BLINDGANGER, Hoofdstuk VII

| 1 reactie

Bertine was allang naar haar werk toen hij vanuit haar woning Jenny belde.
Er werd onmiddellijk opgenomen.
“Vincent?”
“Nee, Vincent is je vriend uit De Tsarina. Je spreekt met Arnold.”
“Houdt het nooit op met jou?”
“Vanavond ben ik in de stad, maar eerst in De Pilaren.”
“Wat zou dat?”
“Ik heb gisteren met hem gebabbeld.”
“Met Vincent?”
“Nee, met Loeki de Leeuw. We zijn inmiddels goede vrienden. Alle misverstanden zijn opgelost.
“Waarom kom je niet gewoon naar mij toe?”
“Daar heb ik gemengde gevoelens over”.
“Waarom?”
“Omdat ik een oranje koekblik met raar volk zie rondrijden”.
“Dat ging over iets anders”.
“Maar het had mij weinig geholpen als ik binnen was geweest”.
Stilte. Arnold probeerde te voorkomen dat het gesprek in een impasse geraakte. Handelen, het tempo erin houden, anderen op verkeerde benen zetten, lag hem beter.
“Zeg Jenny, is Barry toevallig thuis?”
“Nee, heb je hem nodig?”
Barry, het beertje van Iris. Barry, de vader van Jenny.
“Weet je wat? Breng hem vanavond mee naar de Pilaren. Acht uur, OK?”
Snel legde hij neer en schoot in de lach. Met Barry aan tafel zitten. Ze moesten daarginder wel denken dat er een draadje bij hem los zat.

Het volgende telefoontje legde contact met Gerben.
“Goedemiddag. Met Uitzendbureau Lukraak. Wij ontvingen uw gegevens van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Kunt u vanmiddag langskomen? Wij hebben namelijk een vacature in de productiesfeer”.
Gerben kreeg in de gaten wie hem belde. Ongegeneerd legde hij Arnold zijn levenspech voor. Miriam was vertrokken. Nou ja, hij had haar na ruzie het huis uitgeslagen en ze was niet teruggekomen. Zijn moeder was trouwens overleden. Van het vrijgekomen geld had hij een eersteklas contrabas laten bouwen. Een opmerkelijk proces, waaraan warme beenderlijm te pas kwam.
“Maar?” Arnold rook de rat in de kast.
“Ik heb artritis aan mijn handen, ik krijg de snaren niet tegen de hals”.
Zo gaat het met mensen. Zodra de verwezenlijking van hun droom in beeld komt, duikt er een achterlijk probleem op.
“Is er wat aan te doen?”
“Elke arts zegt weer wat anders”.
De exercitie met Gerben moest uitgediend worden tot aan de specialisten van diverse ziekenhuizen. Het voornemen samen even koffie te drinken, zonk naar de diepte.
Midden in het gesprek begon de telefoon te piepen. Zegen der mankerende techniek! Een vreemde stem drong het gesprek binnen. Iemand informeerde of de glazenzetter nog ging langskomen.
Arnold gooide de hoorn neer, inspecteerde de koelkast en goot een scheut yoghurt in zijn mond. Voor Bertine liet hij een lief briefje achter.

