BLINDGANGER, Hoofdstuk I

| Geen reacties

De jaren zeventig waren pas begonnen. Een gouden tijd voor de socialisten stond voor de deur. Met name grote bedrijven stonden in een kwade reuk. Juist zoals vandaag probeerden zij de mensen te reduceren tot werkslaven en consumenten. Het denkende deel van de jeugd had wel wat beters te doen dan zich hiertoe te lenen.

Arnold Zwarthoed was een halfwas van achttien jaar, scholier in de laatste klas van het verdwijnende schooltype HBS. Tegen de trend in droeg hij graag nette kleding en liet geregeld zijn haar knippen. Bovendien had hij een neus voor geld.
Zijn vader was garagehouder en tevens wethouder in eigen woonplaats, een dorp in Noord Holland. Als weduwnaar vormde hij een gezin met zijn beide kinderen. Naast Arnold was er dochter Trudie. Zij was vijftien en woonde een deel van de tijd in Huis De Zon, opvang voor jongeren met een gebrek of stoornis. Moeder was jaren eerder gestorven onder verdachte omstandigheden. Het huis werd op orde gehouden door Jopie De Zwaan, gehuwd met een kippenslachter.

Op de eerste zaterdag van de maand juli vertrok Arnolds vader voor twee weken naar Duitsland. Geregeld vond hij hier tweedehands auto’s om deze in Nederland door te verkopen.
Deze keer wilde de garagehouder bij onze oosterburen een mooie klassieker opsporen. Een wagen die sinds jaar en dag bij opa in een schuurtje staat, keurig onder de gehaakte beddensprei. Een man moet een doel hebben om op reis te gaan. Een doel of een vrouw.

Arnold bracht de dag door bij een plaatselijke boer. Met het verstand op nul mocht hij de hele dag rondrossen op een tractor. Balen hooi werden van het land gereden. De boer hield de hemel nauwlettend in de gaten, want in Nederland is de regen nooit veraf.
Tijdens de middagpauze zat Arnold met het echtpaar en een vaste werkman aan tafel.
Ze aten andijviestamp vanaf versleten borden. Het gesprek ging over tijden waarin de boeren het nog goed hadden. De druk om weer vlug aan het werk te gaan was voelbaar.
Toch bleef ieder zitten tot de klok één uur sloeg. Zo was nu eenmaal de gewoonte. De oude wereld handhaafde zich nog hier en daar, blind voor signalen van de toekomst.

In de vroege avond keerde hij terug naar de ouderlijke woning. Hier was de luxaflex neergelaten. De deur zat in het slot. Een beetje houterig stapte hij van zijn brommer. Aan landwerk moet je wennen en de dagen bij een boer duren lang.
Hij stalde zijn brommer op de betonnen vloer van het schuurtje waar gewoonlijk de auto van zijn vader stond. In de ruimte hing een vage geur van rubber en benzine. Vermoeid liep hij het huis binnen en stond geruime tijd stil in de woonkamer. Nee, werken bij de boer kon nooit tot iets leiden, dat begreep hij goed.

Eikenhouten meubilair domineerde het interieur: een loodzware tafel met zes stoelen, een zitbank en twee rookstoelen, plus een Rotterdamse Staander, een klok als een tijdsaltaar. Op de plaats waar ooit de hond het hoogpolige tapijt met zijn darminhoud had verpest, stond een oude scheepskist. Hierin zat niets, geheel naar de wens van Trudie. Zij meende dat ook Geesten huisvesting verdienen. Een idee dat verband hield met de dood van Moeder. Zij maakte een smak van de trap.

De eettafel was leeg, op een beduimelde blocnote na. Hierop stonden aanwijzingen voor het besproeien van de tuin, het gebruik van elektrische kookplaten en andere voorstellen tot een geordend leven. De notities waren achtergelaten door mevrouw De Zwaan.
Arnold wierp er een vluchtige blik op. Hij zag dat er een paar spelfouten in zaten.

De keuken toonde een fris geboend aanrecht. De vaat was opgeruimd en in de vensterbank prijkte een bosje pinksterbloemen in een jampot. De koelkast sloeg aan met een lichte siddering. Een huis zonder bewoners is geen huis, maar een opslagplaats.
In de groentelade van de koelkast lag slechts een halve krop sla. Niemand had boodschappen voor het weekeinde gehaald.
Arnold keek uit het raam en luisterde aandachtig. Buiten gebeurde niets, zoals meestal in een dorp.

Zijn eigen kamer bevond zich op de bovenetage. Het was de typische ruimte van een adolescent. Tegen een muur stond een bed met een prop lakens en dekens. Kledingstukken zwierven over de vloer. De schrijftafel was beladen met schoolboeken en mappen. Achterstallig huiswerk werd overkoepeld door een booglamp en deze moest op haar beurt wijken voor het aluminium schaalmodel van een Amerikaanse bommenwerper. Arnolds klasgenoten konden dit beter niet zien. Amerika was de gebeten hond in de Vietnamese oorlog. Een beetje scholier beriep zich op het Rode Boekje van Mao en de tot icoon verheven Che Guevara, rechterhand van Fidel Castro. De Cubaanse rebellenleider beschimpte de Amerikanen al jaren. Echt gelezen werd er evenwel nauwelijks. Eenmaal voor waar aangenomen, leidt de onzin een onbekommerd leven.
Aan de wanden van de kamer prijkten een pin-up kalender van Garage Zwarthoed en een langwerpige spiegel van modern rookglas.

