BLINDGANGER, Hoofdstuk X

| Geen reacties

Er is een tijd voor werk en een tijd voor het meisje. Bij Studio Filarski mocht dit nogal samenvallen, Pa Zwarthoed hield er een ouderwets onderscheid op na.
Arnold maakte lange werkdagen in de garage. Het had zich tot taak gesteld, de boekhouding eens flink onder handen te nemen. Geen eenvoudige klus, gelet op de chaos aan bonnen en facturen, bijeen geveegd in laden. De van zijn vader gekregen zakrekenaar leverde uitstekende diensten.
Uur na uur sorteerde hij, maakte schattingen, controleerde handtekeningen en kreeg een onbestemd gevoel. In de garage dronk hij thee met de mannen. Aan dit samenraapsel leiding te geven, leek hem vrijwel onmogelijk. Dat dit een gevolg was van beperkte betrokkenheid, kwam niet bij hem op. Zo verstreek de week.

Vrijdagmiddag. Pa Zwarthoed had zijn tijd vooral besteed aan het regelen van zaken voor zijn zoon. Nu zaten ze bij de notaris, na een laatste inspectie van het woonhuis met de makelaar en onderhandelingen die nog bijna vastliepen. Pa Zwarthoed had het de boer nog maar eens ingewreven, oneigenlijk zaken te hebben gedaan met een minderjarige, te weten Arnold. Het kwam neer op dreigen met aangifte. De boer had bakzeil gehaald met als resultaat een prijsverlaging van twaalf mille. Bijdehand zijn is een eigenschap die mensen gewoonlijk meer oplevert dan een leven van eerlijk werken.

Het boerenhuis aan de Provinciale Weg, inclusief opstallen en anderhalve hectare grond, werden op naam gesteld van Pa Zwarthoed. Wanneer Arnold 21 werd en daarmee meerderjarig, zou de tenaamstelling automatisch veranderen. Mocht Pa Zwarthoed voortijdig overlijden, dan trad de Bank in zijn voetsporen. Ook de hypotheek kwam voorlopig terecht bij Arnolds vader.
Zo zorgen ouders voor hun jongen. Wie met niks moet beginnen, komt meestal nergens of het zal bij het arbeidsbureau zijn.
De boer had een zoon meegebracht. Het was een man van onbestemde leeftijd met een bot gezicht. Gedurende de gehele zitting sprak geen van beiden met de Zwarthoeden.
Handdrukken en pennekrassen werden uitgewisseld, de papierwinkel lag op de notariële tafel. Koffie kwam uit een metalen thermoskan. De onbeduidende koekjes bleven onaangeroerd.

In de Mercedes van Pa Zwarthoed ging het naar het woonhuis, een historisch moment.
Het was een groot erf, niet te vergelijken met de gemiddelde dorpstuin. De kastanjebomen stonden roerloos. Verlaten kippenhokken markeerden een vergeten leven. En dan was er natuurlijk het woonhuis zelf.
Ze doorliepen de ruimten. Beneden waren een hal, de uitgewoonde keuken en een woonkamer met schuifdeuren. Je kon zien dat hierin nauwelijks geleefd was. De trap naar de bovenetage kraakte.
Nooit zal iemand mij in de nacht verrassen.
Boven waren drie kamers. Een wasgelegenheid ontbrak. Toiletten werden pas twintig jaar later ergens anders dan op de begane grond ingericht. Het houtwerk van de vensters maakte een verwaarloosde indruk. Desondanks was het een solide huis. Hier moest het gebeuren. Wat precies bleef vooralsnog onduidelijk.
“Tevreden?”
“Reken maar van yes”.
“Veel werk”.
“Werken is gezond”.
Een zeldzaam geluid begin jaren zeventig. Arbeid werd door veel jongeren beschouwd als een straf, de levensbestemming voor doodverklaarde burgermannetjes.

Bij het afscheid had Pa Zwarthoed nog iets te zeggen.
“Ga jij om met Barry Filarski en zijn dochter?”
“Ze heet Jenny”.
“Wees voorzichtig”.
“Dat zei u al eens”.
“En terecht. Hij heeft vastgezeten. Om die reden is Birgit bij hem weggegaan. En Jenny koos voor haar vader”.
“Dus?”
Alleen een kenner kon deze simpele vraag van drie letters duiden. Arnold verwees impliciet naar de gammele boekhouding van zijn eigen vader.
“Het zijn bloedzuigers. Kijk maar uit. Dat bedoel ik met dus”.
“Misschien worden we nog familie van elkaar”.
Arnold maakte een grapje en zijn vader reageerde meteen. Ze zaten elkaar achterna op het erf. Is er iets mooier dan een vader en een bijna volwassen zoon die voor hun plezier achter elkaar aan hollen?

