BLINDGANGER, Hoofdstuk IV

| Geen reacties

HOOFDSTUK IV

Huize Zwarthoed stond op z’n kop.
“Levenslang achter de tralies! Gewoon bij de kladden pakken en mee naar achteren! Wat is daar nou moeilijk aan?”
Een achterhaalde mening van Arnolds vader, want de rechtspraak in Nederland werd juist steeds milder. De trend was om wangedrag te beschouwen als een gevolg van verkeerde maatschappelijke verhoudingen. Daders waren ook slachtoffer.
In Huis De Zon, dagverblijf voor gehandicapten, was een verpleger aangehouden. Hij zou met zijn handen aan Trudie gezeten op plekken waar dit allerminst was toegestaan. Ze had nauwkeurige beschrijvingen aangedragen.
“Natuurlijk die waaipaal met dat zieke sikje”, brieste Pa Zwarthoed, “dat gemankeerde piepeltje van de sociale academie. Welke normale kerel gaat zich nou te buiten aan..”
Hij verkeerde even in een dilemma.
“Aan zo’n weerloze meid. Ik breek hem zijn poten!”
Ze zaten met z’n tweeën aan de eettafel. De stoel van Trudie was onbezet. Midden in de woonkamer stonden de agenten die de tijding hadden overgebracht.
“Mogen we haar kamer even zien?”
Arnold bleef beneden, met een van opluchting bonzend hart. Hij had de agenten zien komen, ervan overtuigd dat ze voor hem kwamen.

Mevrouw De Zwaan rommelde in de keuken. Ze had een beetje gehuild vanwege de commotie. Toch was ze erin geslaagd een warme maaltijd te bereiden. Groentesoep, gebakken aardappels, kotelet met schroeiplekken, sperziebonen. Yoghurt toe. Ze dribbelde maar heen en weer, tot ergernis van Arnold.

Eenmaal thuis na zijn lange avond en nacht in de stad, was hij deze morgen weer naar het station van de spoorwegen gegaan. In de restauratie had hij koffie gedronken, intussen nauwlettend gekeken of hij misschien werd geschaduwd. Tenslotte had hij met bonkend hart de kluis geopend en de rugzak naar zich toegetrokken: een kwetsbaar moment.
Vooralsnog liet hij de Kreidler in de stalling staan. In de bus naar de polder zou niemand opkijken van een rugzak. In zijn kamer voerde hij een korte inspectie uit. Louter briefjes van honderd Duitse Marken trof hij aan. Een leek kon zien dat het om gebruikte biljetten ging, een gunstig teken. Arnold had de borduurlamp uit de vroegere hobbykamer van zijn moeder erbij gehaald om een paar biljetten onder het vergrootglas te bestuderen. De echtheid leek hem vrijwel zeker. Het tellen en rekenen stelde hij uit. Voor mevrouw De Zwaan arriveerde, vertrok hij naar Garage Zwarthoed en verborg de rugzak achterin het magazijn. Niet gek dus, dat de komst van de agenten hem op de rand van paniek bracht.

Afkeurend gadegeslagen door de huishoudster at hij zijn bord leeg en dacht aan zijn roof buit. Op de bovenverdieping klosten de schoenen van de agenten. De stem van Arnolds vader sprak onverstaanbare woorden. De Rotterdamse Staander sloeg plechtstatig half één. Even later vertrokken de agenten.

In weerwil van alle opwinding zette hij zich aan zijn huiswerk. Nog twee dagen en de eerste examen dag was een feit. Nogmaals trachtte hij balansen kloppend te krijgen en de gelijkvormigheid van driehoeken te bewijzen.
In bed las hij vijftig pagina’s uit Justine of de tegenspoed der deugdzaamheid van Markies De Sade. Dit uit het Frans vertaalde boek had hij opgegeven voor zijn literatuurlijst. Razendsnel lezen en de essenties oppikken uit een tekst, was een onverwacht resultaat van zijn schoolopleiding. Hierna ging hij liggen masturberen, denkend aan de ongelukkige hoofdpersoon. Het verhaal over jongedame Justine bood mooie liberale theorieën, maar de genadeloze seks wond hem het meeste op. Iris paste wat hem betreft wonderwel in dit beeld.
Tegen drie uur in de middag viel hij in slaap en was urenlang steendood. Een jongeman kan het maar druk hebben.

