BLINDGANGER, Hoofdstuk V

| Geen reacties

Hij had aangekondigd met de bus terug te reizen, maar dit was praktisch ondoenlijk.
Bussen reden om het uur of nog minder. De socialisten kraaiden al jaren dat dit anders moest, maar er gebeurde niets.
Jenny reed haar tweedeurs Lancia uit de garage. De deur zakte automatisch in het slot.
Er volgde een soepele rit door de polders. Arnold mijmerde een beetje voor zich uit. Hij begreep dat Jenny wilde zien waar hij woonde. Zijn gedachten sprongen van hot naar her. In zijn broekzak zat de Myon.
Huize Zwarthoed kwam in beeld. Een vrijstaand huis op de hoek van een straat. Niet spectaculair, maar allerminst armoedig. Alle kinderen ontlenen status aan hun ouders, maar wat is hiervan de waarde?
“Ik rij liever mee terug naar de stad”. Hij had geen zin Jenny binnen te vragen.
Ze haalde haar wenkbrauwen op. Het was een redelijk vreemde opmerking nu ze samen voor zijn deur stonden.
“Wat je wilt”.
Ter hoogte van het spoorstation stapte hij alsnog uit. De stalling was open. De Kreidler was onaangeroerd. De rekening bedroeg maar liefst vierendertig gulden.

In de woonkamer hing de vertrouwde geur van lomp meubilair en vloerbedekking, aangevuld met het aroma van een bos oude bloemen. Mevrouw De Zwaan gooide bloemen pas weg wanneer het water in de vaas begon te ruiken. Buiten passeerde een tractor. Het was een aanzwellend en weer langzaam wegstervend ronken. Tevreden dacht Arnold aan zijn brommer in het schuurtje.
Een dorp. Door de week zijn de mensen van huis voor hun werk. In het weekeinde gebeurt er niets. Joost mag weten waarmee men de tijd aan stukken slaat. Toch zijn de mensen tevreden met dit bestaan.
Hij liet de luxaflex ongemoeid en nam plaats in een fauteuil. Zijn gedachten doorkruisten het afgelopen etmaal.
Iris en Jenny hebben beiden iets te maken met het geld van De Tsarina.
Hij voelde een erectie opkomen, de behoefte aan onmiddellijke seks, onverschillig met welke vrouw.
Hij rekte zich uit, overwoog naar zijn kamer te gaan, daar muziek aan te zetten en zich even lekker te laten gaan. Daarna kon je misschien weer helder denken. De nacht in het vreemde huis van Jenny was kort geweest. Maar Arnolds benen bleven liever waar ze waren. Hij wierp een slordige blik op de neergelaten luxaflex, ritste zijn broek los en sloot zijn ogen.
De broek hinderde hem. Hij schoof de pijpen zover naar beneden dat hij feitelijk in zijn ondergoed zat.
“Mag ik meedoen?”
Arnold sperde zijn ogen open.
“Shit. Wat moet jij hier?”
Trudie stapte uit de eikenhouten dekenkist, behuizing van de geesten in haar hoofd.
“Weet je wat ik met Hans heb gedaan?”
Hans was de arrestant uit Huis De Zon. In het onderzoek naar de affaire rond Trudie waren andere malversaties aan het licht gekomen. Zo gaan die dingen en wie kan bogen op een blanco doopceel? Voorlopig was Hans vrijgelaten, zoals de meeste wetschenders in het land. Van rechtszaken kwam naderhand bitter weinig terecht.
“Ik denk, dat ik het niet horen wil. Je lijkt wel de Dood van Pierlala”.
Dit was een historische grappenmaker die de mensen schrik bezorgde door uit een doodkist te herrijzen.
Arnold trachtte zijn kleding in orde te brengen, maar zat in een ongelukkige positie. Trudie streek neer aan zijn voeten, trok de broek behendig nog verder omlaag. Ze zond een dreigende blik omhoog.
“Je moet stilzitten. Anders ga ik bijten”.
Arnold zocht naar woorden, maar het schoot niet erg op.
“En ik kan liegen. Iedereen gelooft mij. Zit stil!”

Steeds massiever kwamen de polders in het groen te staan. Op enkele percelen ontstonden heftige kleurenvelden. Hier werden tulpen gekweekt. Seizoenwerkers en kinderen stonden dagenlang in gekromde houding. Ze vulden manden op een stalen pin met de afgebroken bloemkoppen. Het was zwaar werk en leverde weinig loon op. Zo zag het leven eruit van plattelands jongens, aan het werk bij hun vader of buurman. Ineens waren alle velden weer groen.

Arnold zat in zijn kamer. Hij bestudeerde uittreksels van Engelse literatuur, dronk een fles chocomel leeg en schoot elastiekjes naar het plafond. Tenslotte trok hij zijn jas aan en verliet de woning. Met bus en taxi reisde hij naar de examenlokalen. Het mondelinge deel begon.
Een grote wandklok gaf nauwkeurig aan wanneer je tijd gekomen was.
“Vous êtes un sadiste vous-même?”
Weinig mensen doorzien hoeveel waarheid er in grappen schuilt. Het lezen van Justine en de wilde spelletjes met Iris hadden weldegelijk hun uitwerking op hem gehad.
“Il me manque d’un château”.
De examinator lachte. Markies De Sade in Kaaskoppenland was een zeldzaamheid.
Arnold vertelde over het ingestorte kasteel van de ongelukkige bajesklant. Tijdens een zomervakantie had hij er zijn boterhammen gegeten zonder te weten wie er had gewoond. Zijn Frans was gebrekkig, maar het verhaal maakte veel goed.
De examinator voor handelsvakken kwam uit het zakenleven. Het was een man op leeftijd, beleefd en op afstand. Of een leerling slaagde of zakte, liet hem onverschillig. Je had kennis opgestoken of niet.
“Als u een ondernemingsvorm moest kiezen, waar zou uw voorkeur naar uitgaan?”
“Doe mij maar de BV. Scheiding van privékapitaal en bedrijfsgeld. Je gaat failliet en blijft rustig in je landhuis wonen”.
“Wel eens op de gedachte gekomen, dat u hiermee de samenleving benadeelt?“
“Dan moet de samenleving de regels maar veranderen”.
De examinator knikte instemmend. Leven naar de regels. Zo was het maar net.
Een vrouw met een knot haar achterop haar hoofd legde de kaart van Europa onder Arnolds neus en liet hem wat plaatsnamen en rivieren opsommen. Een kind kon de was doen, maar dit veranderde zodra je achter het IJzeren Gordijn belandde. Om het belang van de Koude Oorlog aan te tonen, legde zij een tweede kaart neer. Deze stamde uit 1925. Met andere landsgrenzen, maar natuurlijk met dezelfde steden, gebergten en meren: Duitsland zoals het ooit was geweest.
“Niets is voor de eeuwigheid jongeman, denk daaraan”.
Les krijgen op je examen, zo hoort het eigenlijk. Hoewel.
“Wat vind jij van de oorlog in Vietnam?”
Arnold zat tegenover een man met tamelijk lange piekharen en een uilenbril. Naast hem zat een klerk die plussen en minnen mocht noteren.
“Ik vind elke oorlog onzinnig, maar het moorden ligt in de aard van de mensen.”
“Dus jij denkt, dat ik ook iemand zou kunnen ombrengen?”
De afkeer was onmiddellijk en onherstelbaar.
“Die vraag mag u zelf beantwoorden”. Arnold deed zijn best.
De klerk tikte op tafel. De man had dus weldegelijk een functie.
“Waar gaat de oorlog in Vietnam volgens jou over?”
Volgens jou. Dus jij denkt.
Arnold voelde zich belaagd. Hij wierp een blik op zijn ondervrager, een man met invloed op de verstrekking van diploma’s. Hij voelde weerzin en opstandigheid.
“Over macht, grondstoffen en afzetgebieden. En geld. Alles gaat altijd over geld”.
En over kronkels in geschifte koppen, over gekken en dwazen, ze schrijven hun namen op deuren en glazen.
De klerk noteerde een plusteken.
“Zeg eens Zwarthoed, welke ontwikkelingen zie jij in Afrika?”
Afrika, de continentale revolvertas. Al vanaf de maan kun je zien wat je hier te wachten staat: altijd en overal honger en oorlog.
“De blanken trekken weg”.
“Precies. Is dat geen mooie ontwikkeling na eeuwen van kolonialisme?”
Hoe kon Arnold weten, dat het voorkauwen van de socialistische waarheid in de komende decennia een trend zou worden die geen tegenspraak duldde?
“Er komt niets van die landen terecht”.
“O nee? Hoe kom je aan die wijsheid?”
“Arabieren en negers vinden geen enkele machine uit”.
De examinator was verbijsterd.

