Oude Liefde Roest Niet, deel X (Buurjongens)

Het Boek is verloren gegaan. Alles gaat eraan, vroeger of later.
Ik doel op een notitie cahier met harde kaft in gevlamd blauw dat ik midden jaren 60 van de vorige eeuw van een vuilnisbelt mee naar huis breng. Alleen de eerste vier of vijf pagina’s zijn beschreven. Deze scheur ik eruit. Wat resteert, is een degelijk opslagwerk voor mijn nieuwste hobby: het noteren van kentekens.

Een halve eeuw later kun je stellen dat ik mijn tijd ver vooruit ben: vandaag doen Politie en Rijkswaterstaat met moderne technologie niet anders dan registreren en controleren. Het land hangt vol camera’s en flitspalen.

Mijn bezigheid valt samen met de komst van de eerste auto in het gezin waar ik opgroei. Wanneer we een ritje maken naar familie of aan bermtoerisme doen, neem ik het Boek mee om de nummerborden op te schrijven van auto’s die in het vizier komen. Deze worden aangevuld met merk en type van de betreffende auto, plus het land van herkomst.
Waarom doe ik dit? Is het verveling, dromerij, een vlucht uit de eentonigheid?
Geen wonder dat schoolonderzoek uitwijst dat ik boekhouder moet worden. Dat mijn gedrag eerder wijst op een dwangstoornis, bedenkt niemand. Kinderen van het platteland zijn allemaal in orde. Daarbij zitten er meer klantjes in de klas die op hun toekomst voorbereid moeten worden.

Mijn productie ligt gewoonlijk stil. Zo vaak gaan we niet op pad en de zondagse rit naar de kerk levert allang niets meer op. Uit verveling begin ik mijn Boek op te frissen met autoplaatjes, afkomstig uit lege doosjes Virginia Cigarettes, die ik langs de weg vind of krijg van een buurman. Er wordt stevig gerookt in die dagen: het is geen man die niet roken kan.

Een hoogtij dag beleef ik wanneer we naar de duinen gaan of ingeval opa of oma van moeders kant jarig zijn.
In het eerste geval kun je rekenen op een flinke dosis toeristen uit Duitsland en andere landen. Ik schrijf maar door en ontwikkel de vaardigheid om meerdere kentekens plus de rest van de nodige gegevens te onthouden: geheugentraining voor minderjarigen. Door mijn hobby heb ik tevens een excuus om in de auto altijd aan het raam te zitten.
Het huis van mijn grootouders ligt op een route naar Volendam. Hier wordt op zondag vaak gevoetbald. Vanaf de stenen brug kan ik de stroom auto’s prima onderscheppen. Voor thee in de rokerige woonkamer gun ik mezelf nauwelijks tijd. Ook de jonge Monk is grondig in zijn aanpak. Ik herinner me niet dat iemand ooit vraagt waartoe mijn collectie moet leiden.

Wat bij anderen een opwelling is, een hobby voor drie weken, neemt bij mij de vorm aan van een manie. Aangezien langs ons huis nauwelijks verkeer passeert, zoek ik een betere plek om mijn verslaving te voeden. Hiertoe fiets ik naar een doorgaande weg tussen twee provinciesteden, twee kilometer van ons huis. Een enkele keer is de rit vergeefs wanneer anderen de nabije brug gebruiken om in de ringvaart te zwemmen. Ik zit niet op vragen te wachten en nog verder fietsen, durf ik niet goed. Mijn leven speelt zich af tussen huis en school. De wereld daarbuiten ken ik alleen uit de atlas.

Op een keer word ik juist hier verrast door twee buurjongens, broers bovendien. Ze wonen vlakbij, maar we zitten op verschillende scholen en doen nooit iets samen. In mijn ogen zijn het domoren, gedoemde roomse loonslaven. Zo hebben ze het nest van een ransuil leeggehaald om de eieren uit te blazen. De jongens herkennen mij natuurlijk en komen dadelijk naar me toe.
Wat ik aan het doen ben. Ontkennen heeft geen zin. De jongens zijn verbijsterd.
Wat heb je eraan om zoiets op te schrijven? Niets natuurlijk. Wat ik doe, komt neer op het werk van een krankzinnige. Op dat moment krijg ik een ingeving.
Op school doen wij onderzoek naar toerisme, beweer ik glashard. Wij willen weten uit welke gebieden toeristen komen. Dit kun je namelijk zien aan de nummerborden.
Ik sluit mijn Boek en ga staan. Het is een instinctieve handeling. Wie staat kan rennen of vechten. Wie zit is de klos.
HH bijvoorbeeld, komt uit Hamburg! Dit weet ik uit de krant door de foto van een ongeluk.
De buurjongens lachen een beetje.
En dan? En wat dan nog? De broers stellen graag beiden dezelfde vraag.
Als je die dingen weet, kun je gericht reclame maken voor toeristen!
Ik bedenk het ter plekke. Het klinkt goed en daar gaat het om.

Even later ben ik alleen. De jongens fietsen voort naar een dorp waar kermis is. Voor mij is de dag bedorven en meer dan dat. Ik zie ineens de nutteloosheid van mijn project en houd er ter plekke mee op. Het Boek ligt nog jaren in de kast, maar overleeft een latere aanval van ordening niet. Toch jammer. Boekhouder ben ik overigens nooit geworden.

Monk Sr.
14 april 2014

Reacties gesloten.