Het forse gazon en de tuinen van de buren erachter werden afgekaderd door rechthoekige huizenblokken en een lijnrechte straat. Nederland is een land van de tekentafel. De invloed van een landschap op het denken is nooit goed onderzocht.

Uit een lade haalde hij een boekje tevoorschijn, voorzien van een harde kaft. Het was een zogenaamde dummy: de bladzijden moesten eigenhandig beschreven worden. Het idee om je gedachten te formuleren was een populair verschijnsel. Klasgenoten schreven soms een gedicht, vaker een protest tegen iets of iemand. Dit werd dan in de Schoolkrant gepubliceerd. Ook Arnold had dit een enkele keer gedaan. Niemand ontsnapt aan de tijd waarin hij leeft.
Hij sloeg de dummy open. Er waren vooral prijzen en berekeningen genoteerd. Als zoon van een garageman wist hij precies wat brommers kostten en met welke onderdelen je de snelheid kon opvoeren. Er kwamen ook ontwerpen in voor. Zoals een futuristische herinrichting van zijn vaders kantoor in de Garage, inclusief doorgetrokken telefoonlijnen waardoor je geen secretaresse meer nodig had. Deze suggestie was door Pa Zwarthoed meteen ten uitvoer gebracht, want personeel kost geld.

Hij bladerde ongericht en vroeg zich af wat hem tot deze notities had gebracht. Nooit voelde hij de passie die zijn zus Trudie uitstraalde wanneer ze bezig was met verfkwasten en lijmpot. Toch was hij minder pragmatisch dan hij veronderstelde. Met name aanvallen van drift toonden zijn ware karakter.
Arnold trok zijn kleren uit en stapte onder de douche. Van jongs af aan vond hij het leuk om de aanvankelijke warmwaterstroom geleidelijk terug te draaien naar een lagere temperatuur. Het ritueel eindigde in een plens koud water.

Nadat hij schone kleren uit de kast had aangetrokken, ging hij terug naar de woonkamer. Hier stond het enige telefoontoestel. Hij belde de afhaalchinees voor een bak rijst met kip in zoetzure saus. Een half jaar eerder was een Chinees restaurant in het dorp gevestigd en het werd meteen een succes. Om de wachttijd te doden, ging hij de maaltijd te voet ophalen.
In je eentje eten voor de tv. Er was een kinderprogramma met rare poppen die steeds van vorm veranderden. Hierna volgde een spelletje met mansgrote letters waarmee je snel een woord moest vormen. Arnold zette de tv uit. De vermoeidheid van de werkdag deed zich gelden. In plaats van uit te gaan in de stad, kroop hij om half tien in bed en was meteen vertrokken.

Een zondag in Holland. Winkels waren gesloten. Alles was dicht. Op de Veluwe en elders kon je niet eens benzine tanken. Arnold deed niets. Zijn spierpijn zakte, maar het ging langzaam. Tegen half vijf werden de uitslagen in het betaald voetbal voorgelezen op de radio. Het klonk alsof het om waterstanden in de grote rivieren ging. Arnold luisterde hier graag naar. De man in kwestie was ook zanger, bekend van het lied Zij had een wipneus en een kersenmond. Zo kreeg je de zondag wel om.

De nacht bracht regen. Vanuit zijn bed had Arnold het gehoord en gedacht aan de hooiboer. Deze kon tevreden zijn, want de hele opbrengst lag droog in de stolpboerderij.
Zijn gedachten dwaalden af naar de meisjes van de vierdejaars HAVO. Dit schooltype was de onwaardige opvolger van de HBS, ondergebracht in hetzelfde gebouw. Leerkrachten van de oude stempel spraken er neerbuigend over. Ze vonden het helemaal niets. Vooral misnoegd waren ze over de zogenaamde pretpakketten. Ze beschouwden het als een knieval aan de gemakzucht en een tot mislukken gedoemde poging tot nivelleren. Het doorgewinterde corps was van mening dat er voor alles een elite bestaat. Alleen met noeste arbeid kon je het tot iets brengen. Maar nu was er een nieuw systeem ingevoerd en in Nederland staat nieuw altijd voor beter.
Zonder overtuiging trok Arnold zich af en veegde zijn sperma weg met een zakdoek die hij op de grond gooide.

Wat later kwam hij alsnog overeind. In de woonkamer zette hij de radio aan, draaide aan de zenderknop en stuitte op een lied met een dramatische tekst.
Ze lag daar op de grond, een glimlach om haar mond.
Op straat was niemand. De mensen waren allang naar hun werk.
Alsof ze zeggen wou, het lag niet aan jou.

Natuurlijk lag het weldegelijk aan de dader. Door zijn toedoen lag de arme Manuela in de vernieling. Oorzaak drank of onvoorzichtigheid. Altijd maakt iemand ergens een fout en een ander is de klos. Arnold voelde drift opkomen.
De elektrische stoel voor jou. Tienduizend volt door je rampkop.