Het was volop zomer. De zon scheen uitbundig boven het stille marktplein van het dorp. De deur van Café Tramzicht stond open. Voor de deur hadden zich oude mannen verzameld. Ze wierpen om de beurt een steen naar een blok hout; het ultieme bewijs dat de dood een zegen is.
De kerkklok gaf een enkele slag. Het was één uur. Of half één. Half iets.
Pa Zwarthoed had zijn zoon op kantoor ontboden, op een vastgesteld tijdstip. Een gezond bedrijf werkt met feiten en een klok.
Arnold bereikte de Garage te voet. Hij doorkruiste de werkplaats en wisselde een paar woorden met het personeel. Precies op tijd betrad hij het kantoor.
“Koffie?”
Pa Zwarthoed schonk zelf in. Zijn hand omklemde een zwartplastieken thermoskan. Ze roerden in hun kopjes. Stenen mokken waren het meer, met een opdruk van strakke letters in blauw en wit, de kleuren van BMW. Naar een idee van Arnold.
“Het gaat over dat huis”.
“Heeft de makelaar gebeld?” Arnold keek verrast op.
“Natuurlijk. Denk je dat ze een wethouder in de lade laten liggen?”
“Wat moest hij?”
“Mij vertellen dat jij een huis wilt kopen”.
“Dat is wat overdreven”.
” Als je belt, heb je belangstelling. Anders bel je niet”.
De telefoon rinkelde. Het geluid klonk erg hard, Een ieder van het personeel werd aldus gemaand op te nemen en dit gebeurde dan ook. Het toestel van Pa Zwarthoed zond een rood knipperlicht uit.
“Wat moet ik me hierbij voorstellen? Hoe denk je aan geld te komen? Je komt net van de middelbare school. Woon je thuis niet goed?”
Er viel een langdurige stilte. Pa Zwarthoed dronk van zijn koffie en zuchtte. Arnold voelde dat het tijd werd iets te zeggen. Zijn vader was hem voor.
“En wat doe jij met Duits geld hier in de Bank? Ben je met rare zaakjes bezig?”
Arnold schrok een beetje. Hij was de kwestie met het bankbiljet al bijna vergeten.
“Ik heb mijn brommer verkocht. Ik heb nu immers een auto”.
“Voor Duits geld? Schei uit”.
“Aan een Italiaan. Hij heeft wat gewonnen in de Duitse Lotto”.
“Houd godverdomme je mond! Schei uit met dat gelul! Hoeveel heeft je brommer trouwens opgebracht?”
“Vijf honderd vijftig”. Het was voor een keer de waarheid.
“Nou, dat valt dan nog mee. Het ding liep slecht, staat me bij. Hoe dan ook: je moet stoppen om te gaan met dat schorem uit de stad. Je komt nog eens echt in de problemen. Of je maakt een meisje zwanger. Dan zijn we helemaal in de aap gelogeerd. Je let toch wel op, mag ik hopen?”
Opvoeding op de vierkante meter. Maar ook op de strekkende minuut, want veel tijd besteedde Pa Zwarthoed niet aan het voortplantingsrisico. Hij stond op, ijsbeerde een minuut door het kantoor en sloeg tenslotte met zijn handen op de vensterbank. Het was stil in het kantoor, bladstil. Je kon zeggen dat vader en zoon hun gedachten op orde brachten. En onderwijl zwegen. Zwijgen is een belangrijke vorm van communicatie.
“Ik doe je een voorstel”.
Arnold werd waakzaam. In het verleden had hij zijn vader wel vaker horen onderhandelen. Snel en voorbereid, om niet te zeggen uitgekookt en erop uit om toezeggingen aan anderen te ontlokken, dan wel besluiten af te dwingen.
Pa Zwarthoed ging weer zitten.
“Je komt bij mij in de zaak werken. Studeren is niks voor jou. Je hebt structuur nodig. Jouw taak wordt, om de garage te promoten. We moeten uitbreiden als we willen overleven. Je gaat ook cursussen bedrijfskunde volgen. In de toekomst gaan we meer doen met minder personeel”.
“Bij u werken? Waarom zou ik dat willen?”
Als de werkelijkheid nabij komt, deinst menige jongeman terug.
“Omdat je op termijn de zaak overneemt. Moet ik alles uitleggen?”
“En het huis?”
“Wat voor huis? Je blijft gewoon bij ons wonen. Daarmee bespaar je geld. Je verdient natuurlijk een salaris. En wil je mij met mevrouw De Zwaan achterlaten?”
Arnold transpireerde. Jarenlang was elke dag hetzelfde. Dan ineens was het afgelopen. Drie of vijf zinnen, uitgesproken in een enkele minuut, luidden een onomkeerbare verandering in. Hij staarde uit het raam, proefde de smerige koffie en was zich bewust van een vage maar onmiskenbare angst.
“Het is mooi.”
“Mooi? Ik beluister een maar”.
“U vergeet dat ik nog in militaire dienst moet”.
Lange tijd had hij deze realiteit weggedrukt. Nu gebruikte hij haar om zich zijn vader van het lijf te houden. Zo voelde het toch.
“Ach ja. Militaire dienst. Daar zeg je wat. Misschien wil je deze brief even lezen”.
Een vader die een brief van het Ministerie van Defensie uit zijn binnenzak haalt. Arnold las en werd licht in zijn hoofd.
“Ik hoef niet in dienst? Ik ben toch goedgekeurd en zelfs ingedeeld?”
Pa Zwarthoed ontspande. Het gebeurde niet vaak meer dat zijn zoon emoties toonde.
“Ze hebben genoeg jongens”.
“Hoe kan dit? Er staat dat ik boventallig ben. Wat is dat in godsnaam?”
“Het betekent dat je bent vrijgesteld en iets nuttigs mag doen. Het is veel beter dan dienst te weigeren. Dan ben je levenslang uitgesloten van elke overheidsbetrekking inclusief het onderwijs. En afgekeurde jongens komen ook nergens aan de bak”.
Een waar woord. Nog voor een jongeman stemrecht had, kon je worden aangewezen om je land met je leven te verdedigen. Wilde je dit niet, dan werd je leven opzettelijk vernield.
De verwarring hield aan bij Arnold. Zijn vader zag het.
“Je vraagt je af hoe dit ineens kan. Ik zal je iets zeggen, maar je houdt je kiezen tegen iedereen op elkaar, begrepen?”
Pa Zwarthoed schoof een stukje naar voren.
“Je weet dat ik commando ben geweest. Het domste dat een mens kan doen. Ik begreep het toen het te laat was en ik al op de boot naar Indonesië zat. Daarginder deden wij het vuile werk en ik heb er destijds foto’s van gemaakt. Daar staan vervelende gebeurtenissen op. Ik heb dus even wat contacten gebeld. Denk je dat ik mijn zoon nog eens anderhalf jaar afsta aan die zakkenwassers? Verder wil ik er niets over zeggen. Je hoeft niet in dienst. Zo simpel is het”.

De klok wees 12 uur. De mannen in de garage gingen boterhammen eten. Vader en zoon Zwarthoed besloten een frisse neus te halen. De boog kan niet altijd gespannen staan.
Op het plein voor de kerk hielden ze in.
“Nog vijf of tien jaar”.
“En dan?”
”Dan stop ik ermee. Soms snap ik de wereld van vandaag al niet meer”.
Van verderop klonk een gestaag gebonk. Een heimachine sloeg palen in de bodem. Fantastisch, eeuwenoud polderland werd onderworpen aan de vooruitgang.

“Ik denk dat boerenhuizen snel in waarde zullen stijgen”.
Arnold bracht een gesprekonderwerp terug dat zijn vader als afgedaan beschouwde.
“Bovendien heb ik wat eigen geld gespaard”.
Pa Zwarthoed stak zijn hand op naar een passerende automobilist.
“Aan een oud huis moet je voortdurend werken. Er komt geen einde aan”.
Ze liepen verder en bereikten de openstaande deur van het café. Het was een lokaal zonder pretenties, met een biljart in het midden. Tegen een muur stond een vitrinekast van somber hout. Achter glas prijkten bekers en medailles van de ruiterij en vaantjes van de jaarlijkse wedstrijd biertappen. Zo’n uitstalling geeft uitdrukking aan de onderlinge verbondenheid van de burgers.
Ze namen plaats aan een tafeltje bij het venster. Uitzicht alweer op de oude dorpskern. Arnold verdacht zijn vader ervan, dit met opzet te doen. Toch wekte het meer mededogen dan wrevel in hem op.
“Hoeveel spaargeld heb je dan?”
Arnold stak twee vingers op naar de barman. Deze leek echter blind of anders wachtte hij op een seintje van de wethouder.
“Twintigduizend”.
Pa Zwarthoed liet van schrik een wind. Het moest tot aan de bar te horen zijn.
“Wat zegt je daar? Twintig mille!?”
De barman meldde zich en vroeg naar de bestelling. Ze namen een broodje kaas en een glas melk. Zo vader, zo zoon.
“Waar komt dat geld in godsnaam vandaan?”
“Handeltje hier, handeltje daar. De brommer heeft ook bijgedragen”.
Pa Zwarthoed keek uit het raam. Zijn vingers trommelden op het tafeltje.
“Godsamme”.
Het viel niet op te maken of dit een compliment was of een uiting van bezorgdheid.
“Staat dat geld op de bank?”
Nee, onder een dekzeil in de garage.
Arnold voelde dat hij op glad ijs kwam. Stel je voor dat de werklui de rugzak hadden gevonden en de inhoud verdeeld. Dan stond hij, Arnold, met een mond vol tanden.
“Natuurlijk niet. Dan krijg je gedoe met de belastingdienst”.
De oudere Zwarthoed maakte een vreemd geluid. Het klonk als hikken.
“Ik zal erover nadenken. Vanavond heb ik tijd genoeg, want er is een slaapverwekkende vergadering”.