De Inquisitie zetelde op een podium in een gymzaal. Zwarthoed was de laatste naam volgens het alfabet. Een ogenblik verkeerde hij in spanning, was scholier onder scholieren. Hierna volgde de bekendmaking van de resultaten. Natuurlijk was Arnold geslaagd. Hij mocht er trots op zijn, zei de voorzitter, maar de behaalde cijfers lieten Arnold koud. Zodra hij zijn diploma had opgerold, verliet hij gehaast het gebouw, holde langs De Tsarina naar het station en plofte neer in een taxi.
“Naar het CBR! Ik moet over een kwartier afrijden!”.
“Ook goede middag”.
De taxichauffeur kon er wel om lachen, zijn wereld was vol van auto. Hij reed weg, drukte de Mercedes overal tussen, stak zelfs een middelvinger op naar een andere weggebruiker.
“Soms doe ik alsof ik mijn ex ga platrijden”, zei hij ineens, “dat houdt me bij de les”.
Hij aanvaardde een Craven van zijn passagier, stak de sigaret achter zijn oor en trommelde op zijn stuur.
“Denk er straks om dat je bij het afslaan een beetje overdreven met je hoofd draait. Daar zijn ze dol op, bij het CBR. En spreek nooit iemand tegen”.

Monteur Johan had hem goede instructies gegeven. Het verkeer is geen kermisattractie zonder risico’s. Arnold stuurde en remde nauwkeurig en ingehouden. Achteruit inparkeren had hij uitentreuren geoefend op het terrein van Garage Zwarthoed. De examinator wist wie hij was en had een verrassing: ze stopten eerder dan gewoonlijk en omdat Arnold net zijn middelbare schooldiploma had behaald, kon hij met enig wachten gelijk zijn rijbewijs meekrijgen. Zo zou de ambtenarij vaker moeten werken.

De brug over het kanaal stond open en toonde een eeuwenoude grens tussen stad en land. Ooit hadden de Spanjaarden hier vergeefs hun tenten opgeslagen, elkaar wijsmakend dat ze de stad zouden innemen, de voedselvoorraad opvreten en de vrouwen verkrachten. Juist deze vrouwen zouden met succes weerstand bieden.
Langzaam schoven vier of vijf binnenvaartschepen, beladen met zand en betonnen palen, door het water. Hun vlaggetjes wapperden dapper in de wind. Arnold zat uitgeput in de bus en keek naar niets.
Twee diploma’s op één enkele dag. Wanneer al je dagen er zo uitzagen, was je binnen het jaar dood.

Afsluiting van de opleiding vond plaats in meerdere etappes. De directeur hield een redevoering. Hij verwees naar het toenemend fenomeen van het spijbelen. Hier moest maar eens een conferentie aan worden besteed.
Nu de laatste lichting van de aloude HBS verdween, was dit een uitgelezen moment de naam van de school te wijzigen. Een rechthoekige plaquette werd ter illustratie opgestoken. Jan Steen College. Het moest een moment van feestelijkheid uitbeelden, maar het bord had geen enkele uitstraling en de woorden van de directeur klonken hol.
Dezelfde avond speelde een gelegenheidsband in het Stadstheater. De stoelen waren weggehaald om ruimte te maken voor een dansvloer. Arnold had Gerben uit zijn kampeer hut gebeld. Ze stonden met een biertje in de hand te zwijgen. Bassist en drummer beukten erop los. Solidariteit kan alleen bestaan tussen mensen die elkaar werkelijk respecteren. Vanavond voelde Arnold eerder medelijden. Langzaam maar zeker daalde een grauwsluier neer over zijn binnenste. Wegens Gerben, die precies wist wat de drummer verkeerd deed. Ook voelde hij een plotselinge behoefte aan het gezelschap van Iris. Hij wilde haar bezitten en berijden, de beest uithangen.
Hij liet Gerben staan, begaf zich naar de bar en goot maar liefst drie glazen pils naar binnen. Een jongen met een beginnend baardje keek zijn kant uit. Arnold herkende een eerder nauwelijks opgemerkte klasgenoot. Een naam wilde hem niet te binnen schieten. Vanaf een afstand hieven ze de glazen. Primaten van een verschillende soort, toevallig bijeengebracht in een dierentuin.
De laatste etappe was de aardigste. Eten met het gezin Zwarthoed in restaurant De Olifant, gevestigd aan het marktplein. Trudie mocht de kelner vertellen wat er op tafel kwam. Arnold keurde de wijn, een mooie Sauvignon. Ze aten biefstuk met pepersaus. Voor Trudie was er ijs met een uitvouwbare parasol erboven. Het leven is goed voor het nestje van een garagehouder met politieke ambities.
Na de maaltijd was er een geweldig cadeau voor Arnold: De BMW van Pa Zwarthoed, beschikbaar met onmiddellijke ingang.
“Doe wel rustig aan, want deze auto straft wangedrag genadeloos af”.

Slapen in tevredenheid, zonder spanningen. Als een kind.

Zomaar midden op de dag rinkelde de telefoon. Aan de lijn was Jenny. Arnold begaf zich naar de woonkamer. Hier was mevrouw De Zwaan bezig met een scherp ruikende was om meubels in te zepen. Elk woord dat hij sprak, kon zij verstaan en ze deed geen moeite zich hieraan te onttrekken.
“Arnold Zwarthoed”
“Met Jenny. Kun je vanmiddag langskomen?”
“Ik ben aan het werk”. Mevrouw De Zwaan trok een gezicht.
“Vanavond dan, acht uur?”
“Ik wil naar De Wrekers kijken”. Een belangwekkende Engelse politieserie.
“Dan doe je dat toch bij ons”.
Het klonk badinerend, om niet te zeggen bevelend. De stilte duurde Jenny zeker te lang, want ze vervolgde:
“Wij moeten eens praten”.
“Als jij het zegt”.
“Ik heb geen vrienden die een enkele keer langskomen en dan in het niets verdwijnen”.
Arnold zweeg, hij kreeg zin de hoorn op de haak te gooien.
“En ik moet je waarschuwen. Je hebt vijanden”.
“Dat heb ik vaker gehoord. Het komt omdat ik mijn eigen pad volg”.
“Zoals in De Tsarina, zeker?”
Arnold schraapte langzaam zijn keel, zag in zijn ooghoek dat de werkster meeluisterde.
Het gaat over De Myon.
“Wat wil je van mij?”
Er volgde een korte stilte.
“Dat bespreken we vanavond wel”.
De verbinding werd verbroken.
Terugbellen kon niet, Arnold had geen telefoonnummer van Jenny. Zelfs het precieze woonadres was hem ontschoten. Hij gaf mevrouw De Zwaan een snauw en ging in zijn kamer luide muziek afspelen om haar te pesten.