Trudie arriveerde tegen het middaguur. Ze was met de gewone lijnbus gekomen.
“Is hij al weg?”
“Wie?”
“Papa natuurlijk. Wonen hier soms nog andere mensen?”
“Ja, waarom niet?”
Een onverwacht antwoord geven, daar kreeg je de humeuren van Trudy mee onder controle. Ze keek op, met de snelle blik van een knaagdier.
“Wie dan?”
“Ze zijn er, maar maken zelf uit zich kenbaar te maken. Ikzelf heb ze vannacht pas ontmoet. Ze zijn jong en dragen jeans van een verkeerd merk. Vaak zitten ze op de HAVO en voeren niets uit”.
Trudy lachte en fronste haar wenkbrauwen.
“Is er wat te eten?”
“Straks komt de SRV”. Dit was een soort vrachtwagen met levensmiddelen, een relict van de jaren zestig om weerstand te bieden aan de opmars van supermarkten.
“En brood?”
“Ja, dat wel. Denk ik. Ga maar kijken”.

In de keukenkast werd een blik tomatensoep gevonden. Trudie warmde de soep op. De SRV wagen liet zich niet zien.
Na de lunch stak Arnold een sigaret op. Deze kwam uit een rood doosje Craven. Het was zijn vaste merk. Waar zelfgerolde sjekkies onder jongeren de norm waren, mocht je wel spreken van snobisme. Zijn aansteker viel in dit opzicht helemaal uit de toon. Het was een peperdure metalen Myon, meegebracht van een trip naar Parijs. De stad had hem nauwelijks geboeid. De aansteker vond hij geweldig.
“Ik ga straks weg”.
Trudie voelde de bui hangen.
“Mag ik mee?”
“Dat zal niet gaan”.
“Waddan?”
“Waddan? Zoiets zeg je niet. Je moet zeggen waarom”.
“Waarom dan?”
“Omdat iemand op het huis moet passen. Een huis kan niet zomaar alleen gelaten worden. Maar misschien neem ik iets lekkers voor je mee”.
Een toezegging om te voorkomen dat Trudie stennis zou maken. Wat we gewoon zijn, hindert ons niet.

Het werd een broeierige middag. Warmte drukte de vogels neer tot in de struiken. Met het voorwiel van zijn afgebeulde Kreidler duwde hij de garagedeur open. Een kat vluchtte uit de tuin en keek nog eens achterom. Bijna vergat Arnold een huissleutel mee te nemen. Hij stapte af om de nodige handelingen te verrichten. Het leven is slechts aan te leren door oeverloze herhaling.
Met matige snelheid en walmende uitlaat ging het naar de kruising van de provinciale weg. Een kaarsrechte weg was het, afgezoomd door iele boompjes. Tijd genoeg om te bedenken wat er gebeurde, wanneer je met pech kwam te staan. Om deze reden zwenkte hij het erf op van de boer waar hij had gewerkt. Niemand liet zich zien, maar dat maakte niets uit. Er werd wel vaker een fiets of brommer neergezet door iemand die met de bus verder reisde. Even later stond hij langs de asfaltweg om naar Alkmaar te liften. De bus was juist langs geweest.

Binnen een paar minuten stopte een bestelwagen, bestuurd door een kereltje in een confectiepak. De man ronselde abonnees voor weekbladen. Zijn natte of vette haren waren strak over zijn hoofd naar achteren gekamd, als was hij uit een van zijn stripbladen ontsnapt. Elke dag belde hij aan bij argeloze huisvrouwen en stak een verhaal af over de zegeningen van Donald Duck tot Panorama en alle varianten daartussen.
“Je hebt geen idee hoe die wijven om een praatje verlegen zijn”.
Het ging erg hard en de bestuurder keek tersluiks opzij of dit indruk op zijn passagier maakte. Helaas. Arnold was wel wat gewend in de auto’s van zijn vader.
De bestuurder onderkende zijn gebrek aan succes en reageerde sportief. Hij matigde zijn snelheid en presenteerde zijn gast een pakje kauwgom. Zo kom je met mensen in gesprek.
“Ik probeer een auto altijd binnen twee jaar naar z’n mallemoer te rijden. Daar heb ik nou eenmaal plezier in”.
Antwoord geven was overbodig. De man babbelde gewoon door. Hij beweerde voor de grap eens drie liter gebruikte slaolie in de tank te hebben gegoten.
“Het stonk als een oliebollenkraam, maar de motor bleef gewoon lopen”.
Arnold lachte en overhandigde de man een kaartje van Garage Zwarthoed. Hij liet wel vaker kaartjes achter, overtuigd van de kracht van reclame.
Als je maar blijft doorbeuken op die botte burgerschedels.
Gedurende de hele rit huilde uit de radio domme muziek van een Hollands duo. Er kwam geen einde aan.

