BLINDGANGER, Hoofdstuk VI

| Geen reacties

Twee weken nadat Trudie met veel misbaar naar huis was gekomen, keerde ze terug naar Huis De Zon. De aanklacht van seksueel misbruik was ingetrokken. Aanranding was onwaarschijnlijk, want de aangeklaagde bleek homoseksueel. Dit feit werd bijna nog weerzinwekkender gevonden dan het in diensttijd rotzooien met een pupil, al pleitte het de man vrij van de aantijgingen. Desondanks mocht hij niet terugkeren. Zo gaat dat in een land dat graag moraliseert voor anderen. Als ontslagreden werd opgegeven dat het om een ernstig verstoorde arbeidsverhouding ging.
De lokale pers vond het allemaal geweldig. Het was weer eens komkommertijd en niemand zit op de waarheid te wachten.
“Dit is bijkans nog erger”, had Pa Zwarthoed voorspelbaar geroepen, “voor je het weet, val je in handen van haarbollen en flikkers”.
In de Garage werd hier hetzelfde over gedacht. Schuld of onschuld deden weinig ter zake, want er bestaat geen rook zonder vuur. Als strafmaat werd castratie aanbevolen, uit te voeren met een tang en een brander.
De Gemeenteraad had met de kwestie meegeleefd. Arme wethouder! Eerst zijn vrouw verloren en nu dit weer met een ongelukkig kind. Het ging de politieke besluitvorming aangaande sanering en dus de aankoop van Garage Zwarthoed zeker bespoedigen. Zelfs de socialisten, dwarsliggers van huis uit, zagen wel wat in de plannen. In hun verborgen agenda noteerden ze uitbreiding van de huursector. De volksopvoeders dachten met afgunst en minachting over mensen met eigen woningbezit. Pas veel later, toen ze zelf welvarend werden, zou dit drastisch veranderen.

Nu orde en rust waren weergekeerd, ging de Gemeenteraad met een touringcar op pad. Iets leuks en toch leerzaams stond op het programma en je moest een goed humeur meebrengen. De club nam een kijkje in de Nieuwe Grote Polders, dronk koffie bij De Meerpaal en bezichtigde op de terugtocht het Rembrandthuis en De Amsterdamse Wallen. Gegeten werd binnen de eigen dijken. De stemming was uitgelaten. Een afsluitende borrel volgde in de feestzaal van het dorp. Arnold kwam te voet even kijken.