Thuisgekomen, trok Arnold een flesje bier open. Hiermee liep hij naar zijn kamer, zette de transistorradio aan en ging op bed liggen.
Ik drink, dus ik besta.
Hij goot het flesje langzaam leeg, trok zijn broek en sokken uit. De zomerwarmte liet zich ook hier gelden. De radio benadrukte deze ervaring. Mungo Jerry, een mannetje met onmogelijke bakkebaarden, zong een vrolijk lied: In the summertime when the weather is fine, you got women you got women on your mind..
Hij sloot zijn ogen. Beelden en herinneringen begonnen dooreen te vloeien. De radio meldde dat onderhandelingen tussen de Amerikanen en Noord Vietnam waren vastgelopen. Alles kwam samen in een onoverzichtelijk rangeerterrein: de slaap.

Hij werd gewekt door Trudie. Ze betrad zijn kamer en kneep gelijk haar neus dicht.
“Boefaloeza! Wat een vieze lucht hier. Wat is hier aan de hand?”
Arnold lachte, een lach die overging in een korte hoestbui.
“Ik had ze voor jou opgespaard”, antwoordde hij tenslotte, “waarom ben jij eigenlijk hier vandaag?”
Trudie opende het venster, zwaaide demonstratief met het ruit heen en weer.
“Weggestuurd. Ik moet afkoelen. Dat zeggen ze”.
Arnold zag een mijnenveld aan problemen opdoemen. Veel zin om echt te luisteren had hij niet.
“Kom eens hier.” Trudie ging op het bed zitten.
“Leuk dat je thuis bent. Kusje”.
Hij zoende haar in haar hals en op de mond.
“Dat is waar ook: in mijn jaszak zit een cadeautje voor je”.
En weg was zijn zus. Ze donderde zowat de trap af.
Het flesje parfum dat hij eerder had gekocht, moest nog in zijn jas zitten. Met enige moeite kwam hij overeind, haalde uit de wandkast een zwarte broek en een lichtgrijs sweatshirt zonder opdruk. Trudie was alweer boven. In de badcel ging ze zich besprenkelen. De geur drong door tot Arnolds neusgaten. Hij dacht aan Jenny.

De aarde is groot en de mens onbeduidend. Toch ziet elk levend wezen zich als het middelpunt waar de werkelijkheid omheen wordt gebouwd. Arnold leefde op niet meer dan een handvol vierkante kilometers. Voor het huis aan de provinciale weg kwam hij tot stilstand. Hij stapte niet uit. Hij keek zomaar een poosje naar het leegstaande pand, de bomen en het erf van gras. Hij had de rugzak uit de garage gehaald en twintig duizend Duitse marken afgeteld. De rugzak was hierna iets minder vol, maar veel maakte het niet uit. Uit een soort bijgeloof wilde hij niet weten hoe groot het totale bedrag was. Op een of andere manier intimideerde de rugzak hem.
Rond het woonhuis gebeurde niets. Er was niemand en geen dier liep er te grazen. Na een minuut of vijf startte Arnold de auto en reed verder.

De kanaalbrug stond open. Een woest beschilderde trawler dreef naar de stad. Het schip was oud en gebutst. Het dek was afgeladen met jonge mensen. Ze luisterden naar een gitarenband die bovenop de kajuit tekeer ging. Er hing ook een spandoek, maar de tekst was met geen mogelijkheid te ontcijferen.
Arnold liet de ruiten van zijn auto dicht. De ventilator voerde voldoende koele lucht naar binnen. Even later stoof hij over de Kade, scheurde over het circuit, passeerde De Tsarina en dook onder het spoor door. Hier moest hij afremmen voor een overstekende bakfiets. Een oude man duwde de kar dwars over de straat. Verleden, heden en toekomst lopen door elkaar. Je moet de beelden alleen weten te duiden.

Het centrum van het kunstenaarsdorp was gevormd rond een driesprong. Op de kop stonden hotels en cafés. Allang was de gemeente gekend als een toeristenplek. Zelfs Duitse soldaten moesten hier genoeglijk hebben rondgeslenterd, als beloning voor hun moordpartijen aan het oostfront in Rusland. Langszij de toegangsweg was een plein, chaotisch bebouwd met kiosken in een goedkope bouwstijl. Ook stond er een oude locomotief op een verhoging. Arnold wist er allemaal weinig van. Hij kende voornamelijk de horeca gelegenheden en de zeeweg door de duinen. Hij parkeerde de auto en zeilde neer in De Pilaren. Hier bestelde hij een zwarte koffie.

