BLINDGANGER, Hoofdstuk III

| Geen reacties

Op nieuwjaarsdag spraken Arnold en zijn vader over de situatie. Er vielen harde woorden.
“Mijn bedrijf valt niet in handen van een lapzwans”.
Arnold verweerde zich zoals opgeschoten praatjesmakers dit doen.
“Misschien wil ik wel wat anders”.
Kletspraat die meteen werd afgestraft.
“Daar heb ik nooit iets van gemerkt”.
“Ik moet toch eerst in militaire dienst”.
Arnold dacht een argument te hebben gevonden.
“Dat staat allerminst vast”.
Pa Zwarthoed klonk zelfverzekerd. Wanneer hij er zo bijzat, met zijn sigaar in de brand, was elke tegenspraak zinloos, dan was hij de wethouder met alle troeven in handen.
“Ik denk dat je er binnenkort interessant nieuws over krijgt. Meer kan ik niet zeggen”.
Hiermee kwam de weg weer vrij voor het oorspronkelijke onderwerp.
“Bedenk, dat vrouwen nooit en nergens op een sukkel zitten te wachten. Ze hebben liever een barbaar die weet wat hij wil, dan een kluns die van misschien en mogelijk aan elkaar hangt”.
Nog steeds achtte Arnold zich niet verslagen.
“De tijden veranderen”.
Pa Zwarthoed lachte schamper.
“Bespaar me die flauwekul. Het bezit van capaciteiten brengt verplichtingen mee. Zet me dus niet voor gek en ga aan je werk. Je weet wat ik heb gezegd wat er gebeurt als je zonder diploma thuiskomt. En het gaat niet om het diploma, maar omdat ik dan weet dat je geen donder heb uitgevoerd”.
Dat hij met zijn leerboeken alweer aardig op schema lag, hield Arnold voor zich. De zitting werd afgerond met een schouderklop.
’s Middags ging Arnold met Trudie naar de dierentuin in Amsterdam. Zo had mevrouw De Zwaan de vrije hand om de kerstboom en oliebollen op te ruimen.

De eerste schoolgang na een zo lange afwezigheid was een dag om vlug te vergeten.
De leraar Duits stelde zich opnieuw aan hem voor. Het lachen in de klas duurde nogal. Het voelde als een nederlaag, maar was te verkiezen boven het mislopen van je diploma. Daarbij ging het slechts om een beperkt aantal momenten. Tegen de einde van de dag leek het of zijn plek in de lokalen nooit leeg was geweest. De mensen zijn kort van memorie en dit geldt al helemaal voor de jeugd.
Bij de schoolpoort stond Bertine.
“Gelukkig Nieuwjaar”.
Hij moest weer de clown uithangen. Dat zijn afgedankte vriendin hem zag als gewone scholier stak hem erger dan de hoon op school.
“Arnold, doe normaal”.
Bertine was bezig haar eerste eigen woning aan te kleden, een kleine flat aan de rand van de stad. Het ging haar goed. Bovendien had ze enige promotie gemaakt.
Wilde hij misschien komen helpen met klopboor en hamer, verfroller en vloerplaten? Met het verbreken van de relatie behoefde de vriendschap toch niet meteen te worden afgebroken? Vrouwen zijn het toonbeeld van geduld en vergevingsgezindheid. Ook kunnen ze zeer praktisch denken.

Een hele zaterdag werkte hij in haar flat. Bertine was vriendelijk en sneed geen pijnlijke onderwerpen aan. Hierdoor leek het juist alsof er niets aan de eerdere situatie was veranderd. Een gedachte die om afstraffing vroeg. Arnold kwam een pakje foto’s tegen waarop zijn ex feest vierde met Harry de Harige Aap. Zijn handtekening stond dwars over een foto gekrabbeld. Het duurde wel een paar verfdeuren voor Arnold met deze nieuwe werkelijkheid uit de voeten kon.
Doodmoe keerde hij huiswaarts. Samen met zijn vader keek hij naar een aflevering van De Wrekers en kroop om tien uur onder de wol.

Weken van schoolgang en huiswerk verstreken. Regelmaat is de motor van succes.
Twee keer kwam hij over huis bij Iris. De eerste keer duurde dit een halve nacht. Iris bleek een wilde meid met een neiging zich pijn te laten doen. Hij moest haar vastbinden op bed en drie kwartier wachten voor hij verder mocht gaan. Samen hadden ze een dure fles Grappa leeggemaakt. De volgende morgen was zijn kop van gegoten staal en bleek toiletgang een bezoeking.
De tweede maal ging het er romantischer aan toe, maar de sfeer veranderde toen Iris begon te vertellen over Barry. De naam bleek te horen bij haar huurbaas. Onaangekondigd was hij langsgekomen. Ze hadden wat gepraat en Barry liet merken iets meer te willen. Arnold had geen zin hiernaar te luisteren. Geruststellingen dat er niets gebeurd was, kwamen te laat. Iris maakte de typische fout van vrouwen die denken dat een man hun vriendin kan zijn.

Arnold was boos opgestapt. Zonder dit echt te willen, belandde hij de Zwarte Beer. De bluesboys legden een kaartje bij muziek van John Mayall. Het was een live opname met veel gelach en geklap. Arnold zat chagrijnig aan de bar en had geen zin met wie ook een gesprek te voeren. Meerdere malen hield hij zich voor zijn trots in te slikken en terug te gaan naar Iris. Hij bleef zitten. De tijd verstreek. Elke minuut dat hij langer wachtte, werd het moeilijker om de schade te herstellen. Tegen half zes stapte hij op. Onder het zijraam wachtte de Kreidler om hem naar huis te rijden.

Een week later wachtte hij haar alsnog op. Anderhalf uur zat hij op de vensterbank van een nabije buurtwinkel voor ze zich vertoonde. Eindelijk verscheen zij.
Van de snedige opmerkingen waarop hij had geoefend, kwam niets terecht. Een bezoek aan Wimpy verbeterde de sfeer niet. Iris hield het initiatief. Arnold moest niet zo jaloers zijn, daar kwam het op neer.
Doe niet zo burgerlijk. Zit niet zo op mijn lip.
Samen naar haar woning gaan, was natuurlijk niet meer aan de orde. Het deed hem pijn, vooral omdat hij niet begreep wat hij precies verkeerd deed of waarin hij faalde.

Wanneer mensen volwassen zijn, neigen ze ertoe terug te kijken op een onbezorgde jeugd. De werkelijkheid is vaak anders. Jonge mensen hebben evengoed hun problemen en frustraties. Achteraf beschouwd misschien van ondergeschikt belang, maar weldegelijk van invloed op het moment dat ze zich voordoen.

