werkvloer 4

 

Het is een illusie te denken dat achteraf of zelfs gaande het proces nauwkeurig vastgesteld kan worden wat er gebeurt. Slechts een rode draad kan worden gevolgd, de gehavende blackbox afgeluisterd. Wat ontbreekt, zijn de non-verbale signalen, houdingen en bewegingen die uitdrukken hoe  betrokkenen zich voelen. En die maken 80% uit van communicatie.

Wat verwacht je van iemand die pas is aangesteld? Aan welke uitgangspunten wordt dit afgemeten? Zijn deze veronderstellingen vooraf bekend gemaakt? Weet ieder kortom waaraan hij of zij toe is? En wat mag de nieuwkomer verwachten? Moet hij zijn eigen pad hakken, of wordt hij geacht in vooraf gevormde voetsporen te blijven? Hoe de mores te interpreteren ingeval die bedekt blijven?

Het begint met de sollicitatie. Je zit tegenover drie mensen. Kent niemand van hen. De man in het midden is onmiskenbaar de baas. Hij wordt geflankeerd door een jongeman en een vrouw. De jongeman ziet eruit als de verkoper in een winkel voor feestartikelen, de vrouw is mager en heeft een gezicht waarin de jaren van volkse armoede staan gebeiteld. Op dat moment moet je begrijpen dat een enkele persoon hier de dienst uitmaakt.
De vragen die mij bereiken, zijn algemeen, om niet te zeggen ongericht.
Hoe in mijn vorige functie de verhouding tot mijn ondergeschikten was.
Ik ben nogal taalgevoelig. De woorden functie en ondergeschikten roepen iets balorigs in mij op. Ik ben chef geweest over een dozijn eigenwijze kunstminnende mafkezen waar de mening werd aangehouden dat alleen een hond een baas heeft. Zelfs was het zo dat ik minder verdiende dan sommige van de mensen voor wie ik de chef was.
Ik solliciteer simpelweg omdat mijn baan ophoudt te bestaan. Met deze opmerking kun je niet aankomen. Dus begin ik te liegen. Solliciteren is een theateropvoering met de nodige sporen van leugens, van beide kanten.

Van mijn twee toekomstige ondergeschikten weet ik snel wie ze zijn: een achterbakse, grappige opportunist en een haaibaai met ontzag voor opleiding en hiërarchie.
Moeilijker is het de baas in te schatten. Hij zit er zwaar bij, rommelt in papieren, komt zorgelijk over. Buiten bespreking blijft dat en om welke reden mijn voorganger binnen twee maanden is weggestuurd en dat de vrouw die aan deze persoon vooraf ging zich twee jaar met ruzie heeft gehandhaafd en intussen studeerde voor een betere baan. Ik profileer mezelf lafhartig als teamplayer en bovendien kan ik hier een hoger salaris verdienen.
Nog dezelfde middag word ik thuis gebeld. Ik ben aangenomen en begrijp er niets van.

Mijn eerste indrukken kloppen. Ik deel mijn werkkamer met de jongeman van het gesprek. Hij heeft er slinks voor gezorgd dat binnenkomende telefoontjes bij mij terechtkomen, waar dit voordien tot zijn werk behoorde. Ik laat het voorlopig zo, omdat ik iedereen wil leren kennen, moet weten waarmee zij zich bezig houden. Geen gemakkelijke opgave, want het personeel is verdeeld over diverse kamers, verdeeld over twee verdiepingen.
De magere vrouw blijft meestentijds buiten beeld. Zij zit in een kamer met anderen van de administratie. Ik kan haar op geen enkele vaardigheid betrappen of het moet haar scherpe snavel zijn. Tegen mij houdt zij zich in. Dat is omdat ze weet dat ik gestudeerd heb en ik op mijn beurt afstand houd.

Mijn baas heeft plannen die tijdens de sollicitatie verborgen bleven. Hij droomt zich een secretaris, een horige, een voetveeg en een klankbord.
Verongelijkt is het woord dat in dit verband bij mij opkomt. Ik blader door oude notulen en ontdek de problemen met mijn voorganger, een man met de onmogelijke naam Van der Kloot. Het wordt snel duidelijk dat de baas een megalomane controleur is, een koloniaal met een pathetische behoefte aan bevestiging. Hij vereert zijn moeder, maar spuugt op vrouwen.
Bereidheid om zijn sloof te worden, zou me misschien in kalm vaarwater brengen. Maar een Monk is ongeschikt als kooi- of prooidier. Ik bemerk overigens dat ook anderen lijden onder de luimen van de baas.

Mijn eerste aanvaring komt snel. Al enkele dagen loopt de baas rond met een uitgezakt gezicht. Links en rechts deelt hij een nauwelijks beheerste snauw uit. Elke dag sta ik in zijn kamer, waar hij resideert achter zijn bureau. Het is een houding die ik later op hem zal toepassen, maar zover is het nu nog niet.
Ik ga de administratie uit elkaar halen! Hij blaft als een kwaaie hond. Ik ben het onderlinge geklets meer dan zat!
Ik zwijg, niet gewend aan dergelijke uitbarstingen van agressie. De baas tiert verder, over het opvoeren van de productie. Waaruit  deze zou moeten bestaan en waartoe dienen, blijft onduidelijk.
Ik blijf staan als een schooljongen die weet dat hij zijn hand moet ophouden om klappen met een liniaal in ontvangst te nemen. Als de baas is uitgeraasd, geef ik aan een telefonist nodig te hebben. Ik wijs op de magere vrouw die niets doet dan dweilen uitwringen waar ze ondersteuning zou moeten bieden aan de collega’s die scholing verzorgen. Het lijkt me een goed idee haar apart te zetten aan de telefoon die nu op mijn bureau staat. Dan kan ik nuttiger dingen doen.
Wat weet jij daar nu van! Laat personele zaken maar aan mij over.