Arnold bleef achter. Pa Zwarthoed keerde terug naar zijn dorp om koffers op te halen. Hij had zaken te regelen en moest hiervoor naar Duitsland. In de garage meldde hij dat Arnold hem een paar dagen zou vervangen. Het bericht werd zwijgend aangehoord, een veeg teken. Het leek wel of personeel met de week vrijpostiger werd en het werd hierin gesteund door de vakbonden en de Partij van de Arbeid.
Trudie ging op kamp naar een boerderij op de Veluwe. Er waren spelleiders, hofdieren, fruitautomaten, bustochtjes en in het geniep werd weed gerookt.
Arnold doorkruiste het woonhuis opnieuw. Hier hadden andere mensen gewoond en geleefd, tientallen jaren lang. Het verleden was nog in alles aanwezig: het behang en de verf, de beduimelde handgrepen en slijtplekken op de vloer.
Investeren is beter dan oppotten.
In feite zat de buit van de Tsarina hem niet lekker. Er was geen schuldgevoel, maar een vaag vermoeden dat de kwestie nog een staart zou hebben.
Voort maar weer. Hij wrikte aan de ramen, controleerde de dakgoten. Op een kladblok noteerde hij zijn bevindingen. Er moest een en ander gebeuren. Toch bleef zijn gevoel van voldoening overeind.
Want het heeft iets verhevens. Staan in je eigen huis waar geen ander mag komen zonder jouw uitdrukkelijke toestemming. Een plek waar je alles kunt doen waar je zin in hebt. Al wil je jezelf er verhangen.
Arnold besloot dat zijn huis De Knevelaar ging heten.

Met de bus reed hij naar zijn oude dorp. Het was hem vreemd te moede. Een weg terug is er eigenlijk nooit. Afgezonken op de bodem van diep water lagen de examens, de dienstplicht, het deel uitmaken van een gezin met een rondhopsende huishoudster. Arnold voelde geen heimwee naar het oude of vrees voor het onbekende. Er was vooral opwinding over de betekenis van het nieuwe.
In de ouderlijke woning waren de luxaflexen neergelaten en de deur zat in het slot.
Vrijdagavond. Het was te laat om nog dingen voor zijn nieuwe huis te regelen. Hij pakte de telefoon en belde de Chinees om een afhaalmaaltijd te bestellen.
Een schaduw schoof langs het venster. De klep van de brievenbus rammelde. Arnold hoorde het aan, telde de seconden weg en zag de postbode teruglopen. De man wisselde een paar woorden met een voorbijganger.
Op de deurmat lag een rouwkaart. Arnold pakte een keukenmes en ritste de envelop open. Hij zag iets dat niemand ooit te zien krijgt: zijn eigen overlijdensbericht.

Heden verliet ons Arnold Zwarthoed. Een tragisch ongeval maakte een einde aan zijn jonge leven. Arnold was betrokken bij louche zaakjes. De begrafenis zal in besloten kring plaatsvinden.

Hij las de kaart meerdere malen. Het stond er allemaal echt en de tekst moest zijn gedrukt. Het leek een regelrechte bedreiging, maar wegens de inhoud kon je er moeilijk mee naar de politie gaan.
Wat kan dat betekenen, meneer Zwarthoed: louche zaakjes?
Een afzender ontbrak natuurlijk. De envelop was gepost in de stad.

Arnold wierp de kaart in de vuilbak en begaf zich naar het Chinese restaurant. Op de balie stond de kartonnen doos voor hem klaar. Geen nationaliteit waar het eten zo bliksemsnel kan worden bereid als de Chinese. Het voedsel is een eindeloze variëteit op vlees, groente en rijst, alles gesmoord in zout en vet. Je zou denken dat de Chinezen een mega contract hebben met de frisdrankindustrie om alle troep weg te spoelen.

De nacht bracht hij door in zijn eigen bed. Het was en bleef volkomen stil. Pa Zwarthoed bleef weg, net als Trudie. In het weekeinde kwam de werkster evenmin. Het duurde lang voor Arnold in slaap viel en zelfs toen bleven allerlei indrukken opkomen. Zo kwam het, dat hij pas tegen 11 uur in de morgen wakker werd en om zich heen keek. Een vertrouwde kamer met een schrijftafel en een lamp, een simpele typemachine, het schaalmodel van het vliegtuig, plooien in de gordijnen. Hij had hier de langste tijd wel doorgebracht. Op zijn rug lag hij rond te kijken, tot zich een vraag aandiende.
Waarom ging mijn vader zo snel akkoord met de aankoop van het woonhuis?
Een antwoord was niet zomaar voorhanden, maar het viel hem wel ineens op. Het werd bovendien tijd uit bed te komen en de blaas te ledigen.

De chef van Café Tramzicht had een noviteit. Twee tafeltjes en acht stoelen stonden buiten, zomaar op straat. Met een uitgevouwen parasol vormde dit het beginsel van een terras. Zelfs asbakken waren geplaatst. Arnold ging liever naar binnen en nam plaats aan het venster.
“Ah, Zwarthoed junior.”
De baas zette zich even aan zijn tafel.
“Hoe staan de zaken?”
“Ik heb een huis”.
Een bericht van formaat.
“Zo. En heb je daar trek van gekregen?”
Het juiste antwoord. De cafébaas wilde zelf bepalen of en wanneer hij onder de indruk was.
“Dat ook. Maar vooral zoek ik een paar bouwvakkers”.
“Die zijn schaars. En dus duur”.
In een café hebben ze overal verstand van.
“Een stuk of wat vaklui om de boel op te knappen”.
“Vind je vader dat wel goed?”
“Hij is met vakantie.”
De chef was vlug van begrip.
“Wat zit er voor mij in?”
“Waar dacht u aan?”
Een fout. Je moet altijd zelf het initiatief houden.
“Ik dacht”.
De baas keek zelfbewust, streek met de hand langs zijn kin.
“Ik dacht aan vijfhonderd gulden, maar voor jou regel ik het voor de helft”.
Arnold knikte instemmend. Veel zaken worden op deze wijze gedaan. Handen zijn er om elkaar te helpen en naderhand schoon te wassen.
“Honderd vooruit en niemand hoeft te weten hoe het zit”.