Het was zomaar een maandag. In het fietsenhok van de school gaf Gerben een uiteenzetting over de verworvenheden van het communisme zoals voorgeschreven door het Kremlin en hapklaar gemaakt voor de Hollandse volksmond door Marcus Bakker, voorman van de CPN in de Tweede Kamer.
“De Amerikanen zijn de oorzaak van de wapenwedloop. Weten jullie wel wat voor wapens en hoeveel er in Nederland zijn opgeslagen? Als we niet oppassen, wordt Europa een nucleair slagveld en de Amerikanen zitten thuis naar de tv te kijken hoe het afloopt”.
Het was preken voor eigen parochie, want een beetje denkend scholier draagt het hart links. Bovendien was Gerben een paar jaar ouder dan de scholieren van de HAVO klassen die hem omringden. Dat geeft overwicht.
“Kapitalisten zijn het gif van de wereld. In Vietnam proberen ze hun nieuwe wapensystemen uit. Die worden daarna overal ter wereld verkocht. Het gaat alleen om macht en geld”.
Arnold hield afstand. Hij stond vlak achter een meisje dat in een lagere klas zat. Voorzichtig boog hij zich naar haar toe en snoof onopgemerkt aan haar nek.
Waarom begreep Gerben niet dat de meute er is voor werk en voetbal, dat een bewind van ongeschoolden nergens toe kan leiden?
Je kunt beter nadenken over geld verdienen dan over de vraag hoe het te verdelen.
Arnold had dit willen roepen, maar hij zag in dat zijn woorden nutteloos waren. Er stonden veel scholieren te luisteren, maar deze kwamen uit nette milieus. Van hen had de samenleving weinig te duchten. Tegelijkertijd vertederde hem de aanblik van Gerben in zijn sobere kleding, met zijn lederen schooltas vol gezonde bruine boterhammen door zijn moeder belegd met eerlijke pitjeskaas.
Hij ging het schoolgebouw binnen om zich van het gevoel te bevrijden dat hij moest kiezen.

Pa Zwarthoed vertrok op een vrijdagmorgen naar een hotel in Gelderland. De Club van Klassiekers hield er een Meeting. Dit woord hadden ze van Provo opgestoken, een beweging van langharige intellectuelen en fantasten uit Amsterdam.
Welgestelde liefhebbers gingen elkaars automobielen bewonderen en technische details bespreken. Onder het genot van stevige kost en beugelflessen bier uit Duitsland.
Arnolds vader vond het nodig met een toelichting te komen. Deze klonk als een excuus.
Er zit een belastingadviseur bij. Altijd handig.
Buiten viel natte sneeuw. In april kun je alles verwachten.

Na terugkeer van school zette Arnold in de keuken koffie en smeerde een boterham. Hij ging ermee naar de huiskamer en zette de verwarming op 20 graden.
Het venster bood zicht op bomen met het lichte groen van een uitgesteld voorjaar. Op straat liepen twee jongetjes. Ze sleepten een plastik speelgoedtractor achter zich aan.
Kalm vermaalde hij het brood en volgde de kinderen een paar minuten in hun wereld. Terugdenken aan zijn eigen jeugd meed hij liever. Hiervan stonden hem bovenal de ruzies tussen zijn ouders voor de geest. Een kind vindt bijna alles normaal. Arnold had zich het uitzonderlijke pas gerealiseerd toen zijn moeder al een paar maanden begraven was en het in huis ongekend rustig bleef.

Huiswerk, altijd maar huiswerk. De schooldag werd thuis aan de schrijftafel voortgezet. Het opnemen van informatie mag worden gestroomlijnd, het werkelijke begrijpen is een onregelmatig proces. Wat weken in de lucht blijft hangen, krijgt ineens betekenis om voorgoed deel uit te maken van kennis en inzicht.

Deze middag was hij alleen bij machte een vertaling te maken en een lijst samen te stellen van de boeken die hij deels al had gelezen. Wanneer je er nuchter naar keek, viel de hoeveelheid examenstof best mee. Maar Arnold zag slechts de drempels die hij moest nemen. Na een uurtje schrijfwerk, zette hij de recorder aan en ging onderuit hangen om te luisteren.
Humble Pie, de nieuwe band van Steve Marriot, had een nieuw album uitgebracht. Steve was geweldig. Zijn stem vibreerde als in de dagen van The Small Faces.
I don’t need no doctor, I don’t need no doctor.
Arnold sloot zijn ogen, tikte met zijn aansteker de maat mee op de schrijftafel. Zijn moeder kon ook geen dokter meer gebruiken. Ze lag onderaan de trap en was onmiskenbaar dood. Hij herinnerde zich weinig van het rumoer dat om dit ene beeld heen hing. Er was een ambulance gekomen en ongetwijfeld politie. Slechts de waarneming dat zijn moeder dood was, bleef hangen. En hiermee het merkwaardige mengsel van gevoelens: opluchting versus schuldgevoel, energie versus een diepe vermoeidheid.
Met een ruwe beweging zette hij de muziek af, trok het vuistdikke Boekhouden I naar zich toe en zette zich aan het werk.