Tijd is een fantoom waarvan alleen de mens zich bewust is. Er zijn klokken en kalenders uitgevonden om orde en regelmaat te scheppen. En om aan anderen je wil op te leggen.
Voor de dieren wordt het licht en dan weer donker, dat is alles.

Arnold onderging de middag in een luchtledige vrede. Hij sliep anderhalf uur lang, zijn zwetende hoofd in het donker onder het kussen, pas gewekt door de tinkelende bel van de SRV wagen in de straat.
Hij gaapte luidruchtig en opende het venster om verse lucht binnen te laten. Zijn hand ging over het aluminium schaalmodel van de bommenwerper . Er waren allang nieuwe typen in gebruik, zoals de F 111 met inklapbare deltavleugel. En ook hiervan waren de eerste exemplaren alweer neergehaald door de vijand. Een technisch hoogontwikkelde superstaat ploeterde voort tegen een mierenleger op bamboesandalen.

Hij liep de trap af, schonk zich een glas melk in, pakte een lege kartonnen doos, keerde terug naar zijn kamer en zuchtte. De school was gedaan. Hieraan moest hij nog wennen.
Boeken en schriften, werkstukken, aantekeningen, spieklijsten en multomappen vulden de vloer van zijn kamer. Een week eerder waren ze van levensbelang. Arnold stouwde alles nauwkeurig in de kartonnen doos. Ook oude agenda’s ondergingen dit lot. Hij wierp een laatste blik in de dummy. Wat moet ik met die troep?
Binnen twintig minuten stond vijf jaar schoolgang bij de huisvuilzakken aan de stoep.

Het avondeten bestond uit tomatensoep (blikvoer, te herkennen aan de bleke balletjes), andijviestamp met gehakt (te droog, geen eidooier en broodkruim aan het vlees toegevoegd), vla toe (uit een fles). Meneer De Zwaan at vandaag ook mee. Gelukkig hield de man zijn mond aan tafel, want wat kan een kippenslachter te melden hebben?
Tijdens de maaltijd bestudeerde Arnold de ruwe werkman handen.
Moeten al die kippen stuk voor stuk aantreden om zich de nek te laten omdraaien?
Ze waren vlug klaar. De tv ging aan vanwege een voetbalwedstrijd. Bij De Zwaan thuis hadden ze nog geen beeldbuis. Een maatregel om de kinderen te dwingen hun huiswerk te maken. De Zwaantjes begrepen dat sommigen moeten klimmen om bij de bananen te kunnen en je mocht er waardering voor hebben.
Voor het voetballen kon beginnen, was er een gezellige aflevering van Op Losse Groeven. Nico Haak trad op. Nico kon zich beter voor een trein werpen.

Arnold maakte zich gereed voor vertrek. Buiten het zicht van zijn huisgenoten trok hij andere kleding aan. Een blauwgrijs trainingspak zonder strepen, letters, cijfers, vlaggen of ander geschreeuw, zwarte sportschoenen van Puma. Jenny dacht hem te kunnen intimideren? Dan werd het tijd dat ze een andere Arnold voor haar neus kreeg dan de scholier die nog examen moest doen. Sigaretten en drie biljetten van vijfentwintig in de binnenzak. De Myon als vanouds in de broekzak. Onderaan de trap stond Trudie.
“Naar welke meid ga je?”
“Kun je een geheim bewaren?”
Niets leuker dan geheimen.
“Ze heet Jenny”.
“Je bent bang van haar. Ik zie het. Wacht!”
Arnold wachtte. Geluiden van de tv in de woonkamer beloofden weinig gunstigs voor de avond. Trudie was terug.
“Neem dit mee”.
Arnold nam een houten voorwerpje aan, smal, langwerpig, licht gekromd.
“Wat is het?”
“Een pennenmes. Vlijmscherp!”
Inderdaad, een simpele schuifbeweging leverde een scherp stalen mesje op, mogelijk ontworpen om fruit te schillen.
“Als ik jou niet had”. Arnold kuste zijn zus op haar voorhoofd.

Garage Zwarthoed was nog open.
“Ik wilde juist afsluiten”. Het klonk afgemeten.
“Misschien kun je mijn auto even aftanken”.
Hij bekeek de leerling monteur, nam hem de maat.
“Kun je het niet zelf doen?”
Arnold slikte.
“Dat kan wel, maar ik wil dat jij het doet”.
De jongen zuchtte.
“Als je tenminste komende week hier nog wilt werken”.
Hij volgde een minuutlang de bewegingen van de jongen, misschien even oud als hijzelf.
Iemand die doet wat de baas hem opdraagt in ruil voor een bescheiden loon en de zekerheid de volgende dag weer terug te kunnen komen. En dan toch onvrede opbouwen, op ieder geschikt moment bereid zijn een grote mond op te zetten.
Geen moment kwam het bij Arnold op dat hij zelf in zo’n positie kon geraken, zich zou moeten laten voorschrijven wat hij deed of normaal diende te vinden.

De zescilinder gromde onder de motorkap. Arnold overzag het dashboard met de vele meters en knoppen. Daar zat hij, in de BMW van zijn vader. Een volwassen wagen.
Op de wegen was het stil. De mensen zaten te eten of keken naar hun beeldbuis.
Hij koos de Provinciale Weg, liet een lifter staan en joeg de donkerblauwe coupé tot honderd en veertig in het uur. Twee dorpen suisden van toekomst naar verleden. Hij passeerde stolpen en huizen, een kerk zonder torenspits en eindeloze rietkragen langs breed water.
Op de stadskade was meer verkeer. Arnold speelde met de pedalen. In zijn spiegel zag hij een politiewagen achter zich. Hij wachtte ongeduldig tot een voetganger was overgestoken.
De tocht ging langs het station, voorbij De Tsarina waar fietsen tegen het hek klonterden alsof er nooit iets veranderde. Arnold dacht aan het geld in de rugzak.

Hij draaide de Eeuwige Laan op, passeerde een aantal huizen en volgde een bocht. Dit moest het huis zijn waar Jenny woonde. Hij was te vroeg om aan te bellen.
Langzaam reed hij door naar een plek vanwaar hij het strand kon zien. Hij stapte uit en begon aan een korte wandeling door de duinen. Lopend kan een mens goed nadenken. Dit komt omdat we ooit op de savanne leefden, bezig met het verschalken van een prooi of het ontwijken van een roofdier.
Het telefoontje van Jenny zat hem niet lekker. Wachtte hem een onaangename confrontatie met geweld en dergelijke? Iemand was toch een kapitaal kwijt en zou het er niet bij laten zitten. Van Pino had je weinig te duchten, maar wat wanneer hij hulptroepen wist in te schakelen? Je moet een ander nooit onderschatten.
Steeds meer ook was ervan overtuigd dat Jenny hem met opzet de Myon had laten zien.