De klok op de kaasfabriek aan de kade van de stad was precies op het middaguur tot definitieve stilstand gekomen. Zo leek het of er ieder moment iets kon gebeuren.
Arnold marcheerde de onderstad in en bereikte een smalle gracht waarlangs eeuwenoude gebouwen werden geteisterd door achterstallig onderhoud.
Hier stond de Ragebol, een morsig hippiecafé. Waarschijnlijk had er ooit een kleine winkel in gezeten, een nerinkje in zuurwaren of zuivel. Bij het binnentreden sidderde de deur in z’n scharnieren.
Er waren weinig bezoekers. Het uur was nog jong voor een tehuis van rondhangende jongeren.
“Dag Patrick”. Patrick was de eigenaar van het café.
“Je bent er vroeg bij vandaag”.
“Ik heb vakantie. Of zoiets”.
Arnold hoestte, nam plaats aan een tafel, trok een oude krant naar zich toe en bestelde een glas thee.
“En twee tosti’s”, voegde hij eraan toe. De ervaring leerde dat je er beter twee tegelijk kon bestellen. Dan werd beter opgelet of ze niet aanbrandden. Bovendien had hij thuis nauwelijks gegeten.
Hij sloeg de krant open. In Vietnam waren vier Amerikaanse soldaten in een hinderlaag gelokt. Ergens in een tunnel onder de grond waren de jonge mannen omgekomen.
Een ogenblik staarde hij voor zich uit.
Dergelijke dingen heeft mijn vader in Indonesië meegemaakt.
Hij zag hoe een paar klanten die achter hem langs de ruimte in dreven. Zijn neus snoof langzaam de diepe geuren van de Ragebol op. Het was een onzalig aroma van uitgedrukte peuken, visresten en riolering.
Uit het borstzakje van zijn corduroy jasje diepte hij een Craven en zijn aansteker. De soepele klik veroorzaakte een huivering van zelfvertrouwen in zijn lichaam.
Hij wierp een blik op de andere bezoekers en knikte hen toe als personeel waar je een opdracht voor gaat bedenken.

“Ben je alleen vandaag? Is je maat er niet?”
Patrick was een bezorgde jongen en kende Arnold vooral als de wederhelft van Gerben, spijbelmakkers van de middelbare school.
“Gerben heeft geen tijd”, antwoordde Arnold halfslachtig.
“Hij moet de hond begraven die zijn vader heeft afgemaakt”.
Taalkundig klopte de zin allerminst, maar Patrick begreep hem wel.
Het was trouwens waar, dat van die hond. Gerbens vader had een paar dagen terug een Duitse herder aan z’n eind geholpen omdat het beest hem in de hand had gebeten. Het vonnis was voltrokken op het eigen erf met onverschillige doortastendheid, eigen aan mensen met een eigen bedrijf.
“Wat erg”.
“Erg? Welnee. Die hond zal er wel om gevraagd hebben”.
“Ik bedoel dat Gerben de hond moet begraven”.
Patrick lachte, zette muziek op en ging de tosti’s bereiden.

De tijd kroop voort in de Ragebol. Arnold voerde een vermoeiend gesprek met Sjoerd, de soort verslaafde waarvan het lichaam weinig langer leeft dan de geest. Sjoerd had sluik haar en was frêle als een meisje. Hij leefde op straat, in een kraakpand, bij kennissen, op zolders met vergeten vloerkleden, van de hand in de tand.
“Ieder mens heeft een aura, dat is een soort elektrisch veld”.
Je moet je ergens aan vastklampen.
“Die aura’s communiceren met elkaar. Zonder dat je het zelf weet”.
Arnold knikte bedachtzaam.
“Heb je dat van Sonja?”
“Kom nou, ik zag het gisteren met mijn eigen ogen, zomaar op straat”.
Natuurlijk, na het innemen van een handvol pillen.
Toch paste het denkbeeld in een meer algemene trend. Aura’s, UFO’s, Uittredingen, Onverklaarde Tekens in graanvelden en op rotsen. Waren de Goden kosmonauten, luidde de titel van een veelgelezen boek. En er werd gezocht naar het verdronken land Atlantis. Tussen zoeken en vinden ligt een wereld van verschil.
Arnold tuitte zijn lippen. Sigaretten hebben de neiging vast te plakken.
“Zeg Sjoerd, wat ga jij doen als je dood bent?”
Ze waren weer op aarde, meer precies in de Ragebol.

Vanaf zijn barkruk overwoog hij naar V & D te lopen, naar de boekencorner. Nu zijn vader met vakantie was, leek het hem wel wat om een boek of tijdschrift aan te schaffen. Bijvoorbeeld een detective over hitsige vrouwen in een crimineel milieu. Dit in de avond rustig in de huiskamer te kunnen consumeren, zonder hinderlijk geschuifel en geritsel, verkeerde muziek en overkokende melk.
In plaats daarvan stond hij op, betaalde en begon de stad naar de westkant van het centrum te doorkruisen, naar een volgend koffiehuis, genaamd De Tsarina. Het betrof een omgebouwd koetshuis, waar de paarden waren vervangen door langharige jongeren in kleding die alternatief werd genoemd.
Arnold had een hekel aan lang haar. Op de brommer joeg de wind er onontwarbare knopen in. En zijn kleren kwamen uit echte modezaken. Eigenlijk viel hij nogal uit de toon bij zijn klasgenoten en al helemaal in de kringen van koffiehuizen en afgetrapte kroegen. Tegelijk accentueerde zijn afwijkende verschijning juist de heersende trend.