Alles bestaat. Je moet alleen goed zoeken. Wie zou denken dat je uit zo’n schijnbaar lege polder binnen het uur een ploegje bouwpersoneel tevoorschijn kunt toveren?
Opgeschoten knullen schaarden zich rond de tafel. De meesten waren twee koppen groter dan Arnold, met polsen als scheepskabels. In leeftijd onderscheidden zij zich nauwelijks van hem en toch leken ze van een andere planeet te komen. Er werd een team samengesteld van uiteenlopende vaardigheden. Met een voorman die een offerte ging maken. De chef had overwicht door overgewicht. Arnold gaf hem zijn sleutels, opdat de man in het woonhuis kon rondkijken.

De jongens hadden er zin in. De één wilde lichtmetalen velgen voor zijn auto, de tweede had kermisschulden of was van plan die te maken, een volgende had een meisje met jong geschopt, dus binnenkort werd er getrouwd. En allemaal waren het beste jongens, de fysieke bloem van de natie.
Arnold betaalde de kosten van koffie en frisdrank. Hij ging terug naar het ouderlijk huis en viel op de bank in slaap.

In de middag werd er aangebeld. Even dacht hij dat er problemen waren met zijn vader of de bouwlieden, de hypotheekverlener, de gast die hem bedreigde. Het kaartsysteem in zijn hoofd viel om. Het was Bertine.
“Gefeliciteerd!”
“Waarmee?”
Hij duizelde nog een beetje.
“Met je huis natuurlijk”.
“Dank je, maar houd het verder voor je, wil je?”
“Waarom? Ik zou het van de daken schreeuwen”.
“Dat lijkt me een slecht plan”.
Uit de vuilbak viste hij de rouwkaart.
“Bekijk dit maar eens”.
“Wat is dat?”
“Ik weet het niet, maar ik heb er een slecht gevoel over”.
Hij zag hoe Bertine het bericht tot zich nam. Ergens stuitte het op onbegrip.
“Gekkerd! Het is gewoon een vergissing. Komt er een feestje?”
“Natuurlijk. Maar tot het zover is, vraag ik je erover te zwijgen”.
Arnold nam de kaart van haar over en besloot deze nog wat te bewaren
“Discretie hoort bij je baan, vind je niet?”
Als Bertine niet uit eigen beweging haar mond wilde houden, dan maar laten weten dat ze met gekwebbel problemen op het werk riskeerde.
Of hij zin had naar haar verjaardag te komen. Sommige mensen schijnen maar niet te begrijpen dat een ander daar een afkeer van heeft.
Arnold antwoordde dat hij zou komen, maar wist dat dit nooit zou gebeuren.

De straatdeur van de Ragebol stond wagenwijd open. Een diepe geur van vermolmde vloerdelen en mislukte levens sloeg door de voordeur naar buiten. Aan de gracht stond Patrick, voorzien van een hengel.
Arnold naderde stilletjes, als een toevallige wandelaar.
“Zo Patrick, trek in vis vanavond?”
“Jezus Christus! Je bent de elfde vandaag”.
De chef stapte heen en weer als een opgefokte reiger.
“Wat moet dit voorstellen?”
“Ze heeft mijn sleutels uit het raam geflikkerd”.
“Gebruik je een schepnet?”
“Nee, een magneet uit een fietsdynamo, is het nou goed?”
Het leven is ondoorgrondelijk, de manier waarop mensen ermee omgaan soms bepaald lachwekkend. Toch is het allemaal de werkelijkheid.
Arnold besloot naar binnen te gaan. Het was de macht der gewoonte, grensgebied van belangstelling en verveling. En van geldingsdrang. Het mocht kinderachtig zijn, maar het bezit van een eigen huis verschafte Arnold een gevoel van onoverwinnelijkheid.
Hij stak een Craven aan. Geurige kwaliteitstabak verdrong de zure kroegdampen.
Muziek was er niet. Eigenlijk was er niets. Misschien kon je zeggen: wegens het ontbreken van muziek was er niets.
Aan de grote tafel zaten drie jongens te kaarten. Arnold overzag het in een enkele seconde: alles aan hen was verkeerd. Om te beginnen hun afschuwelijke haardracht. Met een lengtescheiding op driekwart, geknipt door een kapper die Karel de Grote nog had gekend. Zijn blik registreerde andere details: een doublé horloge, broekspijpen met een omslag, sokken met een ruit op de zijkant. Zelfs hun manier van zitten deugde niet.
Toch kun je er van op aan dat uitgerekend deze jonge mannen de constante factor van Nederland zijn, de smoelen van elke tijd, de visualisering van een onvoorstelbaar laag gemiddelde.
Even orde op zaken stellen.
Arnold trok een stoel naar zich toe, ging er achterstevoren op zitten, plaatste zijn ellebogen op de tafel van de jongens en zuchtte hartgrondig.
“Is er wat?”
De jongens dachten zeker dat Arnold een vermoeiende dag had.
“Hebben jullie toestemming hier te zitten?”
“Hoezo?”
“Wij proberen dit café een beetje leuk te houden”.
Stomme kaffers.
“We zitten hier gewoon even”.
Arnold zoog aan zijn sigaret. Hij legde zijn doosje Craven voor zich op tafel.
“Dat is precies het probleem. Luister! Zie ik eruit als een sociaal werker? Draag ik een baardje of sandalen? Ruik ik misschien naar een ambtenaar van sociale zaken? Ik dacht van niet. Als je hier wilt rondhangen, heb je toestemming nodig”.
Veel woorden gebruiken, jezelf opdraaien. Arnold kreeg zin om een paar stampen uit te delen.
“Van jou zeker”.
Alles wat ze zouden antwoorden, werkte als spiritus op een smeulende BBQ.
“Om te beginnen kun je iets anders aantrekken dan die door je moeder gebreide trui”.
Beledigen helpt nogal om de ander uit de tent te lokken. Het gebeurde bijna instinctief. Hulp kwam uit een onverwachte hoek.
Aan de bar hing een gestrande cowboy, een midden twintiger met puntige laarzen en een bruin nappa jack, de schouders afgezet met rafelige franje. Zijn harenkop had minstens een jaar geen kraanwater gezien. De cowboy rookte een sigaartje en zat te lezen in het blad Muziek Express. Hij draaide zich om.
“Fuck them!”.
Arnold knikte instemmend.
“Je hoort het”.
“We blijven. Jij hebt hier niets te vertellen”.
Arnold zuchtte. De cowboy draaide een kwartslag, als was hij persoonlijk beledigd.
“Twee hele zinnen achter elkaar. Toe maar”.
Het kaartspel kwam tot stilstand.
“Ga je heil ergens anders zoeken. Ofwel: pak je jas en sodemieter op nu het nog kan”.
Tegelijk met de jongens kwam hij overeind. De cowboy veerde van zijn kruk. Een knokpartijtje leek hem aan te spreken.
“Langs de Kaasmarkt zijn veel mooiere cafés”.
De jongens kwamen in beweging. Een gevecht wordt vooral beslist op mentaliteit, dat weet elke Duitse soldaat.

