Werkvloer 1

 

De ambtenaar. De man van rubber.

Urenlang kan de baas achter zijn bureau zitten: rokend (wat nog is toegestaan), pennend in een schrift (we hebben geen computers).
Zijn handschrift houdt geen rekening met de ongelukkige die de tekst naderhand op een lettermachine zal moeten uitwerken.
Het meeste wat hij neerschrijft, ademt immer dezelfde duffe, bekende, oeverloze lulhannesensfeer uit naar inhoud en taalgebruik, au fond steeds in overeenstemming met alle voorgaande en nog komend gezwets, nimmer werkelijk uit de toon vallend, met ingebouwde zekeringen en armslagen, de haalbaarheid onverminderd voor ogen, meedenkend met hogere gezagsdragers.
De organisatie heeft trekken van een staat binnen de staat, met eigen naar binnen gerichte regels en mores, de buitenwereld beschouwend als een bedreiging. Voor onze inzichten zijn we aangesloten op het Stadhuis, die andere moloch, het brein van een onbekend en onbemind dier, een Barbapappa in steeds veranderende vorm. Elke week gaat de baas naar de bijeenkomsten van de Partij. Daar vult hij zijn brein met gedachten van anderen.

In zijn werkkamer hangt een mistroostige sfeer, mede wegens een groot schilderij dat een desolaat berglandschap voorstelt, een gebied waar de Taliban nog niet wil wonen. Er staat of loopt een figuurtje in rond, een magere bergkabouter, een verdwaalde Pinokkio, op zijn rug een knapzakje met de laatste voedselresten van de aardbol. Als schilderijen de gemoedstoestand reflecteren van hun bezitters, dan weet je dat er geen hoop meer is voor die man achter zijn bureau.

De ultieme taak van de overheid is zichzelf overbodig te maken. Dit is iets anders dan je terug te trekken vanwaar je nodig bent.
De baas moet niet denken dat hij het patent heeft op het opperen van nieuwe denkbeelden. Ik rammel bovenstaande stelling uit mijn IBM, rits het papier los van het volgende vel en leg het voor me. Hierop pel ik een sinaasappel, snuffel aan de schillen om een nies op te wekken en werp papier en inhoud tenslotte in de prullenmand.
Ik sta op en posteer mij voor het raam. Hier komt nooit direct zonlicht naar binnen. De kamer ligt op het noorden. Dit heb ik een keer gecontroleerd met een van huis meegebracht kompas.
Vanaf de eerste etage kijk je een flink eind de straat in.  Een stukje verder, aan de overkant, staat een onopvallend gebouw: een voormalige synagoge. Er bestaan foto’s van deze straat, gemaakt tijdens een razzia. Joden werden met het hele gezin uit hun huis gedreven en moesten op de laadbak van een vrachtwagen klimmen. In de straat hebben veel Joodse gezinnen gewoond. De meeste zijn vermoord.

Niemand bedenkt in zijn jeugd dat hij ambtenaar wil worden.
Alweer een interessante zin die ik zomaar uit mijn machine roffel. Een collega komt binnen, stelt een vraag over circulaires die elders in de stad beschikbaar moeten komen en bekijkt de schilderijen van Joop Birker die ik uit een depot van de gemeente heb gehaald om ze van de ondergang te redden. De collega zegt niets, maar ik zie dat hij de abstracte werken wel waardeert. Niets zeggen is ook een vorm van communiceren.
Heb jij in je jonge jaren wel eens bedacht dat je ambtenaar wilde worden?,  vraag ik zomaar.
Mijn bezoeker lacht kort. Een antwoord blijft uit.

De middagpauze breng ik door op straat, flanerend door het eeuwenoude uitzicht van bewoners en toeristen, handelaren en gelukszoekers.
Vanaf het Waterlooplein waait de vettige geur van patat mijn kant uit. Een hond kijkt mij vuil aan, maar waagt het niet mij te naderen. Beter dan mensen weten dieren wanneer ze afstand moeten houden.