Hij maakte rechtsomkeert en liep een beetje haastig terug. De drang tijdig op een afspraak te verschijnen, zit diep verankerd in de opvoeding. Juist wilde hij de weg oversteken, toen hij iets opmerkte.
Uit oostelijke richting naderde een oranje sportauto. Deze reed tamelijk langzaam hoewel hiertoe geen reden was aan te wijzen. Arnold voelde argwaan. Was hij gezien en gevolgd? Met de zon in zijn rug was het eenvoudig vast te stellen dat er meerdere mensen in zaten. Instinctief deed hij een paar stappen terug. Tegen een ploegje in een verlaten duingebied was je kansloos. Snel dook hij achter een struik.
De wagen werd bestuurd door een oudere man. Naast hem zat zowaar Pino, de Italiaan. Achterin nog twee mensen waaronder een kerel met een kaalgeschoren hoofd. De vierde kon hij niet goed zien. Geen van hen toonde belangstelling voor Arnold of de BMW aan de overkant van de straat. De auto reed gewoon door.
Het tafereel beviel Arnold desondanks allerminst. Hij wachtte tot de wagen uit het zicht was, stapte snel in zijn eigen auto en reed weg. Het was duidelijk dat de anderen vroeg of laat via deze weg terugkwamen: de zee maakt een einde aan iedere rit naar het westen.
Terug in het dorp passeerde hij de villa opnieuw en zag impulsief af van het bezoek. Waarom zou hij Jenny gehoorzamen? Zonder duidelijk plan reed hij terug naar de stad. Achter de spoortunnel parkeerde hij en ging te voet naar De Tsarina. Vincent kon hier onmogelijk zijn. Achter de tap stond Iris.

In de voormalige paardenstal met betonnen vloer hing een onrustige sfeer. Dit lag aan twee flipperkasten die kennelijk recent waren opgesteld. Het waren machines die constant lichtflitsen en geluidssignalen uitzonden om de klanten het weinige geld uit de zak te kloppen.
“Daar ben ik dan. Doe mij een flesje cola”.
Iris had een seconde nodig om Arnold te herkennen. Een sportieve outfit zag je zelden in De Tsarina. De vaste klanten droegen wekenlang dezelfde vodden van ribstof en rafelkatoen, gehakte laarzen, sjaaltjes en stukgewassen overhemden.
“Wat doe jij in vredesnaam hier?”
De vraag weerkaatste in de spiegel achter de tap en bleef onbeantwoord.
“Ik kom overal waar wat te beleven valt”.
“Vincent is weg”.
“Des te beter. Ik heb geen verkering met hem”.
Arnold glimlachte poeslief en haalde zijn sigaretten tevoorschijn.
“Wat valt er te lachen?”
“Vincent is op bezoek bij Jenny. Ze hebben de gordijnen dichtgetrokken”.
Het antwoord kwam sneller dan hij had gedacht.
“Ik heb niets met hem, als je dat mocht denken”.
Hij nam een sigaret, stak het doosje weg en haalde zijn aansteker tevoorschijn om zichzelf vuur te geven. Zijn ogen volgden elke beweging die zij maakte.
“Heb je gebruikt?”
“Wat?”
“Coke. Bandenlijm. Cakemeel. Weet ik het”.
“Dat gaat jou niets aan”.
Hij wachtte even, haalde diep adem en voelde hoe zijn lichaam naar seks verlangde.
“Verdient het nog wat, hier?”
Het zien van haar handen, de bewegingen van haar lichaam, haar stem, alles wekte begeerte in hem op. Of misschien was het meer een van wellust doordrenkte behoefte Iris te onderwerpen.
“Ik pas alleen maar een paar uurtjes op. Ik hoef niet overal geld voor te krijgen”.
Nee, maar een grammetje smack gaat er wel in.
“Je bent te goed voor deze wereld. Het probleem is dat je daar niet ver mee komt”.
Ze schoof hem de cola toe.
“Je lijkt wel gek hier te komen. Er zijn mensen die meer over jou weten dan jij denkt”
Arnold lachte ongemakkelijk. Het klonk meer als een soort sissen. Hij schoof twee krukken op om dichter bij zijn gespreksgenoot te zijn. En om op die manier te voorkomen dat anderen konden meeluisteren.
“Moet je horen”.
Hij wenkte samenzweerderig met zijn hoofd. Werkelijk, Iris kwam naderbij. Een gevoel van sensatie kwam in hem op. Met het buitgemaakte geld zou hij haar verslaving eindeloos kunnen betalen, haar hiermee aan zich binden en afhankelijk maken.
“Misschien kom ik hier binnenkort als deurwaarder. Dan leg ik Vincent een exploot voor, allemachtig, een exploot! En weet je waarvoor? Omdat meneer huurachterstand heeft!”
“En hoe kom je aan die wijsheid?”
Verdomme. Iris was bijdehand vandaag. Arnold besefte dat hij zijn hand overspeelde. Hij kon moeilijk toegeven dat hij dit op de bovenetage had gelezen.
“Dat weet ik van de huurbaas, iemand die er alles van weet”.
Ongemerkt haalde hij opgelucht adem. Een gevaar was afgewend.
Lang duurde zijn gevoel van triomf niet.
“Heeft Barry je dat verteld? Ik kan het nauwelijks geloven”.
Arnold deed of hij niets wilde toegeven.
“Ik snap het al. Jenny natuurlijk. Kijk maar uit met dat rotwijf”.
Arnold keek dom.
“Ze wordt je ondergang nog”.
Iris boog naar hem toe, soepel en niet langer dan een paar seconden. Haar woorden kwamen aan als de uithaal van een kat.
“Een raadseltje voor jou. Het staat voor een raam en durft niet te springen”.
Arnold had geen antwoord. Het leek of hij tegen elektriciteitsdraad werd gedrukt.
“Ik heb je gezien, Arnold. Maar geen nood: niemand hoeft het te weten”.
Arnold kon geen woord uitbrengen. Zijn hart sloeg een paar keer over. De film van zijn nachtelijk bezoek aan De Tsarina raasde door zijn hoofd.
Iris lachte raadselachtig als de Mona Lisa. Het werd nog erger.
“Wat ga je doen, met al dat geld?”
Arnold raapte zijn moed weer bijeen.
“Iris. Ik weet niet waar je het over hebt”.
Het klonk leugenachtig en hij wist het.
“Misschien kun je ook eens aan mij denken. Ik ben immers jouw liefste vriendin?”
“Al had ik geld, dan nog ga ik je verkeerde gewoonten niet bevorderen. Je zegt het zelf: omdat je mijn meisje bent”.
“Lieve domme Arnold”.
Ze verliet haar vesting, bracht drie glazen frisdrank en een kop koffie weg.
Onrustig keek hij om zich heen en bezag het koffiehuis met andere ogen. Hier was iets gaande waarvan hij eerder geen vermoeden had. Welke rol speelde Iris daarin?
Zijn blik bleef een ogenblik hangen bij het venster waar hij binnen gekomen.
Daar was ze weer. Ze was weer ernstig, min of meer.
“Ik zeg toch, dat het onder ons blijft?”
“Dat is je geraden”.
“Je snapt wel dat je het niet kunt houden”.
Verder praten werd lastig. Nieuw volk waaide de zaak binnen.”
“Je liet je aansteker liggen, domkop”.
Aan alle twijfel over dit stukje van de geschiedenis was nu een einde gekomen.
“Ben je al met die hoer naar bed geweest?”
Ontmaskering is moeilijk te verdragen. Boos sloeg hij terug.
“Er is niets gebeurd. Net als tussen jou en Barry”.
De vermaakskasten van De Tsarina kregen de beoogde klandizie. Een overjarige jongeman, voorzien van een ringbaardje, vatte een flippermachine aan en betastte de zijkanten alsof het om de heupen van een vrouw ging. Met veel kabaal joeg hij een balletje in het doolhof van stangen en veren. Arnold wilde de vrede herstellen. Daarbij was het mogelijk, dat Iris nog meer dingen wist.
“Ik ben maagdelijk, al heb ik inderdaad een keer in de villa geslapen. Ik wil immers alleen maar bij jou zijn”.
Hij wees met een wijsvinger naar zijn lippen, legde een tientje neer en gleed de straat op.