De Tsarina lag aan de rand van de oude stad, nabij een spoortunnel. Hierover bonkte juist een trein, groen en massief. Arnold keek ernaar, maar zonder zich af te vragen vanwaar de trein kwam of waar hij heen ging. Het was een ding dat hij zo dikwijls zag.
Aan de voorzijde van het voormalige koetshuis klonterden fietsen en brommers tegen elkaar. Een gewone passant kon er nauwelijks langs.
Naar binnen gaan, colaatje drinken, sigaret roken, kijken of er iets te doen is.
Het daveren van de trein stierf weg. Twee meisjes passeerden op een fiets, keken even om naar Arnold en reden door. Het gesprek dat zij voerden, verwaaide in de wind.

Zijn aandacht werd getrokken door een alleszins nette bromfiets. Niet precies hetzelfde model, maar wel van het juiste merk en met dezelfde motor. Hij naderde om het zaakje wat beter te bekijken.
Precies wat ik zoek: een mooie voorraad onderdelen.
Een ogenblik woog hij de risico’s. Wat te doen als de eigenaar naar buiten kwam? Jonge mensen zijn impulsief. Hun hersenpan is onvolgroeid en daarmee hun normbesef.
Met behulp van een rechtgebogen paperclip opende hij het povere cijferslot, een truc die hij van een monteur uit Garage Zwarthoed had afgekeken. Hij duwde de benzinekraan open, bracht de rechtertrapper omhoog en stootte deze krachtig omlaag. De motor startte dadelijk, het zonnetje in huis.
Snel greep hij het stuur, stapte op de buddyseat, schakelde de versnelling in en reed weg zonder achterom te kijken. Bij de eerste de beste zijstraat sloeg hij af, verdween in een woonwijk en dook weer op bij een groot kantoorgebouw. Achter de ramen zat het volk dat met arbeid is gestraft.

Een beetje lacherig wegens zijn onverwachte vangst verliet hij de stad via de brug over het kanaal. De brommer begon al bijna als eigen aan te voelen. Hij matigde de snelheid. Rustig en precies gleed het fietspad onder hem door.
Pas waar het asfalt begon en de weilanden in beeld kwamen, draaide hij de gaskraan helemaal open. Tot zijn tevredenheid bleef de snelheidsmeter onder de 60 kilometer in het uur. Zo wist je, dat de motor niet was verknoeid met een opvoersetje.
In het zuiden kleurde de hemel donkerblauw. Er hing onweer in de lucht.
Wind en warmte. Vogels vlogen loom boven een akker. Er was kleur en temperatuur, roerloos water in de sloten. Het monotone geluid van de motor klonk als muziek. Het waren momenten van schoonheid en evenwicht.

Op de drempel van hal en schuurtje keek hij om en realiseerde zich wat hij had gedaan. Veel schuldgevoel wekte de gedachte overigens niet op. Wekenlang had hij zich geërgerd aan zijn slechtlopende brommer. Nu ineens stond de oplossing voor zijn neus.
Beter dan hooibalen rijden voor een boer.
In de straat klonk het opgewekte tinkelen van de SRV wagen. Wonderbaarlijk: een kruidenier die twee maal daags voor je deur stopt. Snel pakte Arnold huishoudgeld en een tas en betrad de voedselcontainer op wielen. Zes flesjes Heineken kocht hij, een pak melk, blikjes knakworst, pannenkoekenmeel en een moutbrood. Voor Trudie drukte hij een Mars achterover.
Aangekomen bij de kassa, flitste de bliksem. Deze werd gevolgd door een dreunende slag die de vloer van de wagen deed trillen.

Twee uur later stond hij op van de bank waarop hij languit had gelegen, overmand door plotselinge vermoeidheid. Nog geen negentien jaar was hij, een goedgebouwde gezonde jongeman. Toch had hij soms ineens een geweldige behoefte aan slaap. Hij riep Trudie, maar kreeg geen antwoord. Kennelijk was ze vertrokken naar De Zon.
Van de bovenetage haalde hij zijn bandrecorder en verplaatste deze naar de schuur. Eerder in de maand had hij de muziek opgenomen bij Gerben. Heen en weer naar het ouderlijk huis van zijn schoolvriend was hij gereisd met de recorder en aansluitkabels. Gerben woonde in een sober ingerichte boerenwoning. Maar in de kamer van zijn vriend stond wel een dure stereo installatie. Terwijl de muziek werd opgenomen, hadden ze een rondje over het erf gelopen, begeleid door de onophoudelijk blaffende herdershond.
Het was vreemd aan dit dier te denken nu het dood en begraven was.
Bij Arnold thuis was geen draaitafel meer voorhanden. Deze werd na de dood van zijn moeder meegegeven aan mevrouw De Zwaan, samen met alle singeltjes van Anneke Grönloh. Het gezin van de kippenslachter was er heel blij mee.

Bonzende bassen en sissende drums vulden de ruimte.
Father?
Yes, son?
I want to kill you.

Jim Morrison, erkend pillenslikker met Bijbelse haardos en gevangen in angsten, pakte uit tegen zijn vader, een hoge militair, prototype van de soort waar je tegen moest zijn.
De zanger van The Doors was een icoon van de losgeslagen Amerikaanse hippies. Hij sliep in gekraakte hotels, bezocht LSD sessies waarvoor zelfs diploma’s werden uitgereikt door een geflipte arts. Mooie songs leverde dit op, jazeker! Fatsoensrakkers vergeten dit al te gemakkelijk: een creatief brein heeft chaos en wanen nodig, geen sluitende boekhouding of militair regiem.

