Werkvloer 13

| Geen reacties

 

Je hebt mensen die meebuigen met de wind. Ze nemen het leven zoals het komt. Hen is gewoonlijk een plezierig arbeidsleven beschoren. De op de arbeidsladder lager geplaatsten  tonen bereidheid tot het ontvangen van richting en leiding. Zij hebben een neus voor waar je moet zijn en wanneer je achter wie moet gaan staan. Het leven moet immers draaglijk blijven ofwel gezellig. Dit is niet noodzakelijk een doelbewust opportunisme of lafheid. Het is ingebakken in de aard van mensen om veiligheid en steun te zoeken. In een school vissen of zwerm spreeuwen zijn de dieren in het midden het beste af. Meebuigende chefs suggereren een vermogen tot inleven en bereidheid om anderen ruimte te geven, het beste uit hen te halen. Meestal zijn ze gewoon bot en opportunistisch, gericht op hun eigen positie. Zij buigen alleen voor wind van bovenaf.

Mij is weinig van al deze eigenschappen gegeven. Ik ben te eigenwijs, neem de zaken te serieus, heb onbuigzame opvattingen, wil teveel zelf denken en beslissen. Evenmin ben ik in staat elke dag te  sturen en opdrachten uit te delen. Ik leg uit wat er moet gebeuren en neem zelf het voortouw in de afhandeling. Ik ben kortom ongeschikt voor bijna alles.

De eerste sessies rond de reorganisatie komen op gang. Tot op heden zijn de overal in de stad gevestigde raadslieden onze verplichte afnemers geweest. Nu zij voortaan worden betaald door de afzonderlijke stadsdelen, is het van belang hen als vrijwillige klant te behouden. Dus ligt het voor de hand om hen als groep aan tafel te krijgen. Inventariseren en argumenteren, deduceren en concluderen. Dat onze baas een dergelijke dag wil uitbreiden met een gezamenlijke lunch is begrijpelijk. Dat hij de collega’s van de administratie opdraagt boodschappen te doen, broodjes te smeren en appels op te poetsen, stuit op verzet. De betrokkenen klagen steen en been over het huishoudelijke werk. Ze klagen tegen mij, niet tegen de baas. Ik heb natuurlijk de pest in omdat de baas de opdracht buiten mij om heeft verstrekt. Dus wacht ik tot hij langs mijn kamer loopt en roep hem binnen.
Waarom hoor ik van de collega’s dat ze voor koffiejuffrouw moeten spelen?
De baas kijkt of hij een draai om zijn oren krijgt.
Jij was er niet en ik moest snel beslissen.
Ik was er niet? Ik ben er altijd. Zal ik mijn verzuimstaat er even bijpakken?Wanneer was ik er niet?
Het liefst had ik er stomme ouwehoer aan toegevoegd.
Het ging gewoon staande een bijeenkomst in Zuid.
Toen hij op bezoek was bij een stadsdeelbestuur.
Je hebt het hier toch tegen de mensen gezegd? Ik vind dat je mij had moeten informeren.
Ik weet heel goed waarom ik gepasseerd ben. Negeren is een krachtig en ongrijpbaar wapen.
Nou, ik heb de vraag gewoon neergelegd bij de administratie.
Gewoon neergelegd.
Ja ja.
In een enkele klank kan een wereld van afkeuring besloten liggen. Ik probeer te redden wat er te redden valt, want gedane zaken nemen geen keer.
Over de lunch. Ik ken een bakker die voor schappelijke prijzen een complete bestelling aan belegde broodjes aflevert.  Ze hebben borden en bestek van plastic. Geen afwas, na afloop alles in de vuilbak.
Nul op het rekest krijg ik natuurlijk. Hij heeft iets anders bedacht en orders gegeven. Daar kun je niet op terugkomen. Dat heet gezichtsverlies.
We hebben er geen budget voor. Zelf doen blijft het goedkoopste.
Het lijkt wel of ieder gesprek tussen ons gedoemd is.
Budget? Wat kan ons dat schelen. We worden weggesluisd door de centrale dienst en jij wilt hen vijftig gulden besparen door zelf brood te gaan smeren? Nou ja, zelf.. De administratie dus.
De baas negeert mijn venijnige zijdelingse opmerking. Hij is een man die kan meebuigen. Nog altijd staat hij voor mijn bureau. Ik blijf gewoon zitten. Het scheelt weinig of ik vraag hem koffie voor me te halen.
Nu ik hier toch ben.
Het gaat om mijn auto. De baas wil dat ik op de dag van de bijeenkomst mijn auto meebreng. Om na afloop een groepje raadslieden naar een buitengewest terug te rijden. Ik mijn auto meebrengen? Mijn mooie klassieke Alfa Romeo?
Het is vooral zijn terloopse, respectloze gedachtegang die mij ergert: dat is waar ook, we hebben een auto nodig, dus breng die van jou maar mee.
Er hoort een praatje voor de vaak bij.
Na zo’n dag is dat wel zo sympathiek. We moeten nu eenmaal flexibeler worden.
Ik schiet in de lach.
Flexibeler? Dan wat? Dan wie? Sinds wanneer is dit een taxibedrijf?
Er kan geen sprake van zijn. De baas schiet weer in een bekende rol: hij speelt de getormenteerde leider die wordt tegengewerkt.
Dus niet. Nou, dan los ik het wel anders op.

