Werkvloer 15

| Geen reacties

 

 

Zelden valt precies aan te wijzen wanneer iets begint. En voor wie, want dat maakt uit wanneer je met meer bent. Desondanks zijn er ontwikkelingen en aanwijsbare stappen op de weg naar het onomkeerbare.

Was het een jaar eerder? We zijn in het kantoor waar ik mijn dienstverband ben begonnen. Het is een somber gebouw dat allang eens gezandstraald moest worden, waaraan het vuil van minstens een halve eeuw stadsleven zich heeft gehecht.
Ik ben in mijn werkkamer en doorploeg een metalen ladekast. Hierin zit het archief van de afdeling, chaotisch opgeborgen door wie er toevallig mee werd belast. De baas biedt alsmaar nieuwe stukken aan, brieven en memo’s, overzichten en statistieken, krantenberichten en notulen.
Maak er maar een nieuw mapje voor, is de vaste opdracht die ermee gepaard gaat. De man heeft geen notie van archivering. Nooit is hem ter ore gekomen dat het een vak is: misschien saai en bedoeld voor bajesklanten, maar toch werk voor een professional. Zo weet niemand hier iets over een wettelijke bewaarplicht voor bepaalde stukken. Ik ben in dit opzicht eveneens een amateur, maar leer snel bij en bovendien heb ik een eigenschap die de baas ontbeert: ik gooi weg wat mij voorkomt als overbodig. Wat mij betreft is alles buiten contracten en wettelijke bepalingen na hooguit vijf jaar waardeloos. Mijn opvatting, die ik vorm geef in de slogan een archief moet toegankelijk zijn, is de baas een gruwel. Hij moet er niet aan denken, ooit ergens aan iemand niet het juiste papier te kunnen voorleggen, ook al is de situatie allang veranderd en het papier achterhaald.
Om nieuwe woordenstrijd te voorkomen, pak ik een kartonnen doos waarop Klinion Wondverzorging  staat. Deze vul ik en breng hem als terloops naar beneden, naar de container, de weg naar de vuilverbranding. Zo gaat het minstens vijf keer achtereen.

Buiten huilt de sirene, een over heel het land uitgestrekte vloedgolf van lawaai die de burgers moet waarschuwen ingeval er een calamiteit op komst is: een aardbeving, een brandend vliegtuig met kernafval, een zwerm sprinkhanen, treinstellen vol ambtenaren, een gifwolk. Niemand schenkt ook maar enige aandacht aan de maandelijkse herrie, maar ik kan er slecht tegen. Ik sta bij de archiefkast en druk vingers in mijn oren. Ik ervaar mijn kamer nu als een aquarium, met prettig vage geluiden.
De baas stormt binnen en roept iets. Het zou best kunnen dat hij tegen mij praat. Ik trek mijn vingers terug. Tegelijk stopt het lawaai van de sirene.
Hoor je de telefoon dan niet?!
De baas blaft ongeduldig.
Dat is de bedoeling, antwoord ik onbedoeld dubbelzinnig.
Ik probeer je al vijf minuten te bereiken!
Het spreken in verongelijkte uitroeptekens heb ik altijd armoedig gevonden.
Onmogelijk. De sirene duurt hooguit twee minuten.
Soms ben ik ad rem.
De baas reconstrueert in zijn hoofd de gang van zaken. Je ziet hem denken. Het lijkt niet waarschijnlijk dat een werknemer met de vingers in zijn oren staat zonder dat er een reden voor is. Zelfs bij de lastige Monk is dit onwaarschijnlijk.
Schiet het al op met het archief?
Je bedoelt die kast?
Jarenlang er een bende van maken en dan praats krijgen als je er een nieuwe knecht voor hebt gevonden. Ik raak een beetje geprikkeld.
Er is meer werk te doen. We moeten de komende Staf doornemen.
Ik ben gewend noch bereid te worden gekoeioneerd. Het is of mij drie opties worden voorgelegd: mij schikken naar de baas, vluchten zoals mijn voorganger deed of de strijd aangaan.
In de deuropening achter de baas verschijnt een collega, een van de mensen voor wie ik verantwoordelijk ben. Ze is mij al eerder opgevallen natuurlijk, maar ik maak er geen gewoonte van met bijbedoelingen naar collega’s te kijken. Ik zie dat ze mijn ogen zoekt. Een vluchtig lachje trekt over haar gezicht. Dan is ze weg.
Goed. Ik kom wel. Het was prettig geweest een behoorlijk archief aan te treffen, in plaats van deze puinhoop.
Mijn houding is nog onbeslist: een beetje meebuigen, een snuifje verzet.