“Die jongen heeft alle yoghurt en fruit opgemaakt!”
Mevrouw De Zwaan had gewacht met haar klachten tot het gezin aan tafel zat.
Arnold knikte gelaten. Op zich had het mens gelijk. Alles had hij opgegeten en bovendien zonder zich er bewust van te zijn.
“Dat krijg je wanneer er niks anders is”.
Tot u spreekt de zoon van de baas. Bruikbare genen worden altijd doorgegeven.
“Je kunt rekening met de anderen houden”.
“Er is gewoon te weinig eten in huis”.
Arme huishoudster! Ze wilde dat het bij de Zwarthoeden net zo toeging als in haar eigen woning: de vrouw als aangever en de man als bestraffer. Na al die jaren van huishoudelijke diensten kwam er geen andere gedachte in haar op.
“Ja, rustig maar. We doen vandaag wel zonder”.
Pa Zwarthoed hief bezwerend zijn handen. Hij had een beroerde middag achter de rug.
In de Raad had hij onverwachte tegenwerking ondervonden. Niets dan wijzigingen en mandementen. Je ging je afvragen waar de mensen nog een wethouder voor nodig hadden, want ze wisten toch alles beter.
Kommaneukers, daar had je mee te maken! Vooral de afgevaardigde van de PSP, een haarbol van even in de twintig, zat maar te melken over het milieu.
“Dat doet hij om te sarren. De zak kan zich niet eens behoorlijk aankleden. Wie maakt zich in godsnaam druk over zoiets als Het Milieu? Het is trouwens een raar woord. Alsof ik wethouder ben van woonwagenkampen en vechtpartijen”.
Nee, Pa Zwarthoed was niet in de stemming voor gezever over yoghurt.
De Rotterdamse staander gaf een enkele slag. Het machtige raderwerk ruiste, de hartslag van de tijd herstelde zich foutloos. Wat maalt zo’n stuk techniek om huiselijk ongenoegen?
“Papa’, opperde Arnold een beetje onvoorzichtig, “het moet anders met het dorp”.
“Wat nou weer? Wat kun jij daar van weten?” Pa Zwarthoed werd kwaad.
“Ziet u nou, meneer Zwarthoed! Nog een grote mond ook!”
Mevrouw De Zwaan had geen oog voor haar nadelige positie. Zij stond naast de tafel, terwijl de Zwarthoeden gewoon zaten. Arnold wierp haar een hatelijke blik toe.
“Ik probeer alleen maar te helpen”.
Hij herhaalde wat hem bij het zien van een plattegrond in de krant was ingevallen. Hij haalde de krant uit de bak, pakte een rode balpen en trok een dikke streep, zomaar over de foto.
“Kijk, dit wordt een ringweg!”
Buiten de foto blokte hij een bedrijventerrein. Zijn vader keek toch.
“Op de plek van de garage kunnen ze een nieuw Gemeentehuis bouwen”.
“Ze? Je zult wij bedoelen. Ik ben wethouder, ja. Nog wel tenminste”.
Pa Zwarthoed trok hij de krant naar zich toe.
“Waarom zouden we dat willen?”
“Omdat het onvermijdelijk is”.
Onvermijdelijk. Dit woord was in de lokale politiek door Pa Zwarthoed ingevoerd en het werkte onbegrijpelijk feilloos.
Mevrouw De Zwaan gaf het op. Ze ging haar jas van de kapstok halen.
“Dan moet de garage verkocht worden”.
Pa Zwarthoed was gewend om hardop te denken. Bij zijn personeel was hij hierom zelfs gevreesd.
“En de vervuilde grond? Dat lukt nooit”.
“Wie heeft die lekkende tanks bij ons gestald?”
De burgemeester zelf. Om zijn rozentuin veilig te stellen.
Pa Zwarthoed stond op, ging bij het buffet iets inschenken.
“Interessant. Misschien leer je toch nog wat op school”.
Arnold voelde dat het tij keerde. Het maakte hem overmoedig, bijna brutaal.
“De truc zit hem in de grondprijs”.
Hierover had hij iets gelezen in een tijdschrift voor linkse dwarsliggers.
Pa Zwarthoed siste waarschuwend dat Arnold moest zwijgen. Rustig wachtten ze tot Jopie De Zwaan het huis verliet en haar brommer aantrapte. Voor je het wist, kwekte het halve dorp over de kwestie.
“De garage staat op bouwgrond en is dus duur. Een nieuw bedrijf kan op gewone landbouwgrond en die is veel goedkoper”.
Vader en zoon staarden samen naar een idee. In de huiskamer heerste vrede.
“En hoe gaat het nou op school?”
“Nog drie weken. Dan beginnen de schriftelijke examens”.
Pa Zwarthoed knikte afwezig. Hij wilde nog iets anders kwijt.
“Trouwens, ik heb vanavond een feestje”.
Het klonk ongemakkelijk.
“Misschien blijft er iemand slapen. Dan weet je het alvast”.

Arnold nam de kanaalbrug als was het een springschans en zeilde de onderstad in. Precies voor de Ragebol kwam de blinkende Kreidler tot stilstand. Hij stampte naar binnen om meteen de eerste prijs te winnen. Aan de grote tafel zaten Iris, Sjoerd en twee broers Dalton, te weten Muis en Ko. De heren droegen identieke suède jassen. Ze hadden zeker ergens in een magazijn toegeslagen. Tussen hen hing een soort profeet, het gezicht verborgen achter sliertig haar. Deze jongeman was aan het woord, maar in een onverstaanbaar koeterwaals. Zijn stem klonk of hij laaiende kiespijn had. Verder was Gerrie present. De zenuwlijder droeg een lichtblauw T-shirt waarop een vizierkruis stond gedrukt: een doelwit waar geen belangstelling voor bestond.
In het minimale daglicht zat een schijnbaar halfdode buitenlander, een Mediterraan met toegeknepen oogleden. En Sonja. Sonja was een forse jonge vrouw met naar voren hellende tanden. Ze had de Tarot gelegd en mompelde in zichzelf alsof ze contact met het nirwana had gelegd. Arnold stelde een vraag waar hij thuis zorgvuldig over had nagedacht en die bedoeld was om de draak te steken met onmogelijke hersenkronkels. Hij liet zijn stem zo diep mogelijk zakken.
“Als de kaars is uitgeblazen, wie weet dan waar het licht is gebleven?”
Niemand reageerde. Arnold schikte zich. Hij trok een stoel bij, wrong zich tussen Iris en Sjoerd en lachte vriendelijk.
“Ja, dat zijn vragen waar geen antwoord op is. Misschien is een dergelijke vraag helemaal geen vraag”.
Hij boog zich naar Iris en fluisterde.
“Ik heb je gemist, lief meisje”.
Hoe Iris reageerde, was niet te zien met al die haren langs haar gezicht.
Hij wachtte tot zijn blik die van Sonja kruiste.
“Zeg Sonja, nu ik je toch zie. Wij hebben een huishoudster met Bijzondere Krachten. Ze heet mevrouw De Zwaan. Ken je haar?”
Sonja voelde nattigheid en stak haar tong uit, een hele lange.
“Nee, zonder gekheid. Ze legt een hand op je hoofd en ziet dan wie je in vorige levens bent geweest”.
Gerrie stak zijn hand op.
“Volgens mij ben jij een gereïncarneerde SS’er”.
In de Ragebol weerklonk een collectieve schaterlach. Arnold vond het ook wel een leuke opmerking, maar nam zich voor Gerrie een keer terug te pakken. Als de tijd er rijp voor was. De chef arriveerde, meer om asbakken te legen dan in de verwachting een bestelling te kunnen opnemen. Ook aan nieuwkomers vroeg hij gebruikelijk niets.
“Patrick, ik ruik dat je tegenwoordig in de alcoholica zit. Doe deze tafel een pilsje”.
“Het is alleen vandaag. Omdat ik jarig ben”.
“In dat geval: gefeliciteerd en blijf ook vooral morgen en de dagen erna jarig”.
Er schoot hem iets te binnen.
“Ik heb trouwens een sigaar voor je meegebracht”.
Uit zijn binnenzak haalde hij een vorstelijke Schimmelpenninck uit de Gemeentedoos van Pa Zwarthoed. Hij voelde de afkeurende blikken om zich heen, maar wat zou het? Wekenlang had hij achter de boeken gezeten en in een andere wereld geleefd. Zelfs had hij zijn vader aan een geweldig idee geholpen. Wie maakte hem wat?
Hij sloot opzichtig zijn ogen en wiegde heen en weer. Tegen de schouder van Iris kwam dit tot stilstand.
“Muis, ik heb een visioen. Op een dag open jij de deur van De Ragebol en ik sta daar als de nieuwe eigenaar. Dan moet je eerst naar de kapper voor ik je binnenlaat”.
De kapper! Geen beroep was begin jaren zeventig zo deerniswekkend als dat van een herenkapper. Slechts versleten arbeiders en ambtenaren zaten daar nog. Kappers waren zo arm, dat ze geld moesten lenen om een nieuwe schaar te kunnen kopen.
Het lachen hield nogal aan. De dag duurt lang voor de doelloze in het leven.
Patrick naderde met een dienblad vol biertjes.
“Kijk, dames en heren”. Arnold wreef zich de handen, “Dit noem ik nog eens vooruitgang. Wat zeg jij, Sjoerd? Zit je niet een beetje dicht op Iris?”
Vergeefs probeerde hij zijn hoofd permanent tegen haar schouder te leggen.