Tussen de leervakken door bladerde hij in de krant. Steeds meer ouderen raakten uit het lood, vooral in de steden. Hun noeste arbeid werd door de jeugd belachelijk gemaakt. De jongeren hadden geen oorlog meegemaakt, dat was het. Nog een geluk dat de dienstplicht bestond. Eigenlijk zou er ook een sociale dienstplicht ingevoerd moeten worden, zo luidde de mening van veel burgers. Dit zou jonge reltrappers wel mores leren.
Hij las ook, dat de Gemeenteraad van zijn eigen dorp overwoog een ringweg aan te leggen. Een bedrijventerrein lag hierbuiten. Hij voelde de hand van zijn vader. Er lagen bovendien plannen voor de bouw van maar liefst twee honderd woningen. Hieraan scheen dringend behoefte te zijn om de overbevolking uit de hoofdstad op te vangen.
Het is een verhaal van alle tijden. De steden zwellen aan en barsten uit hun voegen. Ineens ontdekken de mensen het platteland. Met z’n allen rollen ze het weiland in.

In de vroege avond zat hij weer aan zijn schrijftafel. Uit de recorder snauwde de zanger van de band Guess Who. De song ging over Amerikaanse dienstplichtigen die zich aan de oorlog in Vietnam onttrekken en in Canada onderduiken als deserteur. Goodbye American Bitch.
Het voerde hem naar zijn eigen situatie, naar de gevolgen van zijn keuringsbezoek aan de kazerne. Misschien moest hij wel naar Suriname om orde op zaken te stellen. Deze voormalige slavenplantage wilde onafhankelijk worden. Dit was tenminste het streven van de socialisten Den Uyl en Pronk plus een handvol Creoolse heethoofden. Het Zelfbeschikkingsrecht der Volkeren moest zegevieren en de laatste restanten van het kolonialisme uitgewist! Maar wat ging ervan terechtkomen? En wie moest er dan naartoe om zijn leven te wagen? Toch zeker niet Jan Pronk met zijn slappe gezever over Westerse Schulden. Op welke school had die man eigenlijk gezeten?

Defensie had een brief gestuurd met de bevestiging. Arnold was ingedeeld bij de infanterie. Niet de goedkeuring maar de indeling ontstelde hem.
Bij de minkukels, de nageboorten, het kanonnenvlees.
Hij was niet op voorhand tegen legers of geweld. Zijn weerzin tegen dienstplicht werd bovenal ingegeven door afkeer van meute en middelmaat. Zijn moeder had een te hoge factor standsbesef door haar babymelk gemengd. Vervuld van drift overwoog hij zich te melden als vrijwilliger, bij de commando’s, de mariniers, groene of rode baretten, het neusje van de zalm.
Als er toch gemoord moet worden, dan maar beter vakkundig.
Want zo werkt democratie: Hierin is de zaagselpot van Hans Hopeloos evenveel waard als de superbrein van Arnold Einstein.
Hij peuterde een vers doosje sigaretten open, een straf mengsel van teer en nicotine. Tabak zat er ook in, anders kreeg je de zaak niet in de brand. Hij stak de sigaret aan met een lucifer. Zijn luxe aansteker bleef onvindbaar. Boosheid over de dienstplicht bleef zijn gedachten bepalen.
Mijn vader heeft het uitgelegd. Een behoorlijke stafkaart kon er niet vanaf. Je moest je maar zien te redden in de rimboe van Sumatra.