Alles wat tegen je aard ingaat, kan slechts tijdelijk worden volgehouden. Mijn natuurlijke habitat is de buitenlucht, kale akkers, opkomende regen, zonlichtvlekken over het land, een windvlaag door het graan, een tractor die op afstand bromt. Van mij verwachten dat ik probleemloos functioneer op een kantoor is al een krachttoer. Maar het echte probleem ligt in mijn relatie met ieder die macht verwart met gezag. Dit gaat verder dan directe confrontaties met malloten. Het is verweven in werkprocessen, wachttijden, onuitgesproken verwachtingen, de stroomlijning van enthousiasme en in verborgen agenda’s. Aanhoudend te worden afgeremd of juist opgestookt, je eigen tempo en methoden moeten opgeven, te ervaren dat je kennis en capaciteiten worden genegeerd, je moet meewaaien met veranderlijke winden, bereid zijn tot kantelende meningen en je schikken in andermans emoties, dag in dag uit. Je uitlevering aan een dergelijk systeem normaal te moeten vinden en bereid zijn dit aan anderen op te leggen. Dit is de ware kern van mijn onvrede tegenover de arrogantie en bemoeizucht van deze kerel die mijn baas is, iemand die denkt dat hij zich op elk gebied van mijn identiteit mag begeven, op mijn ziel mag trappen wanneer het hem uitkomt.

De collega is getrouwd en ik ben de laatste die aan een huwelijk zal morrelen. Dus negeer ik haar en mezelf in alles dat de werkrelatie overstijgt. Ik besta uit een publiek deel en een privaat deel en daar staat een dikke muur tussen. De relatie met mijn eigen vriendin is vredig en inhoudelijk, maar we leven als broer en zus, niet als man en vrouw. We hebben ieder onze eigen woning. Haar inkomen komt van het hoofdkantoor dat mij in zijn arbeidsgelederen heeft opgenomen. Mijn vriendin heeft kortom een uitkering. Niets mis mee wat mij betreft, tot de idee van samenwonen opkomt. Deze stap betekent voor haar verlies van zelfstandigheid en voor mij een aderlating in een toch al niet riant salaris. Daarbij moet ik een aanzienlijke studieschuld afbetalen. Mijn vriendin zou dus moeten werken, maar de tijd is soepel en zonder scherpe kanten. Ik eis niets van haar en zij neemt geen verantwoordelijkheid. We komen bij elkaar in het weekeinde en een dag midden in de week. Zij vooral bij mij, want ik woon leuker en verzorg een huisdier, de onovertroffen Kat Karel. Zo gaat het en de tijd verstrijkt.

Ik merk weinig van veranderende gevoelens en erotische spanning op het werk. Het is iets voor anderen met problemen. Ik zie het bij een collega van de Staf. Hij heeft vrouw en kinderen, maar valt op een verse jongedame met een grappig accent. De werkvloer is een relatiemarkt. Hieraan toegeven is een andere zaak. De zomervakantie nadert en ik wil met mijn vriendin een autoreis maken die ver weg voert van dit kantoor.
Tegen die tijd staat de collega aan mijn bureau. Ze vraagt of ik zin heb om vanmiddag iets te drinken op het terras bij de Stopera. En ik stem toe. Wij zetten onze voelsprieten uit, praten en lachen, drinken een biertje en gaan ieder ons weegs.
Iets later organiseert iemand een etentje voor de administratie . Misschien ben ik degene die het adres voorstelt. Het vindt plaats op een vrijdagavond, einde werkweek. Ik heb toevallig de hele dag vrij en spreek af op een bepaald uur daarginder te zijn. Maar ik ben zo bekaf dat ik de afspraak vergeet. Ik word uit mijn bed gebeld door de vrouw, mijn collega. Ik rep mij door de stad om alsnog aan te schuiven. Gezamenlijke activiteiten zijn mij een gruwel, maar een etentje met de administratie mag een keer. Ik stuif binnen, excuseer me en kijk rond. Mijn lege stoel staat naast die van de vrouw en een oud spel begint: ik voel haar been hardnekkig tegen het mijne drukken en ik laat het gebeuren.

Monk

5 juni 2012

(Foto: Monk)

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.