De tijd kroop voort. Sonja borg haar kaarten weg. Ze had een ander speeltje bij zich, een vlierbolletje aan een touwtje. Je kon vragen stellen die zich lieten beantwoorden in termen van Ja en Nee. Als het bolletje linksom begon te draaien, was het antwoord Ja, rechtsom betekende Nee. Of andersom. Je kon denken dat hier de zwakke plek van het systeem in school. De belangstelling was gering.
Patrick bracht de bestelling. Mogelijk voor Arnold had hij Eric Burdon opgezet.
Sky pilot. How high can you fly? You’ll never reach the sky.
De zombie uit het zuiden sloeg zijn ogen op. Het zag er naar uit dat hij iets ging zeggen en dit was ook het geval. Alleen was er niets van te verstaan.
“Wat zegt hij?” Arnold verveelde zich.
“Hij zoekt de winnende getallen”.
Sonja gaf antwoordde voor haar beschermeling.
“Wat voor getallen?”
“Van de Duitse Lotto. Daar speelt hij in mee”.
Arnold tikte op de tafel met zijn aansteker.
“Dat kan ik wel oplossen. Ik heb een magische dag. Geef mij het lijstje en je zult versteld staan”.
“Dat zal wel weer”.
Sonja trok een gezicht. Haar werktuigen verdwenen in haar jas die ooit had toebehoorde aan een Afghaanse kameel. Ze ging zichzelf bekijken in een zeer kleine spiegel en sprak plotseling op luide toon.
“Pino komt uit Italië”.
Arnold stak onmiddellijk zijn hand op, zwaaide als naar een kleuter.
“Hoi, Pino, Arivedeszi”.
De getergde trekken van het gezicht ergerden hem.
“Kom op met die lotto, dan worden we rijk”.
Te laat bemerkte hij, dat Iris haar jas aantrok. Dat krijg je wanneer je de lolbroek wilt uithangen en op bijval wacht.
“Sorry, ik moet er vandoor”. Ze zei het tegen de groep en meteen liep weg.
Arnold bleef besluiteloos zitten. Hij reageerde zich af op Pino.
“Ben je onderhand klaar met aarzelen?”
De Italiaan diepte een verkreukeld papier uit zijn jaszak. Het leek weldegelijk een echt biljet. Er stond een stempel op van de Bondsrepubliek Duitsland.
Arnold had een eigen balpen.
“Tien getallen onder de 99. Inleggen kost een tientje. Waar doe je moeilijk over, man”.
Met vaste hand vulde hij de vakjes in, noteerde dezelfde getallen op een bierviltje en stak dit bij zich. Hij schoof het formulier en een tientje naar Pino.
“Geen hasj van kopen, vriend! De opbrengst is voor mij, maar jij krijgt honderd Duitse pegels ongeacht de opbrengst. Wacht! Ik zet mijn handtekening eronder!”

Nieuwe klanten betraden het café. Ze streken neer bij het venster, bekeken de hoes van een zojuist aangeschafte LP en draaiden dikke sigaretten met een traagheid alsof ze dit voor het eerst deden. Er werd opgestoken. Blauwgrijze wolken ontstegen het groepje en zweefden rond als lokale depressies. Twee meisjes bleven schuchter in de deuropening staan, keken een beetje rond en vertrokken weer.
Muis bestelde een glas thee voor zichzelf en zijn broer. Hij betaalde met een biljet maar kreeg niets terug vanwege uitstaande schulden. Patrick kwam even bij de tafel staan: de tijd voor het schenken van biertjes was voorbij.
“Kaartje leggen, vogels?” Dalton Ko, alias Kootje had een setje meegebracht.
Stilte. Arnold keek tersluiks rond en zweeg eveneens.
Toch werden er stoelen verschoven. Men maakte zich op voor een partijtje klaverjas.

Twee volle weken gingen voorbij. Het voorjaar zette door met onvoorstelbare kracht. Overal drong het groen naar de oppervlakte: in de bomen en struiken, de weilanden en bouwakkers. Zelfs de dakgoten van Arnolds ouderlijk huis deden eraan mee.
De examens stonden voor de deur. Naar het aloude motto als de zon gaat naar zijn nest, werkt de luiaard op zijn best, kreeg Arnold haast. Hij inventariseerde wat hij wist en zocht uit waar de zwakke plekken zaten. De leerkrachten hielpen de oude lichting waar ze konden. Examenvragen van eerdere jaargangen kwamen beschikbaar. Het was hun laatste kans om goed werk te leveren. De opvolgende HAVO zou zwakken begunstigen en de indruk wekken op hetzelfde niveau te staan als oudere vormen van onderwijs.