Achter een pluchen gordijn, uitgehangen alsof het een bordeel was, staken broekspijpen en laarzen tot over een lage tafel. Jawel. Er bestonden nog dinosauriërs. Nu het café gezuiverd was, zeilde Arnold neer tegenover Gerben, die met Sjoerd een spelletje schaak deed.
“Dag Gerben. Nog wat gehoord, Sjoerd?”
Altijd met de deur in huis vallen.
Sjoerd staarde vervuld van angst naar het schaakbord.
“Of krijg ik mijn geld terug, hier en nu?”
“Ik heb nog geen tijd gehad”.
Geen tijd.
“Dan maar terugbetalen”.
Dit ging evenmin.
“Loop even mee”.
Arnold greep Sjoerd bij zijn boord, sleurde hem omhoog. De jongen was vederlicht. Gerben zweeg en richtte zijn aandacht op het schaakbord.
“Deze kant uit”.
Bij de toiletten drukte Arnold Sjoerd tegen de wand en gaf hem een draai om zijn ongewassen oren.
“Ik heb je gewaarschuwd. De gevolgen zijn voor jouw rekening”.
Zijn knie stootte tegen Sjoerds maagstreek.
“Niets presteren en mijn geld erdoor jagen!”
“Rot toch op man.”
Arnold greep Sjoerd vol en krachtig bij de ballen.
“Wat Zegt? Beginnen we praats te krijgen?”
Sjoerd wilde schreeuwen, maar het ontbrak hem aan lucht.
“Als je gaat brullen, verdwijnt je kop in de toiletpot”.
“Aaahha”.
Een onrustig gevoel maakte zich meester van Arnold. Iemand bij zijn ballen vasthouden, ziet er raar uit. Het kan niet lang duren.
“Lukt het nog vandaag, of moet ik je kinderbijslag eraf draaien?”
“De Tsarina gaat tegen de vlakte. Ze gaan er huizen bouwen”.
“Nou, geweldig. Maar ik vroeg naar Iris”.
Zijn greep hield aan. Het gezicht van Sjoerd toonde kreukels, alsof een vroegtijdige ouderdom zich aankondigde.
“Krijg ik dan mijn geld?”
“Ben jij wel eens echt hard geslagen, Sjoerd? Er zijn vandaag geen hulptroepen of Duitse mongolen om je achter te verschuilen”.
“Die andere twintig?”
Het straatleven, het sjacheren en bedelen, het plegen van kleine diefstallen, gebrek aan nachtrust, het besef van uitsluiting, hadden Sjoerd harder of wanhopiger gemaakt. Ze stonden bij de pleedeur van De Ragebol, omgeven door een geur waarin zelfs kakkerlakken zouden bezwijken.
Arnold liet los. Hij haalde twee biljetten tevoorschijn en wapperde ermee voor de neus van Sjoerd.
“Eerst praten. Dan geld. Niet andersom”.
“Iris is verhuisd”.
“Dat mag ook wel. Adres?”
“Achterkade”.
“Nummer? Huisnummer Sjoerd. De Achterkade is lang”.
“Niet op gelet. Het huis heeft een blauwe voordeur”.
Ze werden onderbroken door Patrick. De chef stommelde zijn rookbunker binnen. Arnold liet Sjoerd los en klopte hem op de schouder zoals je een hond bemoedigt. Zodra Patrick zijn schaarse gasten zag, hield hij triomfantelijk een sleutelbos omhoog.
“Niet gedacht hé? En nu even iets regelen”.
Zijn zware stappen bestormden de trap, de weg naar bovengelegen kamers. Een deur sloeg dicht. Kabaal vulde de achtergrond. Het klonk naar omvallende kasten.