Midden in de nacht ontwaakte hij. Inzichten komen zonder aankondiging.
Ik heb mijn Myon in De Tsarina laten liggen.
Beelden van een droom zweefden door zijn heldere inval. Op een nat wegdek reed iemand aanhoudend heen en weer op een brommer. Het leek een jongen die dood was.

De school is een plaats waar het absolute en het vluchtige elkaar snijden. Je zit een beperkt aantal jaren in de schoolbank. Daarna is het voor eens en altijd afgelopen. Tegelijk zegt een verprutste schoolgang niet alles over wat daarna komt. Dat geniale mensen altijd hun weg vinden en zwakken het schip in gaan, staat niet op voorhand vast. Vooral in een platte volksdemocratie is het zaak bijdehand te zijn. Diploma’s dienen tot etalagemateriaal.
De lokalen met hun leerkrachten en het plein met de fietsenstalling kregen gaandeweg de betekenis die er altijd was geweest: die van betrekkelijkheid.

Arnold reisde met de bus naar de stad. Bij het station nam hij een taxi naar het lokaal waar de examens voor deze eerste dag werden afgenomen.
Op de valreep van het uur U had Pa Zwarthoed een geschenk voor zijn zoon: een zakrekenaar van Texas Instruments, klein als een doosje haardlucifers. Het was een apparaat waarmee je bijkans je eigen sterfuur kon uitrekenen.
“Het is verboden dit te gebruiken”. Arnold had een aanval van rechtschapenheid.
“Reden om voorzichtig te zijn. Alleen resultaten tellen”.
De plek was in een buitenwijk, meer precies in een kantoorgebouw. Toen hij aankwam, stonden de meeste klasgenoten er al. Er hing een sfeer van lichte opwinding en de bereidheid tot vriendschappen voor een week. Ook Arnold was nerveuzer dan hij wilde toegeven. Gestart zou worden met een vertaalopdracht uit het Frans. Hij keek rond en miste Gerben.

Het ritueel nam meerdere dagen in beslag. Arnold ontdekte dat het examengebouw in de buurt stond van de plek waar Bertine werkte. Vanuit een raam in het lokaal kon je het gebouw zien. Het was kijken naar een andere wereld.
Hij werkte zich door een boekhoudkundig probleem. Een oplossing was eenvoudig wanneer je ging schuiven met bepaalde posten. Hij liet het achterwege omdat duidelijk was dat dit als fraude uitgelegd zou worden en daarmee als fout aangerekend.
Vroeg in de middag moest hij een opstel schrijven met als thema samenwerking. Arnold breide een aantal anekdoten aaneen die zijn vader had verteld over de gemeenteraad. Het kwam neer op alles behalve samenwerking. Om drie uur was hij klaar. Ieder ging voor zich naar huis.

In Garage Zwarthoed keek niemand op van zijn komst. Het kantoortje was onbemand. Arnold nam plaats aan het bureau en beantwoordde een telefoontje. Even later stond een postbode met een doos voor zijn neus. Hij bracht deze naar het magazijn en liep tersluiks naar de plek waar hij de rugzak had verborgen. Hij nam er een willekeurig biljet uit, sloot de tas en dekte deze af met een doos waarin een spatbord zat. In het kantoortje rinkelde de telefoon alweer.
Pa Zwarthoed kwam terug. Een vader is blij en verrast wanneer hij zijn zoon aan het werk ziet.
“En? De calculator gebruikt?”
Arnold schudde zijn hoofd. Het risico betrapt en uitgesloten te worden, was hem te groot.
Hij bleef nog een kwartier en maakte een praatje in de werkplaats. Wie kon hem leren autorijden? Een deal was snel gemaakt. Voor twintig gulden per zaterdagmorgen kon hij terecht bij Johan, chef van de werkplaats. Ze beklonken de afspraak met een beker branderige koffie.
Hij liep door naar de Boerenleenbank en vroeg naar de kassier, een partijgenoot van zijn vader. De man bestudeerde zijn komst door dikke brillenglazen.
“Ben jij niet de zoon van?” Zo was het precies.
“Iemand wil mijn brommer kopen”.
De kassier wachtte af. Verhalen kreeg hij de hele dag voorgeschoteld, met name van mensen die vervolgens om geld vroegen.
“Het is een hippie met alleen Duits geld”.
“Zo zo”.
Arnold haalde diep adem en legde het meegebrachte bankbiljet op de balie.
“Ik wil weten of het echt is”.
“Een Duitse hippie met geld? Heeft zeker een overval gepleegd, ha, ha! “.
Bijna achteloos pakte de man het bankbiljet en betastte het tussen zijn geoefende vingers. Een apparaat waaruit een blauw schijnsel kwam, gaf nader uitsluitsel.
“Helemaal in orde. Doe je de groeten aan je vader?”