Het was weer een zaterdagavond. Aan de bar van De Ragebol was plek. Arnold zat naast zijn vriend Gerben en zuchtte. Hij wilde er een avond uit, maar kon met Gerben moeilijk de stand van zaken rond de studie bespreken. Gerben had allang afgehaakt. Joost mocht weten waar en hoe hij de dagen sleet.
“Glas thee, heer Zwarthoed?”
Gerben had een ouderwets degelijke portemonnee in zijn hand. Hij zat erbij als een gereformeerde dominee. Dit ontroerde Arnold.
“Ik lust wel een tosti”.
“Waarom moet jij altijd eten?”
“Omdat ik in de groei ben, daarom”.
Gerben had een zomerhuis betrokken op een camping in de duinen. Zijn vader betaalde de huur, op voorwaarde dat Gerben zich thuis niet meer vertoonde. Dit had niets met botsende politieke inzichten te maken. Er was sprake van wederzijdse instinctieve afkeer. Dat ouders altijd van hun kinderen houden, is onzin. Gerben wenkte Patrick en gaf de bestelling door.
“Hoe staat het met de krantenverkoop?”
Op zaterdag verkocht Gerben De Waarheid op straat. Deze door Moskou gefinancierde versie van de Russische Pravda kende een beperkte maar trouwe klantenkring.
“Mijn huis ligt vol met Waarheid”. Gerben hinnikte kort.
“Raak je de handel altijd kwijt?”
“Soms gooi ik de rest onder de struiken. Dan ligt de waarheid op straat”.
Arnold voelde opluchting. Gerben bleek nog over eigen hersens te beschikken, al leek hij niet van plan examen te doen. Evengoed voelde hij aan, dat de voorstelling van zaken ergens mank ging. Zomaar een pak kranten de struiken in smijten? Je moest er toch voor betalen? En uittreden, de CPN de rug toekeren, was helemaal ondenkbaar. Dan kreeg je ijzervreters uit de havens achter je aan, hardnekkig als ouderlingen.
Er viel een langdurige stilte. Ze konden dit beiden heel lang volhouden.
“Gerben, wat zou jij doen als de Russen komen binnenvallen?”
“Ze zijn niet erger dan de Amerikanen die hier ook zijn”.
“Maar wat zou je doen?”
“Jou aangeven”.
Ze lachten. Arnolds blikken dwaalden door de grijze grot van De Ragebol. Verdomd, daar stond Iris weer. Ze werd afgeschermd door de gestalte van Vincent. En daarginder was Sonja met haar Italiaanse vrijer. De jongen sleepte een loodzware rugzak mee.
Was hij alweer terug uit Duitsland? De buitendeur ging open en weer dicht. Voortdurend belemmerden mensen het blikveld.
Arnold kauwde de tosti weg, wisselde nog een paar woorden met Gerben en onderschepte Gerrie die op weg was naar de wc. Inderhaast meende hij ook Jenny op te merken, maar zijn aandacht werd opgeëist door Gerrie.
“Ho! Ho! Even in de remmen, vriend. Een vraagje! Is De Tsarina vanavond gesloten?”
“Wat?”
Gerrie draaide een kwartslag. Hij wist maar al te goed dat mensen negen op tien iets van je willen zonder er wat voor terug te geven.
“Waarom hangt Vincent hier rond? Moet hij niet werken?”
“Vincent? Zoek dat allemaal lekker zelf uit. Misschien heeft hij De Tsarina wel verkocht en komt hij hier het geld opmaken. Ha Ha!”
“Verkocht? Aan wie dan?”
“Ja. Ajuus paraplu”.
En verdwenen was Gerrie, handig gebruik makend van dat ene moment waarop zijn belager aarzelde. Uit de luidsprekers klonk de ijle stem van Kevin Ayers, zanger van de Soft Machine: hope for happiness, hope for happiness…
“Zeg, Zwarthoed!”
Gerben stootte hem aan. Zijn benige, lange vingers rustten een seconde op Arnolds onderarm. Hij keek langs hem heen, alsof hij iets gewaar werd dat alleen voor hem bestemd was.
“Zag je dat?”
“Wat dan?” Arnold wist niet waar te kijken.
“Volgens mij kwam zojuist een vrachtwagen Russen voorbij. Ze keken naar binnen, alsof ze iemand zochten”.
Arnold schoot in de lach.
“Wie ben jij ook alweer?”
Zo verging de tijd, die in de Ragebol niets betekende en toch verstreek.

Uit het water van de kromme gracht rezen de verkrotte panden van een straat. Het waren huizen die de Spaanse belegering nog hadden meegemaakt. Een enkel venster toonde rood getint licht. Daar huisden tegenwoordig hoeren. Arnold stond op de smalle kade voor de Ragebol, keek rond en huiverde in de avondwind.
Waar is mijn brommer gebleven?
Arnold hield van feiten. Nou, hier had hij er één van formaat. Zijn brommer was onmiskenbaar verdwenen, gestolen kon je denken.
Met toenemende opwinding stampte hij heen en weer, keek achter woonhuizen, in portieken, doorkruiste de straat met de hoerenkast, keerde weer terug. Tenslotte stak hij een sigaret aan, een troostrijke Craven.
Niet te geloven. Godverdomme.
Hij woog de mogelijkheden. Je kon naar huis liften, maar dat was een al te snelle capitulatie. Aan de andere kant, wat moest je dan?
Hij keek op zijn horloge. In het licht van een straatlamp zag hij hoe laat het was. Kwart over twaalf. Gewone mensen lagen in hun bed. Naar Bertine gaan, was absurd. Iris zou wel ergens rondhangen. Misschien met Barry, de geheimzinnige huurbaas. Hij vloekte hartgrondig, want voor een jongeman is de brommer heilig.

De stadia bij verlies zijn de volgende: ongeloof, woede, verdriet, leegte en tenslotte aanvaarding. Weinigen zijn in staat de tijdelijke stadia over te slaan.
Zonder duidelijk doel liep Arnold de stad in. Hij speurde in elke zijstraat, bereid iets terug te roven. Er stond niets van zijn gading, of het zat zwaar op slot. Voort ging de tocht, dwars door de lege stad. In een café voor sukkels goot hij drie glazen bier naar binnen, vergat te betalen en stond alweer op straat. Het begon kil te worden. Tegen de glazen deuren van een winkel leegde hij zijn blaas. Onderhand liet hij mogelijkheden de revue passeren. Wie kon hem dit hebben geflikt?
Hij stak een plein over en bereikte even later een ophaalbrug. Uit de donkere etalage van een antiquair grijnsde een beschilderd kermispaard hem toe. Wilde gedachten kwam bij hem op. Mogelijk hadden onverlaten zijn bezit in de gracht gesmeten. Of iemand had plotseling vervoer nodig naar De Tsarina. Misschien wel Pino, de idioot met zijn zware rugzak. Of anders Iris. Zij had al eens eerder gereden op zijn geweldige Kreidler Florett.
Hij rochelde tegen een geparkeerde auto en marcheerde voort. Onder een lantaarnpaal meende hij de gestalte van Pino te herkennen. Arnold zou hebben gezworen dat hij het was, maar toen hij opnieuw keek, was de schim verdwenen.

De Tsarina stond meters achter de rooilijn, verscholen in de rafelrand. Brandde er licht op de bovenetage? Arnold kankerde zonder geluid te maken. Hij keek opnieuw: er brandde geen licht.
Donkere, verzakte, kloterige paardenstal uit de oudheid. Hippietuig. Dievenbende.
Hij werd bevangen door de gedachte dat achter deze gevel, drie meter hoger, Iris met Barry in bed lag. Zijn hand reikte naar die ene witte plastic knop naast de deur, maar hij bedacht zich bijtijds. Aanbellen kon slechts uitlopen op een vernedering. Wat viel er te zeggen? Zonder plan liep hij langs het pand naar de achterzijde. Het grind onder zijn voeten knerpte luid.
Wonderen gebeuren, maar niet op bestelling. Slordig tegen de muur gekwakt, stond hier onmiskenbaar zijn Kreidler. Arnold kon de aandrang niet weerstaan het stalen ros liefkozend te strelen. Cowboy en paard worden herenigd. De motor voelde nog warm aan, maar moest toch al zeker een half uur geleden zijn afgezet. Hij ontdekte geen schade. Zelfs het hangslot was nog aanwezig. Waarom stond de brommer uitgerekend hier?