Omdat het nog geen acht uur was en hij hier nog lang genoeg zou zitten, stond hij al vlug weer op en zette koers naar de andere kant van de beroemde ruïne, een bouwval op een geschoren grasveldje recht tegenover De Pilaren.
Het vervallen café op de hoek bood enige hoop. Het hing uit het lood zoals het hoort bij historische panden en had een goede naam: Taverne.
Arnold stapte naar binnen en keek rond. In het midden stond een leestafel vol kranten en geglazuurde asbakken. Links en rechts waren tafeltjes en stoelen, het gebruikelijke werk. Aan het plafond hingen zwart geverfde geluidsboxen. Hieruit bulkte muziek van de Plastic Ono Band, zeer in de mode. De gitaren deden denken aan wanhopig remmende vrachtwagens. De stem van John Lennon sneed er verontwaardigd doorheen.
I wish I was a woman, I wish I was dead.
John had goed geluisterd naar zijn muze: de Japanse artbitch Yoko Ono.
Bij het raam zat een magere man met een baardje en een leesbrilletje te schrijven in een boekje. Zijn hand bewoog in golven van telkens enkele seconden, als ontving hij voortdurend aanvullende stukjes informatie. Arnold had aanstonds een hekel aan hem. De bar werd bevolkt door drie vrouwen en evenveel heren, allemaal beter dan gemiddeld gekleed. Misschien waren het lui met een eigen kantoor. Aan de kust is altijd emplooi voor makelaars en financiële adviseurs.
Hij overwoog een cola te bestellen, maar het leek hem beter eerst iets weg te brengen. Daarom begaf hij zich naar de wc en deed op z’n gemak zijn behoefte.
Zo, hier zie je voorlopig geen ander.
Terug in het café. De geluidsboxen stootten een deinend nummer de ruimte in. Zanger noch titel van de song wilden Arnold te binnen schieten.
Hij zette zich aan de bar en trok een asbak naar zich toe en zweeg. De barman was er een van de doorgewinterde soort: in de veertig, de sterke armen voorzien van een tatoeage.
“Wat zal het zijn?”
“Colaatje”.
“Met of zonder ijs?”
“Geen wielen”.
Handelingen volgden. De avond was nog jong. Arnold keek toe.
Caféhouders weten wat er leeft. Klanten hangen aan de bar en luchten hun hart. Een mooie gelegenheid om een paar inlichtingen in te zamelen.
“Ik heb straks een afspraak met Filarski. Kent u hem?”
De barman wierp een snelle blik op zijn gast en toverde de cola uit de koeling. Met een korte slag plaatste hij de bestelling op de tap.
“Ik wil die naam hier niet horen”.
Arnold knikte. Hij probeerde zijn gesprekspartner neutraal aan te kijken.
“Interessant. Kunt u ook zeggen, waarom?”
“Niet in mijn café”.
“Ik stel toch maar alleen een vraag. Ik heb die man nooit ontmoet”.
De barman wierp zijn glazendoek op het kasboek en stak een sigaret aan. Plotseling greep hij Arnold bij de linkerpols.
“Wat heb ik nou gezegd? Ben jij doof of zo?”
De greep was krachtig, om niet te zeggen knellend. Arnold slikte iets weg en probeerde zijn evenwicht te hervinden.
“Mag ik mijn hand terug?”
“Gewoon doen wat ik zeg, jochie. Wat denk je wel! In mijn café wil ik geen smeerlapperij. Drink je cola op en verdwijn”.
De greep van de barman werd een bankschroef. Nog even en de pols zou het begeven.
Arnold grijnsde dapper. Zijn arm deed hevig pijn. Benauwd keek hij opzij. De bezoekers aan de bar hadden hielden zich afzijdig. Hun ruggen waren naar het conflict toegewend.
“Laat los. Je doet me pijn”.
“Dat moet ook. Dan luister je beter”.
Het pennenmes. Het pennenmes.
Onopvallend tastte Arnold in zijn rechter broekzak. Hij viste het pennenmes van Trudie omhoog en werkte met duim en wijsvinger het foedraal van het lemmet. Hij voelde een diepe woede in zich opstijgen, de razernij van een dier.
Tijd is een besef, verbonden aan de intensiteit van het moment.
Hij hief zijn rechterhand en stootte het pennenmes rechtstandig in de pols van de barman.

Het volgende moment rende hij over straat. Zijn hart bonkte wild en hij hijgde als een paard. Op hetzelfde moment werd hij op een haar na aangereden door een auto.
Via een omweg bereikte hij de Pilaren. Hier bestond een andere wereld: van traagheid en elegantie, de zelfbewuste superioriteit van de ontwikkelde mens. Arnold liep meteen door naar de toiletruimte, waar hij zijn handen met pennenmes en al onder de waterstroom bracht. Hij keek in de spiegel en herkende zichzelf niet.
Zo stond hij geruime tijd. Langzaam kreeg hij weer greep op zichzelf. Hij spoelde zijn mond om, bevochtigde zijn gezicht en droogde zich met zijn mouwen.
Hij trok een paar gezichten tegen zijn eigen spiegelbeeld en moest plotseling lachen. De spiegel is uitgevonden om de mens ervan te overtuigen dat hij bestaat. Ondanks de pijn in de arm die door de barman was gemolesteerd, voelde hij zijn kracht terugkomen.
Met toiletpapier veegde hij het mesje schoon en borg het weg.

In het café ging alles zijn kalme gang. De kelner verschafte hem een glas melk en twee aspirines. De druk achter zijn ogen week langzamer dan hij wenste. Wat kon de barkeeper van de Taverne in vredesnaam tegen hem hebben? Hij besloot verder binnen te blijven. De kans op verdere confrontaties leek hier geringer dan op buiten.

Jenny vulde de deuropening. Je kon zien dat ze hier vaker kwam. In haar kielzog haar vader, de man die Arnold eerder had gezien in de oranje auto van Vincent.
Barry. De neukende huisbaas van Iris. Afperser van Vincent. Waar begin ik aan.
Arnold stond op en voelde zich een beetje absurd. Hij onderging de gebruikelijke plichtplegingen. Een handdruk. Van Jenny ontving hij een vluchtige kus. Er werd besteld: twee koffie en een glas thee.
“Dus jij bent Zwarthoed Junior. Het is goed eens kennis met je te maken”.
Arnold ving de blik van de kelner, een professional, even onzichtbaar als waakzaam.
De man veegde langs zijn neus. Je kon denken aan inbeelding. Het voelde aan als een waarschuwing.
“Meneer Filarski”.
Meer woorden schoten Arnold even niet te binnen. Hij zag dat er schaafplekken op het gezicht van Jenny’s vader zaten. En Pa Filarski zag dat Arnold hiernaar keek. Zaak om snel en soepel het gesprek te openen.
“Meneer Filarski. Ik was daarnet in de Taverne. Kent u het café?”
Hij wisselde een snelle blik met Jenny, maar vond geen aanknopingspunten.
“Ach ja, hier schuin tegenover. Meer iets voor jongelui overigens”.
Pa Filarski klonk ontspannen, als een man die naar een spelprogramma op de tv heeft gekeken en er nog even uit wil voor hij onder de wol kruipt.
“Uw naam viel daar toevalligerwijs. Enig idee wat er gebeurde?”
“Geen idee. Wat kan er gebeuren?”
“De barman viel mij plotseling aan. Ik moest de straat opvluchten om aan hem te ontkomen”.
Arnold haalde zijn sigarettendoosje tevoorschijn en opende de kartonnen klep.
Hij presenteerde Jenny en haar vader. Zijn linker pols stond in brand.
“Kijk maar. Ik kan mijn arm nauwelijks bewegen”.
Veel indruk maakte de toelichting niet. Ieder voelt slechts zijn eigen pijn.
“Maar ik heb hem afgestraft”.
“O ja?” Desinteresse en ongeloof hoorde Arnold in de minimale reactie Zijn boosheid was nog niet diep weggezakt. Hij zou Barry meteen even laten weten waartoe hij in staat was.
“Ik vroeg hem twee keer op te houden”.
“Ja ja”.
“Toen dat niet hielp heb ik een pennenmes dwars door zijn pols gejaagd”.
Hij haalde het bewijsstuk boven tafel en toonde het kort.
“Daar had die kerel niet van terug”.