In de ouderlijke woning was het stil. Pa Zwarthoed was naar zijn bedrijf. Mevrouw De Zwaan zou pas in de middag komen. Trudie verbleef in De Zon. Arnold ging in zijn kamer zitten en bestudeerde opvattingen over de economie in het besef te beschikken over een ongekende vracht harde valuta.

Monteur Johan had een aparte stijl van lesgeven. Nog vóór Arnold in de aftandse auto mocht stappen, snauwde hij zijn leerling toe.
“Onthoud, dat je een ezel bent. Je weet niets en moet alles leren. Je doet wat ik zeg, anders kun je opkrassen”. Duidelijker kon het niet.
Na drie uur waren ze beiden uitgeput. Arnold van het sturen en schakelen, de chef van het blaffen en corrigeren. Hierna was er opnieuw koffie in Garage Zwarthoed en meteen een aanvraagformulier voor het rijexamen. Normaal duurde het afhandelen van een aanvraag zeker drie maanden. Arnolds vader had evenwel een kennis bij het CBR, een machtige organisatie in Autoland. Kennis is niets, kennissen moet je hebben.
Ze kwamen overeen voortaan iedere zaterdagmorgen op deze manier te besteden.

Soms gaan de dingen angstwekkend volgens verwachting. De schriftelijke examens, afgenomen in een gymzaal in de buurt van Bertine’s flat, werden voor Arnold zo’n succes dat hij bijna vergat dat er nog een mondeling vervolg aankwam.
De klas begon uiteen te vallen. Nieuwe perspectieven luidden de komende situatie in. Wie naar de populaire sociale academie ging, klonterde al bijeen.

Zaterdagavond. Tussen zeven en negen had hij geslapen, zwaar en diep, bovenop de dekens. Hij werd wakker van een regelmatig, slepend geluid. De volle spoel van zijn bandrecorder maalde voort tot het einde der elektrische tijden. Een grapje van Trudie. Ze zat aan zijn schrijftafel en had een houten sigarendoos geopend. De inhoud, zwart-witte naaktfoto’s uit Parijs, lagen voor haar uitgespreid. Zodra Arnold overeind kwam, maakte ze zich heupwiegend uit de voeten.

Met de bus reed hij naar de stad. Op de kade stapte hij uit en liep rechtstreeks naar De Zwarte Beer. Hij zat roerloos aan de bar en kende niemand.
De geluidsinstallatie bracht de laatste hit van The Golden Earring, een even middelmatige als hardnekkige Hollandse popgroep. De heren trokken geregeld door het land, vergezeld van een flinke lading groupies: meiden die soms een gitaar of een ongeboren kindje mochten dragen.
De barkeeper haalde de plaat vroegtijdig van de draaitafel. Hij gaf de voorkeur aan Focus, de jammerlijke opvolger van Brainbox. Arnold hoorde het aan. Het gitaarwerk was onverminderd goed, maar het domme gejodel verpestte veel.
Vaag beving hem de notie, dat er een verschil bestaat tussen iemand die elke dag in een kroeg rondhangt en iemand die er na gedane arbeid een bezoek brengt. Twee maanden eerder zou hem niets zijn opgevallen in de Zwarte Beer. Nu voelde hij vervreemding.
Tegen de zijmuur van de uitgaansgelegenheid groeide langzaamaan een berg fietsen. Binnen werden de mensen tegen elkaar geperst. De muziek verergerde met het kwartier: zelfs de trommeltjes van Massada kregen een kans.
Kunnen die lui geen echte instrumenten betalen?
Twee koppen koffie later verliet hij het pand, de bluesboys achter zich latend. En de Kaasbouters. Dit waren lokale langharige jongeren die naar goed voorbeeld van hun soortgenoten in de hoofdstad, onhaalbare plannen lanceerden. Ze gingen langs de huisdeuren om de burgers over te halen hun geld aan het noodlijdende volk van Bangladesh te schenken. De burgers kochten liever een Opel Kadett.