Zijn blik viel op een vierkant raam, laag geplaatst in de achtergevel van het koffiehuis. Een spiegel van inktzwart glas. De spiegel stond op een kier.
Hij luisterde scherp, maar hoorde niets dat hem verontrustte. Voorzichtig duwde hij het klapraam helemaal open. Was de dader naar binnen gegaan? Had het zin te wachten of die persoon terug kwam? Of was het gewoon een geschikte plek om een brommer te dumpen en stond het raam wel vaker open? Per slot was in de armoedige tent van Vincent weinig de moeite van het stelen waard.
Zalig zijn de benevelden der aarde. Arnold besloot een kijkje te nemen. Misschien was de schlemiel die hem dwarszat, nog aanwezig en kon hij hem een pak slaag geven. Tegelijk voelde hij, dat hier een grens tussen balorigheid en wangedrag werd overschreden. Het was je reinste insluiping, zoveel had hij wel van zijn studieboeken opgestoken. Binnen rook het naar kerk en bibliotheek, kattenbak en wierook. Arnold trok het venster achter zich dicht. Het voelde vreemd en vertrouwd, te staan in de ruimte die overdag bekend stond als De Tsarina.
Langzaam wenden zijn ogen aan het duister. Het interieur veranderde in een grauw palet van vormen en omtrekken. Recht vooruit was de bar, links de oliekachel. Het was simpel om je voor te stellen hoe hier dag in dag scholieren zaten te niksen. De ruimte leek hiertoe bestemd bij gebrek aan andere mogelijkheden. De stilte was volkomen.

Als je ergens aan begint, kun je het maar beter afmaken. Anders krijg je vroeger of later een hekel aan jezelf. Arnold schuifelde naar een deur en trok deze met opzet luidruchtig open, erop bedacht rechtsomkeert te moeten maken. Toen er niets gebeurde, begon hij aan de tocht naar de bovenverdieping.
Goedenavond! Ik ben van de Keuringsdienst van Waren. Het betreft een nachtelijke inspectie.
Hij begreep ergens dat hij flink in de olie was.
Overal waren deuren. Hij belandde bij een toilet, in kasten en belandde in een keukentje met de afwas nog op het aanrecht. Er hing een geur van bedorven voedsel. De woonkamer of wat ervoor doorging, was alweer een deur verder. Toch had hij het gevoel dat hier niemand woonde.

Dalton Muis had in een aanval van zelfoverschatting wel eens verteld hoe je een woning doorzoekt. Arnold had goed opgelet. Van praktijkmensen kun je veel opsteken. Nu stond hij er zelf voor en hij overtrad iedere basisregel. Om te beginnen, miste hij een zaklantaarn. Hij knipte gewoon het elektrisch licht aan, een lamp van minstens 60 Watt. Op de vloer lagen vuile sokken. Deze kon hij over zijn handen trekken om vingerafdrukken te voorkomen. Hij liet ze liggen.
Stinksokken van Vincent, om je dood te lachen.
Kastje open, kastje dicht. Eigenlijk stond er niets. Een lade onder het tafel blad bevatte foto’s uit Berlijn. Arnold herkende het Olympisch Stadion. Verder alleen rekeningen. Er zat een aanmaning bij om de huur te betalen.
De Tsarina is niet eens van Vincent. Eigenaar is Studio Filarski. Nooit van gehoord.
Het drong tot hem door, dat hij beter kon vertrekken. Hij liep terug naar de verveloze overloop en opende dan toch nog een deur. Ook hier knipte hij het licht aan. Het was een slaapkamer. Het bed was onverwacht keurig in orde. Zijn oog viel op een donkere bult: de rugzak van Pino.

Het gewicht was aanzienlijk. Uit ongerichte nieuwsgierigheid trok Arnold de bovenste rits los. Voor zijn ogen ontvouwde zich een schouwspel dat voor weinigen is weggelegd: de rugzak was volgestouwd met stapels bankbiljetten. Een traan op het houten gelaat van Maria Magdalena in een oud Spaans kerkje is er niets bij.

Geld is een abstractie. De waarde ervan berust op een ongelooflijke afspraak. Arnold voelde zijn benen en armen verstijven, zijn mond werd zo droog dat hij niet eens had kunnen schreeuwen. Zijn verstand stond erbij stil, maar niet voor lang.

Wat had dit te betekenen? Was Vincent een Zware Jongen, iemand in wie hij zich schromelijk had vergist? Was Pino zijn koerier? Hij haalde een bundel biljetten omhoog, keek of ze werkelijk aan beide zijden waren bedrukt en merkte dat hij transpireerde.
Mevrouw De Zwaan moest mij eens bezig zien.
Op dat moment werd beneden hem een deur dichtgeslagen. De trilling hiervan plantte zich voort via de wanden en de vloer. Hij was in een val gelopen en kon geen kant meer uit.

De hersenpan is een zoekmachine, een spelautomaat, een pistool met een achtergebleven kogel. Arnold was op slag nuchter. Razendsnel schatte hij zijn positie in en overwoog de kansen op ontsnappen.
Hij tikte de lichtpunten uit, greep de rugzak, opende een venster en voelde de nachtelijke wind. Hij keek neer op een erf van grind. Daarachter lag de straatweg. Een lantaarn hing aan een kabel te wiegen in de nachtwind.
Als ik spring, breek ik mijn enkels. Machteloos lig ik te wachten tot de politie arriveert.
Berouw komt niet na de zonde, maar na opgelegde straf. In zijn ontnuchtering nam hij een driest besluit. Hij sloop de kamer uit en stelde zich op bij het trapgat. Op de tast draaide hij het lampje los. Het beste leek, om af te wachten.
Op de begane grond liep onmiskenbaar iemand heen en weer. Plotseling ging dan toch de deur naar de trap open. De stem van een volwassen man bracht geluiden voort die het midden hielden tussen neuriën en zingen.
“Hallo up there. Anybody home?”

De doodschop die Arnold in gedachten had, bleek overbodig. Halverwege de trap ging er kennelijk iets mis. De man verstapte zich of de vloerbedekking gleed weg. Een lichaam bonsde in duisternis de trap af en sloeg tegen een houten wand of de vloerplanken. Het was een moment om je lam te schrikken. Arnold voelde evenwel niets. Hij handelde. Met de buitgemaakte rugzak daalde hij de trap af, stapte over zijn slachtoffer en maakte dat hij wegkwam. Hij verliet De Tsarina zoals hij was gekomen. Eenmaal buiten sjorde hij de rugzak om, trapte hij de brommer aan en reed van het terrein.