Op de dag van de bijeenkomst verdwijnt het klagen van de administratie als sneeuw onder de hoogtezon. Ieder heeft zich leuk gekleed en vermaakt zich uitstekend. De lunch wordt vrolijk opgediend. De magere haaibaai die een telefooncursus volgt om van haar vijandige gesnauw af te geraken, sopt na afloop de tafels schoon. De dweilen zet ze in de spoelbak van de kantine. Naar later blijkt met een flinke dosis bleekwater, waardoor een collega de volgende morgen haar kleding verpest. Ik doe de hele dag niets, behalve broodjes eten en losse gesprekken voeren met onze bezoekers. Er komt een gedachte bij me op: dat niet de raadslieden iets te beslissen hebben, maar hun opdrachtgevers, de bestuurders van de stadsdelen. En die zijn er niet.
Ruim voor de dag ten einde komt, vertrek ik met stille trom. Doodmoe ben ik en eenmaal thuis schop ik onverschillig naar een balletje waarmee de poes wil spelen. Ik raak mijn vriendje en hij verdwijnt aangeslagen onder de bank. Geschrokken probeer ik hem tevoorschijn te praten, maar zijn antwoord bestaat slechts uit een nijdig blazen. Ik maak alleen nog maar vijanden.

Van mijn vorige baan heb ik een stuwmeer aan vakantiedagen meegebracht en hiermee spring ik zo zuinig om dat ik er jarenlang profijt van heb. Ik neem bijna nergens vrij voor en dus kan ik in de zomer gemakkelijk vijf weken achtereen op reis. Om bezwaren te voorkomen, laat ik mijn baas al in februari voor toestemming tekenen. Ik bewaar het briefje tot hij een keer goed geluimd is en steek het tussen de brieven die getekend moeten worden. Een verstandige benadering, want een week voor mijn vertrek begint de baas te begrijpen hoelang hij het zonder zijn favoriete chef administratie moet stellen.
Vijf weken?! Daar kan ik geen toestemming voor geven.
Ik wapper het lang geleden ondertekende briefje voor zijn neus heen en weer. Ik ben onderhand zo wantrouwend, dat ik hem een kopie toon. Afpakken of kapotscheuren zal hem dus niet helpen, mocht hij op het idee komen.

Eenmaal op reis, lig ik een week ziek in de tent en rijd in Portugal op een haar na een man dood die lopend de snelweg oversteekt. In de auto stinkt het naar verbrande rubber van het remmen. In mijn spiegel zie ik hem rond zijn as tollen en doorlopen. Ik ga niet terug om te kijken hoe het met hem is. Problemen kun je beter niet opzoeken. Die komen vanzelf naar je toe.

Monk

29 mei 2012

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.