Goed gereedschap is het halve werk. Arnold zocht de nodige sleutels bijeen en voelde voorzichtig aan het motorblok of dit al voldoende was afgekoeld. Dit was het geval.
Amateurs weten vaak niet hoe goed ze zijn. Geroutineerd maakte hij kabels los, sloeg de uitlaat eraf en wrikte de carburateur van het luchtfilter dat olie lekte. Hij had geen zin om een beschermende krant op het beton te leggen. Handwerk is zeer geschikt om bij weg te dromen. Arnold liet zijn gedachten afdwalen naar een lang voorbije kermis. Op het kruispunt was een ongeluk gebeurd. Twee jongens met een brommer waren achterop een vrachtwagen geslagen. Ze lagen morsdood op straat. Hieraan te denken, paste uitstekend bij muziek van Morrison: alles aan hem verwees naar de dood.

Binnen het uur lag de vloer van de schuur bezaaid met onderdelen. Het kaalgeplukte frame stak omhoog als een bizar kunstvoorwerp.
Arnold voelde zijn maag en keek op zijn horloge. Hij kwam overeind en zette de recorder af. Opruimen had weinig zin: morgen moest het werk worden voortgezet. Daarbij viel de schuur niet onder de zeggenschap van mevrouw De Zwaan.
Een beetje stijf van het langdurig knielen, stond hij op en waste zijn handen met warm water en een afwasmiddel. Hierna liep hij naar buiten, stak een sigaret aan en leunde tegen de muur van het huis. Wat een dag.

Trudie en Arnold aten eerst een pannenkoek. Hierna volgde brood met knakworst, een glas melk terzijde van het bord. Kinderen wijken niet zover af van hun ouders en wanneer ze het doen, dan meestal tijdelijk. In de vriezer was vruchtenijs aangetroffen.
“Waar zat je nou, vanmiddag?”
Arnold voelde zich verantwoordelijk voor zijn zus.
“Ik was weg”.
“Maar je bent teruggekomen”.
“Net als jij”.
Trudie at snel en nauwgezet. Vervolgens ging ze haar broer hardnekkig aankijken. Het was de bedoeling zijn blik te vangen en hem te dwingen als eerste af te haken.

De volgende morgen wachtte hij tot zijn zus was opgestapt. Met een busje ging ze naar Huis De Zon, de instelling voor dagopvang. Het gebouw stond in een buurgemeente, aan de verkeerde kant van de dijk, zoals Pa Zwarthoed het noemde. Hier had de gemeenteraad het besluit genomen om gehandicapten zichtbaar te maken. Een oude school was hiertoe omgebouwd. Pa Zwarthoed was er als de kippen bij geweest om de benodigde personenbusjes te leveren. Compleet met een onderhoudscontract voor de komende drie jaren. Ondernemen staat en valt met informatie en vrijpostig optreden.
Zonder te ontbijten liep Arnold naar de bushalte aan het einde van de straat. Het wachten beviel hem geenszins, maar de lijnbus arriveerde op de aangegeven tijd en was bovendien prettig leeg. Er stond hem een weer drukke dag te wachten: eerst zijn eigen brommer ophalen bij de boerderij en daarna doorgaan met slopen en monteren.

Iedere jongere denkt wel eens aan diefstal. Geregeld wordt iets weggenomen uit een winkel of uit moeders portemonnee. Maar daadwerkelijk toeslaan, iemands bezit aanvatten en ontnemen, blijft van een andere orde. Om dit goed te leren, moet je er vroeg mee beginnen. Een rol drop wegnemen bij de kruidenier, een balpen bij de boekhandel. Ook als je helemaal niets te schrijven hebt of als drop je de keel uitkomt.

Zodra hij weer thuis was, sneed Arnold het frame van de gestolen brommer met een elektrische slijpschijf in handzame brokken. Een staalbeitel maakte een einde aan het framenummer. Het lawaai dat hij voortbracht, was aanzienlijk. Een scherpe brandlucht vulde de ruimte.
In huis dronk hij een pak melk leeg en boerde als een proleet. Vervolgens reed hij een aantal malen tussen huis en de polderringvaart, drie kilometer verderop. Hij smeet de ongewenste bromfietsdelen dwars door de rietkraag in het water.
Terug in de schuur moest hij even bijkomen. Het belangrijkste (voorkomen dat de diefstal werd ontdekt) lag achter hem. Hij plaatste een nieuwe tape op de recorder. Steeds weer bleken er nieuwe, bloedsnelle gitaristen te verrijzen. Nimmer leek de voorraad brullende zangers, flegmatieke bassisten en perfectionistische drummers uitgeput te raken. Arnold luisterde en dacht hierover na.
Nooit had hij afgunst gevoeld. Een gitaar stond nimmer op zijn verlanglijstje. Te worden aanbeden door vrouwvolk (want daar ging het uiteindelijk om) was een opwindende gedachte, maar het had ook iets aanstellerigs. Arnold begreep al heel jong, dat je nooit iets moet doen waarvan je weet dat het zal uitdraaien op nutteloze middelmaat.