De buitenlucht ontnuchterde hem verder. Hierdoor begreep hij steeds beter welke risico’s hij liep. De gevolgen wanneer dit uitkwam, zouden niet mals zijn en dan nog vlak voor de examens. Hij voelde paniek opkomen, de neiging om de rugzak van zich af te werpen en volgas naar zijn veilige dorp te jakkeren.
Ondoorgrondelijk is de menselijke geest. Wat drijft iemand in diepere zin en wat zijn slechts argumenten en slappe excuses? Talrijk zijn de moordenaars die naderhand beweren dat ze er niet helemaal bij waren met hun hoofd, of bezopen en dus eigenlijk ontoerekeningsvatbaar. Beoordeling kan slechts plaatsvinden door te kijken naar het gedrag. Arnold koos niet het hazenpad naar huis. Hij onderdrukte zijn drang tot vluchten en zette koers naar het station van de Nederlandse Spoorwegen.

Omringd door passagiers van de laatst binnengerolde trein, leverde hij zijn bromfiets in bij de betaalde stalling. In de stationshal slenterden twee politie agenten. Ze bekeken tersluiks bezoekers en voerden een gesprek dat met de diensttaken weinig te maken kon hebben. Arnold ving tenminste het woord kroket op. Toch werd een langharige toerist aangesproken en staande gehouden. Arnold voelde zijn hart bonzen, rechtte zijn rug en marcheerde naar de bagage afdeling.

Voor een gulden per dag kon je een groot model kluis huren. Arnold propte zijn buit naar binnen en stak de sleutel in zijn broekzak. Op de terugtocht door de hal liep hij vlak langs de agenten en zei netjes goedenavond.
Andermaal doorkruiste hij te voer de stad. Zijn humeur was omgekeerd aan dat van een uur geleden. Het hing tussen euforie en zelfverzekerdheid. Hij had toch maar mooi zijn brommer terug en als bonus een onmogelijke berg geld binnengehaald. Als de biljetten tenminste echt waren, want twijfel hierover bleef hangen. Geen moment vroeg hij zich af of de man die van de trap viel, misschien gewond was of erger.
Ik heb niemand aangeraakt.
Bij een buurtcafé hield hij in en ging naar binnen. Het was matig vol. Niemand schonk aandacht aan een nieuwkomer. Een paar middenstanders zaten aan de bar. Ze aten bitterballen van een schaaltje. Je moest er een houten prikker in steken en dopen in mosterd. Onopvallende muziek sijpelde uit kleine geluidsboxen tussen de drankflessen. Dieper in de ruimte werd gepokerd.
“Biertje?” Een barman houdt alles in het oog.
Arnold knikte. In afwachting van de bestelling wilde hij een sigaret opsteken. Hij zag dat zijn hand bloedde uit een kleine snijwond.
Langzaam liep hij verder en knipoogde naar een paar vrouwen die hem vanachter een tafeltje bekeken. Bij de wasbak van het toilet waste hij zijn handen. Zijn linker pink toonde een venijnige snee. Waar hij deze had opgelopen, wist hij niet. Hij drukte er een tissue op keek in de spiegel.

Terug in het café zag hij dat de vrouwen naar de bar waren verhuisd. Zij waren minstens tien jaar ouder dan hijzelf. Voor hen stonden glazen met bessenjenever.
“Hallo, jongeman”.
“Dag meisjes”.
“Wat een brutaaltje”.
Arnold nam zijn bierglas, lichtte dit op en nam een diepe teug. Hij was een beetje in de war over wat hij had meegemaakt en had een geweldige dorst.
“We hebben net om je geloot. Maar we komen er niet uit wie heeft gewonnen”.
Arnold moest even nadenken over een passend antwoord.
“Met z’n drieën is het ook gezellig”.
Hij goot de rest van het bier naar binnen en veegde zijn lippen af.
“Wat is er met je hand?”
“Ik heb net ingebroken. Dan gebeuren die dingen”.
De vrouwen lachten. Inbrekers waren zwaargebouwde bruten of juist broodmagere schlemielen.
“Je ziet er een beetje geschrokken uit”.
“Dat is omdat ik niet tegen bloed kan”.
Hoe vertederend. Vrouwen doen niets liever dan een kluns verzorgen. Uit een handtas kwam een kleine schaar. De barman leverde een pleister.
Sylvana heette de brunette. De vriendin Hanna of Anna, dit was niet te verstaan.
“En hoe heet jij?”
“De naam is Valentijn Vincent van Vollewijn. Voor het personeel ben ik een meneer”.
Zijn hand raakte even de onderarm van Sylvana.
“Eigenlijk ben ik verarmde adel. Mijn voorouders hebben het familievermogen erdoor gejaagd”.
De vrouwen begrepen er niets van, maar wat maakte het uit?
“Wil je iets eten?”
Hiervoor bezwijkt elke jongen van nog geen twintig. Altijd kan er nog wel wat bij.
Het café leverde blokjes kaas met een Hollands vlaggetje er bovenop. Mosterd werd geleverd in een pot met een metalen lepeltje. Het zou nog tien jaar duren voor de horeca begreep wat hier te winnen viel.
Zo ging het voort in de tredmolen van gespeelde argeloosheid. Arnold liet de vriendinnen zijn Engelse sigaretten proberen. Vergeefs zocht hij naar de Myon. Hij kende een truc met bierviltjes, maar hier waren ronde exemplaren voor nodig en in het café lagen alleen vierkante. In zijn jaszak vond hij het exemplaar waarop de getallen van het Duitse lottoformulier stonden, maar dit stak hij terug. Alles in Arnold kwam tot stilstand.
“Wat is er?”
“Ik ben vergeten mijn prijs van de Duitse lotto op te halen”.
De vrouwen vonden hem geweldig. Ze lachten uitbundig. Er stond alweer een glas bier voor hem.
Een woeste gedachte kwam bij hem op. Van schrik goot hij het glas zonder pauze achter zijn kiezen.
Pino’s geld komt van de Duitse lotto!
Tegen sluitingstijd slaagde hij erin zonder complicaties weg te komen. Vanachter een bestelwagen wachtte hij geduldig tot de vrouwen klaar waren met verwonderd rond te kijken waar hij was gebleven. Arm in arm verdwenen ze in een zijstraat.

