Voetzolen

| Geen reacties

Gisteravond ging ik laat naar bed, maar de slaap bleef uit. Deze ongunstige situatie had ik in de hand gewerkt door eerder op de dag in slaap te vallen en bovendien te dromen. De droom ging over mijn vader die boos was op een kleine jongen en hem voor straf met zijn blote voetzolen in een koekenpan duwde die hij eerst flink op temperatuur had gebracht en er zelfs een klont boter in gesmolten. Het jongetje schreeuwde natuurlijk moord en brand, maar ik voelde vooral de loyaliteit naar zijn kwelgeest. Uiteraard: ikzelf was dat jongetje. Op een bepaalde manier droom je altijd over je eigen leven.

Ik verzette mijn gedachten en belandde in een monoloog interieur. Hiervoor had ik mezelf naar de Ardennen verplaatst, waar een vriend en ik in de zomer van 1969 met de brommer naartoe reden.
Dit te doen was mij door mijn ouders scherp verboden. Om te bevorderen dat ik mij aan de regels hield en binnenslands bleef, had ik geen enkel identiteitsbewijs meegekregen. Bij de grens zou ik worden afgestopt door agenten in uniform. Arme ouders. Binnen drie dagen zaten we in Belgenland. De grenspost onder Maastricht waren we op topsnelheid gepasseerd.
In het hellegat Somme Leuze raakten we in gesprek met twee zusjes van onze leeftijd. Ze waren bezig de vloer van een groot uitgaansetablissement schoon te maken met emmer en mop. Het draaide er op uit dat we nog dezelfde avond in een andere verschrikking van armoede terecht kwamen. Dit was een dorpskroeg in het dorp Haversin. Hier woonden de meiden met hun moeder, die kroegbazin was. In het café was niets te doen dan te roken en te drinken. We moesten vooral stil zijn omdat er een vergadering van boerenkinkels aan de gang was. Pas toen zij waren opgehoepeld, werd het leuker.

In mijn bed stelde ik het zo voor dat ik de achterliggende tijd met de jonge vrouwen van destijds doornam en wel in de Franse taal. Sodeju! Ik kwam er vlug achter dat ik veel woorden was vergeten. Wat was ook weer verhuizen? En hoe moest je goederentrein in het Frans zeggen?
Dit laatste woord had ik nodig om mijn herinnering toe te lichten aan het passeren van een ellenlange onverlichte goederentrein, midden in de nacht, op nog geen vijftig meter van het café. Nooit eerder had ik, slechts bijgelicht door een enkele straatlantaarn, een trein zien en horen passeren. Het klonk naar geweld, een sinister gevaar.

Na mijn brein te hebben gepijnigd om vergeten woorden te achterhalen, viel me in dat we destijds een gebied doorkruisten waar 25 jaar eerder het Ardennen Offensief had plaatsgevonden, de laatste hevige militaire stuiptrekking van het Derde Rijk. Verdomd: in 1969 lag het centrum van Bastonge er nog altijd zwaar geschonden bij. Wat is 25 jaar ook helemaal? Meer nog is mij de uitgestorven staat bijgebleven van de talloze Ardense dorpen en gehuchten die wij passeerden. Huizen leunden somber over smalle straten, de luiken gesloten. Meestal was er zelfs midden op de dag geen mens te zien, zelfs geen hond of kat. Het geluid van onze brommers weerkaatste tegen blinde muren. Geen wonder dat we waren gestopt bij de uitspanning waar we de meisjes hadden getroffen. Hier was ruimte rond een fris gebouw en de aanwezigheid van een paar geparkeerde auto’s wees op menselijk leven. Dorst hadden we, wat op onze leeftijd van toen hetzelfde betekent als trek in een biertje.

Ik werd me bewust van de pijn in de kop van mijn arm, een hardnekkig euvel dat ik dank aan een valpartij tijdens het schaatsen in de voorbije winter. Het keren van mijn lichaam onder het dekbed duurde nogal. Mijn oog gleed over de wijzerplaat van de wekker. Een vol uur was voorbij. Op straat was het muisstil. Ik sloot mijn ogen.
Een beeld: het is winter. Ik sta voor het raam van de woonkamer van het ouderlijk huis. Mijn reis naar de Ardennen is minder dan een half jaar geleden. Ik heb een briefje ontvangen van een der meisjes en bedenk wat ik zal terugschrijven. In gedachten formuleer ik zinnen, maar ervaar dat ik allerlei woorden in het Frans niet ken en zal moeten opzoeken. Buiten gebeurt niets. Ik buig steeds verder naar voren om een groter deel van de wereld te zien. Het scheelt weinig of ik kletter voorover tegen het raamglas. Achter mijn rug snort een oliekachel, een lelijk ding waaraan ik een keer mijn voeten heb gebrand door ze er, gevoelloos geworden door de vrieskou, vlakbij te houden. Mijn vader was de woonkamer binnen gekomen en op dat moment maakte ik een verkeerde beweging, misschien uit vrees dat hij een vervelende opmerking zou maken. Ik brandde mijn voetzolen ongenadig, maar gaf geen kik. Ik schreeuwde en huilde alleen in mijn hoofd. Zelfs wachtte ik nog wat voor ik mij onhandig uit de kamer terugtrok en op de bovenverdieping mijn voeten onder de koudwaterkraan stak.

 

Monk
5 maart 2012

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.