Zwijgend roerden ze in hun koffie of thee. De lepeltjes tinkelden tegen het aardewerk.
Filarski schoof het meegeleverde koekje helemaal in zijn mond en begon te malen.
Hij ging niet verder in op de kwestie en ook Jenny zweeg. Arnold wierp tersluiks een blik in haar richting, maar deze werd niet beantwoord. Toch voelde hij tevredenheid: met de aanvankelijke neerbuigendheid in zijn richting was het in ieder geval gedaan.
Hij pakte zijn glas thee, bevond dit als te heet en zette het weer neer.
“De reden waarom ik Jenny vroeg u mee te brengen”.
Dappere jongen. Hij zat toch maar tegenover een man met de leeftijd van zijn eigen vader. En dan nog Jenny erbij. Even voelde hij zin het bijltje erbij neer te gooien. Je kon gewoon opstappen. Wie zou hem tegenhouden?
“Straks. Laten we liever eerst rustig koffie drinken”.
Misschien had ook Filarski tijd nodig. Maar het leek er eerder op, dat hij het initiatief wilde terugnemen. Zijn tong bewoog binnensmonds langs zijn voortanden. De koffiepauze was van korte duur.
“Zeg Arnold. Ik hoor vreemde berichten over jou”.
Arnold voelde spanning in zijn lichaam terugkeren. Wat kon je zeggen?
“Daarom wilde ik eens kennis met je maken”.
Arnold vroeg zich af waar het heen ging. Wanneer je wilt kennismaken met iedereen die zich vreemd gedraagt, blijf je aan de gang.
“Je gaat immers om met Jenny”.
Nou. Omgaan.
Je mond houden, dat leek het beste.
“Je zou op eigen gezag in De Tsarina zijn geweest en wel precies op de avond dat ik daar een lelijke smak van de trap heb gemaakt”.
Denken onder druk, kun je dat nog denken noemen? Arnold voelde zich geroepen te reageren. Impulsieve mensen hebben moeite rustig af te wachten wat er gebeurt.
“Dat heb ik daarstraks besproken met Vincent. Heeft hij er niets over gezegd?”
Filarski’s verbazing was zonder twijfel oprecht.
“Wil je beweren, dat jij daar echt bent geweest?”
Jenny maakte aanstalten iets te zeggen, maar hiervan kwam niets terecht. Misschien was ze boos omdat Arnold er tegen haar niets over had gezegd, bijvoorbeeld toen hij de Myon opeiste. De glimlach die ze voortbracht, stond haar niet.
“In ieder geval heb ik u niet gezien en met een val van de trap heb ik zeker niet te maken”.
De waarheid kent vele gezichten. Arnold voelde dat hij niet overtuigde, maar Filarski was er niet op uit de genadeklap uit te delen.
“Dat kan. Ik heb daar tenminste alleen maar sterretjes gezien”.
Het was ongetwijfeld bedoeld als grapje. Arnold lachte niet. Hij herstelde zich.
“Volgens mij was er weldegelijk iemand. Ik kwam bij De Tsarina na een lange zoektocht. Die avond was mijn brommer gestolen. Ik vond hem terug achter het café. Iemand moet hem daar toch hebben neergesmeten”.
Omdat het stil bleef na zijn woorden, voegde hij er nog iets aan toe.
“Ik geloof niet in toeval. Alles heeft een oorzaak, een reden”.

De ober schoof met een stalen gezicht tussen zijn klanten. Hij was een professional.
“Wilt u misschien iets lekkers bij het drankje?”
Arnold greep de gelegenheid om uit de tang te ontsnappen meteen aan.
“Ik lust wel wat bitterballen”.
De Filarski’s behoefden niets. Ze kwamen juist van de eettafel thuis of anders deden ze hun best om Arnold te isoleren. Als enige eten in een gezelschap, is immers niet leuk.
De ober verdween, maar Arnold voelde zijn ergernis toenemen.
“Er was overigens nog iemand daarginder”.
Iemand die zich afvroeg waarom een oudere man midden in de nacht een gesloten café binnendringt.
“Zo, wie was dat dan?” De aandacht was terug.
“Ik noem geen namen”.
“Waarom niet?”
“Ja, waarom eigenlijk niet?”
De bijdrage van Jenny was die van een papegaai.
“Omdat ik mij alleen met eigen zaken bemoei, daarom”.
Pa Filarski wreef zich eens over zijn kin en vouwde zijn handen tot er vingerkoten knakten.
“Het is interessant met jou te praten jonge vriend, maar niet gemakkelijk”.

Een half uur later stond Arnold buiten. Er waren nogal wat mensen op straat. Onbezorgde jongens met hun vriendinnen en goed geklede volwassenen. Er klonken Duitse woorden. Hij verwijderde zich gestaag van de Pilaren. De ober had gemeld dat er geen bitterballen meer waren. Het leek een aansporing om op te krassen. Vader en dochter Filarski hadden nog iets te drinken besteld, maar Arnold vond het mooi genoeg.
Kalm was hij overeind gekomen, had eenvoudig gegroet en was vertrokken zonder opgave van redenen.
De ontmoeting had hem energie gekost, maar gaf reden tot enige tevredenheid. Nu wilde hij zijn zinnen verzetten. Om te beginnen liep hij naar de automatiek op het plein om een kroket te trekken. Helaas: de zaak was dicht, de muur met etenswaren donker. Er was een verbouwing gaande.
Het had weinig zin nog langer rond te lopen. Hij stapte in zijn auto en ragde over de klinkerwegen van het dorp tot aan de doorgaande asfaltweg. Na een gat van weilanden bereikte hij de stadsrand. Achter de eeuwenoude basiliek parkeerde hij en begon aan een voettocht naar de Zwarte Beer.