De winkelstraat was op meerdere plaatsen opgebroken. Boven verlaten zandputten zweefde een gaslucht. Arnold beende door een steeg en vervolgde de route via een andere straat met winkels. Plotseling stond hij voor de ingang van Doublecross. Vooruit maar.
Een ontzaglijke herrie spoelde hem zowat weer de straat op. Doorheen het gedreun van The Velvet Underground klaagde de suïcidale stem van Nico. Haar Germaanse accent toonde een depressie, diep als een oceaantrog.
De zwarte ruimte werd min of meer zichtbaar gemaakt met een reeks plafondspots. Tegen een zijwand werden lichtbeelden geprojecteerd van ronddruipende olie in primaire kleuren. Het was alsof zicht werd geboden op het brein van een buitenaards wezen. Groepjes bezoekers zaten op de kubussen. Hun gezichten waren scherp, hun gestalten mager. Het leken wel allemaal popartiesten, kunstenaars, revolutionairen en profeten. Ook hier zag Arnold geen bekenden.
Hij haalde diep adem en baande zich een weg naar de tap. De barman van de vorige keer had dienst. Arnold bestelde een glas thee, wachtte tot hem dit werd toegeschoven en zocht een plaats op het pluche tegen de zijwand. Hij staarde het halfduister in en hoorde hoe een plaat van Redbone werd opgezet. De stereogeluiden vlogen heen en weer.
Over een maand beschik ik over mijn einddiploma. Dan moet ik het leger in.
Hij liet zijn gedachten gaan over deze vervelende situatie. Als hij nu eens een tijdje van de aardbodem verdween en onderdook, zou dan werkelijk de marechaussee verschijnen om hem op te halen?
Wat maakt het uit, die ene soldaat meer of minder?
Het werd onderhand tijd erover na te denken, de gevolgen van iedere stap proberen te overzien. Er moesten toch wegen bestaan om aan het zandhazenbestaan te ontkomen.
Defensie selecteerde de meest capabele jongeren om hen zo nodig de dood in te sturen, terwijl ze natuurlijk juist de kneuzen zouden moeten inzetten: invaliden, gestoorden, junks, criminelen, boerenlullen en bejaarden met een looprek. In een land dat met zekerheid elke militaire confrontatie zal verliezen.