De historische stad is een raderwerk van door elkaar lopende tijden. Generaties hebben erover gedaan de warboel van krotten en echte panden, huizen en bouwvallen, kerken en fabriekjes, kelders en zolders, neer te planten. Daar hebben de mensen hun tijd aan besteed. En dan zijn er nog grappenmakers die vragen naar de zin van het leven.

De Achterkade was Arnold te ver. Daarbij vreesde hij te belanden in een sfeer van goede vrienden en verhuisdozen, klusjes en theekransjes. Het leek hem beter het oude adres op leegstand te controleren.
Het was zondagmiddag. De straten waren leeg. Hij keek om zich heen en verwonderde zich. Het ging over een houten brug, door een steeg met een bouwsteiger, straten waar fietsen in een rek tegen elkaar hingen. Hier waren de huizen ouder en het onderhoud allang vergeten. Er hing een onaangename geur van armoede. Het pand waar hij wilde zijn, torende enkele meters boven de andere uit. Arnold zocht naar de sleutel in zijn broekzak, maar vond alleen die van hemzelf. Dan maar achterom. In de steeg lag rotzooi als tevoren. Een half verbrand matras was de laatste bijdrage. Op het beslissende moment zonk hem de moed in de schoenen. Wat maakte het ook uit een paar dagen later te komen? Besluiteloos stond hij een halve minuut stil en maakte rechtsomkeert.

Eenmaal in de auto, begreep hij ziek te worden. Hij reed een paar honderd meter, stopte abrupt midden op straat en had juist voldoende tijd het portier te openen. Een golf braaksel spatte uiteen op het wegdek.
Onderweg naar zijn ouderlijk huis gebeurde dit nog eens. Hier aangekomen, holde hij naar de voordeur, maar bereikte de wc niet zonder zich te bevuilen.
Het was al donker toen hij weer bijkwam. Hondsberoerd voelde hij zich. Hij strompelde de trap af en braakte opnieuw boven het toilet. Zijn slapen klopten, zijn ingewanden borrelden als een ketel erwtensoep. Minutenlang bleef hij nahijgen. Hij drukte zijn voorhoofd tegen de deur van het toilet om een beetje verkoeling te vinden. Het licht liet hij uitgeschakeld, want het smerigste verdient slechts duisternis. Vanuit de huiskamer drong het tikken van de Rotterdamse Staander tot hem door. Het plechtstatige geluid ging over in een melodie, ergens gehoord, misschien in De Zwarte Beer, het voorportaal van het einde.
I am so sick, so sick. Oh death come quick.

De volgende dag bleef hij in bed liggen. Hij sluimerde in blokken van twee tot drie uren, ontwaakte in een merkwaardige lichamelijke verstijving om opnieuw weg te zakken. Niets bemerkte hij van het feit, dat de nieuwe huishoudster zijn kamer betrad, het venster op een kier zette en een glas water ververste.
Tegen zeven uur in de avond voelde hij zich eindelijk wat beter. Uit de huiskamer klonk het opgewekte deuntje van de Fabeltjeskrant. Ongetwijfeld zat Trudie tv te kijken.
Voorzichtig kwam hij overeind en begaf zich naar de badkamer. De mengkraan deed er nogal over om warm water te leveren. Zijn urine vloeide weg langs de tegels en vormde een kortstondige gele stroom naar het putje.

Twee dagen later was hij weer de oude. Anderhalf uur was hij in de garage, voornamelijk om het personeel te laten weten dat hij de werktijden in de gaten hield. Voor de vorm hielp hij met het uittakelen van een motorblok. Zonder aan te geven wanneer hij terug zou komen, verliet hij het bedrijfspand.

De bouwvakkers brachten allereerst een grote transistorradio binnen. Creedence Clearwater exerceerde door de kale ruimten van het boerenhuis. De band moest de muzikale beschaving redden nu de hippies door de platenboeren waren ingeruild voor de dans en clips van een verse generatie. Je wist niet meer wie man of vrouw was. David Bowie was allebei. De sprinkhaan was als een doosje bouwstenen, waaruit je steeds een andere artiest kon samenstellen.
Zes bouwvakkers brulden af en toe het refrein mee met de gebroeders Fogerty.
Oh, Suzy Q, baby I love you, Suzy Q.
Dit alles ging bij vlagen ten onder in geram en gezaag, het knersen van een betonmolen, het gillen van Black & Deckers, het venijnige fluitknallen van elektrische nietmachines. Arnold bekeek met de voorman de tekeningen. Hij bracht wijzigingen aan en verraste de ploeg met het laten aanrukken van patatten, broodjes en frisdrank.
De afronding was een kwestie van dagen. Daarna hadden de mannen vakantie. Hun gesprekken gingen steeds vaker over bier en bikini.

Uit de kofferbak van zijn auto haalde hij een kleine camera, gekocht in de stad. In stilte, om niet te zeggen in het geniep, maakte hij opnamen. Het vederlichte klikken viel niemand op. Het leek hem een aardige training voor het werk dat door Jenny was gesuggereerd. Enig idee van wat dit in werkelijkheid zou inhouden, ontbrak hem. Hij fotografeerde ook de auto’s van de bouwvakkers.
Als ze mij belazeren, geef ik hen aan bij de Belastingdienst.