Het had best goed kunnen komen. Als de baas een andere toon had aangeslagen, een beetje meer geduld en respect had opgebracht. Als ik zijn neiging tot beheersen en controleren had kunnen hanteren. Als ik meer betrokkenheid had getoond, iemand anders was geweest. Als de wil er was geweest. Maar as is verbrande turf, zei mijn grootmoeder al. Pisnijdig word ik als op een dag blijkt dat er een stagiair buiten mij om is binnen gehaald. Ineens staat een Marokkaanse jongen van een jaar of 18 voor mijn neus. Het hoofdkantoor had hem in de aanbieding en de baas heeft hem meegebracht als een kat uit het asiel. Het is de bedoeling dat we hem kansen bieden. Het duurt weken voor ik verneem, dat dit een gevolg is van een Standpunt in de Partij. Het bestuurlijk apparaat moet meer dan nu het geval is een afspiegeling vormen van de bevolking. Ik moet een soort leertraject schrijven en de jongen daarna rondpompen tussen mensen die hem niet willen omdat hij tijd kost. De jongen weet weinig en kan niets. Hij overschat zichzelf aanhoudend en denkt dat iedereen zijn dienstbode is. Op de derde dag komt hij te laat.

Twee collega’s melden zich ziek. Drukte overstroomt over mijn bureau. De kamergenoot is terug van vakantie. Hij behoort tot mijn crew, maar blijkt zijn orders vooral te krijgen van een ander. Secretaris van de baas wilde ik niet worden, maar deze dagen ben ik zijn secretaresse.
Alweer moet ik in zijn kamer komen.
Ze werken mij niet alleen tegen, maar nemen bovendien een loopje met mij. En dat pik ik niet!
Ze, dat zijn mijn ondergeschikten van de administratie. Ik wil natuurlijk weten waarin precies de tegenwerking ligt, op welke manier de baas op de hak wordt genomen , zoals hij het zelf noemt.
Dan moet je eens beter opletten!
Alweer die toon, de razernij van zijn kant. Het draait uit op een pathetisch zwaaien met de functiebeschrijving waaraan ik moet voldoen. Het heeft er alle schijn van dat de baas zich minstens een uur lang heeft zitten opdraaien voor hij mij binnenriep.

Tijd speelt een rol, maar het menselijk brein is niet ingesteld op chronologie. In de hersenpan staat tijd voor de mate waarin gebeurtenissen erin hakken. Om dit te reguleren en te beheersen, zijn rituelen uitgevonden, momenten die vaste waarden en momenten aangeven.
De baas is jarig en trakteert. De ontspanning en verbroedering duurt misschien 6 minuten. Daarna zuigt hij de aandacht naar zich toe en praat over zijn bezoeken aan het stadhuis, zijn zorgen en plannen. Het enige dat een beetje helpt, is er gewoon doorheen te praten.

Een belangwekkend stuk met de hoogste prioriteit moet de deur uit, naar het hoofdkantoor. De pedofiele schlemiel die hier gewoonlijk toe dient, is onvindbaar. Misschien is hij gearresteerd of doodgereden door een tram.
Er zit weinig anders op dan zelf te gaan. Ik heb geen zin om het hele eind te fietsen naar de buitenkant van de stad en neem het openbaar vervoer. Aan de rit komt geen einde. Op het hoofdkantoor moet ik even wachten. Op de gang vliegt een gele kanarie heen en weer, ontsnapt uit een kooitje. Tenslotte kan ik de boel afleveren en reis meteen terug. Aan lunchen ben ik niet toegekomen en de wekelijkse vergadering van de Staf wacht mij. Tien minuten over tijd stuif ik de vergaderruimte binnen. De baas springt uit zijn stoel alsof hij gebeten wordt. Hij schreeuwt onbeheerst tegen mij.
Waar haal je de moed vandaan ons te laten wachten!
Je had alvast kunnen beginnen.
Ik zeg dit niet uit brutaliteit. Ik vind het een praktische aanpak gewoon te beginnen.
Je hoort er te zijn! Notulen, stafstukken, agenda. Niets hebben we!
Vreemde zaak, want iedereen heeft papieren voor de neus. Woede vult mijn hoofd met bloed.
Ik ben anders voor jou naar het hoofdkantoor geweest. Wie moest die troep anders wegbrengen?
Ik zeg troep. Daar komt natuurlijk nieuwe bonje van. De anderen kijken neutraal, roeren hun koffie, knabbelen op een balpen.
Troep? Troep! Je had je beter meteen bij personeelszaken kunnen melden!
Wie weet, zeg ik, wie weet. Ik trek een stoel naar achteren en ga zitten met een tegenzin alsof er stront op de zitting ligt.
Ik ben zo woedend dat alle energie uit me wordt weggezogen. Het notuleren laat ik achterwege. Ik verdom het gewoon.

Thuis probeer ik dagen achtereen iets over de situatie op te schrijven. Mijn hand weigert steeds opnieuw. Ik voel niet alleen de nutteloosheid, maar ook fysieke weerzin me ermee bezig te houden. Met de kat naast me val ik op de bank in slaap.

Monk

17 mei 2012

(foto: Monk)

Reacties gesloten.