Ambtenaar zijn, dat is een baan hebben. Dit op zijn beurt betekent reguliere bijschrijving van een bepaald bedrag op je bankrekening. Maanden gaan voorbij en je ontvangt een vaste aanstelling. In de luwte van betrekkelijke zekerheden verstrijkt de tijd, ontstaan patronen van opstaan en naar bed gaan, boodschappen doen, bioscoopje pakken, de tijd verdrijven zonder na te denken over doelen op afstand, rekenschap af te leggen van verwaarloosde dromen. Juist op deze manier is mijn vermoeidheid, mijn permanente staat van geestelijke ondervoeding, nog net te hanteren.

Ambtenaar zijn in het Amsterdamse betekent deel uitmaken van een der talrijke koninkrijkjes, stilzwijgend opgetrokken en onderhouden door alfamannetjes en hun hofhouding.
Net als het particuliere bedrijfsleven is de ambtenarij doordrenkt van horigheid en hoerigheid. Waarom zou het anders zijn? Mensen gaan verplichtingen aan en schulden, die ze hypotheek noemen of Pee Elletje. Elke dag betreden wij het kantoor, in het besef van relatieve onschendbaarheid, de mogelijkheid tot wegduiken in anonimiteit, het leveren van een onaanwijsbare wanprestatie. Maar wie de bal kaatst, kan hem terug verwachten. Na de nodige jaren in het syteem te hebben meegedraaid, gaat het tonen in de houding van de ambtenaar. Op straat herken ik Hem en Haar van verre. Vooral Hem. In de etalage van een winkel bekijk ik met afkeer mijn eigen modderfiguur . Niet altijd heb ik er zo bijgestaan. Wanneer is de nederlaag gekomen en kan deze ongedaan gemaakt worden?

Mijn baas heeft gevoel voor bestuurlijke verhoudingen, zoals het heet. In de avonduren loopt hij zich de voetzolen stuk als waterdrager voor de Partij die Moskou aan de Amstel sinds jaar en dag bestiert. Uit eigenbelang en met een neus voor de mogelijkheden die de gedoogcultuur biedt, toetert hij bovendien een deuntje mee in de Roze Lobby. Ons kent ons. Welkom in de Muizenval. Laakbaar wordt dit allerminst gevonden. Het is juist heel modern, want gericht op emancipatie. De baas is een fervent aanhanger van de dubbele krul, een straatpissoir met plek voor twee man. Samen pissen, ja gezellig. Hoe diep kun je zinken.
Uitgaande van een vergelijkbare functie in de particuliere sector was de man allang ontslagen. Wegens gebrek aan capaciteiten, onder druk van de tucht der vrije markt. Het toeval wil dat dit fenomeen in opkomst is voor de organisaties van overheden en voor nutsbedrijven als ziekenhuizen en de Spoorwegen. Landelijk Opperhoofd K. heeft zelf geroepen dat de Partij de ideologische veren moet afschudden. Ik denk niet dat de Leider inziet wat resteert: een kale kip uit een legbatterij.

Marktwerking, daar moeten we heen! Bekeken wordt welke activiteiten ons kantoor zou kunnen ontwikkelen om in deze nieuwe strategie te kunnen floreren. Schouders eronder!
Laat in de middag slepen we met tafels en stoelen tot er een geschikte opstelling ontstaat. De baas zet de komende omslag uiteen. Het is vooral een kwestie van het omzetten van een knop in je hoofd. Mensen zijn van nature conservatief, zo moet je het zien. Stilstand is achteruitgang. Minstens drie potten koffie en een kan thee doen de ronde. Papieren zijn er ook, altijd maar weer papieren. Een schema toont de logica van de voorliggende redeneringen. Een telefoon rinkelt, maar blijft onbeantwoord. Onduidelijk is, waarom nooit iemand eerder op de nieuwe bevrijdende denkbeelden is gekomen. Goed beschouwd hebben wij tot vandaag in duisternis geleefd. Gelukkig hebben wij onze baas.
Ik zit erbij, luister met een half oor, kijk geregeld uit het raam en geloof geen woord van de ons wachtende zegeningen.

Monk

11 mei 2012

(Foto: Monk)

Reacties gesloten.