mee er te komen. Sinds de Besluitjes van Eurlings ligt het halve wegennet rond de stad overhoop en dan heb je Hoog Catharijne nog niet gezien. Horen en zien vergaat je in het geweld van drilboren en dieselkranen. De junks hebben er geen deel van leven meer.
Eenmaal in de Jaarbeurs ontdekte ik dat er nog andere evenementen waren. In dit geval was er de Margriet Beurs, waarvan ik niet wil weten wat het is. Stewardess types op de futuristische trappen deden het ergste vermoeden.

Het duurde een uurtje om op gang te komen, de dynamiek van de happening enigszins te leren hanteren. Eerst weet je niet waar te kijken. Links en rechts, onder en boven is volgepakt met voorwerpen die je aandacht vragen. Het kind staat in de speelgoedwinkel. Dan is er de aanhoudende en onvoorspelbare beweging: van individuele mensen en van de amorfe meute die zijn eigen bestemming lijkt te hebben. Daarboven dendert muziek, gepraat en geroep, gepiep van mobieltjes, geratel van metalen schuifdeuren, toeters en bellen, een alarm waarop niemand reageert, geroffel van voetstappen, geschuif en geritsel.
Dit alles te duiden, is onbegonnen werk. Er zit niets anders op dan onder te gaan en te proberen de kastanjes uit het hellevuur te halen.

Twee enorme hallen ploegde ik door voor ik mijn veronderstelde Walhalla had gevonden. Enig oriëntatiepunt was een groot terras van plastic tafels en stoelen, hier en daar al bezet, maar voorlopig vooral ervaren als een opstakel. Ik rook koffie en patat en bedacht dat sinds het vorige bezoek de geuren van sigaretten en hasj waren verdwenen.
Ik betrad de wereld van de zwarte muziekschijven, maar wist nauwelijks wat ermee te doen.

De eerste bakken met vinyl die ik doorspitte, behoorden niet eens tot het eigenlijke territorium van de muziekdragers. Ik meed het de verkopers aan te kijken, raffelde geroutineerd en een beetje verveeld door de collectie en liep verder.
Vage gevoelens van onvrede probeerden binnen te dringen. Wat kwam ik hier in vredesnaam doen? En zou de vrouw haar weg wel vinden in deze chaos? Waarom had ik er niet voor gekozen lekker in de zon te gaan zitten, kopje koffie erbij en de tijd zijn werk te laten doen?
Ik vermande me, haalde een handgeschreven verlanglijstje tevoorschijn en drong door tot een stand waar veel mensen stonden. Helaas, hier werden platen aangeboden voor een paar euro en dan weet je wat je koopt: troep. Dus achteruit dringen en naar de overburen. Hier zaten Duitse handelaren die Engels spraken tegen klanten. Ik zag een LP van The Doors die 80 euro moest opbrengen en wist genoeg. Weg wezen maar weer.

Vastbesloten de dag tot een succes te maken, ging ik verder. Tegelijk besloot ik hier nooit meer te komen.
Twee kramen kon ik overslaan. Hier werden alleen singeltjes en cd’s aangeboden en daar kwam ik niet voor. Het kwam neer op tien meter terreinwinst. De volgende stand toonde een speciale bak met Collectors. Echt iets voor mij, want alle overbodige platen zijn er alvast uitgezeefd.
In de bak stonden desondanks aardig wat platen die ik al bezit. De ene kostte 40 euro, de tweede 60 en voor de derde had ik een bril nodig om te geloven wat er stond. Een snelle en ruwe schatting over mijn bezit thuis, gaf reden tot enige tevredenheid. Ik kocht niets en vroeg me af wat me verder te doen stond.

