Werkvloer 7

| Geen reacties

 

Als gewoonlijk ben ik de eerste op het werk. Het weekeinde zweeft nog in mijn hoofd: met mijn vriendin was ik op een kleine camping aan de oever van de Ourthe in de Ardennen. Drie dagen lummelen en autobladen lezen, mijn klassieke Alfa GTV naast de tent als toonbeeld van goede smaak. Kijken naar de zon die strijkt door de haardos van mijn lief. Forel roosteren op houtskool.
Een prachtige morgen is. De stad ziet eruit zoals het hoort: frivool en chique, gedegen en kwetsbaar. De deur van het werkgebouw is massief en gesloten. Aanbellen haalt niets uit. Ik zet mijn fiets tegen de pui en denk: dit mag de hele dag duren.

Men moet oppassen met het formuleren van wensen. Een half uur gebeurt er niets. Ik loop een stukje heen en weer, bedenk dat het geen zin heeft het hoofdkantoor te bellen. Van de portier heb ik geen privé nummer. Daarbij: waar moet ik een telefoon vandaan halen? De meest nabije gelegenheid is op het Centraal Station. Draagbare toestellen bestaan alleen in Amerika. Ik werp een blik op de verwilderde postduiven die de stoep afschuimen, zucht en begin de situatie vervelend te vinden. Gelukkig arriveert een collega. Hij hoort mij aan en steekt kauwgom achter de kiezen. We wachten af.

Het duurt en duurt. Meer collega’s stromen toe. Iemand gaat naar de gracht achter het gebouw om een andere dienst te waarschuwen, te bellen met de portier, het hoofdkantoor, een sleuteldienst. Met de kauwgomcollega loop ik naar het plein en duik een grot binnen om koffie te drinken. Het stinkt er hevig naar oud bier en peuken. We slepen een stoel naar buiten, maar moeten deze terug zetten. En dus gaan we ook zelf er weer vandoor. Eenmaal terug bij het kantoor, treffen we een oploop. Zelfs de baas, erkend laatkomer, is er. Hij heeft een mededeling die verbijstert maar bij mij weinig emoties opwekt.
In de voorgaande nacht is de hulpkracht, de man die altijd hevig zit te roken in de portiersloge, uit het bovenraam van zijn ouderlijk huis gestapt in een poging zich van kant te maken. Maar het leven kan taai zijn: de man is niet dood maar wel ongelukkig neergekomen. Met een dwarslaesie is hij afgevoerd naar het ziekenhuis. Het ziet ernaar uit dat hij voor de rest van zijn miserabele leven is veroordeeld tot de rolstoel. De baas wil aanstonds naar het betreffende adres en vraagt wie hem vergezelt. Een half uur later zit ik naast hem in zijn auto, op weg naar een uithoek van de stad.
Een straat en nog een, een hoek om en nog eens. We spreken weinig onderweg. We stoppen voor een woning met toegetrokken gordijnen. Ik voel me net assistent Harry met zijn baas in de maffe politieserie Derrick: Nein, tod ist er nicht.

Een interieur: klein en donker, ook als het gordijn eindelijk opengaat. Zware meubels, alle even lelijk en dominant. Foto’s van waarschijnlijk overleden familieleden, twee hoge kamerplanten die vechten om een streep daglicht, de geur van ingekookte koffieresten, pakken shag op tafel en een hondje dat nerveus heen en weer hinkt. We zitten en luisteren naar het egocentrische gekwek van een oude vrouw, de moeder van de springer. Midden in de nacht is het gebeurd en de ongelukkige heeft minstens een uur in de voortuin liggen creperen. Wie hem heeft gevonden, weet niemand. De vrouw veegt haar straatje schoon. Tussen de vele regels door begrijp ik dat haar zoon leefde als een gevangene. Ik kijk vooral rond en snuif de huisgeur in die sporen bevat van zweet, oud behang en achterhaalde opvattingen.

Op de terugweg is de baas toeschietelijk. Hij wil praten. Niet over de pechvogel, maar over het Bureau. Ik vraag hem waar hij naar streeft, voor hemzelf. Tot mijn schrik vertelt hij zonder terughoudendheid dat hij op termijn stadsdeelvoorzitter wil worden. Om precies te zijn van het Centrum. Onmiddellijk zie ik een scenario opdoemen: heb ik mij straks ingespannen om het Bureau achter me te laten en duikt de baas weer op in mijn nieuwe werkkring.
Naarmate we vorderen door de stad keert mijn kalmte evenwel terug. De baas noemt als uitdagingen het IJ-Oeverproject, de Criminaliteit, Stadsherstel en de Noord-Zuid Lijn die er komen zal. Ik knik en geef hem in stilte nog geen half procent kans dat het stadsbestuur mijn baas hierop zal loslaten. Tegelijk begrijp ik dat het Bureau voor hem een opstap of een fase is en dat eventuele privatisering niet zijn persoon zal treffen.

Samengeperst in een werkkamer volgt verslag. De emoties lopen op. Er wordt zelfs een beetje gehuild. De baas noemt ook de bejaarde moeder als getroffene. Ik zwijg en vertrek geen spier: wie had niet aan die oude krokodil willen ontsnappen?
Er ontstaat een stormloop om onze collega in het ziekenhuis te bezoeken. Iemand is zo attent mij de intake lijst aan te bieden. Ik ben immers bij hem thuis geweest en heb dus voorrang.
Dat komt later wel een keer, zeg ik en denk: over een maand heeft niemand nog zin bij hem langs te gaan. Dan is het nog vroeg genoeg.

De rest van de dag verloopt in een roes van kameraadschap en inlevingsvermogen. Zelfs mijn fiets, die de hele dag onafgesloten tegen de gevel heeft gestaan, is niet gestolen.

Monk

21 mei 2012

(foto: Monk)

 

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.