Vanuit de telefooncel bij het spoorstation belde hij naar het kunstenaarsdorp.
“Ha, die Jenny!”
“Waar blijf je toch?”
“Is het gezellig met Vincent?”
Stilte.
Het initiatief houden. Onafhankelijkheid is een goede vriend.
“Ik blijf maar beter weg. De groeten aan Pino en de anderen. Het is goed gezelschap”.
Hij gooide de hoorn erop. Jenny zag maar wat ze deed met zijn opmerkingen.
Terug in zijn auto besloot hij de stad te doorkruisen. Het zoemen van de 6 cilinder klonk hem geruststellend in de oren. Monotonie is een prima basis om te dromen.
Tenslotte parkeerde hij opnieuw en streek neer in het Turkse koffiehuis. Krachtkoffie werd opgediend in piepkleine kopjes. Vreemde muziek zonder kop of staart jengelde zachtjes voort. Er zaten zes of zeven klanten. Allemaal Turken. Ooit kwamen de eersten om te werken bij Hoogovens en in andere fabrieken. Niemand scheen te bedenken dat de mensen een leven en familie hadden. Binnen tien jaar was de werkploeg uitgegroeid tot een heuse kolonie. De mannen speelden met steentjes in een kartonnen doos. Van de taal verstond Arnold geen woord. Gewoon contact leek uitgesloten.

In een opwelling belde hij Bertine. Misschien zocht hij naar een vaste waarde, iets uit het bekende verleden, veiligheid vooral. De telefoon werd opgenomen. Bertine vertegenwoordigde een andere wereld, die van poldermolens en gezond verstand.
“Joehoe, hallo”.
“Hoi, met mij”.
“Arnold?”
“De enige echte”.
Na vijftien seconden wist hij alsnog waarom hij met haar had gebroken. Op de achtergrond klonk geroezemoes van stemmen. Jongelui zaten daarginder gezellig bijeen. De hele groep ging naar de avondfilm.
“Welke?”
“Midnight Cowboy”.
Die film bestond al een paar jaar en draaide eindelijk in de Harmonie. Het Amerikaanse verhaal van een overmoedige, onwetende boerenkinkel die het in de stad denkt te maken als dekhengst en uiteraard in onwaarschijnlijke problemen belandt.
“Ga je ook mee?”
Hij vroeg zich af waarom ze dit vroeg. Waarschijnlijk betekende het niets.
“Ik heb hem al gezien. Zullen we een andere keer afspreken?”
“Gaan we dan iets leuks doen?”
“Natuurlijk. Maar alleen jij en ik”.
Zo je voorwaarden te stellen, betekent de ondergang van elke relatie.
Ze beëindigden het gesprek.

Door een oude stad is het prettig lopen. Vooral in dat typische avondlicht. De hemel is helder en lichtblauw. Brede straten bieden een prettig lome indruk. De smallere daarentegen voeren al een latente strijd tegen het opkruipende duister. Deuren en kozijnen tonen er hun sleetse armoede in strijklicht.
Arnold voelde aandrang eens flink te wateren. Helaas, het leek wel of om de 50 meter iemand was neergezet om hem dit te verhinderen.
De gracht waarlangs hij slenterde, weerspiegelde de huizen als het brokkelig gebit van een zwerver. De versleten straatsteentjes, schots en scheef verzakt, versterkten het beeld. Hij bereikte een brug, stak het water over, zakte af naar de hoerenstraat. Veel onderstukken van de huizen bevatten hier opslagloodsen. Ook waren er twee voormalige buurtwinkeltjes. De etalageruiten waren dichtgetimmerd met planken en schotten, waarop reclameposters, verkiezingsleuzen en aankondigingen van popconcerten waren geplakt. Op hogere etages werd hier en daar nog gewoond. Bewoners hadden spiegeltjes opgehangen om de straat te kunnen overzien. Hier te wonen, jaar in jaar uit. Langzaam verschuift het beeld en verandert de wereld. Op een dag worden je ramen ingegooid omdat je naar iemand kijkt en deze persoon zich vanuit een andere cultuur bedreigd voelt.

In het portaal van de Ragebol lag een berg jassen. Arnold stapte er overheen, betrad het café van diepe treurnis en begroette enkele klasgenoten met wie hij examen had gedaan.
“We hadden het juist over jou”.
“Iedereen heeft het over mij. Wat moeten jullie hier?”
Nooit eerder had hij iemand van dit gezelschap in de Ragebol gezien.
“Dat jij hier zo vaak rondhing en toch een diploma haalde”.
“Ik studeerde aan deze tafels, wat dacht je? Thuis was dat onmogelijk. Het waren barre tijden.”
Ze namen een biertje ondanks het tapverbod. En nog eentje. De geluidsboxen buffelden muziek van de Rolling Stones omlaag. De overleden Brian Jones was opgevolgd door Mick Taylor, maar leek weinig gelukkig met zijn ondergeschikte rol.
“Wat gaan we na de zomer doen, heren?”
Belangstelling voor de ander tonen, is het beproefde middel om van onderwerp te veranderen. Mensen praten bij voorkeur over zichzelf.
Studeren was het parool. Psychologie, sociale academie, pedagogiek. Iedereen had zich al ingeschreven bij een universiteit of hogeschool. Anke, een onzichtbare vrouw met een kinderlijke vlecht, noemde theologie. Arnold knikte bemoedigend.
“Een uitstekend voornemen. Elke dag zes uur bidden?”
Het is een kunst sarcastisch te zijn en desondanks neutraal te klinken. Arnold zag het gezelschap liever gaan.
“Nou ja zeg. Je hoeft helemaal niet gelovig te zijn om theologie te kiezen”.
“Ik ben atheïst. Ik zoek niet naar zwarte katten in een donkere kelder”.
“Iedereen gelooft toch wel ergens in”.
Arnold lichtte de kaartenbak van zijn geheugen door. Hoe had zijn vader het ooit opgelost toen hem als liberaal naar zijn godsbesef werd gevraagd?
“Anke, ik weet het alweer. De vraag is eigenlijk, of ik in wonderen geloof”.
Ze lachte. Verdomd, ze kon lachen.
“Nou, dat zit zo. Wonderen staan in de Bijbel. Dat is heel goed, want dan kun je nog eens nalezen hoe het ook weer precies zat. Zestienhonderd jaar geleden. Opgeschreven toen Jezus al vierhonderd jaar dood was”.
Zijn laatste, tamelijk venijnige woorden waren bedoeld om de aangekondigde studie belachelijk te maken, maar Anke knikte alsof ze een interessante stelling had gehoord.
“Het blijft een mysterie”.
“Dat hoop ik wel”.
Arnold werd melig en haatte zichzelf. Hij dacht aan Iris en wat zij van hem kon weten. Moest hij helemaal tot middernacht op haar wachten, zichzelf in dit uitzichtloze geouwehoer handhaven?
“Sorry, wat zei je?”
“Waar jij heen gaat”.
“Eerst naar de pisbak, vervolgens naar de hoeren in de straat hierachter en tenslotte naar de verdommenis”.
Anke bleek een beetje hardnekkig. Ze negeerde zijn negatieve opsomming volkomen.
“Jij had tenslotte de beste uitslag van ons allemaal”.
“Als je het wilt weten: ik word monteur of autocoureur. Mijn schoolboeken zijn al meegegeven als oud-papier”.
“Je gaat toch wel studeren? Met jouw cijfers!”
Daar had je het weer: studeren. In dit café voor losgeslagen jongeren klonk het als vloeken. Arnold merkte dat hij transpireerde.
“Niets is wat het lijkt, Anke. Op het examen heb ik alle sommen uitgerekend met een elektronische calculator. Mijn geweldige cijferlijst komt dus ten dele uit een zakrekenaar van Texas Instruments!
”Ga weg! Daar trap ik niet in. Een rekenmachine? Dat is fraude!”.
Hij legde zijn hand zonder bierglas even op haar onderarm. De arm werd niet teruggetrokken.
“Denk nog maar eens aan mij terug als je eenmaal theologie studeert. Theologie is namelijk de leer van de fraude. Godsdienst is opium. De Paus is een Maffiabaas!”
Hij schoot in de lach om zijn eigen vondst: de Paus als hoofd van de Maffia.
Ze lachte een beetje besmuikt mee en wist niet meer wat te zeggen. Arnolds vingers kneedden zacht haar arm, als een slager die voelt of de rosbief gaar is.
“Zeg Anke, waar gaan we het nu eindelijk doen?”