In de overdadig ingerichte Herenkamer werd druk gepraat en stevig gedronken. Arnold betrad het pand via de achterdeur. Niemand die ervan opkeek. Voor de gelegenheid had hij een zomers jasje aangetrokken. Bijna witte jute op een donkere, strakke broek. Zijn haar was zojuist geknipt door één van de weinige kappers die de trend van onverzorgde haarkoppen wist te overleven.
“Ha! Daar hebben we de jonge Zwarthoed! Diploma behaald?”
“Zeker wel. Een kwestie van doorwerken, nietwaar”.
Doorwerken. Aanpakken. Zeker niet in muffe drugspanden rondhangen. Wisten de lui van het polderbestuur veel.
De meeste aanwezigen kenden Arnold. Er werd nogal uitbundig gefeliciteerd.
“Zie je, het valt best mee met die nieuwe generatie. Wat een verschil met Amsterdam. Heb je die troep gezien op de Wallen?”
“Jij had anders best een uurtje willen blijven. Ha! Ha!”.
Arnold kreeg een glas bier. Hij glimlachte aanhoudend als een filmster en toostte met een paar vrouwen. Zogenaamd discreet wendde hij zich af en goot voor het oog der mannen
het bier in één geweldige teug naar binnen.
“Zo vader, zo zoon. Daar ga je, Zwarthoed!”
De gemeentesecretaris had een vraag die bedoeld was om te worden bevestigd. In zijn functie stelde hij dit soort vragen elke dag.
“Wat staat er op de rol, Arnold: studie aan een universiteit? Of ga je de nieuw te bouwen Garage Zwarthoed jong en dynamisch elan inblazen?”
Naast deze man van veel woorden doemde het verhitte gezicht op van de Wethouder van Sociale Zaken. Hij kwam van het lachen bijna niet uit zijn woorden.
“Voor een uitkering kun je het beste naar mij komen, hoor vriend!”
Arnold maakte het wegwerpgebaar dat bij dit voorstel van hem werd verwacht.
“Ik denk dat ik maar fotograaf word”.
Er lag geen inhoudelijke overdenking onder zijn antwoord.
“Wij fotograferen ook”. De burgemeester zelf.
“Waar werk jij mee, jongen?”
Het woord jongen beviel Arnold niet erg.
Hij begon te begrijpen waarom zijn vader zich dikwijls aan deze man ergerde.
“Met mijn ogen, burgemeester”.
Hij presenteerde de Eerste Burger een sigaret, een zeldzame Craven. Hierna zocht hij de leidsman van de PSP op. Hij wilde nagaan of deze grappenmaker bijvoorbeeld een stukje stuf stond te roken. Het zou de anderen toch niet opvallen. De raadsleden en hun plattelandse vrouwen zouden hoogstens aan armzalige tabak denken of aan gedroogde kippenstront. Zoiets kon je in de krant lezen en er werd in brede kring geloof aan gehecht.
De gezochte was aanwezig en heette toevallig ook Arnold.
“Arnold, aangenaam”.
“Insgelijks”.
“Jij bent de plannenman van Zwarthoed?”
“En jij de haarbol van de pacifisten?”
Ze gingen bij de bar staan. Dit was meteen makkelijker voor het bijvullen van glazen.
“Ik wil je mening ergens over horen”.
“Dat is nieuw. Voor een Zwarthoed”.
“Je pakt mijn vader gewoon verkeerd aan. Prijs hem de hemel in en het paradijs ligt voor je open”.
“Het gaat bij de liberalen altijd om geld”.
“Dat komt bij jou ook nog wel. Waarom rook je trouwens van die miserabele tabak ? Het is niet eens wiet”.
Arnold wendde zich tot de barman, een kaalhoofdige, zwetende man.
“Meneer Lucas, mag ik van u twee sigaren? Schimmelpenninck graag. En laat mij u een sigaret aanbieden. Een Engelse”.
Beleefdheid doet wonderen. De mensen willen respect. En terecht. Zolang ze iets presteren tenminste. Meneer Lucas was een harde werker.
De sigaren werden aangereikt. De beide heren Arnold namen vuur van de Myon. De barman legde de sigaret nog even weg.
“Zie je het nou?”
“Wat moet ik zien?”
“Je verdomde sigaar, man! Daarnet stond je nog een prutsjekkie te rollen, het volgende moment rook je een fantastische sigaar. Zelfs Fidel zou er van opkijken”.
Op dat moment passeerde er een mooie vrouw. Arnold zocht naar een parfum. De macht van geuren kan moeilijk worden overschat.

De vrouw komt en gaat. Ze laat alle mannen achter zich.