Pa Zwarthoed had zijn afwezigheid met een paar dagen verlengd. Dit tot ongenoegen van Arnold. Het was bepaald dringend de boekhouding van Garage Zwarthoed aan de orde te stellen. Om precies te zijn: Arnold had onregelmatigheden aangetroffen.
Nu hij nog even alleen bleef, wilde hij de verbouwing afronden voor zijn vader terugkwam. Een kind streeft altijd naar de waardering van zijn ouders. Bovendien werd het tijd nog eens Duits geld te wisselen. Dus reed hij in de middag opnieuw naar de stad, waar de uitverkoop was begonnen. Ondernemers boden hun winkeldochters aan voor de helft van een prijs die ze eerst hadden verhoogd.

Hij kwam vroeg en bleef de hele dag op kantoor. Als een Zwarthoed bloed ruikt, gaat hij tot het einde. Tersluiks probeerde hij het ingeslagen framenummer van een gerepareerde wagen te controleren, maar kon het niet vinden. Hij kreeg de indruk dat de monteurs zijn bemoeienis vervelend vonden. Het vergrootte zijn wantrouwen, al bleef dit gevoel ongericht.
Al met al verzette het werk zijn privé gedachten, onderdrukte de gang naar de horeca en wekte een sfeer van zingeving en doelmatigheid. Toch zat hij ’s avonds neerslachtig achter een bak fastfood in het ouderlijk huis.
Een bezoek van Bertine veranderde hieraan niets. Ze sliepen gescheiden en zonder begeerte. Zo was het beter, want seks is de zaag aan de poten van vriendschap.

De volgende morgen lag een kleine blauwe vensterenvelop van het Ministerie van Justitie in de brievenbus. Berichten die er toe doen, nemen weinig ruimte in.
Bij een schildersbedrijf buiten de polder was een gestolen wagen aangetroffen. Deze was gekocht bij Garage Zwarthoed. De politie auto had het voertuig in beslag genomen. Of Zwarthoed contact wilde opnemen.
Arnold nam de envelop mee naar de garage en informeerde naar het voorval. De mannen hulden zich in onnozelheid. Verkopen werden door Pa Zwarthoed altijd zelf afgehandeld. Een monteur had zich trouwens ziek gemeld, reden voor Arnold om het GAK te bellen. Hij drong aan op een controlebezoek en liet het hier voorlopig bij.

Na het avondeten, een blik erwtensoep waar hij extra worst door roerde, kleedde hij zich om en ging te voet langs bij het echtpaar De Zwaan.
Het is toch al een verloren dag.
Het was een rijtjeswoning, typisch huursector, maar wel voorzien van een diepe tuin. Het leven lijkt soms op een oneindige verscheidenheid aan gelijktijdig opgevoerde toneelstukken. In elk huis, achter elke deur wordt een andere situatie uitgebeeld. Er bestaat wel samenhang, maar er is niemand die deze kan overzien.
Bij De Zwaan kreeg hij een kopje thee. Bijna vergat hij een meegebracht blok chocolade af te geven. Het was goed dat er nog jongeren met een hart bestonden. Tersluiks keek hij rond in de met barokke meubels volgestouwde woonkamer van het gezin. Nooit had hij hier rustig zijn huiswerk kunnen maken, nergens was plek om ongestoord in slaap te vallen.

Mevrouw De Zwaan zat rechtop in haar stoel. Een dunne, doorzichtige slang voerde zuurstof aan via haar neus. De veronderstelde longontsteking bleek iets geheel anders te zijn. Een onnoembare keelaandoening was het, te lang veronachtzaamd bovendien. De huisarts was een man die ongaarne doorverwees. Nu was het te laat. Een eenvoudige erkenning van dit falen was natuurlijk teveel gevraagd. Geschatte levensduur voor mevrouw De Zwaan: drie tot zes maanden.
Arnold sloeg haar bewegingen nauwkeurig gade. Het drinken door een rietje, het kauwen op een stukje chocolade. Hoe vaak had hij zich niet aan haar geërgerd en hoe betrekkelijk leek dit alles vandaag. Later werd de tv aangezet. De KRO, even degelijk als zouteloos, voerde een veld op vol dansers en danseressen. Een ieder was voorzien van een enorme namaakschaar, waarmee leuke knippende bewegingen werden gemaakt. Hiernaar te mogen kijken in je laatste levensfase.

Twee dagen scheidden hem van de beslissing wat hij zou doen. In de garage bij zijn vader blijven, of als aankomend filmer naar de Filarski´s vertrekken. Je kon je ook inschrijven bij het Arbeidsbureau, een weinig aanlokkelijk vooruitzicht. De lui van dit kantoor waren ambtenaren. Ze legden dossiers aan die ze naar elkaar doorschoven. Vervolgens gebeurde er niets. Registratie heeft nooit bijgedragen aan vermindering van werkloosheid. Alleen een aantrekkende economie helpt.
Hij probeerde zijn vader te bellen om hem tot terugkeer te bewegen. De telefoon werd niet opgenomen. Heel erg vond Arnold dit niet. Hij wilde graag dat zijn huis werd afgebouwd. Hier kon Pa Zwarthoed beter geen getuige van zijn.

Gelukkig waren deze mannen sneller klaar met hun klus dat hij had gedacht. Ze rosten hun gereedschap in de kleine vrachtwagen en wasten hun gezichten en polsen onder de kranen die ze zelf hadden aangebracht. Was het mooi geworden, of hoe zat het? Een half uurtje zat het gezelschap aan bier, sigaren, bokworst en kaas.
De voorman had van Arnold een stapel Duitse flappen meegekregen en deze bij een Bank gewisseld. Als een rentmeester zat hij aan tafel en verdeelde het geld. Het was een tafereel voor een Hollandse schilder: De Zwartwerkers.
Arnold noteerde een paar namen en telefoonnummers om mogelijk later eens over andere klussen te praten. Het geld verdween in portemonnees, broodtrommels en broekzakken. Zo gaat dat met geld.
Een half uur later arriveerden leveranciers. Ze brachten een rol vloerbedekking, stoelen en een eettafel. Twee prutsers waren anderhalf uur bezig met het bevestigen van luxaflex. Afdrukken van hun schoenzolen verpestten het schilderwerk van een vensterbank.