Hij waadde door de menigte om bij de toiletten te geraken. Sinds jaar en dag kon hier geen deur in het slot. Je stond als het ware achter een schot te pissen. Hij leunde met één hand tegen de volgekladde muur, liet zich leegstromen en spuugde omstandig in de pot.
Het hoofd van Patrick verscheen. Kennelijk was hij Arnold gevolgd.
“Wat zie jij eruit Zwarthoed, gaat het wel?”
“Anke heeft me daarnet afgewezen”.
Verdomd, de waterkraan deed het nog.
“Er wordt over je gepraat”.
“Daar is een café voor”.
“Je hebt wel lef”.
Het klonk bezorgd, maar Arnold was op zijn hoede.
“Wat wil je zeggen?”
“We zouden samen dit café kunnen kopen”.
Arnold voelde aan het pennenmes van Trudie in zijn zak. Was dit een provocatie? Stonden er drie criminelen te wachten om hem in elkaar te slaan?
Hij wapperde met zijn natte handen en probeerde niet in lachen uit te barsten.
“Luister Patrick. Ik weet werkelijk niet waarover je bazelt”.
“Het gaat misschien niet om wat er werkelijk is gebeurd in De Tsarina, maar om wat er wordt rondverteld”.
“Van rondverteld geld kun je zelfs de Ragebol niet kopen. Flikker toch op”.

Het was een mooie gelegenheid het café via de zijdeur te verlaten. Nooit eerder had Arnold deze uitgang opgemerkt. Hij herinnerde zich een eerdere onnavolgbare aftocht van bezoekers.
Buiten was het donker voor zover een stad ooit donker wordt. Hier en daar hing een lantaarn, opgehangen aan kabels tussen panden en palen, net hoe het uitkwam. De meeste lampen werkten niet.
Hij voelde zich een beetje draaierig, een kwestie van te weinig eten en een ongerust gemoed wegens de toespraak van Patrick.
Opnieuw verlangde hij naar een gewone plattelandskroeg, met boeren en een biljart.
Hierover dacht hij na, almaar voortlopend tot aan de Grote Kerk. Afgemat betrad hij de reddeloze Zwarte Beer. Aan de bar zat Gerben.
Zomaar zitten, minuten lang. Zonder dat iemand je iets vraagt, zonder verplichtingen. In de asbak liggen twintig peuken. Nergens aan denken. Ophouden te bestaan.
De barman werd bijgestaan door een mollig meisje met zwart, kortgeknipt haar. Arnold volgde haar met toenemende belangstelling en stootte zijn voormalige spijbelmakker aan.
“Wie is dat, ken je haar?”
Zulke vragen kon je aan Gerben kwijt. Intussen kon Arnold de situatie met Patrick herkauwen.
“Ze heet Miriam”.
De intonatie verraadde dat Gerben al had kennis gemaakt.
“Kan Miriam ook tosti’s maken?”
De vraag was minder triviaal dan je zou denken. Horecapersoneel stond bekend om haar gepruts. Verkoolde tosti’s waren aan de orde van de dag.
“Ik kan ze zelfs laten aanbranden”.
Miriam had uitstekende oren. Zonder verdere aanmoediging opende ze de koelkast en begon een tosti te monteren. Zulke mensen kan de wereld gebruiken.
Gerben boog opzij. Arnold zag zijn benige handen, de lange vingers, als gemaakt om een instrument te bespelen.
“Miriam is niet voor jou, heer Zwarthoed”.
Ook bij mensen die geen examen doen, gaat het leven voort. Gerben deelde met Miriam een flat aan de noordzijde van de stad. Het tuinhuis had hij vervuild achtergelaten. Zij verdiende het geld en Gerben studeerde op de contrabas, tot genoegen van de buren. Dit alles moest in de afgelopen maanden gebeurd zijn.
“Je woont samen. Is dat niet een beetje bourgeois?”
Bourgeois was een socialistisch scheldwoord in de jaren zeventig. Het hoorde thuis in het verfoeide rijtje van reactionair, establishment en autoritair.
“Dat zal wel, maar we wonen er prima”.
Arnold schermde zijn mond gedeeltelijk af, als informeerde hij naar een geheim.
”Maar is Miriam ook lid van de Partij? Ik bedoel: betreft het hier een verantwoorde teeltkeus?”
Teeltkeus: het juiste, liederlijke woord.
Gerben moest lachen, negeerde de opgetrokken wenkbrauwen van zijn vriendin, maar dempte wel zijn stem voor hij reageerde.
“Ze is op proef en moet alle toespraken van kameraad eerste partijsecretaris Breznjev uit het hoofd leren”.
Miriam begreep ongeveer wat er werd gezegd.
“Ha ha. Leuk hoor. Ik stuur jullie allebei naar de Goelag”.
Arnold begon de kleine donkere opsodemieter te waarderen. Hij stak zijn duim op.
“Neem een sneeuwwitje van mij, Miriam”.
“Ja, zo kan hij wel weer, Zwarthoed”.
Gerben voelde instinctief aan welke kant het uitging.
“Mij best. Waar wil je het over hebben?”
Gerben haalde zijn schouders op.
“Nergens over”.
“Geen enkel onderwerp?”
“Niets erger dan een gespreksonderwerp”.
De geur van geroosterd brood meldde zich bij Arnolds neus. Warm brood met gesmolten kaas. Miriam leverde het voedsel op een schoteltje waaraan een scherf ontbrak.
“Nog wat gehoord over die toestand in De Tsarina?”
Arnold was al van Patrick geschrokken. Nieuwe vragenstellers kwamen te laat.
“Wat is daarmee wat ik niet allang weet?”
“De vader van Jenny is daar van de trap gedonderd”.
Arnold vertrok geen spier.
“Die man heb ik nooit ontmoet. Het zal wel eigen schuld zijn. En dan?”.
Je van de domme houden. Rustig verder eten. Gerben zei trouwens toestand, niet insluiping of inbraak, een weinig nauwkeurige omschrijving.
“Toen is er geld verdwenen”.
“Je zegt geld. Uit De Tsarina?”
Een goed verstaander kon begrijpen wat hij bedoelde.
“Ja, van Pino, de Italiaanse Jezus. Hij heeft immers de lotto gewonnen”.
“Hoe weet je dat?”
“Dat zeg ik: van Pino zelf”.