Om elkaar in de herrie te kunnen verstaan, bogen ze de hoofden als samenzweerders in een B-film.
“Verschaf mij eens een nuttig idee om onder de dienstplicht uit te komen, geachte naamgenoot. En ik wil geen gezever horen over Uithollen van Binnenuit of Toeslaan met Sabotage. Zulke mensen eindigen achter de tralies of in een bos brandnetels achter de vuilstort”.
“Ach, de dienstplicht. Ze hebben je dus gevonden. Wat had je zelf in gedachten?”
Ook de jonge wereldverbeteraar had geleerd dat je mensen hun eigen denkbeelden moet laten uitspreken, hoe absurd die ook mogen zijn.
“Ik weet in ieder geval wat afvalt”.
Arnold nam een slok, knipoogde naar een blonde vrouw, minstens twintig jaren ouder dan hijzelf. Onbeschaamd nam hij haar op.
“Ik wil militaire noch vervangende dienstplicht. Ik wil helemaal geen plicht. Het is zonde van mijn tijd en ons leger stelt niets voor. De Russen laten het trouwens wel uit hun hoofd om hier te komen. Wat moeten ze met langharige gasten?”
De PSP man schoot in de lach. Zijn adem joeg een kolom rook naar het plafond.
“Je hebt nogal wat noten op je zang”.
“Ik wil weten wat jij denkt. De standpunten van je partij zullen mij worst wezen.”
Ze onderschepten een blad met hapjes, schelptoast met een vismousse
“Je hoort toch wel eens wat van de VVDM, of van je klandizie in Venhuizen?”
Dit was een oord waar dienstweigeraars werden gevangen gezet. Het verhaal ging, dat je gaten moest graven en weer dichtgooien. De VVDM was de organisatie van dienstplichtig militairen. Streed onder meer voor het recht op een vrije haardracht in de krijgsmacht. Nergens ter wereld dan in Nederland liepen soldaten er bij als Colombiaanse rebellen.
De socialist had een vraag.
“Waarom wil jij eigenlijk niet in dienst? Het lijkt me juist iets voor jou”.
Vooroordelen, daar leven de mensen van.
“Je haalt een paar dingen door elkaar. Het leger is voor professionals, de dienstplicht voor werklozen”.

Een goed brein werkt als een vakbekwaam slager. Pas na nauwkeurig hakken, schrapen en snijden, ligt die ene malse biefstuk op je bord, onherkenbaar naar de oorsprong. Biefstuk is een resultaat en een abstractie.
Arnold onderging anderhalf uur lang betogen, gedachtekronkels, persoonlijke indrukken, relatieproblemen en hypothesen, om achter te blijven met een enkel woord. Communicatie.
Om alsnog onder de dienstplicht uit te komen, moest je doen of je geen normaal gesprek kon voeren. In jezelf gekeerd zijn en geen antwoord op vragen geven of zodanig dat de ander dacht een gek voor zich te hebben.
“Twee weken de autist uithangen, dan ben je er geheid vanaf. Je moet alleen wel volhouden en consequent zijn”.
“Waarom zouden ze daar intrappen? Ze krijgen immers elke dag wel een mafketel?”
“De kwestie is dat het leger geen risico wil lopen. Ze schoppen liever tien jokers de poort uit dan de kans te lopen die ene echte gek in huis te houden. Voor je het weet, gebeuren er ongelukken en daar wil Defensie niet voor opdraaien”.
De PSP man wees een gesigneerd visitekaartje van Garage Zwarthoed, feitelijk een korting bon voor een leuke auto, van de hand.
“Wil je mij politiek kapotmaken?”
“Stop het nou maar gewoon in je broekzak”.

Tamelijk zat van het bier ontdekte Arnold dat zijn gesprekspartner was vertrokken. Het kon ook zijn dat hij zich te ver had afgewend. In ieder geval werd hij een zwaar parfum gewaar.
“Eindelijk uitgepraat?”
“Als je bent uitgeslapen, heb je geen bed meer nodig”.
“Je bent nogal gevat, geloof ik?”
“Ik sta tot uw beschikking”.
De vrouw tegenover hem straalde lichamelijke warmte af. Arnold voelde aandrang zijn hoofd in haar schoot te leggen.
“Wil je niet weten wie ik ben?”
“Hmm. Karin? Yolanda? Maya?”
Hij keek naar haar gezicht. Achter in de dertig jaar, donkerblond, stevige kaaklijn.
“Ik weet het. Sofie!”.
“Ik heet Birgit. Maar ik vroeg niet of je weet hoe ik heet, maar wie ik ben”.
“Arnold. Aangenaam. Waar gaan we naartoe?”
De vrouw Birgit lachte en liep weg. Ze leek er behagen in te scheppen hier lang over te doen. Arnold strekte zijn arm, wilde haar naroepen om bij hem te blijven, maar kon de woorden niet vinden.
Even later stond hij buiten, in het nachtelijk duister, in een oneindig fijne motregen of dichte mist. Hier was niemand, zeker geen smachtende vrouw. Bij het standbeeld voor het feestlokaal moest hij overgeven. Wat hem geenszins belette om luidkeels te zingen:

Eén twee drie je proeft het zó,
Het is ijs van Caraco.
Mexicaantje oranje hoed,
Tracatie die het altijd doet.
Caraco ijs, geweldig goed,
Caraco ijs, geweldig lekker!

De volgende morgen werd hij gewekt door het loeien van een stofzuiger in het portaal. Mevrouw De Zwaan deed haar werk. Zijn benevelde brein registreerde haar voortgang door het huis.
Ze kan het niet uitstaan dat ik nog in bed lig. Het is omdat ze tot de arbeidersklasse behoort.
Hij viel andermaal in een ravijn en hoorde hoe de stofzuiger enige malen tegen zijn deur stootte. Zijn gedachten werden sterk ingekort.
Dat stomme wijf.
De stofzuiger werd uitgeschakeld, de werkster bonsde de trap af. Arnold zakte terug in de kussens, voelde de droogte in zijn mondholte en werd een vieze braakgeur gewaar.
Ik moet overeind en orde op zaken stellen.
Hij sloot zijn ogen en ontwaakte opnieuw om half twaalf.

Het fietspad was smal en liep langzij de asfaltweg voor auto’s. Het was alsof de overheid iets leuks voor kinderen had willen doen. Arnold hield de snelheid bescheiden. Anders dan gewoonlijk keek hij eens rustig om zich heen. Zijn blik viel op het verkoopbord van een oud woonhuis, op ruime afstand van de weg. Achter het huis stonden opstallen. Impulsief kneep hij in de voorrem, keerde de brommer en reed het erf op.

Het woonhuis stond leeg. Arnold liep er op zijn gemak omheen. Waar dit mogelijk was, drukte hij zijn handen tegen de ramen om goed binnen te kunnen kijken. Het interieur was ouderwets en toonde sleetse verfkleuren. Een plafond met vlekken wees op lekkage. Hier moesten oude mensen hebben gewoond. Hij maakte een nieuwe rondgang om de buitenmuren en de dakgoten te inspecteren. Tenslotte ging hij op de zijkant van een kruiwagen zitten en sloot zijn ogen.
Investeren is beter dan bewaren.
Een gedachte die inhield dat hij van plan was de inhoud van de rugzak voor zichzelf te houden. Vrees voor ontdekking en geweld aan zijn adres kwam af en toe bij hem op, maar jonge mensen leren pas doordat ze iets aan den lijve ondervinden. Onnozelheid en gebrek aan ervaring worden vaak aangezien voor spontaniteit en lef.

De brug over het kanaal stond opengesperd als de bek van een krokodil. Twee zwaarbeladen vrachtschepen schoven behoedzaam voorwaarts. Water spoelde langs de boorden. In het kielzog gleed een slank jacht met oprijzende met spitse mast. De schipper had het bovenlijf ontbloot en droeg een witte broek als was hij in de tropen. Het waren twee werelden: de eerste van productie en arbeid, de tweede van consumptie en leegloop. Voorlopig was het plezierjacht een uitzondering.

