Werkvloer 5

| Geen reacties

 

Aan de hand van dossiers waarmee ik niets te maken heb laat ik mijn gedachten gaan over het personeelsbeleid van de afdeling. Aanleiding is een protestbrief van een in zijn bestaan bedreigde soortgelijke club in de stad tegen de aanstelling van een sociaal raadsman in onze gelederen.
Ik blader rustig in de files die ik uit een afgesloten kast achter mijn rug heb gehaald. Het gaat om iedereen die hier in dienst is. Het dossier van de baas mankeert helaas. Mijn aanstelling zit er wel in, maar dat is alles. Feitelijk zijn het kopieën en je mag je afvragen of deze gegevens hier wel mogen zijn. Ik concentreer me op de onlangs aangestelde collega. Wat is het voor iemand?
Zijn gegevens zijn nog niet ingevoerd. Er bestaat wel een kladversie. De man heeft een diploma Sociale Academie, richting Opbouwwerk. Niets bijzonders. De clou zit in zijn bezigheden buiten werktijd: actief in het COC, actief in de Partij van de baas. Ons kent ons dus. Welkom in de Muizenval. Maar waarom het protest van de rivaliserende club?
Ik pak de brief erbij en begrijp dat onze nieuwkomer kennelijk een listige lastpak is. Ten nadele van de klagende club heeft hij geld in de stedelijke homoclub geloodst. Een flink bedrag, structureel bovendien, dus elk jaar hetzelfde liedje. Ja, zo iemand is hier natuurlijk van harte welkom.

Mijn kamergenoot komt binnen. Ongevraagd zet hij de radio aan die hij onlangs van huis heeft meegebracht.  Ik reageer meteen.
Kan dat ding uit, alstublieft?
Ik weet al waar het op uitdraait: een tetterzender met ieder uur 12 seconden nieuws.
Waarom? Heb je er last van?
Ook dat. Daarom.
Een andere manier om te zeggen dat ik zijn chef ben.
Geen sterke reden. Ik herken zijn woorden. Ze komen uit de reeks Vermeende Verworven Rechten.
Goed dan. Omdat luisteren naar de radio niets met ons werk te maken heeft.
Geen moment heb ik opgekeken. Ik lees gewoon door. De radio wordt afgezet.
Flauw hoor. In de andere kamer hebben ze ook muziek.
Dan ga je daar maar zitten.

De collega schuift zijn stoel naar achteren. Je kunt niet de hele dag in de werkkamers van anderen rondhangen. Ik krijg een inval en besluit na te gaan wie er sinds de aanstelling van mijn baas zoal binnen is geraakt. Zit er een patroon in?
Zoek je iets?
Dat mag je wel zeggen.
Zoals?
Een briefje van duizend.

Wat zou je doen als je het vindt?
Uitzoeken wiens vingerafdrukken erop zitten.

Mijn kamergenoot zucht luidruchtig en staat weer op om weg te gaan.
Niets te doen? Misschien kun je de telefoon een poosje overnemen.
De telefoon. Deze staat sinds een kwartier doorgeschakeld naar zijn toestel zonder dat hij er weet van heeft. Ik heb het geregeld met de portier en deze verboden het zonder mijn instemming te veranderen. Daar rinkelt het ding al.
De kamergenoot neemt op, legt neer en krijgt meteen het tweede telefoontje voor zijn kiezen.
Godver. Ik ben geen telefonist.
Is dat zo?
Ik vis vijf aanstellingen uit het dossier, inclusief die van mijzelf. Er zijn ook negentien afgewezen sollicitanten. Tijd om een schema te maken: geslacht, leeftijd, opleiding, woonplaats, hobby’s.
Lang hoefde ik niet te studeren om inzichten te verwerven. Ik maak een paar aantekeningen en kijk in de richting van mijn kamergenoot die weer even storingsvrij is.
Wat?
Naar hem kijken wordt kennelijk al een probleem, meer precies het mijne. Het wijst op afdrijven van mijn gezag, voor wat het waard is. Zijn papieren zitten er ook in en ik heb eruit geleerd dat hij tropische vissen houdt. Kan ik iemand die in zijn vrije tijd guppies kweekt niet eens in bedwang houden?
Hoezo?
Het is een oude truc. Je dwingt de ander in het defensief. Ik parkeer de aap bij de collega.
Zijn dat personeelsdossiers?
Linke Loetje is niet op zijn achterhoofd gevallen.
Inderdaad. Ik maak een profiel van geschiktheid. Dit komt voortaan in de personeelsadvertenties.
Mijn kamergenoot weet niet of ik hem in de maling nam. Hij lacht onzeker. Ik heb zin hem te slaan.
Om hier te worden aangenomen, moet je man zijn, tussen de dertig en veertig, in de stad wonen, aanhanger zijn van de Partij en in het weekeinde het COC bezoeken. Voldoe jij aan dit profiel?
De collega schiet in de lach.
Dat had ik je ook kunnen vertellen.
Maar dat heb je niet gedaan toen ik kwam solliciteren.
Er valt een korte stilte. Mijn verwijt is absurd, maar mijn stem klinkt scherp en suggereert iets anders.
Jij zat in de commissie, weet je nog?
Was je liever niet aangenomen dan?
Nee hoor, ik had dit voor geen goudvis willen missen. Maar waarom ben ik aangenomen?
Omdat jij de meest geschikte leek.
Het antwoord hangt tussen algemeen gelul en de vaststelling dat een fout is onderkend. Ik leek geschikt, maar het pakte anders uit.
Doe mij een lol. Bedenk iets beters.
Het is geheim. Classified information. Niemand mag trouwens zomaar in personeelsdossiers kijken.
Ik voel uitgestelde boosheid opkomen.
Hoor wie het zegt. Wie is hier de snuffelaar?
Nog geen week eerder heeft de kamergenoot ongevraagd in mijn notitieblok gelezen. Een persoonlijk stukje was het en hij had zelfs het lef mij er een vraag over te stellen. Of ik zoiets wel vaker deed.
Het blijft stil. Een reactie blijft uit. Opnieuw gaat de telefoon. Niet bij de collega, maar bij mij. Ik neem op en leg weer neer.
Bij de baas komen?
De stem van mijn kamergenoot klinkt neutraal, maar ik weet dat hij plezier heeft. En zelfvertrouwen. Genoeg om weer eens leuk te willen wezen. Ik voel het aankomen.
Ik zou maar een vork inslikken. Heb je tenminste tralies voor je reet.
Een flauwe suggestie dat de baas mij zal aanranden.
Wil je even meelopen om dit toe te lichten?
Het is moeilijk boos te blijven. Het kan ook zijn dat mijn behoefte aan normale contacten sterker is dan de vrees in problemen te geraken.
Goed, tijd om het darmtoerisme te bespreken.
Bij de deur draai ik me om.
Ik wil hier geen radio. Ook niet wanneer ik afwezig ben. Daar ga ik geen spelletje van maken.

Monk

19 mei 2012
(foto: Monk)

 

 

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.