Werkvloer 21

| Geen reacties

 

Wij komen en gaan, trekken sporen over een terrein vol littekens. Het brein verwerkt bergen informatie: feiten, overwegingen, gevoelens, pijn en vreugde. Ieder van ons is even uniek als onderdeel van een groter geheel. Genmateriaal bewijst dat we resistent werden voor gevaarlijke bacillen en virussen en vatbaar bleven voor andere moordenaars. Om ons heen en van binnen woedt een strijd die leven heet, dag in dag uit, van de eicel tot de dood. Waar de ene strategie faalt, ontstaat een volgende. Intussen verstrijkt de tijd.

De baas heeft onderhand begrepen wat onder zijn neus gebeurt. Dat uitgerekend die verdomde Monk aan zijn aandacht ontglipte en bovendien een andere personeelslid meesleept, ervaart hij als een persoonlijke nederlaag. Terwijl ik bij de huisarts en de bedrijfsarts loop en het al lastig genoeg vind de meest noodzakelijke primaire handelingen te verrichten, schrijft de baas een dikke brief naar het hoofdkantoor, afdeling PeeZet.
Zijn vaste contactpersoon hier stuurt de brief terug, want er staan zoveel ongeremde uitlatingen in dat hij onmogelijk behandeld kan worden. Ook een bijgeschaafde tekst wordt geweigerd, waarna een derde poging volgt. Graag had ik het gezicht van de baas gezien bij het herschrijven van zijn aantijgingen aan mijn adres. Maar ik weet voorlopig van niets.

Mijn minnares woont een paar weken bij mij nadat zij uit haar huis is gegooid. Zij wordt gestalkt door haar man, die doordraait van jaloezie en andere emoties. Hij waagt het echter niet bij mij aan te bellen of in te breken.
Mijn inwendige strijd over de vriendin die ik liet staan, gaat onverminderd door. Tegenstrijdige gevoelens en overwegingen botsen op elkaar als onderaardse continenten en met vergelijkbare gevolgen. Met mijn nieuwe lief leef ik van het ene hoogtepunt naar de volgende bodemloze put. Het gaat van schaterlachen naar gedachten over zelfmoord.
In Amerikaanse rampenfilms mag de beschaving overeind blijven, de praktijk toont een ander beeld. Waar brand om zich heen grijpt of water naar binnen kolkt, is het ieder voor zich. Ook dit is de kracht van het leven en wie onderuit gaat of achterop raakt, is gezien. Ineens met een nieuwe en aangeslagen partner leven in een kleine etagewoning omringd door geweld van pneumatische boren en hamers van Stadsherstel, wordt mij te zwaar. Het komt erop neer dat mijn vlam teruggaat naar haar man en bovendien naar kantoor. Ik weet niet wat erger is en het is alweer door mijn toedoen.

Na enkele weken landt de brief van het hoofdkantoor op mijn deurmat. Formeel een vreemde kwestie, want de bedrijfsarts houdt mij voor ziek en arbeidsongeschikt. Ik moet verschijnen bij PeeZet en de baas zal hierbij aanwezig zijn. Ik laat het hoofdkantoor weten dat ik zal komen, maar dat de baas hoogstens aanwezig mag zijn waar het gesprek gaat over het werk. Met mijn privé heeft hij niets te maken. Een afschrift stuur ik naar mijn kantoor, opdat de baas bijtijds mijn standpunt kent.
Waarom leg ik de oproep niet gewoon naast me neer? Het is al onverantwoord auto te rijden. Ik voel dat ik beter kan thuisblijven, maar ben nu eenmaal ingesteld op het nastreven van oplossingen. Ik arriveer zelfs op tijd. De baas is nergens te bekennen. Ik mag zijn brief lezen, maar geen kopie maken. Ik lees leugens, hatelijkheden en rancune. Het schuim moet de baas op zijn bek hebben gestaan.

In de woonkamer staat tien dagen lang een betonmolen. Mijn vloerkleed en andere spullen worden beschadigd. Een timmerman plaatst een nieuw raam minstens 5 graden uit het lood, maar laat zich van zijn fout niet overtuigen. In de nacht kraken de vloeren en scheuren de muren. Een idioot wil vlak voor het weekeinde de wc pot weghalen en van de bovenburen wordt een racefiets gestolen. Mijn voorstel tot tijdelijke verhuizing wordt afgewezen. Na een dag van afwezigheid is mijn vriezer ontdooid. De heren bouwvakkers hebben kortsluiting veroorzaakt. In het portiek steken naakte koperdraden een middelvinger op.

Op kantoor wordt mijn ongelukkig lief in genade aangenomen. De baas is blij met haar terugkeer, maar hij juicht te vroeg. De vulkaan houdt slechts een adempauze. Gebeurtenissen volgen elkaar zo snel op dat de volgorde mij ontgaat.
Van een collega in de Staf huurt mijn vlam een woning, drie straten van waar ik woon. Haar man fietst als een agent van de Stasi door de stad en belt driftig aan bij deze woning terwijl wij in elkaars armen liggen. Het contact met mijn vroegere vriendin duurt eveneens. Haar verdriet maakt mij ongelukkig, maar haar verdriet is erger. Ik zou een tijdje opgesloten moeten worden in een verlaten bunker in de Ardennen.

Een samenloop van omstandigheden kun je het noemen, een ongeluk komt zelden alleen. Schuldgevoel hoort bij wat je onder beschaving mag verstaan, maar erg productief is het niet. De mens neigt aanhoudend tot overschatting van zijn belang, in persoon en in soort. De dingen gebeuren omdat ze voor de hand liggen, in mijn geval omdat de karakters van de baas en mij onverenigbaar zijn, gedoemd tot confrontaties. Tegelijk is de mens kwetsbaar, een enkele plantenstengel in de wind.