Om half acht in de avond was het werk gedaan. Zijn met nieuwe onderdelen getransformeerde Kreidler was klaar. Ook de bandrecorder viel stil. Arnold zette een denkbeeldige knop in zijn hoofd om. Het was onderhand mooi geweest. Hij viel om van de slaap.

Ergens werd met een deur gesmeten. De slag drong via omwegen door tot zijn bewustzijn. Hierna was er opnieuw de slaap, het afdalen in een bad van vrede en welbehagen. Toen hij eindelijk opstond, wees zijn horloge half twaalf. Het huis was een monoliet van stilte. Hij begaf zich naar de wc en liet de deur openstaan. Met gesloten ogen onderging hij het genot van een leegstromende blaas.
“O, sta je hier?”
Tegen middernacht betrapt worden op de wc blijft lastig. Arnold schrok.
“Trudie. Ben je er alweer? Moet je niet naar bed?”
”Ik heb honger”.
“Dan gaan we iets eten. Pappa en Jopie zien het toch niet”.
Niets leuker dan dingen doen die normaal verboden zijn of afgekeurd worden.
Zijn zus stond te springen, boog zich naar voren en vroeg met een stem of ze een sigaar had gerookt: “Heb jij eigenlijk een grote?”
Arnold ritste zijn broek dicht met een vastberadenheid alsof hij een kluis afsloot.
“Dat is voor jou een vraag”.
“En voor mij een weet”.
Ze zeiden het gelijktijdig. Ze lachten erom.

In de garage stond de gerenoveerde bromfiets. Mooi hoor, die blinkende spaakwielen, de verchroomde tank. Ook de uitlaat had hij vervangen. Deze had hij al eens eerder in Garage Zwarthoed in beslag genomen. De eigenaar ervan was een jongen van zestien die met brommer en al een diepe sloot inreed en in zittende positie was verdronken. De verzekering had aan de nabestaanden niets uitbetaald, want de brommer bleek te zijn opgevoerd en was dientengevolge buiten de wet gesteld.
“Ik heb de brombeer een beetje opgeknapt. Zit in een ritje?”
Een geweldig voorstel! Trudie wilde onmiddellijk op de buddyzit plaatsnemen.
Arnold duwde de brommer naar buiten, duwde de trapper omlaag en draaide een paar keer aan de gashandel. De motor draaide keurig rond en van walm was nauwelijks sprake.
Ik Arnold, zoon van een garagehouder.
Met zijn zus tegen zijn rug reed hij een rondje door het dorp, gasgevend en dan weer sterk afremmend. Alles functioneerde naar behoren en Trudie was meer dan tevreden.

De late lunch bestond uit brood met dikke plakken ingeblikte cornedbeef, verwarmd in een koekenpan. Het blik kwam uit Argentinië, een land dat alleen in de atlas bestond. Een gewoon mens geraakte er nooit. Alleen gevluchte nazi’s hadden de weg erheen gevonden.
In de hal lag de verse krant: nieuwe berichten uit Vietnam. De voorpagina toonde een foto van een gecrashte Amerikaanse helikopter. De bemanning was spoorloos.
Trudie zag het ook en haalde dadelijk een schaar om aan haar kunstzinnige opwellingen gevolg te geven. Arnold was allang blij dat zijn zus zichzelf kon vermaken.
Hij verliet de woonkamer en besteeg een beetje besluiteloos de trap. Op zijn bureau vond hij balpen en dummy. Waarom zou je zelf iets verzinnen in een wereld waar alles gevonden kan worden, alles al bestaat of anders heb je er geen behoefte aan?
Hij keek uit het raam en liet zijn gedachten varen. Ergens voelde hij wel sympathie voor de Amerikanen. Tegelijk voelde hij dat hun oorlog gedoemd was en geen rechtvaardiging kende. Zo moest zijn vader het ervaren hebben toen hij werd uitgezonden naar Indonesië: na een maand in het oerwoud weet je dat je verkeerd bezig bent. Toch ga je door met om je heen schieten.
Een half uur later daalde hij de trap weer af en nam zijn zus mee naar het dorp om wat boodschappen te halen. Trudie zat achterop de buddyseat en hield haar broer vast alsof ze zijn vriendinnetje was. Op de terugweg stond de SRV wagen voor hun huisdeur.

