Kruitdampen

De behoefte aan vuurwerk is bij mij nooit sterk geweest. Al in een vroeg stadium begreep ik dat een enkele klap of vuurpijl het geld van de aanschaf niet waard kan zijn. Mogelijk werd mijn opvatting ook gewoon bevorderd door geldgebrek. Afzien van begeerte kent vele bronnen.

Later kwam hier de vrees bij dat ik in mijn onhandigheid vingers of mijn ogen zou verspelen. Enkele voorbeelden van riskant gedrag sloeg ik nauwkeurig op in mijn geheugen. Zo was er de dwaas die een rotje smeet in zijn eigen plastic zak met vuurwerk en moest maken dat hij wegkwam. Of anders de vanaf de straat afgeschoten vuurpijl die precies via het opengeschoven venster bij de overburen op 3 hoog binnen vloog. Nooit eerder werd een raam zo razendsnel gesloten, maar het was te laat.

Ook dit jaar heb ik het gelaten bij toekijken, dan nog vanachter de ramen. Mooie paraplu’s zag ik, te midden van meer bescheiden uitingen van feestvreugde. Ronduit ergerlijk waren de zware dreunen waarvan ik de oorsprong geen enkele keer kon achterhalen. Ongeregeld en onverwacht weerklonk een geweldige stamp die je niet alleen hoorde, maar ook voelde omdat muren en ruiten de drukgolf opvingen. Ik besloot definitief binnenshuis te blijven. Zelfs begon het gedoe na een minuut of 10 te vervelen. Ik draaide de luxaflex dicht en hoopte dat mijn auto zonder schade zou blijven. Vanuit een op de stoep geparkeerd busje beukte aanhoudend house.

Eenmaal in de slaapkamer liet ik licht uit. Altijd ervaar ik een vage vrees dat iemand mij vanuit veilige duisternis in het licht ziet staan en mij op de korrel neemt. Een onwaarschijnlijk idee in een Nederlands dorp, maar gedachten laten zich niet dwingen. Verveling vormt de voornaamste kans op een dergelijk incident. Iemand heeft bijvoorbeeld al jaren een vuurwapen in huis en wil er nu eindelijk eens een echt schot mee afgeven en er vooral ermee wegkomen. Of anders is het een bezopen flessenwerper die even leuk wil doen voor zijn kompanen. Best wel spannend ook om een stuk vuurwerk naar een anoniem venster te gooien. Het zal jachtinstinct zijn, maar ik wil geen prooidier worden. Leef je biologie maar ergens anders uit.

In bed voelde ik mij prima. Wat kan mij die jaarwisseling schelen. Oordoppen, nog over van vakantie, verbeterden de situatie verder. Ik sloot mijn ogen en probeerde aan niets te denken. Al snel evenwel drong een scherpe kruitgeur tot me door. Met kruit heb ik associaties als met asfalt, uitlaatgassen van een brommer, een schuur aardappelen, een mestvaalt, overgekookte melk en een petroleumkachel. Het is vertrouwde armoede van vroeger tijden. Toch vind ik het prettig om aan de hand van geuren of geluiden terug te gaan naar wie ik ooit was, uit te zoeken waarom ik iets deed of naliet, welke gevoelens overheersten en wat de aanleiding ertoe was.

Ik herinnerde mij ineens een speelgoedwapen waarmee je minieme kruitkorrels kon laten afgaan: een zogenaamd klapperpistool. Ik had de mijne uit een winkel geroofd, want de kans er een te krijgen, was nul. Mijn ouders verfoeiden wapens. Het pistool was zwaar en voorzien van kermisachtige versieringen. In dezelfde winkel kocht ik brutaalweg de benodigde kruitlinten. Deze moest je om een asje in het pistool rollen en de rest ging vanzelf. Omdat ik mijn aanwinst noch op school, noch thuis durfde tonen uit vrees voor ontdekking van de herkomst, gebruikte ik het alleen onderweg op de fiets. Het verbergen gebeurde onderin de tas die langszij mijn bagagedrager was gemonteerd. De tas was een kreng dat geregeld tussen de spaken van het achterwiel geraakte.

Kilometerslange polderwegen zonder boerderijen of woonhuizen waren het meest geschikt om het pistool tevoorschijn te halen en de trekker over te halen. Aan fantasie geen gebrek, dus bedacht ik allerlei situaties waarin een vuurwapen van pas kon komen. Zo gebeurde het soms dat ik geen enkel schot loste, omdat ik er in mijn verhaal niet aan toe kwam voor ik binnen gehoorafstand van mijn ouderlijk huis geraakte en het schieten wel achterwege moest laten.