Half drie in de nacht. In geen enkel woonhuis brandde nog licht. Over het verkeersplein achter de grote kerk jakkerde een kleine auto. De banden gilden over het asfalt. Arnold voelde zich een beetje misselijk. De geldroof kwam weer bovendrijven in zijn bewustzijn. Van euforie was geen sprake meer. In plaats hiervan kwam berekening bovendrijven en de rechtvaardiging van zijn optreden. De mens gelooft in wat hem uitkomt.
Pino heeft een afspraak geschonden. Hij heeft me belazerd en nu is hij de klos.
Hij waterde in een portiek en bleef dicht langs de panden lopen om bij onraad snel te kunnen wegduiken. Op een of andere manier kwam de hele toestand hem voor als een droom. De ingenomen biertjes hielpen nogal bij dit gevoel.
Een kwartier later stond hij voor de deur van een oud pand. Een beetje overbodig controleerde hij of de deur op slot zat. Zonder sleutel begin je weinig.
Hij wankelde de smalle steeg langszij het huis in, gleed uit maar bleef overeind. In de achtergevel zat een tweede deur. Het stonk hier hevig naar riolering. De duisternis was totaal. Op de tast en in zichzelf pratend bereikte hij een deur. Hij overwoog deze met zijn hele gewicht te forceren, maar bemerkte bijtijds dat de deur gewoon open kon.
Hij drong het huis binnen en zocht andermaal vergeefs naar zijn aansteker. Wat had hij hier ook te zoeken? Hoog in het trappenhuis brandde een lamp. Niemand vertoonde zich. Wel waren er geluiden van voetstappen, ver weg. Een beetje stram begon Arnold de trappen te beklimmen. De belevenissen van de afgelopen uren begonnen te wegen.
Op de eerste etage waren snurkgeluiden hoorbaar. Versleten traptreden toonden een halve eeuw achterstallig onderhoud. Hier hadden nog mensen gelopen die allang vertrokken waren. Hij liep door tot de treden ophielden. Bij de deur van Iris woning brandde een nette lamp. Hij klopte een paar keer en wachtte op niets. Zijn schouder ramde de deur. De tegenstand was massief.
Vergeefs probeerde hij drie van zijn eigen sleutels. Wat nu? Voor de vorm schoof hij nog even de deurmat opzij. Inderdaad, alsnog een sleutel. De rest was kinderspel. Hij kon naar binnen. Even raadselachtig als hoe de lamp op de gang was ontstoken, floepte ze weer uit. Stilte en duisternis zijn de norm in het eindeloze heelal.
Merkwaardig warm was het in de woning. Hier was niemand aanwezig. Arnold voelde een golf braaksel opkomen. In de keuken vond hij een kookpan en wachtte op de hel.

Hij moest hebben geslapen. Stommelgeluiden bereikten zijn oren en hij opende zijn ogen. Een kat sprong traag en onwillig van zijn benen. Het drong tot hem door waar hij zich bevond. Een ogenblik voelde hij aandrang op te staan, maar zijn benen waren lam. In de deuropening stond Iris.
Of zijn aanwezigheid haar had verrast, ontging hem.
“Jezus, wat een rotlucht hier”.
Ze deed een paar stappen naar voren en snoof met zichtbare tegenzin. De vraag kwam alsnog.
“Hoe kom jij hier binnen?”
Arnold bewoog zijn armen, daarna voorzichtig zijn benen. Uit zijn jaszak kletterden zijn sleutelbos en het losse exemplaar dat hoorde bij de kluis van het spoorstation.
Hij raapte deze op, hield hem omhoog en schraapte zijn keel.
“Deze opent alle deuren”.
Iris zweeg en sloot de deur. Ze trok haar jas uit en liet deze vallen. Haar handtas, een gehaakte buidel met glinsterende schijfjes, landde er bovenop.
“Wat kom je doen? Had je mij niet even kunnen vragen?”
Hier moest hij even over denken. Het hele verhaal was volslagen van de wereld en de waarheid is voor mensen die geen gat meer in het leven zien.
“Ik kan nergens anders heen, liefste. Al mijn gedachten zijn bij jou”.
Iris toonde alsof ze dertig kilometer had gelopen.
“Idioot”.
Ze liet zich vallen in een lage stoel van zware ribstof.
“Wat heb je aan je hand?”
Arnold hief zijn rechterhand, de hand met de pleister.
“Dat valt wel mee, een snede van een vleesmes”.
“Heb je gevochten?”
“Natuurlijk. Met wie dan?”
De vraag trof hem onaangenamer dan hij had verwacht. Hij had niemand aangeraakt, maar wel ergens zijn hand opengehaald. Misschien bij het afdalen van die verdomde trap. Misschien zaten zijn bloedspatten op een man die nu dood was.
Zonder op te staan, bracht hij zijn sigaretten tevoorschijn. Tot zijn verbazing was het een pakje Caballero. Waar kwam dit nu weer vandaan? Zijn hand tastte voor de zoveelste keer rond in zijn broekzak.
De Myon. Waar is mijn Myon?
“Arnold, het is laat. Ik ben kapot. Kun je niet weggaan?”
Hij kwam overeind. Zijn voeten voelden aan als blokken cement.
“Luister Iris. Ik weet wel zeker dat je bij een andere man bent geweest. Ik ben gekwetst en jaloers, maar hoor je mij daarover klagen? De halve nacht heb ik op je gewacht”.
Iris zat daar te zitten. Een vermoeid meisje in de nacht. Een woordenstrijd was het laatste waarop zij zat te wachten.
“Nou goed, je kunt wel blijven. Slaap maar in de stoel. Daar was je trouwens al mee bezig”.
Ieder ander had de boodschap begrepen en was alsnog de trap afgedaald. Arnold bleef.

Onvoorstelbare handelingen vinden plaats in het holst van de nacht. Terwijl Iris op de wc zat, smeet Arnold de pan met kots uit het raam. Diep in de steeg klonk een doffe slag.

In de badkamer ontkleedde hij zich. Water kletterde op de betegelde vloer. De douche lekte naar alle kanten. Hij sloot zijn ogen en leunde tegen een wand waaruit twee tegels ontbraken. Langdurig spoelde hij zijn mond en gebruikte de tandenborstel van zijn gastvrouw. Naakt en nat betrad hij de slaapkamer. Iris zat op de rand van haar bed. Ze masseerde haar onderarm. Op de vloer lag een injectiespuit.
“Godverdomme, Iris. Ben je gek geworden?”
Nooit was dit beeld bij hem opgekomen. Welke gek injecteert zichzelf om niets?
“Houd je mond maar liever. Niemand zit op je mening te wachten”.
“Doodzonde is het. Je bent zo mooi.”
Zelfs complimenten weerhouden junks niet van hun gedrag.
“Af en toe een beetje smack. Het helpt me ontspannen. Houd je me even vast?”
Smack. Het klonk naar samengeperst varkensvlees uit een rechthoekig blik.
Zo zaten ze een kwartiertje. Iris raakte versuft en Arnold voelde zijn arm verstijven.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.