Zodra de rust was teruggekeerd, reed Arnold naar de stad. Nabij de kanaalbrug was tussen betonskeletten een tijdelijke parkeerplek aangelegd, bedoeld voor opzichters en bouwbazen. Hier liet hij zijn auto achter en marcheerde naar De Ragebol. Vermoeid zeilde hij neer aan de bar. Klanten waren er niet.
“En, Patrick?”
“Wat?”
“Je vrouw natuurlijk, sleutels, brandverzekering, geldproblemen, visakte. Hoe het gaat.”
“Het gaat goed”.
Het klonk kortaf. De barman ging een plaat opzetten. Rockmuziek met een klassieke omlijsting, een groot orkest met violen en fagotten. Waar moest het eindigen.
“Ik hoor dat jij een eigen huis hebt?”
De toonzetting van de vraag stond Arnold tegen.
“Ik moet ergens wonen”.
“Verdien jij zo goed?”
“Zeker, ik heb veertien krantenwijken”.
“Zo’n jonge gast…”
Patrick was ongewoon vervelend vandaag.
“Ja, jij wacht liever tot je pensioen. Het huis is niet van mij en er zit een hypotheek op, als dit je mocht boeien. Eigenaar is mijn oude heer, voor jou de achtenswaardige portefeuillehouder van economische en aanverwante zaken, tevens eigenaar van Garage Zwarthoed. Als je een auto nodig hebt, kan ik je matsen. Als je tenminste ophoudt om strontvervelend te zijn”.
Patrick moest de mededelingen even herkauwen.
“En jij lost de hypotheek af met rondhangen”.
“Het is niet mijn hypotheek, zei ik al. Godverdomme. En ingeval ik moest aflossen, dan deed ik het met de opbrengst van roofovervallen. Wees dus blij dat je nog leeft”.
Patrick lachte een beetje ongemakkelijk.
“Square man, right on”.
Ach ja, de cowboy zat er ook weer.
Patrick wenkte Arnold met zijn hoofd en wachtte tot deze zijn tegenzin had overwonnen en twee krukken opschoof.
“Heb je al wat van Justitie gehoord?”
Arnold hoorde alarmbellen rinkelen. Hij besloot zich van de domme te houden.
“Wat moet ik met Justitie?”
“Sonja gaat jou aangeven. Namens Pino. Of ze heeft het al gedaan. Het gaat om geld van de Duitse lotto. Het is verdwenen uit De Tsarina en jij bent daar gezien”.
Vandaar dat ik Iris nooit meer zie. Ze heeft gekletst.
Arnold schrok weldegelijk. Eerst het gedonder met een gestolen auto in de garage. Nu dit weer. Zat straks de hele familie Zwarthoed achter de tralies?
Toch herstelde hij zich snel.
“Weet jij Patrick, weet jij nog dat we hier om de grote tafel zaten? Dat ik de getallen voor onze Jezus invulde en een tientje inleggeld op tafel legde? Weet je dat nog? Je was er wel bij. En staat je nog bij dat ik toen uitdrukkelijk heb gezegd dat Pino bij winst met mij zou delen?”
“Ik weet van niets”.
“Dat mag je later herhalen voor de rechtbank, want ik ga jou als getuige oproepen”.
Hij woog de mogelijkheden in een razend tempo. Zijn angst ging over in boosheid, welke op zijn beurt in de diepvries van zijn zelfbeheersing belandde.
“Hoe zou ik kunnen weten dat Pino geld heeft? En waarom staat dat geld niet gewoon op de bank? Vraag jij je wel eens iets af, Patrick? Zou je moeten doen.”
Patrick ging shag rollen. Hij deed er lang over.
“Ik heb het van Sonja. We zaten wat te babbelen en toen”.
“Hou toch op man, ik heb de hele week hard gewerkt en ben doodmoe”.
Dat verdomde geouwehoer overal.
“Zou ik hard werken wanneer ik geld had? Zou jij dat doen?”
De barman grijnsde een beetje besmuikt. Toch had hij een stukje echte informatie.
“Die roodharige van Vincent was er ook bij. Janis of zoiets”.
Arnold haalde diep adem, drie, vier keer. Ongewild sprak hij uit wat hij dacht.
“Sonja kan helemaal geen aangifte doen. Dat kan alleen wanneer je belanghebbende bent. Pino zit vast, naar ik heb gehoord. Wegens akkevietjes, weet je wel. Ik denk dat Sonja te diep in haar glazen bol heeft gekeken”.
De deur van het café zwaaide open. Arnold wierp een blik naar het felle buitenlicht. Hij zag slechts silhouetten.
Drie meisjes schoven langs de bar. Ze waren veel te jong om in een neerslachtig café te belanden. Van wie hadden ze gehoord dat het leuk was in de Ragebol? Ze namen plaats aan de grote tafel en grabbelden in hun tassen. Samen aten ze een meegebrachte reep chocolade. Een mooie gelegenheid een sneer naar Patrick uit te delen.
“Daar gaat je omzet. Weer geen aflossing deze maand”.