Op een dag, toen ik onderhand een beetje genoeg van mijn speeltje begon te krijgen, werd ik op een stille weg ingehaald door een andere fietser. Normaliter gebeurde mij dit niet, want instinctief begreep ik kwetsbaar te zijn en hield ik de boel scherp in de gaten. Deze keer had ik onvoldoende opgelet. Aanzetten en de fietser alsnog voorblijven was niet meer mogelijk. Ik besloot af te wachten. Het was een grote kerel, geen bekende en naar zijn kleding en houding te oordelen evenmin een plaatselijke boer. Hij passeerde mij zonder opzij te kijken of te groeten en won snel tientallen meters.

Ik meende al van hem af te zijn en stopte om mijn gebruikelijke spel voort te zetten. Ik haalde hiertoe het pistool uit de tas. Juist toen ik weer was opgestapt, zag ik dat de man tot stilstand kwam. Hij stapte af, zette zijn fiets tegen een boom en keek rond.
Wat te doen? Omkeren was nauwelijks een optie, want dan moest ik kilometers omrijden. Bovendien kon die kerel mij misschien toch achterhalen en ik bevond mij dichter bij huis dan bij andere bebouwing. Het instinct beslist. Ik besloot door te zetten en omklemde het klapperpistool in mijn jaszak. Desnoods kon ik een serie knallen afgeven, wat mogelijk aandacht zou trekken van iemand, ergens.

Zo naderde ik de man, die mij nu wel uitgebreid bekeek en aanstalten leek te maken een praatje aan te knopen. Ik haalde mijn lege hand uit de jaszak, greep het stuur en verhoogde mijn snelheid. Met een ruk zwaaide ik naar de linkerkant van de weg. Misschien zei de man iets, het staat me niet meer bij. In ieder geval bleef hij staan en ik fietste verder, zo snel ik kon. Na een halve minuut keek ik om. De man was weer op zijn fiets gestapt en volgde mij. Nog meer dan tevoren haalde ik alles uit de kast. Mijn benen ramden de trappers rond.

Op de kruising van twee wegen ging ik gewoonlijk rechtdoor. Nu besloot ik anders. Ik zwenkte rechtsaf en raasde voort. Bij een dam over de sloot langszij de weg sprong ik van het zadel en klom over het hek. Het kostte me enige moeite de fiets mee te krijgen, maar dit lukte toch. Ik was nu op het grasland van mijn grootvader, die hier koeien wijdde. Als ik het weiland overstak, kwam ik op het land van mijn vader en was al bijna thuis.

Heb ik omgekeken? Ongetwijfeld, maar van de man staat me verder niets bij. Ik begon aan de veldrit over graspollen en langs plakken stront. Ik had niets met vee en wilde nimmer leren melken. Mijn vader was akkerbouwer en had mij onbewust dit gevoel meegegeven.
Tot mijn schrik kwam er een hele kudde koeien aanhollen. Het zijn heel nieuwsgierige dieren en dol op een verzetje. Omdat het me duidelijk was dat ik het einde van het weiland niet zou halen alvorens te zijn omringd, stapte ik af. Al snel stond de hele club snuivend om me heen.
Op dit moment herinnerde ik mij het pistool. Ik haalde het tevoorschijn en haalde de trekker over. Dat ik misschien al door mijn ouders was gezien en mezelf met het geknal verraadde, kon me even minder schelen.
De koeien schrokken en weken terug. Ik liet mijn fiets vallen en rende op ze af, telkens een schot afvurend. De meute sloeg op de vlucht.

Mijn herinneringen zijn gebrekkig. Ik denk dat niemand bij mij thuis iets is opgevallen. Evenmin zal ik over het voorval hebben verteld, want dat was vragen om moeilijkheden en wat konden mijn ouders verder doen? Maar dit zijn overwegingen achteraf.
Naderhand heb ik het klapperpistool in de ringvaart gegooid en het resterende kruitlint tussen de bankschroef gezet om het met een moker te bewerken. Tot ergernis van mijn moeder die de dampen in huis opsnoof en kwam kijken wat ik uitvoerde.

Ook gevoelens veranderen en eroderen. De finesses van destijds zijn onbereikbaar geworden, zowel in mijn geheugen als qua toereikende woorden. Wel ervoer ik onder de deken even de sfeer van ooit, een mengsel van vrees en opwinding, verwondering bovenal over wat gebeurde.

Na nog een serie zware dreunen op straat te hebben doorstaan, moet ik in slaap zijn gevallen.
De volgende morgen ontwaakte ik vroeg. Mijn auto stond ongeschonden op zijn plek. Het had geregend, want ik zag nauwelijks restanten van vuurwerk. Ik opende het raam en snoof mijn longen vol verse lucht. Ik meende wel kruit te ruiken, maar dit kon ook liggen aan mijn gedachten, de droom, of wat het was geweest waardoor ik in een oude geschiedenis was beland.

Monk
3 januari 2014

(foto: Monk)

Reacties gesloten.