Het blues café organiseerde een feestje voor intimi. Hiertoe had men de buitendeur voorzien van een handgeschreven tekst waarop de gewone klandizie de toegang werd ontzegd. Demonstratief loerde Arnold naar binnen. Hij zag geen bekenden. Dat viel weer mee. Te horen was, dat een plaat van Rob Hoeke werd afgespeeld. Er zat niets anders op dan door te lopen naar een andere gelegenheid.
Hij slenterde door een winkelstraat, hierbij de zaak passerend waar hij zijn brommer had verkocht. Het werd nu snel echt donker. Lantaarns floepten aan. Hier en daar reed een fietser. Uit een snackbar waaierde de geur van gebakken vis. Onmiddellijk zette hij hierheen koers. In de zaak brandde het witte licht van een batterij TL. De deurbel rinkelde alsof er brand was. Binnen stonden een paar klanten te wachten op hun bestelling. Vis was er niet. Misschien gebruikte de ondernemer vet waarin eerder vis was gebakken. Arnold nam een zak patatten en betaalde meteen.
Eenzaam eten aan een plastic tafeltje. Bladeren in een buurtkrant. Oppassen dat je geen blaren op je tong krijgt. De patat smaakte hem niet. Een blikje Sinas diende om de nare smaak weg te spoelen. Onbevredigd verliet hij de zaak.
Eenmaal buiten, zag hij dat het weerlichtte. Bijbehorende geluiden bleven uit. Misschien was het onweer heel ver weg, ergens boven zee.

Hij duwde de deur van Doublecross open, om meteen op een tweede barrière te stuiten: een zwaar lederen gordijn. Hierachter bulkte verwoestende herrie. Led Zeppelin moest wel te horen zijn tot in de stratosfeer, als het huisorkest van God zelf.
Er waren flink wat lui aanwezig. In het voorbijgaan ontwaarde hij Sonja met drie zwarte junks. De gasten zaten als tegen de muur gespijkerd met de mond open. Sonja zag Arnold aanstonds en zwaaide met een vuist. En verdomd nog aan toe: daar had je een troepje, bestaande uit de complete gebroeders Dalton, Sjoerd en een paar onbekenden. Het leek erop dat de gevangenisdeuren vandaag waren opengezet. In hun gezelschap verkeerde een magere kerel met een kaalgeschoren hoofd waar een gekleurde band omheen geknoopt was. Het leek wel een straatvechter. Hun hoofden volgden Arnold zonder dat hij terugkeek.

Aan de bar bestelde hij een glas witbier, goot dit voor de helft naar binnen en wenkte andermaal de barkeeper. Het was dezelfde die hij eerder een glas naar zijn hersenpan had willen werpen.
“Heb je wat te eten?”
“Wabblief?”
Hij schreeuwde door het geweld van Zeppelin heen.
“Brood! Soep! Paling!”
Naast hem klonk gelach. Hij zag een vrouw. Ze had donkere, kortgeknipte haren.
“Alleen tosti’s ? Vooruit maar. Met kaas! Alleen kaas ja. twee!”.
Hij wierp een onderzoekende blik op de vrouw naast hem en goot het restant van het bier naar binnen. Zijn linker pols zond klopsignalen uit.
“Hoi”.
Op dat moment herkende hij haar: Miriam, de ex van Gerben.
“Dag Miriam, leuk je te zien”.
Het streelde haar zichtbaar dat hij haar naam wist.
“Ben je alleen?” Ze vroeg het aan hem.
“Ja, het is koud en eenzaam op de berg”.
Miriam haalde haar schouders op.
“Beter alleen dan samen in een slechte relatie”.
Arnold trok zijn wenkbrauwen op.
“Dat is omdat je er teveel van verwacht”.
Zo stonden ze een paar minuten, onwennig met de situatie. Arnold vroeg maar wat.
“Is het zo erg?”
Ze trok een gezicht.
“Je geeft geen antwoord omdat je denkt dat ik het zal doorbrieven aan Gerben”.
Een kort moment legde hij zijn hand op haar onderarm.
“Het komt door de partij waar je lid van bent. Jullie wantrouwen alles en iedereen”.
Miriam liep niet weg, ze moest een beetje lachen.
“Communisten kennen de wereld niet. Ze praten maar wat in hun armetierige salons over hoe de wereld er zou moeten uitzien. Zou moeten”.
“En wat is daar verkeerd aan?”
“In een communistisch land moet ik de hele zaterdag meedoen met het collectieve vaandelzwaaien. Dat is er mis mee”.
Muziek daverde door de zwarte kroeg. Crosstown Traffic, Crosstown Traffic.
Je werd meegevoerd in de chaos van een wereldstad, een stad zoals nergens in Nederland.
Voorlopig behoefde er even niet gesproken te worden, want de tosti’s waren klaar. Arnold gaf ongevraagd de helft aan Miriam en keek de zaak rond zonder iets op te merken.
Gewoon even eten. Op een politieke discussie zat hij even weinig te wachten als op uitleg over Miriams ruzies met Gerben. Zijdelings nam hij haar postuur op. Een snelle, fotografische blik was het, in zijn hersens onmiddellijk geanalyseerd in termen van aantrekkelijkheid. Miriam kreeg een zeven.
“Waarom lach je?” Ze schreeuwde, dat moest ook wel.
Zijn mond zat vol knapperig brood, gevuld met hete kaas. Dan maar een andere oplossing bedacht. Hij nam een bierviltje van de bar en pakte zijn balpen en schreef neer:
“Gerben is een vriend. Maar van wie?”

Het toilet was voorzien van een nieuwe pot. Tenminste, zo leek het in het wazig blauwe licht dat hier als plafond diende. Er hing desondanks een diepe mensvijandige geur.
Arnold liet zich uitgebreid leegstromen. Hij besloot nuchter te blijven en geen bier meer te bestellen. Was dat trouwens Sonja geweest, dat lelijke wijf bij de muur?
Bij zijn terugkeer was Miriam inderdaad verdwenen. Aan de bar stonden vrij veel mensen, maar geen kleine donkerharige vrouw. Het leek beter zelf ook op te stappen.
De doorgang langs de bar werd hem evenwel onmogelijk gemaakt door het groepje onverlaten dat hij bij binnenkomst had gezien. Ze stonden elkaar in de weg.
“Zo Zwarthoed, aan de wandel?”
Arnold keek in een gezicht dat past bij een leven van geweld en vuilnisbak. De kale kerel, een volwassene die hier niet thuishoorde, had kennelijk de leiding. Achter hem stonden nog andere ongure types. Er werden Duitse woorden gewisseld.
“Wat moeten jullie? Is er vergadering of zo?”
“Bevalt het feestvieren van andermans geld een beetje?”
Arnold was snel van begrip. Hier kon alleen een vechtpartij van komen. Hij boog naar de man alsof hij iets belangrijks ging zeggen. Op hetzelfde moment deelde hij een kopstoot uit. Zijn voorhoofd sloeg tegen een gezicht. Gevolgd door een flinke trap op kniehoogte en nog een vuistslag. Het publiek schrok en deinsde achteruit. Gevochten werd er zelden in cafés voor jongeren.
Arnold begon hij naar de uitgang te vluchten. Hij stortte zich tussen de mensen. Het bleek een heel eind tot de gordijnen. Hij hoorde nog juist hoe Sonja hem in het voorbijgaan uitschold. Eenmaal buiten, zette het op een lopen, schoot een steeg in en rende voort in hoog tempo. In een portiek bleef hij staan om op adem te komen.