Vanaf de Kade reed Arnold meteen de stad in. De eerste honderd meter voerde door een straat die werd gedomineerd door een zware geur van kaas. Hierna volgde een bredere met auto’s en fietsers, volop daglicht en winkelende mensen.
Hier bevond zich een handel in tweewielers. De stoep voor de zaak stond vol met fietsen en brommers. Aan het oorspronkelijke doel van openbare ruimte hebben middenstanders maling.
Hij stapte af, kamde zijn haren en beende de winkel binnen. Het rook naar rubber en olie, metaal en elektra, kortom naar iemand die het beste met de mensheid voor heeft.
“Ja?”
“Bent u de chef?”
“Zeg het maar”.
De man stak een zelf gedraaide sigaret op. Hij hield deze tussen vingers die zo bruin waren, dat je kon denken dat hij niets anders deed dan sigaretten roken.
“Ik wil mijn Kreidler verkopen”.
Wanneer het merk goed is, moet je het altijd noemen.
“Waarom dan wel?”
“Omdat hij nu nog in topstaat verkeert”.
Je moet nooit zeggen dat het aangebodene overbodig geworden is.
Ze liepen naar buiten, de winkelbaas een beetje onwillig.
“Verzekeringsbewijs?”
“Natuurlijk”.
Arnold overhandigde het papier.
De baas besteeg de brommer, reed een rondje zonder het oog op zijn winkel te verliezen. Hij controleerde het frame op weggevijlde nummers. Er werd tegenwoordig gestolen.
”Ik geef je 400”.
“700 is al te laag”.
“500 dan”.
”700 of ik ben weg”.
Op de toonbank stond een massief rekenwonder dat nog oorlogswinsten had uitgerekend. De kassarol reikte tot op de grond. Arnold keek rond. Hij bezag de glimmende cilinders en carburateurs die hij een half jaar geleden nog had begeerd.
“450. Laatste bod”.
“Vooruit dan maar”.

Hij rammelde onderhand van de honger. In een straf tempo marcheerde hij langs de HEMA en een zaak in muziekinstrumenten. Stond die vervelende Pino daar? Arnold deed een paar stappen achteruit, keek opnieuw door het winkelruit, maar zag niemand.
In een parfumerie kocht hij een flesje Chanel en liet er een paars papier omheen vouwen, een cadeautje voor Trudie.
Bij de eethoek van Wimpy ging hij aan een tafeltje zitten en stak meteen zijn hand omhoog.
“Goulashsoep, een bruine bol met ossenworst en twee glazen melk”.
Tegen de betegelde wand van de keuken hing een telefoontoestel. Er was nog tijd voor zijn eten kwam, dus stond hij op. Hij wierp een kwartje in de gleuf en draaide een nummer.
“De naam is Zwarthoed. Het huis aan de Provinciale Weg. Hoeveel grond is daar bij?”
De serveerster luisterde mee.
“Juist ja. Voldoende voor wat? Schapen?”
Arnold bemerkte de luistervink en zwaaide met zijn vinger. Het was een vlot meisje, stevig gebouwd en leuk om te zien, op termijn zeer geschikt om kinderen te krijgen.
“Wat is de vraagprijs?”
Het antwoord viel hem tegen. Honderd dertig duizend voor huis, opstallen en anderhalve hectare grond.
“Hoelang staat het al te koop?”
Tersluiks hield hij de serveerster in het oog.
Merkwaardig fenomeen. Vrouwen hangen rond met de meest waardeloze uitvreters en niksnutten, maar op een dag komt er iets anders in hun hersenpan op gang. Dat is wanneer de hormonen voorschrijven dat het vriendje een geweldige vader voor hun toekomstige kroost moet worden. Dit meisje vormde geen uitzondering. Ze lachte openlijk naar hem. Wekenlang zou ze aardig voor hem blijven. Gesteld dat hij regelmatig bij Wimpy langskwam, wat nog maar de vraag was.
“Zwarthoed. Van de wethouder. Zo is het. Ik ben zijn zoon”.
Terug aan zijn formica tafeltje, begon hij de soep en het brood naar binnen te stouwen. Met melk spoelde hij de handel omlaag naar zijn maag. Zin in een praatje met de serveerster had hij niet. Hij legde een tientje neer en gleed de straat op.
Eenmaal buiten voelde hij zijn vermoeidheid wegens de vorige avond. Zou De Zwarte Beer al open zijn?
Wie eenmaal in De Zwarte Beer zit, legt zich neer bij de dood.

