De Beoogde Aftocht der Witte Wieven


De zomerdagen waren loom en oneindig. Het leek alsof er altijd op iets werd gewacht.
Mensen droegen slechte kleding en vonden troost in de gedachte dat God bestond.
Baas was baas, knecht bleef knecht.
Zwijg over het eten: de eentonigheid was spreekwoordelijk en dampen vulden nog urenlang het huis.
Er waren ook winstpunten: niemand zette zijn fiets op slot en leugens haalden een mens omlaag.

Plotseling zag ik het in: de dag des oordeels was allang geweest.
Geen bom was ingeslagen, geen brand had gewoed. Het was geen tijd voor heldendaden.
Steen bleek piepschuim, staal gedroeg zich als karton.
Lawaai had de stilte verdreven, eigen gedachten waren ingewisseld voor die van anderen.
Bazen en knechten werden pooiers en hoeren. Zelfs het eten werd nauwelijks beter.
Een weg terug is er niet en het is de vraag of je dit zou moeten wensen.

Vannacht heb ik weer van haar gedroomd. Ze is als een beeld van gene zijde, een toekomst wellicht. Ik stond in een ruimte met voorwerpen die ik ooit bezat, misschien verzamelde. Niemand wilde ze hebben of zelfs maar bekijken en alleen al dit maakte ze waardeloos.
Zij trachtte mij te troosten. Weerspreken kon wel, maar zoiets doe je niet bij iemand van wie je houdt.
Op de nachtelijke straat passeerden dronken dwazen. Ze rukten in de slaap aan mijn vrije val. Als gewoonlijk riepen ze om de Aftocht der Witte Wieven. Wat je niet begrijpt, moet dood. Euro’s en bier moesten het zijn.

Bij het ontwaken kwam het me voor alles altijd te hebben geweten. Het bewustzijn ervan moest alleen worden aangeboord als olie in de bodem, zout in een steenlaag. Alles wat ik leerde, berustte uiteindelijk op herkenning, iets dat al ergens in mij opgeslagen was en sluimerde, mogelijk niet gevonden wilde worden.
Ook de ongrijpbare vrouw kende ik lang voor mijn verlangen werd omgezet in bewustzijn en ruwe uitspraken.
Misschien is zij een fantoom, maar wat doet dat ertoe: ik denk immers aan haar.

Mijn ouders die van klassieke muziek hielden. Zij luisterden naar klanken die stammen uit lang vervlogen tijden en toebehoren aan een andere cultuur. Toch verstonden zij op hun eigen manier het verhevene, de inspanning, de schoonheid.
Er waren ook anderen met een gave, een passie, voorzichtige humor, je moest op je tellen passen. Er werd shag gedraaid en lelijke borden werden leeg geschraapt: van een mooi bord kun je niet eten.
Op een dag hield het allemaal op. Het was zomaar een dag, maar afgelopen was het onherroepelijk.
Niets kan behouden blijven, zelfs verandering raakt opgebrand en verliest zijn nut.

Mijn zus Anna en ik stonden met onze ouders voor een landelijk gelegen huis. Wind streek onvoorspelbaar over het gras. Er schuilt altijd een geheim in de wind, te merken aan het meebuigen van gras en het meevoeren van geuren.
Wind is de voorbode van verandering, als een eerste uitloper van de branding op het strand waar eb in vloed verandert met zachte maar onomkeerbare kracht. Evengoed is zij een geruststelling, de bevestiging van kwetsbaarheid.
Ik zag hoe de rook van mijn vaders half opgerookte sigaar werd weggeblazen. Hij sloeg er geen acht op.

Leunen tegen de vensterbank van een groot venster en kijken naar mijn vader en Anna die elkaar een bal toewerpen: een schaars moment van spel en ontspanning. Een beeld, een ets in het geheugen.
Het zag er sierlijk uit, maar gaandeweg verscheen er een bepaalde agressie in, de wil om te winnen en de ander te verslaan.
Ik verloor mijn belangstelling. Het werd mij duidelijk dat het ging regenen, misschien met een enkele onweersklap.
Later zaten we allemaal binnen en aan tafel. Vanaf een krant werden pinda’s gedopt. Woorden vergleden. De nieuwe dag werd langzaam voelbaar. Ik had zin om een tekening te maken, maar wist dat opstaan de magie van het moment zou doorbreken. Daarom dacht ik slechts aan mijn kleurpotloden en hun geur van ceder, het stevige en brandschone papier, de mogelijkheden die opgegeven werden als je aan de slag ging.

Nog was er tijd, misschien was het weinig, maar voldoende voor wie het onderkende. Ik voelde het en verstramde. Mijn leven lang bleef ik hardnekkig uit ramen kijken: thuis, bij vrienden, op kantoor, in de auto.
Van alles passeerde, vulde het beeld en verdween weer: afwisselende landschappen, jongens die een gestolen tas doorzochten, soms de spookgestalte van iemand die te lang werd veronachtzaamd.
Gezichten veranderen en je leert het af in de spiegel te kijken. Daar is toch niemand te zien die je kent.
De witte wieven bleven op afstand. Het werd afgeraden hun bestaan te erkennen, maar het gebeurde heimelijk toch. Zelfs bergen overbodigheid en blinde vermoeidheid konden dit niet helemaal voorkomen.

Laat ik duidelijk zijn: niets was ooit zoals ik het voorspiegel: slechts impressies worden tot werkelijkheid door er woorden aan toe te meten die voor iets anders bedoeld zijn. Aan woorden werd altijd al teveel waarde toegekend.
Op het punt gekomen van een ouderwets hardheid dit te onderkennen en de gevolgen te dragen, voel ik de eerste regendruppels neerkomen. Ik houd nogal van regen en beestenweer. Ze zijn mijn beste vrienden. Dus bleef ik staan.
Vader en Anna lieten de bal in de tuin liggen en vluchtten naar binnen. Moeder staarde nog een halve minuut naar de einder alsof zij vermoedde dat er iets gaande was.
Langzaam liep ze achteruit tot ik haar warmte voelde en meer dan dat: het was de druk van haar ongenoegen, een ongerichte boosheid die ik onderging en inhaleerde.

In bed was het te donker om te lezen zonder lamp. Talloos zijn de voorwerpen die ik in duisternis heb vastgehouden, verkend en herkend. Regen ruiste op het schuine dak, droop in eindeloos eentonige muziek via de goot in een betonnen waterbak. De droom hervatte waar ze was opgehouden: Anna gebaarde mij naderbij te komen.
Een paar jaar eerder geboren dan ik, was zij gedoemd voorgoed de oudste te zijn. Ik bleef een halfwas, een kind in het vel van een man, iemand die met tegenzin aanvaardt dat hij zijn tijd moet uitdienen in hoge verwachtingen en het dal der plichten. Ik zag Anna wenken, maar bleef talmen als een kat op de drempel van een deur.

Als bij uitvlucht herinnerde ik mij de bal die buiten was blijven liggen. Ik wendde voor geen andere keuze te hebben dan er achteraan te gaan, de optrekkende nacht in, afgaand op een vermoeden, het gering verschil tussen fictie en werkelijkheid.
In de verte, ergens tussen wat mogelijk bomen waren of de houten palen waaraan draden voor elektriciteit waren bevestigd, dacht ik haar te zien: mijn geheime liefde. Haar najagen had geen zin. Als het haar behaagde, zou ze tot mij komen.

Monk
25 juni 2013

(foto: Monk)

Reacties gesloten.