Het café op de hoek van een woonstraat was ingericht met bielzen tafels en grenen stoelen. Nooit eerder was Arnold hier binnen geweest. Bij het vuur van een open haard speelde een groepje veertigers dixieland, een muziekgenre dat door blanke provincialen vaak werd aangezien voor jazz. Arnold besteeg een barkruk en liet cola en een dubbele saté met stokbrood komen. Honger had hij, altijd maar honger. Verwonderd constateerde hij dat uitgerekend in deze tent sigaretten van zijn merk werden verkocht. Eindelijk kon hij ontspannen: zijn jas uittrekken en lekker uitzakken. Hij trok een tijdschrift naar zich toe. Hierin stonden de laatste modellen van BMW.
Eenmaal klaar met eten voelde hij zich een ander mens. Tijd voor een babbeltje, maar met wie? De wereld hier bestond uit afgezakte zakenlui met hun bijzit, kantoorpersoneel en winkeldochters. Er hing een sfeer van tijdeloosheid rond dit samenraapsel aan gasten.
Een beetje verveeld sloeg hij de bewegingen gade van de barman, een man in een lichtblauw overhemd. Zijn armen toonden nergens een ordinaire tatoeage of een blinkend uurwerk. Zijn bewegingen waren langzaam en precies.
Hier een glas, daar een schaaltje, hand op tapkraan, asbakje legen.
Wanneer deze slakkenvanger binnenkort in de kelder een nieuw biervat ging ophalen, kon je wellicht zonder betalen wegkomen. Enfin, eerst maar de blaas ledigen.
Hij bewoog zich door het publiek, zwaaide het toilet in en urineerde zoals het uitkwam.
Bij zijn terugkeer was alles bij het oude. Hoewel?
Het zal toch niet waar wezen?
Bij het haardvuur zat onmiskenbaar zijn vader, Pa Zwarthoed! Naast hem een blonde vrouw, dezelfde die hem had aangesproken ten huize van de burgemeester, hoelang alweer geleden.
Birgit, ze heet Birgit.
De naam kwam glashelder bij hem op. Beiden zaten met de rug naar hem toe.
Onmachtig bleef hij staan. Natuurlijk moest hij opnieuw kijken. Het was een gezelschap van acht mensen. Drie mannen en vijf vrouwen. Ze hadden het druk met een kaartspel. Dit ging gepaard met heftige gebaren en gierende lachsalvo’s. Plotseling stonden de vrouwen op. Ze verwisselde van plek en trokken een andere man naar zich toe als die naast wie ze voordien hadden gezeten. De mannen lieten zich dit alleszins welgevallen.
“Gezellig, hè?” Een mager kereltje met een bril sprak hem aan. Het was onmiskenbaar de schrijver uit de Taverne.
“Godverdomme!” Arnold zocht naar woorden.
“Ik dacht dat jij dood was”.
Zonder zich af te vragen of de barman hem zou aanspreken op betaling, schoof hij tussen de bezoekers door naar de buitendeur.

Hij nam geen besluit, hetgeen ook neerkomt op een besluit. Ervoor wakend niet opnieuw zijn eerdere belagers tegen het lijf te lopen, nam hij de kortste weg naar de woning van Iris. De kans dat zij thuis was, leek hem gering. Gedurende de avond had zijn brein puzzelstukjes bijeen geraapt. Tijd om het ontstane beeld aan een controle te onderwerpen. Bovendien kreeg hij zin in seks. Hij haalde de sleutelbos uit zijn zak en begon deze systematisch af te werken. Bij het vorige bezoek had hij een reservesleutel van Iris bij zich gestoken.

De voordeur had schouderdruk nodig om te wijken. Arnold was voorzichtig, want zijn beschadigde pols voelde onverminderd pijnlijk aan. Omgeven door bijna volkomen duisternis begon hij drie etages te beklimmen. Hier klopte hij op haar deur.
Tot zijn verbazing was Iris weldegelijk thuis. Ze had zelfs bezoek. Het vriendenstel zag er keurig uit en schonk nauwelijks aandacht aan hem. Na een kwartier te hebben gedaan of hij niet bestond, pakten ze jas en tas, zouden nog bellen en dergelijke.
“Hier is geen telefoon”, mompelde Arnold, maar niemand ging op zijn woorden in. Op hetzelfde moment zag hij, dat op de vensterbank weldegelijk een toestel staan. Het had een felrode kleur en een toetsenblokje met cijfers in plaats van een draaischijf. Hij kon zich niet herinneren dit eerder te hebben gezien.
Iris begeleidde haar bezoek naar het trappenhuis. Met een ferme klik werd dit in fel licht gezet. Arnold volgde het klossen op de traptreden. Iris zou pas terugkeren wanneer het bezoek helemaal beneden was. Dan kon het licht weer uit.
Een beetje verveeld liep hij naar de keuken. Twee lichtgroene ogen waren vanonder een kast op hem gericht.
Ben je daar poezenbeest? Je moet voor de geheime dienst gaan werken.
Hij snoof de geuren op: wierook, koffie, iets dat aan soep deed denken. Het venster toonde een vierkant van duisternis. Daarachter lag de stad, die stenenhoop waarin het wriemelde van het leven. De tafel werd gesierd door bloemen, een bos donkerrode duizendschoon. De woning wekte al met al een ongewoon frisse indruk.