Arnold had geen zin om te wijken. Vroegtijdig vertrek kon worden uitgelegd als vrees of schuld. Ongeduldig wachtte hij tot Patrick thee had gezet. Voor schoolmeisjes is een kopje thee het meest voor de hand liggend. Dat kennen ze van thuis.
Zijn oog rustte op de cowboy, die onverstoorbaar aan de bar was blijven zitten. Zin in een gesprek met deze outlaw had hij niet. Sympathie op afstand is soms mooi genoeg.
De meisjes haalden hun thee van de bar, ieder afzonderlijk. Ze waren nog fris van de lever, bijna kind. De barman schoof kleingeld naar zich toe.
“Goed, Patrick. Aangezien je toch alles schijnt te weten: nog wat van Iris gehoord?”
De aanval is de beste verdediging.
“Iris? Iris geeft geld uit. En waar komt dat geld vandaan, nietwaar?”.
Arnold schoot in de lach, al kon je denken dat verontrusting meer op z’n plaats was.
“Is Sinterklaas weer in het land? Denk je dat ik verslaafden financier?”
Patrick was deze keer standvastig. Hij had zijn antwoorden klaar.
“In ruil voor haar zwijgen”. Zijn blik moest als veelbetekenend zijn bedoeld.
“Zwijgen? Denk je dat ik van de maffia ben? Je kijkt teveel naar de tv, idioot”.
Arnold wapperde met zijn hand.
“Om hoeveel geld gaat het eigenlijk?”.
“Anderhalve ton of meer”.
“No shit!” De cowboy leek het gesprek synchroon mee te lezen in zijn stripboek of hij had verdomd goede oren. Zelfs de meisjes schrikten op van zijn uitroep.
De half klassieke muziek kwam tot een vroegtijdig einde. Er zat een vette tik in de groeven. Patrick haalde de schijf van de draaitafel, keek nog eens goed en borg de plaat in de hoes die weer in de platenbak verdween. Arnold kon niet nalaten te reageren.
“Wat je nu doet, is precies de reden waarom je hier over een eeuw nog staat”.
Patrick deed of hij niets hoorde.
“Een beschadigde LP weer in het rek zetten. Zo kom je lekker vooruit”.
De cowboy kwam van zijn kruk. Uit niets in zijn houding bleek dat hij het gesprek had gevolgd.
“How much?”
Patrick stak twee vingers op. Hij wachtte rustig tot twee muntstukken op de bar lagen.
Even later verdween de vreemde bezoeker in het daglicht van de deuropening. Om per omgaande plaats te maken voor een andere gast: Gerben.

Ze bleven maar even. Gerben ging Arnold voor langs de gracht van eeuwenoud verdriet. Een ogenblik stonden ze stil voor de etalage van de pornowinkel. Elektrisch licht in de etalage floepte automatisch aan wanneer je langer dan drie seconden stilstond. Na een minuut was het weer gedaan met deze dienstverlening. Via de hoerenstraat ging het terug, langs een pand dat recentelijk was ingestort.
Ergens in deze gribus klonk muziek van Hendrix, grootste gitarist van het noordelijk halfrond. Opdat de amateurs het onthouden. Buitenaardse klanken verhieven de straat uit de hel, al was het voor vijf minuten.
Bij een grijs geverfde deur bleven ze staan.
“Kom je binnen?”
Arnold keek op zijn horloge en knikte. Een kwartiertje, dat moest kunnen. Het was goed limieten te stellen. Zo werkten ze in de garage ook. Met een stopwatch om te meten hoeveel tijd een reparatie in beslag nam. Om daarna deze tijd tot norm te stellen.
De deur gaf toegang tot een redelijk onderhouden pand, bijna op de hoek van de hoerenstraat. Gerben ging voor en trok meteen zijn jas uit. Hij opende een glasdeur die toegang gaf tot de woonkamer.
“Hoeveel?”
“Vierhonderd in de maand”.
“Geen kattenpis.”
Ze stonden in een smaakvolle ruimte. De wanden waren gestuukt, er stond een houtkachel. Op een metalen standaard prijkte even fier als zinloos de contrabas.
“Hoelang denk je dit vol te houden?”
Gerben leefde bij de dag. Hij was al afgekeurd voor arbeid. De problemen beperkten zich niet tot artritis in zijn gewrichten; ook in zijn bovenkamer was iets loos. Onderzoeken in een ziekenhuis stonden nog op het programma. Arnold liet de berichten bezinken en dacht even na. Dit ging maar voor een klein deel over Gerben. De woorden van Patrick gonsden nog na in zijn hoofd. En dan was er nog dat merkwaardige overlijdensbericht.

Nadenken komt vooral neer op het onderkennen van verbanden en mogelijkheden. Geen enkele keer was het bij Arnold opgekomen de inhoud van de buitgemaakte rugzak nauwkeurig na te tellen om hiermee de omvang van zijn daad in kaart te brengen. Nu maakte hij zich gaandeweg zorgen over de kennelijke complexiteit.
Hij onderbrak Gerben, zonder acht te slaan op wat deze vertelde.
“Luister, Gerben. Ik heb een idee. Wij kunnen elkaar helpen. Het belangrijkste is, dat je erover weet te zwijgen”.
Het voorgenomen kwartier groeide uit tot anderhalf uur. Er was geen drank in huis, geen muziek, geen telefoon. Zo kon er voortgang worden geboekt.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.