Zijn benen kozen een ander pad. In De Tsarina daverde muziek van Steve Miller, gewoon midden op de dag. Arnold bleef een ogenblik in de deuropening staan, als een cowboy die om zich heen gaat schieten. Tenslotte drukte hij de deur achter zich dicht.
Drie langharige jongens zaten er te zitten. Ze waren misschien even in de twintig. Eén van hen droeg een vilten hoed alsof het hier binnen kon gaan regenen.
Vóór hen lagen stripboeken van Lucky Luke. De heren waren verwikkeld in een geanimeerd gesprek.
“Wat vroegen ze?”
“Of er wat aan mijn handen mankeerde”.
“En toen?”
“Ik had twee brieven bij me. Afwijzingen, natuurlijk”.
“Er is toch ook geen werk”.
“Jawel, vrachtwagens laden in de zoutjesfabriek van Smith”.
“Het zakje met de rode ruit! ”
Het hoongelach was collectief. Het laden van vrachtwagens werd beschouwd als werkverschaffing voor zwakzinnigen.
”Je zal trouwens de hele dag achter zo’n bureau zitten”.
Gedoeld werd op de man van het Arbeidsbureau.
“En dan die onzin van jou moeten aanhoren”.
Het lachen ging onverminderd door.
“Je snapt die lui niet. Kaartenbakken aanleggen. Iets anders kunnen ze niet bedenken”.
“Het is gewoon jaloezie. Omdat wij doen waar we zin in hebben”.
“Doen we dat?”
Even viel een stilte. Het was een gevaarlijke vraag.
Arnold luisterde met een half oor. Als je wilde, kon je er gewoon bij gaan zitten. Maar hij liep langzaam verder.
“Weet je wat hij opschreef? Hij schreef: niet gesolliciteerd, uitkering voortzetten!”
Waar anderen moe van werken werden, daar moesten de jongens uitrusten van het lachen.
Enkele meters verder hingen zes of zeven scholieren bij elkaar. Je kon zien dat ze geen vrienden van elkaar waren. Slechts het lot van een schoolklas had hen samengebracht. Ze dronken thee en cola. Op hun schooltassen stonden de namen van popgroepen.
Waarzegster Sonja zat bij het venster waardoor Arnold eerder was binnengedrongen. Ze verkeerde in gezelschap van twee Indische jongens. Een kleine lederen beker met dobbelstenen knalde gestaag op de houten tafel. Hieronder resideerden de laarzen van Sonja. Deze waren vervaardigd van een soort mammoetbont.
Arnold zag Vincent achter zijn vesting staan, gebogen over een tijdschrift. Hij liep tot aan de bar en ging zitten.
“Dag Vincent”.
Vincent keek op, staarde naar Arnold.
“Wat doe jij hier?”
“Waarom zou ik hier niet zijn? Heb je een bitter lemon?”
“Ik dacht dat je verdwenen was”.
“De bitter lemon?”
Vincent bleef barman. Hij pakte een flesje uit de koelkast en een glas van de plank.
Arnold probeerde zich te concentreren. Waar was hij aan begonnen.
“Ik hoor links en rechts dat je geld mist, een flink bedrag nogal”.
Aanvallen is de eerste verdediging.
“Ik mis helemaal geen geld en het gaat jou niets aan”.
Arnold goot de limonade met beleid in zijn glas en hield dit tegen het schaarse licht alsof het kwaliteitswijn betrof.
“Een opmerkelijk standpunt. En je schoonvader zou ook nog van de trap gevallen zijn”.
“Blijf je de hele dag ouwehoeren?”
‘Welja. Ik heb tijd genoeg”.
Een magere jongen met een puistengezicht kwam aanlopen. Hij maakte aanstalten een bestelling te plaatsen. Arnold draaide zich naar hem toe.
“Wij zijn in zakelijk gesprek, bewaar je dorst voor later”.
Wat in het leven gebeurt, hangt voor een belangrijk deel af van je uitstraling naar anderen. De jongen zweeg. Hij droop af en trok zich terug achter een deur op een schuifrail.
“Vincent, ik zal je een onwaarschijnlijk verhaal vertellen”.
Het viel hem op, dat de ander keurig gekleed was voor een barman van een jeugdhonk. “Een geheim uit de doeken gedaan door A. Zwarthoed. God sta ons bij”.
Arnold lachte. Wat hem niet belette door te zetten.
“Op een avond ben jij, Vincent, in de Ragebol. Natuurlijk had je eigen zaak gewoon open moeten zijn, maar je hebt weer eens geen zin om te werken. Liever hang je rond met Jenny Filarski. Of met Iris. Kut is kut, nietwaar?”
Vincent keek stuurs naar een imaginair punt in de ruimte.
“Verplaatsen wij de camera naar de avond waarop je schoonvader hier in het ongerede raakte”.
Vincent deed zijn mond open, maar geluid bleef uit. De mond sloot zich weer.