Iemand streek naast hem neer als een gier langszij een kadaver. De vrouw gluurde nadrukkelijk naar hem, schoof een halve meter zijn kant op en boog naar hem toe. Verdomd, het was Jenny, de vriendin van Vincent! Ze zag er nogal aantrekkelijk uit.
Voor hij iets kon vragen, hield zij hem een pakje sigaretten onder de neus. Vuur kwam uit een aansteker die verborgen bleef in haar handpalm. Inderdaad, het was Jenny. Zij geurde naar een muskus houdend parfum.
“Hé, ben jij niet de beroemde Arnold?”
Arnold verstond de vraag ondanks de harde muziek. Veel zin in dit soort gesprekken had hij niet.
Hij keek opzij en riep: “Jenny! Waar is Vincent, ben je alleen?”
Er bestaan gebaren die evenveel uitdrukken als twintig bladzijden tekst. Jenny maakte duidelijk dat Vincent geen enkele belemmering behoefde te zijn.
“Kan ik in dat geval bij je slapen, vannacht?”
Het scheelde weinig, of hij was in lachen uitgebarsten. Wat is er voor nodig om iemand te verjagen en voorgoed van je te vervreemden?
Maar Jenny nam hem aandachtig op. Ze tuitte haar lippen en knikte tamelijk onverschillig.
“We zullen zien”.
Met een tientje van Arnold ging ze drank halen aan de bar. Een gin tonic en voor hem nog een glas thee. Hij keek haar in de rug en voelde aandrang om te vluchten.
Daar was ze alweer, voorzien van de bestelling. Het wisselgeld legde ze in zijn hand.
“Waarom heb jij geen lang haar, zoals iedereen?”
“O, dat”.
Hij dacht even na en wachtte op een adempauze van Rod Stewart die het gitaargeweld van Jeff Beck mocht begeleiden met zijn krakerige stem.
“Ik zit graag bij de kapper. Dat is omdat ik eigenlijk homo ben”.
Zijn antwoord beviel haar wel. Ze dronken hun glazen leeg, keken rond en wisselden een paar algemeenheden uit. Arnold liep naar de wc, min of meer in de hoop dat Jenny bij zijn terugkeer vertrokken zou zijn.
De toiletpot was er verschrikkelijk aan toe. Het leek wel of iemand hier met een bunsenbrander tekeer was gegaan. Zijn blik bleef rusten op een tekst, in de muur gekerfd met een scherp voorwerp.
If you want a cold surprise, pull the chain before you rise.
Het verlichtingspeertje hing aan losse draden. Het leek wel een dodencel.
Toch bleef hij staan tot zijn blaas helemaal leeg was.

Jenny was nog aanwezig, maar bereidde zich voor te vertrekken.
“Nou, kom je nog mee?”
Een beetje onzeker trok Arnold zijn jas aan. Hij besefte dat hij ook kon blijven, dat hiermee het probleem Jenny vanzelf zou verdwijnen. Tegelijk was dit juist, wat hij niet wilde. Op straat vroeg hij plotseling: “Het is toch niet boven De Tsarina?”

Ze beschikte over een fiets, een zwarte Gazelle. Nadat ze het rijwiel had bevrijd van een solide penslot, zwaaiden ze de stad in. Hij zat op de bagagedrager en had geen zeggenschap over richting of snelheid. Er was nog volop daglicht, al wees de klok half tien.
Natuurlijk woonde Jenny niet boven De Tsarina. Ze reden er gewoon langs. Na de spoortunnel en Arnolds schoolgebouw werd de stad wijds. Ze passeerden vrijstaande huizen waarin tv werd gekeken. Het wegdek was een beetje ribbelig, waardoor Arnold trillingen voelde en een erectie kreeg. Hij bood aan van positie te wisselen, maar Jenny gaf geen krimp. Langzaam maar zeker bereikten ze het kunstenaarsdorp waar Jenny had verteld te wonen.
Achter een metalen hek doemden de contouren op van een groot woonhuis. Ze stapten van de fiets, Arnold met een gevoel van verlossing vanwege de krampachtige zithouding.
“Waar zijn we hier?”
“De Eeuwige Laan. Nooit geweest?”
Hier was ruimte en overvloedige duisternis. Hij voelde zich een beetje vreemd. Zijn aanvankelijke bravoure over de gang van zaken was danig ingezakt.
Ze betraden de villa via de garage. Hier stond een zilverkleurige auto te fonkelen. Verder was het opmerkelijk schoon en vrij van rommel.
“Mooie wagen. Van wie?”
“Van mijn vader natuurlijk. Denk je dat ik miljonair ben?”
Ze lachte hoog en kort.
“Kom je?”
“Mijn vader heeft een garagebedrijf”. Het klonk alsof hij een identiteit zocht.
Achter haar aan liep Arnold verder. Waar was hij beland? Waarom had ze hem meegebracht, opgepikt in een konijnenhol als Doublecross?
Een ogenblik vreesde hij de confrontatie met Vincent.

