Werkvloer 3

| Geen reacties

 

Het is juli en volop zomer. Volgens de kalender tenminste.
Ik kijk neer op een beregende straat in het hart van Amsterdam. Af en toe schuift een auto langs. Paraplu’s verplaatsen zich als de schilden van grote insecten. In een winkeltje voor heilzame stenen schuilen toeristen. Bij de snackbar, te herkennen aan een gele lichtreclame, staat een junk. Ik ken hem niet, maar herken hem wel. Ook hier binnen is het onaangenaam. Mijn kamergenoot is met vakantie. Zijn bureau is zo leeg dat de vraag zich aandient of daar gewoonlijk iemand met een baan zit. Ik kan geregeld met hem lachen, maar verlies niet uit het oog dat hij een onderkruiper is, een Linke Loetje, een jongen die te lang bij zijn ouders heeft gewoond, geen vriendin heeft en er juist wel een begeert en dus naar alle vrouwen loert. De temperatuur in de werkkamer is te laag. De verwarming is allang afgezet. Het is immers zomer.

Het jaartal is 35. Zo lang loop ik rond op de aardbol. Op dit adres werk ik pas een maand of zes. Mijn vorige afdeling is van hogerhand opgeheven, met als gevolg een aantal sollicitaties van mijn kant. Je moet toch wat en hernieuwde werkloosheid is geen optie. Bij mijn vertrek is een bescheiden feestje gegeven. Alle collega’s waren aanwezig, zelfs de chef met wie ik op het laatst nog ruzie heb gemaakt. Nou ja, zo stonden we quitte, want ik zat ook in de commissie die hem in het zadel hielp en veel tot stand gebracht heeft hij niet. De overstap heeft me vooralsnog weinig geluk gebracht. Van een zinkend schip ben ik overgestapt op een drijvende doodkist.

Verhuizen is een onderschatte gebeurtenis. Het geeft minstens tijdelijk een gevoel van onveiligheid. De kaarten worden opnieuw geschud, maar het zijn oude kaarten, met geniepige oormerkjes.
Ik pak mijn meegebrachte boterhammen, sla mijn agenda open en overzie de tijd die voorbij ging. Vijf jaar geleden hield mijn studie op. Ik heb een behoorlijk diploma gehaald, nog een jaar doorgebuffeld aan de universiteit. Tamelijk onverwacht opende zich het moeras. Ik verloor het perspectief en de overtuiging, zag de rekening van de studieschuld alsmaar stijgen, hield mijn leven tegen het licht van de landelijke werkloosheid. Niemand zei het, maar we bereikten het einde van het vooruitgangsdenken, het optimisme van na de wereldoorlog. Everything is coming to a grinding halt. Met moeite raakte ik aan het werk, maar met mijn opleiding noch belangstelling had het iets te maken.
Ik kijk neer op een natte straat van de Amsterdamse binnenstad en denk wat ik elke dag denk en meteen onderdruk: dat ik hier beter nooit was geraakt.

Zomertijd. Komkommertijd. Ik neem de lift naar beneden en loop naar de portiersloge. Deze geeft toegang tot het kantoor waar ik werk, maar loodst ook personeel en klanten door naar een ander gebouw dat wegens een verbouwing via de tuin moet worden betreden: het Bevolkingsregister, in de oorlog toneel van brandstichting en daarna van een kruiperige houding van mijn voorgangers. Zij deden hun uiterste best de halfverbrande en door bluswater drijfnatte papieren te redden en opnieuw te rangschikken. Zo dienden zij de bezetter en de ondergang van stadgenoten, waarschijnlijk zonder zich dit te realiseren, in ieder geval zonder zich voldoende rekenschap te geven.

De portier is een kameraad voor mij. Dit is het geval sinds ik enkele speelgoedautootjes voor hem heb meegebracht. Hij is een verzamelaar en knapt oude exemplaren op. Repainten, noemt hij dit. Na afloop zet hij de schaalmodellen thuis in een vitrine en knipt het licht aan om te genieten. Dit heeft hij mij verteld. Ik houd van mensen met een hobby en zeker wanneer ze volharden zonder veel middelen. Wat verdient een portier helemaal en oude Dinky Toys zijn duur, met dank aan Mien Dobbelsteen van de teevee. Dus bracht ik er een stuk of wat uit eigen voorraad voor hem mee.
Achter hem, onder de gemeentelijke wandklok, zit een jongere man met een oud gezicht. Hij is niet helemaal in orde en rookt als een ketter. Hij zit daar als een teken aan de wand. Ik ken hem niet goed en voel enige afkeer naar zijn persoon. De portier vouwt zijn Telegraaf op en brengt mij ongevraagd koffie. Ik wil helemaal geen koffie, maar ik drink het bekertje half leeg. Voor hem.

Heb je het al gehoord?
Voor nieuwtjes moet je bij een portier zijn.
Jullie gaan eruit. Ik kijk er van op.
Nog tegen niemand zeggen hoor.
Waarheen, weet je dat ook? Van schrik drink ik mijn hele bekertje leeg tot de bodem.
Nieuwe Kerkstraat. Twee klanten duiken naast mij op en ons gesprek is afgelopen.

Wachtend op de lift verwerk in het nieuws. Verhuizen. Feitelijk is het een achteruitgang, want hier zitten we midden in de binnenstad. Desondanks bevalt mij bevalt de gedachte van terugkeer wel. Het is of ik hiermee de vele onaangenaamheden van de laatste periode achter me zal kunnen laten. In het andere gebouw voelde ik me beter, zelfstandiger. Hier ben ik een marionet.

Op elk bureau ligt een brief van het hoofdkantoor. Er staat in dat we gaan verhuizen. Inderdaad, naar de Nieuwe Kerkstraat, het adres van mijn vorige baan. De portier heeft mij bijna oud nieuws verteld. Mijn vroegere collega’s zullen vertrekken, de meeste met lege handen. Een geschiedenis wordt afgesloten. Straks sta ik in de vrijgekomen ruimten te kijken naar wat er allemaal niet meer is. Ik verheug me op mijn oude werkkamer, het uitzicht op de straat, de onopvallende synagoge een eindje naar links, de bakker met zijn verse puntbroodjes, de brug over de Amstel, de Hortus waar ik langsliep maar zelden kwam. Waarom houd je van bepaalde dingen, wil je tot in eeuwigheid rondlopen in hetzelfde landschap?
Geroezemoes bereikt mijn oren. Het gaat natuurlijk over de brief. Veel zin bij de collega’s te gaan staan heb ik niet. Ik ken de meningen bij voorbaat, net als de afloop: dat ieder zich zal moeten schikken in het lot.

Ik posteer me voor het raam. Het regent nu volop. De straat is kletsnat en leeg. De junk bij de snackbar is weg.

Monk

16 mei 2012

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.