“Op zeker uur verlaat ik de Ragebol. Ik wil naar huis, maar helaas:¨mijn brommer is verdwenen, opgelost in nacht en nevel”.
Vincent bracht een kort lachje voort. Het geluid leek op een hond die moet blaffen, maar de overtuiging mist.
“Nu ben ik niet iemand die vlug opgeeft, dus ga ik de mogelijkheden na. Zo kom ik na een uurtje hier terecht, bij De Tsarina. Op de bovenverdieping brandt licht. Beneden is het donker”.
Vincent begon onderhand op te letten. Arnold merkte het.
“Zie je wel. Ik kan geweldige verhalen vertellen”.
“Je moet Maharadja worden en een jurk aantrekken”.
Even was het helemaal stil. Geen gesprek of gelach, samenvallend met twee seconden rust tussen twee muzieknummers.
“Het wordt nog beter. Let op!”
De weggestuurde klant meldde zich opnieuw. Hij wierp Arnold een boze blik toe en bestelde muntthee en een reep chocolade. Arnold haalde zijn doosje Craven tevoorschijn, deed of hij de jongen ook presenteerde, maar trok het ineens terug.
Hij keek de klant aan en vroeg: “Heb jij daarnet je handen gewassen?”
De ander wist niets te zeggen. Hij pakte alvast zijn portemonnee om te betalen.
Daar was Vincent weer.
“Voor je helemaal doordraait, Zwarthoed. Misschien kun je het verhaal wat inkorten?”
Arnold moest even nadenken. Hij besefte risico te lopen met zijn uiteenzetting. Vincent bood hem nu de gelegenheid ermee te stoppen.
“Ik doe mijn best het overzichtelijk te houden”.
“Je mond houden, zou nog beter zijn”.
Arnold gebaarde de magere jongen weg te gaan..
“Kun je ergens anders gaan staan?”
“En als ik blijf?”
Arnold wipte van zijn kruk en deed een stap naar voren.
“Dat is geen optie, geloof me”.
Vincent kwam tussenbeide. Hij richtte zich tot de klant die betaalde.
“Laat ons maar even. Die gast hier is knettergek”.
Die gast was Arnold. Het duurde even voor de bar weer vrij was.
“Maak je verhaal af en schiet een beetje op. Ik heb andere dingen te doen”.
Wat dit mocht zijn, bleef een raadsel. Er werd niets besteld, er kwamen geen nieuwe klanten. Vincent nam plaats op de kruk achter zijn vesting.
“Ik heb er geen zin meer in. Je luistert toch niet”.
“Je bent binnen geweest en je liet een dure aansteker liggen`.
Het moment van kiezen was aangebroken.
“Ik liep achterom en daar stond mijn geweldige brommer”.
Het zal een warm weerzien zijn geweest. Ik hoor dat je in een sportwagen rondrijdt”.
Arnold voelde boosheid opkomen.
“Ik zal je een paar kernzinnen meegeven. Misschien gaat dat snel genoeg naar je zin. Let op: achterraam open, mogelijk inbreker die mijn brommer gebruikt, ik naar binnen, duisternis, Myon gebruikt om bij te lichten, niemand aangetroffen, Myon laten vallen, te donker om terug te vinden, weggegaan via raam, brommer meegenomen. Volg je nog?”
“Dus toch binnen geweest”.
“Het beste komt nog”.
Vincent trok de theepot naar zich toe, maar kwam aan inschenken niet toe. De plaat op de draaitafel was afgespeeld, wat resulteerde in een regelmatig terugkerende tik.
“Even de pannenkoek keren”.
Hij stond op om de andere kant van de plaat op te zetten. Arnold wachtte ongeduldig.
“Je zegt steeds dat ik moet opschieten, maar jij bent degene die voor vertraging zorgt”.
Hij trok het pakje shag van Vincent naar zich toe en begon ongevraagd een sigaret te rollen. De muziek zette weer in. Arnold moest zijn stem verheffen om zich verstaanbaar te maken.
“Iris en Barry waren hier samen. Je schoonvader gaat namelijk met haar naar bed”.
Hij keek nu toch naar Vincent. Tijd om een snauw uit te delen.
“Hetgeen betekent dat jij gelegenheid geeft voor seks met een minderjarige. Daar kun je de bak voor indraaien. Jij denkt: wat moet ik anders, ik heb huurschuld, die kerel kan me zo buiten smijten. Maar daar heeft de politie weinig boodschap aan”.
Vincent zag er een beetje bedremmeld uit, maar herstelde zich snel.
“Alles goed en wel, Zwarthoed, maar de kwestie is dat ik geen geld mis en dat jij zelf toegeeft hier te zijn binnengedrongen. Dat heet insluiping en daar kun jij de bak voor indraaien, om jouw woorden te gebruiken”.
“Woorden, Vincent, woorden. Maar geen bewijs. Jouw woord tegen het mijne”.
“Dat bedoel ik. Je kunt niets bewijzen. Ben je nou klaar met melken?”