Na het avondeten bracht hij haar op dezelfde manier naar De Zon. Hierna reed hij meteen naar de stad. Helemaal tot aan De Zwarte Beer, een vuile kroeg in de buurt van de Grote Kerk.
Uit de geluidsboxen daalde oude blues neer. Het klonk naar ploeteren en altijd het onderspit delven. De woorden van dominee King hadden de Amerikaanse zwarten tot dusverre weinig vooruit geholpen. En King was bovendien vermoord.
Het was druk in de kroeg. Een groep verdwaalde soulkikkers, gekleed in Spaanse broeken van zwarte stof met wijd uitlopende pijpen en aanstellerige overhemden met speels bewerkte kraag, wachtte tot de schuifeltenten zouden openen. Aan de bar stond het spijkergoed van de bluesjongens met shag en bier. Eerlijk volk met een beetje overmatig dambordgehalte.
Arnold ontdekte twee meisjes van zijn school, gekleed in maxi rok met gewaagde lengte split. Ze groetten hem bijna onderdanig. Zijn reputatie van onafhankelijkheid maakte dat ze die aandrang gevoelden. Hun ogen volgden hem, maar zijn belangstelling trok naar iemand anders. Hij veegde in het beslagen ruit van zijn geheugen. Waar had hij haar eerder gezien?
Het meisje hing rond bij Sjoerd. De junk miste een voortand. Arnold zag dat Sjoerd voor de grap een sigaret met het smeulende gedeelte door de opening van de ontbrekende maalsteen zover naar binnen schoof dat je niet kon begrijpen dat hij zijn tong niet brandde. Het ontging hem evenmin dat het meisje deze truc nogal leuk vond.
Iris, ze heet Iris!
Ooit had zij bij hem achterop de brommer had gezeten. Tijdens een korte rit van het ene naar het andere koffiehuis. Onderweg had ze hem zover gekregen, dat zij mocht rijden. Hortend en stotend was het gegaan, maar met toenemende vaardigheid. Hij wendde zich af en wachtte. Je kon ook zeggen: hij stond gewoon te staan.
Helemaal achterin, aan een ruwhouten tafeltje met druipkaars krant en koffie, ontdekte hij Gerben. Kijken naar een schoolvriend. Van een afstand. Als naar een vreemde.
Gerben droeg een heuse leesbril, alsof hij wegens het vele studeren oogproblemen had gekregen. Arnold wrong zich tussen lichamen door.
“Kameraad Stalin!”.
“Afvallige!”
“Tis Druk”.
“Nogal”.
“Zitten we?”
Een beetje ruw trok hij een stoel naar zich toe. Vlug zitten. Straks was je gedwongen te staan. Dan mocht je de hele avond tussen anderen hangen.
“Heb je al een oproep gehad?” Gerben.
“Een oproep? Wat moet ik met een oproep?”
“Niets”.
“Nou dan”.
Hij bekeek de bierlijst, die uit drie soorten van hetzelfde merk bestond.
“Militaire dienst, wat dacht jij?”
“O. Dat”.
Lichamen drongen langs het tafeltje. Jassen werden op een hoop gelegd onder een overvolle kapstok. Dienstplicht. Anderhalf jaar werd je uit je gewone doen weggehaald. En wie schoot er wat mee op, in een land dat oefende om de Russen buiten de deur te houden en voorbestemd was hierin hopeloos te falen?
Gerben toonde een papier en nog een ander en zelfs een derde. Het leek wel een kaartspel met azen en troeven en in zekere zin was het dat ook.
“Wat is dat? Je aanstelling als kolonel?”
“Ik heb een verklaring van mijn arts”.
“Wat mankeer je dan?”
“Niets”.
Triomf voor Gerben. Had zijn zaakjes vroegtijdig geregeld. De verklaring was afgegeven door een specialist, iemand uit een ziekenhuis. Er stonden Latijnse woorden in. Een leek kon er geen touw aan vastknopen. Toch voelde Arnold precies aan hoe het zat. Als Gerben binnenkort gekeurd ging worden, legde hij gewoon deze verklaring voor de man neer. Een half uur later zou hij met herwonnen vrijheid buiten staan: de natte droom van iedere weldenkende jongeman in de jaren zeventig.
“De dienstplicht ontwijken is landverraad”.
Gerben lachte. Hij wist wel dat Arnold hem fokte.
“Gefeliciteerd dus”.
Hij hees zich overeind, bestelde twee biertjes en nam een pakje Gold Coast weg dat onbeheerd op de bar lag.
Sigaret eruit tikken, Gerben presenteren, pakje in je zak steken.
Hij wierp een blik op de krant waarin Gerben had gelezen en herinnerde zich de gesprekken die ze ooit hadden gevoerd over dienstweigeren. Dat je voor je principes moest staan. Maar Gerben behoefde straks alleen een papier te overleggen en te wachten tot de sukkel in uniform alle letters had begrepen.
Hij voelde jaloezie, daar kwam het op neer.

Gelukkig werd zijn aandacht afgeleid. Tussen de vele andere hoofden ontwaarde hij Vincent, de chef van De Tsarina, misschien vijf jaar ouder dan hijzelf. Vincent werd geflankeerd door een interessante vrouw. Haar blik kruiste de zijne, in een fractie van een seconde.
“Twee bier graag. Opschrijven”.
“Waar?”
“Op een papiertje”.
In De Zwarte Beer kon je elke bestelling laten opschrijven. Nooit vroeg iemand naar je horloge of rechterschoen als onderpand.
Nog aangeslagen door Gerbens voortvarende aanpak van de dienstplicht die zich ook vandaag of morgen bij hemzelf zou aandienen, keerde hij terug naar de tafel.
“Proost”. Gerben goot meteen een half glas leeg.
“Zeg, die doktersverklaring”.
“Wat is daarmee?”
“Daarvoor moet je toch iets mankeren?”
“Dat snap jij toch niet”.
“Jij zegt het.”
Hiermee was voorlopig alles gezegd. Gerben trok de krant weer naar zich toe en begon aan een artikel over de Russische Sojoez-11 die met drie kosmonauten op aarde was teruggekeerd. Hun medailles lagen klaar om op te spelden, maar de mannen waren allemaal dood.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.