Om de baas dwars te zitten, schrijf ik een korte verklaring voor mijn collega’s. Vooral zijn slinkse poging het zo voor te stellen dat ik op zijn aanwijzing ben vertrokken, zit mij dwars. Ik houd mij aan feiten, verwijt niemand iets, de baas wordt voornamelijk genoemd om zijn positie op de tribune te benadrukken. Op een avond fiets ik naar kantoor en verdeel mijn toelichting over de postbakjes. De baas mag geen gelegenheid zien om mijn versie van de situatie te onderscheppen. Na zijn brief aan PeeZet acht ik hem tot alles in staat. Een enkele collega reageert, maar daar blijft het bij en het genoegen is aan mijn kant.

Mijn oude vriendin en ik hervatten onze LAT, maar gedane zaken nemen geen keer en voor een relatie is de overtuiging van beide kanten nodig. Het komt erop neer dat ik niet meer wil. Het gekregen schilderijtje van mijn lief leidt tot ruzie. Misschien stuur ik aan op een besluit van mijn vriendin, schandalige lafaard die ik ben. In oorlog en liefde is niet alles toegestaan, maar het gebeurt wel allemaal. Voor de tweede keer gaat zij naar huis en nu voorgoed.

Zo komt de weg vrij voor een andere stap die eveneens definitief zal blijken. Mijn lief trekt opnieuw bij mij in. Aan haar kantoorgang komt een einde, net als aan haar huwelijk met de man die zich van zijn meest gierige en miezerige kant blijft tonen. Allen zijn we gemankeerd en moeten worstelen met onze tekortkomingen.

De buurtcommissie van Stadsherstel komt langs: of ik wil meewerken aan het rechtzetten van het frontvenster dat door een bouwvakker scheef is geplaatst. Het is vanaf de straat te zien. Ik stel mij hard op, schoon genoeg als ik heb van de herrie, tegenwerking, stompzinnigheid en het brallerige machismo van bouwvakkers, het handjeklap van opzichters en het loeren van een oude vrouw tegenover mijn woning. In de schaduw
van haar gordijnen glinsteren brillenglazen.
Ik toon de commissie het derderangs herstelwerk achterin de woning. Het gewraakte venster mag wat mij betreft rechtgezet worden, op voorwaarde dat aan de scheuren en afgetimmerde gaten naar behoren wordt gewerkt. De commissie druipt af en van herstel komt natuurlijk niets. De op mijn dak gestuurde nestor heeft niets te bieden dan kletspraat en morele verontwaardiging.

Is het een jaar later? Waar het de baas betreft, staat de klok in mijn hoofd stil. Mijn aversie tegen hem is onverminderd hevig. Op een dag zie ik hem in mijn woonbuurt lopen. Ik zit in de auto en moet mezelf krachtig toespreken om hem niet moedwillig overhoop te rijden. Ik leef voortdurend op de rand van depressie en instorting en deze kerel loopt gezellig te babbelen met een kornuit.

Op een dag gaat de telefoon. Het is mijn vader. Hij heeft iets in de krant gelezen.
De baas is dood.
Ik geloof het pas wanneer een dag later een passende envelop binnenkomt. Deze is niet geadresseerd aan mij, maar aan mijn lief. De baas is 100% overleden en morsdood.
Na een kort ziekbed staat erbij en een mededeling over steun aan het Aidsfonds.
Wie denkt dat ik een gat in de lucht spring, heeft het mis. Mijn gevoel bestaat uit een mengsel van ongeloof en intense woede. Het is alsof mij de reden van mijn afgrijzen over alles wat met kantoren samenhangt wordt ontnomen.
Een kort ziekbed? Het had een ellenlang ziekbed moeten zijn.
De slaap blijft weg. Ik sta aan zijn sterfbed en lees hem de les: over wat hij te zoeken had op het nachtelijk Centraal Station waar hij werd bestolen en geslagen, waarom hij tegen onze jonge telefoon Marokkaan aanschurkte, hoelang hij wist wat hij mankeerde en desondanks doorging het leven van anderen te verpesten. In mijn gedachten en dromen schop ik hem dood, enkel om hem te kunnen opgraven en nog eens te vermoorden.

Het verhaal kent geen goede afloop. Het duurt nog jaren voor ik hersteld ben, evenwichtig en in een beter humeur geraak. Natuurlijk is er schuld: bij de baas, het hoofdkantoor, bij mezelf. Er is altijd schuld. De mens wil verklaren en zijn leven beheersen. Zonder schuld gaat het niet. Hierna volgt even onontkoombaar boetedoening, lees vooral Dostojevski erop na.
Ik betaal voor mijn eigenzinnige houding, verzet, karakterfouten, misplaatsing in het werk. De baas gaat de kist in omdat hij zijn driften volgde en pech had. Zijn zucht naar controle heeft hem niet gebracht wat hij nastreefde. Zelden krijgen we wat we willen. We willen teveel en de verkeerde dingen bovendien.
Ik praat er op straat over met een vrouw die ooit mijn baan heeft gehad, de baas dus goed heeft gekend en hem bijtijds is ontvlucht. Ik doe luchtig over de kwestie. Ik zeg: zand erover. Met een lach gaan we uiteen.
Op een brug staat een begrafeniswagen. Twee kraaien leunen tegen de zijkand en eten een kroket. Ik loop er met een boog omheen. Nee, het is mijn tijd nog niet.

Monk

14 juni 2012

(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.