Zonder plan belandde hij op het spoorstation. Hier werd hij aangesproken door Bertine.
“Hé, Arnold!”
“Bertine, jij bent het!”
Ze zag er ondeugend uit. Een blauwgrijs jasje en saaie make-up konden deze indruk niet verhullen. Dit is de kracht van vrouwen.
Hij liep om haar heen om het geheel eens terdege te bekijken en Bertine liet het zich al te graag welgevallen.
Hoe het ging en wat hij op een spoorstation te zoeken had. Niets, helemaal niets, daar kwam het op neer.
“Ik heb daarnet een vermoeiend gesprek gehad, dat zal het zijn”.
Dit klopte. Zijn rug en benen voelden aan als massief rubber. Ook leek het, of zijn hart bij vlagen veel te snel klopte.
“Loop mee, mijn auto staat om de hoek”.
Een beetje besluiteloos volgde hij haar. Naar huis gaan, was geen oplossing. Misschien konden ze bij de Chinees gaan eten.
Bertine bezat een rode Mini. Arnold zag haar nylons vanonder de rok tevoorschijn kruipen. Haar benen bewogen met het bedienen der pedalen. Een ogenblik meende hij haar oude parfum op te snuiven. De Mini maakte flink herrie en schoot vanaf de parking de straat op.
“Wij gaan eerst eten en dan een stout filmpje pakken, Arnold. Weet je wat er draait ? Blue Movie! “
Hij sloot zijn ogen.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.