In de Zwarte Beer was de sfeer altijd dezelfde: een beetje bedaagd, maar nooit vlamde een korte ruzie op of werd aan stemverheffing gedaan. Arnold werd een beetje pissig.
“En nu ga jij de daders opsporen of ontmaskeren?”
Dat hij bij toeval daders had gezegd, beviel hem zeer. Gerben antwoordde zoals je van hem mocht verwachten: rechtstreeks.
“Hoe kom je aan die vette sportwagen waarin je overal verschijnt?”
“Die heb ik gekregen wegens mijn diploma. Wacht!”
Alsof hij iets te bewijzen had, haalde hij zijn portefeuille tevoorschijn en nam er een kleine foto uit: Pa Zwarthoed met zijn kinderen, frontaal voor de BMW. De foto was duidelijk minstens een jaar oud.
Ze dronken hun bier uit, keken een beetje rond, tikten met de voet mee op de maat van de muziek Howlin’ Wolf was een grootheid, geschikt voor elke eregalerij.
“Ik dacht al”.
“Niet doen”.
“Nee”.
Gerben reproduceerde het verhaal dat de ronde deed. Pino was opgedoken in de stad. In Duitsland had hij de lotto gewonnen. Een normaal mens had dit bedrag op de bank gezet, maar niet Pino. Hij vertrouwde de Duitsers niet. Hij had het geld opgehaald en was in de trein naar Nederland gestapt.
Gerben vertelde zakelijk en met een soort tegenzin. Dat je geld kon winnen in een loterij vond hij als communist volslagen verkeerd.
Pino was in de avond aangekomen. De Banken waren allang dicht en hij had een slaapplaats nodig. Hij was De Tsarina binnengewandeld en had gevraagd of hij het weekeinde op de bovenetage kon blijven. De rest was geschiedenis.
Arnold onderbrak Gerben droogjes. Hij kon bezwaarlijk opmerken dat het net iets anders zat, dat hij Pino met zijn rugzak de Ragebol had zien binnenkomen en dat bovenal De Tsarina die avond gesloten was geweest. Daarom speelde hij het spelletje mee.
“Vroeg hij dat aan Vincent of aan iemand anders?”
Gerben wist het niet. Evenmin begreep hij dat dit er iets toe kon doen. Hij vertelde wat hij wist en daar moest je het mee doen. Iedereen scheen het trouwens te weten. Iedereen, behalve Arnold Zwarthoed.

Tegen middernacht zat de diensttijd van Miriam erop. Zij wilde naar huis en Gerben ging mee. Arnold bleef nog een paar minuten voor ook hij zich liet meevoeren met het publiek dat heen en weer deinde tussen de bar, de wc, de kapstok en de uitgang. Langzaam bereikte hij de buitendeur. Het café leek een grote darm die haar inhoud uiteindelijk naar buiten perst.
Op straat passeerden enkele stadsbrommers. Het waren producten van een slechte kwaliteit. Zelfs de banden konden roesten. Hun berijders klemden zich aan veel te hoge sturen. De idee was afgekeken van motoren uit de film Easy Rider. Zo werd vrijheid bereikbaar voor iedere beurs. Zo bepaalde de beurs de kwaliteit van vrijheid.

Alleen marcheerde hij door de onderstad. Vluchtige geuren drongen tot hem door en waren het volgende moment weer verdwenen. In een etalage flakkerde een elektrische kaars voor een klein heiligenbeeld.
Ik heb feitelijk mijn eigen geld teruggehaald.
Op de Kade was het kil. De invloed van breed water deed zich gelden. Voort gingen zijn voeten. Door een wijk van kleine woningen met rechthoekige voortuintjes en slooprijpe auto’s op straat. Slechts hier en daar brandde een straatlantaarn.
Zijn tocht kwam tot een einde voor de deur van een oud woonhuis. Hij keek omhoog langs de gevel, zag op de derde etage licht branden en belde aan. Uit een raam verscheen het hoofd van Iris. Ze wierp hem een sleutel toe aan een touwtje.
De beklimming van het trappenhuis kostte hem inspanning. Pas bij de deur van Iris brandde een normale lamp. Deze leek nieuw en recent aangebracht door iemand met verstand van zaken.

Alle binnendeuren stonden open. De gaskachel snorde rusteloos. Zwijgend dronken ze een fles Kellergeister leeg. Het was een smakeloze witte wijn met garantie voor navrante koppijn. Arnold vond bovendien twee flesjes Vivo, een al even mistroostig pils. Iris zat met opgetrokken benen in haar ribstoffen fauteuil. Ze zoog met kalme aandacht aan een tsjilm, haar handen gevouwen tot een soort rookkamer. Het was een beeld waar al eens een poster van was gemaakt.
“Wil je ook?”
Junks willen een ander altijd meetrekken.
“Nee”.
Hij haalde een Craven uit het doosje en zag met enige ergernis dat er nog maar twee resteerden.
“Er is anders genoeg”.
“Word maar liever niet misselijk”.
Hij stak een sigaret aan en blies een blauwe lasso weg.
“Je bent mooi, Iris”.
Het klonk of er een gevaarlijke afstraffing zat aan te komen. Het deed hem denken aan zijn moeder.
Dat is een mooie tekening, Trudie. Daar kunnen we fijn de kachel mee aanmaken.
Het geheugen is het bewijs dat de mens uit meerdere lagen bestaat. Herinneringen van bepaalde tijden en omstandigheden komen opzetten alsof ze nog dezelfde betekenis kunnen claimen. Een ogenblik was Arnold thuis, jaren geleden. Hij kon de striemende woorden van zijn moeder bijna voelen.
Daar zit ik nu. Met een vlerk van een zoon, een debiele dochter en een man die gestolen auto’s verkoopt.
En het verwonderde hem te denken, dat hij dit ongetwijfeld onaangenaam maar evengoed normaal had gevonden. Nadenkend trok hij aan zijn sigaret en concentreerde zich weer op Iris.
“Mooi, dat ben je. Maar het is de vraag of je daarmee wegkomt. Je beschuldigingen aan mijn adres zijn namelijk gevaarlijk en niet alleen voor mij”.
Terwijl ze zo zat, haar hoofd enigszins achterover, bekeek hij haar nauwkeurig. Een jong maar vermoeid gezicht, slanke polsen en handen.
Hij stond op, viste een dunne sjaal uit een stapel wasgoed en liep tot achter haar stoel.
“We zouden namelijk over iets anders praten, weet je nog wel? Hoofd naar voren”.
Zorgvuldig en strak knoopte hij de sjaal om haar hoofd, de stof bedekte haar ogen.
“Meekomen”.
Het bed. Altijd maar weer het bed.

