IJskoud

| Geen reacties

Wanneer begon het?
Op de hoek van de gracht lag een man op straat. Het was winter. De man was ergens tussen 50 en 60 jaar en droeg een wollen jas. Ik stuitte op hem zoals je stuit op een losliggende vuilniszak. Hij lag half op zijn rug, half op zijn zijde, als was hij een schroevendraaier.
Het gezicht toonde een vuile stoppelbaard. De kleur hield het midden tussen grauw en blauw. De mond stootte een deel van een kunstgebit naar buiten. Bewoog hij?
In plaats van medelijden of tenminste mededogen, wekte de man voornamelijk afgrijzen bij me op. In mijn gevoel van het moment was hij niemand. Of hij zou sterven, liet me koud als de winterlucht waarin hij lag en ik stond. Ik keek rond en vond het een merkwaardige situatie.

Zoals dat gaat, kwamen er ongemerkt mensen bij staan. Twee of drie zag ik er, onder hen een man met een hond die wilde snuffelen. Iemand ging bellen. Dit kon niet vanaf de straat, want mobieltjes moesten nog worden uitgevonden. Tussen benen en paspanden van anderen door wierp ik een blik op het gezicht van de man. Veel kans gaf ik hem niet.

Harteloos was ik en dit onderkende ik ook toen al. Langzaam liep ik terug naar het gebouw waarin ik werkte. Het stond in een sombere smalle straat. Ooit waren hier veel  Joden weggehaald door de Duitsers. Dit was allemaal lang geleden en ik werd pas jaren na de oorlog geboren. Met mij had het allemaal niets te maken, maar ik dacht er vaak aan, in mijn werkgebouw.
Ik stapte een kleine bakkerij binnen, kocht een kaasbroodje en vertrok weer. Na een paar honderd meter bereikte ik de kop van de straat waar ik moest zijn. Hier stond mijn auto geparkeerd. Ik meed het te kijken, want ik wist wat het gevolg zou zijn: een sterke aandrang in te stappen en weg te rijden. Met mijn blik naar het asfalt liep ik door, bereikte de deur van de werkplek, een oud schoolgebouw waarin honderd en meer kinderen ooit door de ramen naar buiten hadden gekeken. De portier groette mij joviaal. Hij was geen echte vriend van mij, meer een goede bekende bij wie ik een enkele keer thuis was geweest. Ik glimlachte tegen hem en besliste dat ik tegen niemand iets over de man op
straat zou zeggen.

Veel te doen had ik niet. De afdeling ging over een jaar op de fles, dat was bekend. Een besluit was hierover gevallen, ergens op veel mooiere kantoren met fris meubilair en koffie, opgediend in echte stenen kopjes. Het ging erom de lopende zaken netjes af te handelen. Een makkelijke klus, want de werknemers waren verknocht aan het bedrijf en vooral aan de mensen om wie het ging: kunstenaars die geld kregen voor schilderijen en tekeningen, plastieken en ontwerpen. Meerdere collega’s kochten kunst. Dit ging ik naderhand ook doen.
Ik zette mij aan een bureau in een vertrek dat, gescheiden door een glaswand, lag naast het lokaal waarin de kern van de administratie was gevestigd. Voor deze mensen was ik verantwoordelijk, nou ja, in zekere zin dan toch. Ik verdiende geen stuiver meer dan zij. Veel maakte het mij niet uit. Ik had genoeg om van te leven en de schilderijen in mijn kamer bevielen mij prima. Ze waren van Birker en ik heb altijd spijt gehad dat ik ze niet heb gekocht voor levenslange rijkdom.
Ik schoof een dik dossier onder mijn neus, sloeg het open en verwonderde mij over hoe lang het leven duurt. Het kaasbroodje zou ik pas thuis in mijn jaszak vinden.

In de loop van de middag viel een beetje sneeuw. Het was niet veel, maar juist genoeg om de straat en de daken van de auto’s te witten. Met de collega’s dronk ik thee, luisterde naar een verhaal over een aangeschafte Volvo met meer dan twee ton achter de kiezen. Het vertederde mij te zien hoe de bezitter tevreden was met zijn auto, er juist zo naar verlangde als ik naar de mijne. Tegelijk voelde ik dat het minder ging over auto’s dan
over andere dingen: een soort van lotsverbondenheid. Misschien hierom bleef ik er werken.

Terug op mijn stoel, keek ik naar buiten, de neerwaarts dwarrelende witte vlokken. Het bracht me terug naar winters uit het verleden, winters die ik meemaakte op het platteland dat toen nog isolement inhield. Om niet in de huiskamer te hoeven zitten, ging ik geregeld naar mijn eigen kamer. Dan stond ik een poos voor het raam, uitkijkend op een wit en vastgevroren landschap. Soms ging ik naar buiten om te schaatsen of te voetballen als het kon. Nooit zag ik daar iemand op de aarde of langs de weg liggen, maar wel trof ik een keer in de rietschoot voor ons huis een paar nette schoenen, de neus naar het ijs in de vaart gekeerd. In de schoenen waren sokken gepropt. Op het ijs waren geen krassen van schaatsen te zien. Ik bond mijn achterhaalde houten noren van het merk Nooitgedacht onder. Een heel  goede schaatser was ik niet. Het ging me meer erom dat je vanaf het ijs de wereld vanuit een ander perspectief zag dan gewoonlijk.
Al snel bereikte ik een wak, een plek die door een vreemde trekking van de wind werd open gehouden. Een paar eenden of meerkoeten vlogen op en duikelden over de dijk uit het zicht. De gedachte aan een mogelijk verband met de gevonden schoenen kwam natuurlijk meteen bij me op. Was iemand erin gestapt?
Behoedzaam schuifelde ik rond het wak, verwonderd over het feit dat water en ijs zo pal naast elkaar konden bestaan. Ineens ging ik bijna onderuit. Mijn ene schaats strandde op iets dat een witte ijsmuts bleek te zijn. Een lichte opwinding diende zich aan. Precies de muts die ik al minstens een jaar begeerde! Ik zette hem op mijn hoofd en strikte de veters van mijn noren opnieuw. Zo leek ik wel een echte schaatser, iemand die er wat van kan.
Niemand liet zich zien of horen. De enige geluiden die ik waarnam, waren geritsel in het riet en soms een lichte kraak uit de ijsvloer. Het landschap was leeg en onverschillig, koud bovenal. Veel haast maakte ik niet om naar huis te gaan. Als iemand onder het ijs was beland, was hij ongetwijfeld al dood. Bovendien kon ik niet zwemmen en zo waren er nog een stuk of wat argumenten om niets te ondernemen.

Minstens een kilometer ging ik voort over het ijs. Hier en daar waren sporen van een haas of kat, verder zag ik niets dan sneeuw en ijs, gegoten in de vaste vormen van het landschap. Tenslotte keerde ik om en schaatste kalm terug. Het wak meed ik zorgvuldig. De ijsmuts legde ik bij de gevonden schoenen en sokken.
Er is geen begin. Alles is er altijd al. Je hoeft het alleen maar te zien.

MONK

 

22 januari 2012

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.