Oude Liefde Roest Niet, deel XI (Henk)

| Geen reacties

Alfa Romeo. Een betoverende minnares. Zij is heet en vrijgevig, slank en lenig. De keerzijde mag er ook zijn: zij kent geen scrupules om je aan de bedelstaf brengen.

Het lijkt wel of de carrosserie van mijn GTV opzettelijk in de pekel is gezet voor er verf overheen ging. Het portier, de kokerbalken, het plaatwerk, losse stijlen waarin rubbers zijn gevat, de koplampen en het rooster onder de ruitenwissers: alles roest. Ook aan de techniek mankeert het nodige: elektrische verbindingen vallen uit, de dubbele Webers laten zich moeilijk stellen, de vering is zwak en de versnellingsbak kraakt bij het schakelen.
En toch: eenmaal in je zetel achter het houten stuur en de klokkenwinkel, word je verliefd op het motorgeluid, de geur van benzine, de schoonheid van het ontwerp in adembenemende details. Alfa Romeo: poor mans Ferrari.

Bij het sluiten van de linker deur hoor ik telkens een vreemd ruisen. Ik demonteer de binnen plaat en krijg zicht op een Romeinse achterbuurt. Onderin de portierbak ligt een heuvel van verroest metaalgruis. Ik haal de stofzuiger en volg gespannen de geluiden door de slang. Voorlopig laat ik het hierbij. Om de bekleding weer te kunnen bevestigen, moet ik nieuwe gaten boren. De oude zijn verdwenen. De schroeven zien eruit als afgebrande lucifers.

De auto mag overwinteren in het schuurtje van Oma. De vloer is hier van beton en ik heb een dunne tweepersoons deken meegebracht tegen het stof. Het scheelt weinig of de auto heeft in de wintermaanden klassieke muziek nodig.
Vriend Henk is meegekomen met zijn Austin die het altijd doet. We drinken thee bij Oma en keren terug naar de hoofdstad waar we allebei wonen. Achter onze rug staat het roestportier dat ik van de Alfa heb geschroefd. Met de tijd zal ik iets bedenken om het probleem op te lossen.

Op een zonnige dag fiets ik door het Westelijk Havengebied. Hier staan meerdere autosloperijen. Het zijn terreinen met hekken en honden. Erg gastvrij is men hier niet. Geen bezoeker geraakt verder dan dertig meter voorbij de poort zonder te stuiten op geblaf en lompe kleerkasten, tot de oksels onder de olie. Vanaf de straat heb ik een Alfa gezien die als donor kan dienen. De baas kan mijn vraag naar de prijs van het portier niet beantwoorden. Ik moet de volgende dag maar terugkomen.

Rampen kan men geregeld zien aankomen, maar zelden voorkomen. Ik laat de Alfa met een ongerust gevoel achter. Wie zegt mij dat zij er de volgende dag nog staat? Waarom niet het portier er alvast afhalen en apart zetten? Wie verkoopt er onderdelen zonder de prijs te kunnen noemen? Over dergelijke vragen kan ik uren doormalen. Reden is ongetwijfeld dat ik van oorsprong een plattelander ben. In de stad heb ik moeten leren dat afspraken soms niets waard zijn en de mensen maar een eind weglullen.

Wanneer ik de volgende morgen om een uur of elf arriveer, heeft het noodlot toegeslagen. De auto is verplaatst, kennelijk met een vorkheftruck. Het door mij begeerde portier heeft een enorme deuk opgelopen. Ieder ander zou rechtsomkeert hebben gemaakt, maar ik geef mij niet snel gewonnen. Ik inspecteer de schade en stel vast dat deze vooral de buitenplaat betreft. Ik verbaas de chef door het portier alsnog te kopen. Ik moet het zelf demonteren.

Op weg naar huis oogst ik bekijks. Welke idioot verplaatst een vernield autoportier achterop een fiets? Afgemat geraak ik in mijn straat en sleep mijn buit de trap op. In een achterkamer wacht het wrak uit mijn eigen auto. Kan ik misschien uit twee portieren één maken? Hierover ga ik op bed nadenken. De onvolprezen kater Karel valt naast mij in slaap.

Een week ben ik bezig. Het onwaarschijnlijke gebeurt: ik voeg de bruikbare delen van beide portieren samen en haal een bus Alfa Rosso bij de dealer. De spuitverf moet in het hele pand te ruiken zijn. Het verrichten van wonderen heeft nu eenmaal een prijs. Ik koop nieuwe rubbers en een deurgreep van verchroomd staal. Nooit eerder heb ik een dergelijke klus gedaan en niemand vertelt mij hoe het moet. Een paar dagen later is alles in orde.

Met vriend Henk rijd ik in het voorjaar weer naar Oma. Het gaat door een polder die is aangewezen voor stadsuitbreiding. Vruchtbare grond wordt opgehoogd met zand en waardeloze compost, skeletten van huizen rijzen uit de grond als de kiemen van een onomkeerbare ziekte. Langs de weg staan piketpalen en nog iets anders: een flitsapparaat van de Politie. Even verderop worden we staande gehouden en volgt het ritueel dat 50 gulden kost. Mijn vriend zit achter het stuur en betaalt ter plekke zoals wordt verlangd.

Natuurlijk had ik de helft voor mijn rekening moeten nemen, maar dit gebeurt niet. Het kost me nog altijd moeite dit op te schrijven, maar ik bied deling van de boetebetaling niet aan. Waarom dit zo is, kan ik na dertig jaar nog altijd niet goed verklaren. Ik weet al meteen dat ik fout handel en toch laat ik na om dit recht te zetten. Ik heb gedacht aan ordinaire gierigheid, een familiekwaal. Er zal iets van aan zijn. Daarbij kan ik slecht omgaan met plotselinge veranderingen. Hoe dan ook: ik ben een zak.

Het monteren en afstellen van het portier kost een stijf kwartier. Het staat als een vlag op de bekende modderschuit. Een half jaar later zal de auto flinke hagelschade oplopen, reden waarom ik haar van de hand doe. Misschien een overhaast besluit, maar in ieder geval kan ik mijn schuldgevoel over een afgeschoven verkeersboete verdringen. Alles dient ergens toe.

Monk
6 mei 2014
(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.