“Liggen”.
Zijn handen gleden over haar haren, de hals, verdwenen in de ruime hals van haar lange hippie jurk.
“Auw!”
Vandaag was het gemakkelijk, want een jurk maakt alles eenvoudig.
“Omdraaien. Op je schattige buikje”.
De banden waarmee hij haar handen en voeten vastsnoerde, waren ooit bedoeld om houten schaatsen onder te binden. Behoorlijke winters bleven evenwel al jaren uit en Iris was wel de laatste die je op de smalle ijzers kon voorstellen.
“Wie houdt er het meest van jou op de hele wereld, prinses?”
”Jij”.
“Zo is het. Een goed antwoord. Laten we hopen dat dit zo doorgaat. Intussen moeten we een paar afspraken maken”.
Zorgvuldig strikte hij een knoop. Hoogstens zou ze nog kunnen schreeuwen.
“Alles wat hier gebeurt en wordt gezegd, blijft onder ons”.
Zijn hand betastte haar billen. Hij voelde weerstand.
“Daarmee stem je toch in, nietwaar Iris, liefste van me?”
“Ja”.
“Dat dacht ik ook”.
“Je gaat er waarschijnlijk vanuit, dat ik nog eens over De Tsarina zal beginnen”.
Arnold probeerde na te denken. Met drie of vier Duvels achter zijn kiezen viel dit nogal tegen.
“Maar dat kan wachten”.
Hij boog zich over haar heen, trok de jurk omhoog over haar bovenbenen en onderbroek, tot halverwege de rug.
“Hoe zit dat Iris? Ik heb de indruk, dat jij onlangs stout bent geweest”.
Zijn hand streelde de huid van haar benen.
“Wat is hierop je antwoord?”
“Nee, natuurlijk niet”.
“Ik weet dat je liegt en dat je mij bedriegt”.
Bijna behoedzaam trok hij haar witte onderbroek een eind omlaag. Instinctief spande ze haar billen, die prachtige roze heuvels.
“Als ik het niet dacht. Hier is kort geleden weldegelijk iemand geweest. Iemand die er niets te zoeken had. Maar wie? Ho, ho, niet meteen maar wat roepen! Daar zit niemand op te wachten”.
Arnold trok zijn bovenkleding uit, gespte zijn broekriem los, trok deze van zijn middel.
“Want als je liegt, moet ik je straffen”.
Hij liet een korte stilte vallen.
“Straf is namelijk de aangewezen methode om je van je zonden te verlossen. Het doet pijn, maar daarna kun je verder. Dus als je liegt, is het niet echt erg. Dan zal ik je verlossen”.
De riem streelde haar achterste.
“En van pijn naar genot is bovendien een kleine stap”.
“Ik ben met niemand naar bed geweest”.
Onmiddellijk hief hij zijn arm en raakte haar billen met het leer. Nog voor ze echt kon schreeuwen, sloeg hij opnieuw. Gericht en hard.
“Je weet wel beter. Wie was het Iris, hoe heet de onverlaat?”
“Nee! Nee! Auw! Godverdomme! Shit! Hou op!”
Hij vouwde de riem dubbel, sloeg stevig en precies, volgde de ontwijkende bewegingen die zijn prooi probeerde te maken.
“Vooruit. Een naam wil ik horen!”
Eigenlijk kon hij nauwelijks denken met die wilde bewegende naakte vormen onder zich, afgebakend bovendien door onderbroek en opgeschorte jurk, de warmte van de kachel en de notie van overmacht. Als het zo doorging, kwam hij klaar voor hij zijn eigen broek had uitgetrokken.
“Het was Barry. Ik heb geen geld voor de huur”.
“Wat zeg je daar?”
Barry. Barry, de huisbaas. Barry, de vader van Jenny!
“Nou weet je het”.
Arnold begreep er niets van. Hij wist niet wat te zeggen.
“Denk je dat ik het leuk vind? Hij betaalt mijn huur. Soms komt hij langs. Dat is alles”.
Hoe je het wendde of keerde, de verklaring van Iris deed hem pijn. Het bracht hem zelfs tot een vorm van mededogen.
“Dat is alles, zeg je? Jij laat een oude kerel zijn gang gaan! Jezus nog aan toe”.
“Ik houd toch niet van hem?”
“Is dat een vraag? Dat moest er nog bijkomen!”
Hij legde de riem neer, nam plaats op de rand van het bed en streelde haar rood geslagen achterwerk. Een perverse vraag rees in hem op.
“Doen jullie het hier, of ergens anders? Bijvoorbeeld daarginder in de villa?”
“Hou toch op! Wat moet ik dan?”
Ophouden met dope gebruiken. Een baan en een echte woning zoeken. Stomme hoer!
Even dreigde razernij weer de bovenhand in hem te krijgen, maar de aanblik van haar naaktheid wekte vooral zijn lusten. Hij strekte zijn benen en begon een beetje houterig zijn broek uit te trekken.
“En wat doen jullie dan precies? Kleedt hij jou uit of is het andersom?”
“Doe niet zo goor”.
“Niet zo’n mond opzetten, kleine sloerie”.
Ze kon onmogelijk zien wat zich boven haar afspeelde. Instinctief kneep ze haar billen samen en kromde haar rug.
“Ja, trek maar aan je boeien. Je kunt geen kant op en ik heb alle tijd van de wereld”.
Hij liet zijn broek op de grond vallen, ontdeed zich van zijn sokken, zijn onderbroek.
“Vingert hij je eerst? Moet je hem pijpen?”
Hij sperde zijn ogen wijd open, als bevreesd om te worden ingevangen door dat ene beeld: naakte Iris, bestegen door een man die haar vader kon zijn.
“Vraag dat nou niet! Het is vervelend!”
Het klonk naar huilen en die vaststelling bracht hem in verwarring. Hij liep naar de vensterbank en trok het laatste pilsje open. Het voelde wel een beetje raar, naakt in een vreemd huis te staan met een stom flesje Vivo.
Omzichtig slurpte hij van het bier, trok het raam open en smeet de fles in de diepte.
“En nu wil je mij chanteren wegens die halvegare uit Italië? Ga je overal rond toeteren dat ik geld heb weggehaald? Wat let mij eigenlijk om jou hier uit het raam te smijten? Het zal lijken of je bent gesprongen, misschien uit angst voor die oude kerel”.
Iris gaf antwoord. Je kon merken dat ze helemaal nuchter was.
“Arnold, ik heb je gezien die avond”.
Stilte. Nachtelijke kou stroomde de woning binnen, een uitgewoond hok op de derde etage van een oud pand. Hij trok het raam dicht en huiverde.

Een halve minuut zat hij bij haar, op de rand van het bed.
“Als dit zo is, liefste, wat had jij dan op dat moment te zoeken bij De Tsarina? Was je met Barry meegekomen?”
Om een antwoord te bevorderen, gaf hij Iris een paar losse kletsen voor haar achterste.
“Houd toch op met je Barry. Wie denk je dat de rugzak naar De Tsarina heeft gebracht?”
Een interessante vraag.
Arnold kneep zijn ogen dicht. Ergens drong het tot hem door dat hij zich had laten leiden door jaloezie. Tegelijk keek hij neer op de billen van Iris en werden zijn gedachten beneveld door testosteron, aangelengd met alcohol.
“Heb jij mijn brommer daar geparkeerd?”
De gedachte was eerder bij hem opgekomen, maar hij had haar afgewezen.
“Ik moet plassen”.
“Laat de boel maar lopen. Barry koopt wel een andere matras voor je”.
“Klootzak”!
“Sletje! Wat kwam Barry doen?”
“Het geld weghalen, natuurlijk. Voor hun bedrijf. De filmstudio. Die troep van Jenny”.
Arnold moest nadenken. Er was iets dat buiten zijn bereik bleef, maar wat was het? Hij voelde boosheid en verdriet. Hij wilde alleen nog maar Iris in zijn armen houden.
Met ruwe bewegingen begon hij de banden los te maken.
“Als je zo doorgaat, smijt ik je rotkat uit het raam”.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.