Het interieur was gewoner dan je van buiten af zou vermoeden. Geen dure schilderijen of glimmende vleugel. De gordijnen waren zelfs tamelijk burgerlijk. Op een kastje dat het midden hield tussen oud en antiek stond een fles goedkope wijn. In een verloren hoek hing dan toch nog een merkwaardige tekening, slordig ingelijst.
Arnold ging ervoor staan en liet zich uitleggen dat het een Lucebert betrof. COBRA, zo heette de kunstrichting uit de jaren 50. De kunstenaar woonde gewoon in het dorp.
“Trudie tekent ook op die manier”, merkte Arnold verwonderd op, “ze maakt collages”.
“Wie is Trudie?”
Wat hij ook ging zeggen, het zou altijd klinken als Niemand, dat begreep hij dadelijk.
“Trudie is mijn zusje”.
Toch was hij tevreden gewoon de waarheid te hebben gezegd.
Hierna ging het gesprek over zaken en plannen, de examens waarvan het schriftelijk deel erop zat, over studeren en relaties. Arnold kreeg vagelijk de indruk dat hem de maat werd gemeten. Welk doel dit kon dienen, bleef duister. Hij vertelde over zijn ideeën voor Garage Zwarthoed. Tegelijk proefde hij het risico zijn hand te overspelen, meer te beweren dan hij kon waarmaken. Er was ook van alles dat hij oversloeg en meed. Zoals het geknoei met brommers, de naderende dienstplicht en hoe hij een einde aan zijn relatie met Bertine had gemaakt. Je vraagt je soms af waartoe gesprekken nog dienen.
Het maakte hem bewust van zijn situatie, van mogelijkheden en keuzen die voor de deur stonden. Het was geen avond om verliefd te worden en de kans op seks was nul.

Hij opende zijn mond om een vraag te stellen toen hij op de glastafel voor het bankstel plotseling zijn aansteker zag staan.
Godallemachtig! Mijn Myon!
Zonder na te denken nam hij de aansteker in zijn hand: Click. Click.
“Hoe kom je hieraan?”
“Van Vincent. Heeft hij meegebracht”.
Het enige wat Arnold wilde, was de aansteker bij zich steken.
“En waar had Vincent hem vandaan?”
“Je mag hem best hebben”.
“Hij is al van mij”.
Het klonk zelfs als een fout.
“Toe maar”.
De fout was geregistreerd. Er viel een stilte.
“Zullen we morgen verder praten? Het is laat, ik ben moe”.

Het liefst was hij met een woeste schreeuw dwars door een raam naar buiten gesprongen. Volkomen onnodig had hij prijsgegeven waar hij was geweest: in De Tsarina. En een volgende schok was in aantocht. Bij het verlaten van de woonkamer viel zijn oog op een enveloppe de hij eerder over het hoofd zag. In het voorbijgaan las hij de naam, de achternaam van wie hier woonde: B. Filarski. Onmiddellijk wist hij wie dit was: Barry, de geile huisbaas van Iris; Barry, de eigenaar van De Tsarina. Het leek hem ineens waarschijnlijk dat dit ook de man was die in De Tsarina van de trap stuiterde. Ik stapte over hem heen zonder te kijken.
Arnold kreeg het gevoel in een film van Hitchcock te zijn beland.

Ze sliepen apart. Hierover liet Jenny geen misverstand bestaan. Het was bovendien een groot huis met voldoende ruimte voor een logé. Zij wilde nog douchen. Arnold dronk in de keuken een glas appelsap leeg. Hij wilde weg, ontsnappen aan Jenny en haar vader Barry. Tegelijk was een plotseling vertrek moeilijk uit te leggen en ontbrak het hem aan vervoer.
“Ben je zover?”
Ze toonde hem zijn kamer, het eenpersoonsbed in een sober vertrek. Lichten werden één voor één uitgeschakeld. Arnold lag met geopende ogen onder een vers laken.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.