Na twee uur begon ik vermoeid te worden. Ik liep naar het terras, zag dat je alleen kon zitten in gezelschap van onbekenden met volgeladen plastic tassen en koffers op wieltjes en besloot dat ik nu tot zaken moest komen. Pascal kon me wat: ik zou me niet zomaar neerleggen bij de van God gegeven werkelijkheid. Ik moest ophouden me te verwonderen over deze gigantische nostalgiemachine, stoppen me af te vragen waar het heen moet nu alle muziek opgeslagen en bewaard wordt en dit hele archief de komende duizend jaar op ieder willekeurig moment kan worden  aangeboord of aangeboden als iets nieuws. Waarmee het begrip tijd ongetwijfeld een andere betekenis zal verwerven, namelijk die van het Eeuwige Nu.
Ik moest af van de notie dat al die beschikbaarheid alleen maar kan leiden tot verveling en onvrede. Wie zou mij willen aanhoren, laat staan geloven, wanneer ik zou roepen dat de mensen beter huiswaarts konden keren, hun zegeningen tellen en zich verheugen in hun verlangen naar de dingen die wel bestaan maar die zij niet kunnen vinden of kopen?

Terug in het gewoel kocht ik in rap tempo drie platen. Alle veel te duur naar mijn oordeel, maar tenminste waren het gave exemplaren en kwaliteit duurt langer dan de herinnering wat iets heeft gekost. Ik wendde mij af, keek een paar minuten naar het optreden van een matig bandje dat geacht werd de bezoekers te entertainen en begaf me weer richting terras.
Hier had ik op om precies 13.00 uur met mijn vrouw afgesproken. In een centrifuge van herrie, beelden en geuren moet je werken met militaire precisie, anders vind je elkaar niet terug.

Op het terras zag ik iedereen, behalve mijn vrouw. Zij is altijd stipt en dus kreeg ik al snel een onheilspellend voorgevoel. Hier ging iets mis.
Ik wachtte, liep rond het terras om de gezichten te scannen: niets. Na een kwartier vertrok ik naar andere terrassen, voortsnellend door de stroperige massa. Zelfs bij de uitgang keek ik rond: niets. Terug naar het oorspronkelijke terras: situatie onveranderd. Gelukkig hadden we Plan B. nog: ieder voor zich thuis zien te geraken.
Een moderne burger zal zich ergeren aan bovenstaande, denkende: daar heb je toch een mobieltje voor.
Gelijk heeft u. Alleen: ik wil geen mobieltje. Geen onbeperkte bereikbaarheid voor mij. Ik wil me kunnen redden, in de leegte van het platteland, in de snelkookpan van een verzamelbeurs, onafhankelijk van satelliet gestuurde GPS computers.
Te worden teruggeworpen op je eigen vindingrijkheid, de noodzaak tot improviseren, de vrijheid te ervaren, daar gaat het me om. En ja, daar offer ik soms zelfs mijn vrouw aan op, want voor chantage (dat je techniek moet aanschaffen omdat anderen de klos worden als je dit nalaat) mag je nooit buigen.

Onderweg naar huis luisterde ik naar de monotone dreun van de auto. Drie onverantwoord dure platen had ik weggesleept uit de hel van overvloed. Platen die leuk zijn om te bezitten, maar geen wezenlijke toevoeging vormen aan wat echt begerenswaardig is. Ofwel: ik had vooral bijgedragen aan mijn eigen overvloed, thuis in de platenkast.

Pas toen herinnerde ik mij, op de beurs een oude man te hebben gezien. Hij stond bij een kraam vol speelgoed en hield een blikken locomotief in zijn handen. Een onaanzienlijk ding was het, ooit goedkoop geweest, maar destijds waarschijnlijk het hoogtepunt van zijn geringe bezittingen. Een ogenblik hadden onze blikken elkaar gekruist. In de zijne las ik tevredenheid, opperste voldoening. Hij had het doel van zijn bezoek bereikt.

Ik keek in de binnenspiegel van de auto en zag mijn overmatige vermoeidheid, de absurditeit van mijn bezoek, de domheid om mijn vrouw hierin te betrekken, de overbodigheid van mijn aanschaf.
Ik besloot mezelf een brede grijns toe te staan.

MONK             2011-11-21

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.