Een poos zaten ze te zwijgen. Arnold wist zich ongewenst, maar was niet van plan hieraan conclusies te verbinden. Hij wierp zijn onvrijwillige gastvrouw een peilende blik toe en begreep dat het initiatief bij hem lag.
“Iris! Wat is hier aan de hand? Ben je jarig? En je hebt telefoon!”
Ze veegde het lange sluike haar uit haar gezicht weg. Het was zo’n typisch gebaar dat zowel kwetsbaarheid als koketterie uitdrukt. Arnold keek er zonder vreugde naar. Het leek wel of hier een andere Iris woonde.
“Ik heb wat dingen aangeschaft. Dat is alles”.
Arnold knikte.
“Is er nog wat over van deze frivole feestavond?”
“Kijk maar in de keuken”.
Ze draaide een dunne sigaret van shag en vloei en kruimelde er wat blaadjes wiet doorheen. Arnold maakte geen aanstalten overeind te komen. Hij keek toe en zette zijn verstand op oneindig.
“Ik vraag me af of je mijn lief nog bent”.
“Ik heb slaap, kun je niet weggaan?”
“De avond begint met ruzie en het eindigt ermee. Dit is merkwaardig, want ik zoek er in het geheel niet naar”.
“Wat doe je hier eigenlijk?”
“Ik ben aan de praat geraakt met Barry en Jenny. Samen naar De Pilaren, ja gezellig”.
Iris keek op. Ze leek te overwegen of ze haar eigen woning zou ontvluchten.
“O ja? Ik zie hem niet meer. Dat hebben we zo afgesproken”.
“Afgesproken! Toe maar! En het initiatief lag natuurlijk bij Barry, de goeierd”.
Iris stond op. Ze haalde een nieuwe LP uit de hoes en legde deze op de draaitafel.
“Jij zegt het”.
“Je bent dus van hem af. Gefeliciteerd, prinses. Dat ik het nog mag meemaken”.
Hij geloofde er niets van. Huisbaas is huisbaas. Alleen een andere woning kon helpen. Of Barry ertoe bewegen ook in dit pand de trappen eens uit te proberen.
In de keukenkast trof hij een volle fles wijn, zeker gekregen van het vriendenstel. Het was een redelijke Cahors. Misschien moest hij toch maar een slokje nemen. Op het aanrecht lag een kurkentrekker. Het bezoek had twee gebruikte limonadeglazen achtergelaten. Noodzaak deze om te spoelen zag hij niet. Over de stad rolde het geluid van onweer.
Zonder zich af te vragen of Iris erop zat te wachten, keerde hij met de drank terug naar de woonkamer en plofte neer op een stoel, een andere dan waarvan hij was opgestaan.
“Dus, liefste. Het was een moeilijke maar leerzame avond. Eerst raakte ik in onmin met de barkeeper van De Taverne. Joost mag weten waarom. Vervolgens ontmoette ik Barbapappa en Jenny in De Pilaren, zoals ik al zei”.
Hij produceerde een schelle lach.
“Na een uur had ik het wel gezien. Ik belandde in die tent met leren gordijnen. Hier stond een complete delegatie mij op te wachten: er leken Duitsers bij te zitten. Misschien vrienden van Pino. We hebben een ogenblik overlegd”.
Overlegd. Hij schoot opnieuw in de lach.
Zonder iets aan de drankvoorziening te doen, keek hij naar Iris. Daar stond ze, bij haar stereo. Je zag de LP draaien en draaien. Arm meisje, overgeleverd aan verkeerde gewoonten en hongerige vijanden. Of lag het anders?
“Ik heb daarginder een paar tikken uitgedeeld. Er zat niets anders op”.
Zijn woorden leken gericht aan dovemans oren. Iris negeerde hem. Zou ze werkelijk liever alleen zijn?
“Lief meisje, zullen we vrede sluiten?”
Een reactie kwam alsnog. Iris klonk bits en boosheid duidt op angst.
“Ik ben je lieve meisje niet. Je bent gek, weet je dat? Niemand moet jou”.
Het laatste deel van haar betoog trof Arnold onaangenaam.
Niemand moet mij? Dat maak ik zelf wel uit.
Iris deed er nog een schepje bovenop.
“Jij denkt alleen maar aan jezelf. En iedereen weet dat jij het geld van Pino hebt ingepikt”.
“Dat zal wel. De vraag is, hoe iedereen dat weet. Toch niet van jou, prinses? Jij bent toch niet toevallig degene die dit rondvertelt?”
Een scherp weerlicht drong het huis binnen. De klap volgde onmiddellijk. Het huis leek te schudden van het geluid. Een kalmte die Arnold maar al te vaak ontbeerde, doortrok hem als een verstijving. De donder trok tentakels over de stad, stierf weg in de verte.
Hij wachtte tot de muziek ophield en het helemaal stil was.
“Vertel eens, Iris. Hoeveel geld heb jij uit die rugzak weggenomen?”
“Wat?! Gaan we op die toer? Godverdomme! Ik heb die tas alleen maar boven neergezet!”
Arnold was op slag nuchter. Dus toch! Hij reageerde evenwel alsof hij allang op de hoogte was.
“Moest je daarvoor mijn brommer wegnemen? Wie reed er eigenlijk: jij of Pino?”
Het was een gokje. Een onwaarschijnlijkheid. En toch: er viel weer een stukje op de juiste plek van de puzzel. Het leven is als het universum: een gigantische en onoverzienbare chaos, waarin pas met lef en speculatie structuren kenbaar worden.
“Hij kon nergens heen en hij had het eerlijk gewonnen!”
Arnold nam de wijnfles, zette deze aan zijn mond en nam een slok. Een volgende bliksem zette het vierkante raam in wit licht. Het lawaai was aanzienlijk, maar minder scherp.
“Eerlijk gewonnen? Nee maar! Liefste Iris, jij zat aan tafel in de Ragebol toen ik de winnende getallen invoerde. Ik betaalde zelfs het inleggeld. De afspraak was, dat Pino bij welke winst ook een honderdje van mij zou krijgen. De rest was voor mij! Wie denk je dat hier de zaak belazert, die kloterige Italiaan of ik?! Nou?”
Iris gaf geen antwoord. Mogelijk stond de situatie haar niet meer bij. Er werd zoveel gezeverd op de hangplekken.
“Als ik hier om me heen kijk, dan heb jij van de opbrengst gesnoept, nietwaar? Gelijk heb je. Mij kan het niet schelen. Als je mij bijtijds had gevraagd, dan hadden we nu samen alles. Waarom zie ik Pino trouwens nergens? Waar is hij gebleven?”
“Hij zit vast. De politie heeft hem opgepakt”.
Arnold nam opnieuw een teug. En nog eentje.
“Iris, dit is geweldig nieuws. In de bak met die zak, ha!”

Print Friendly, PDF & Email

Eén reactie

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.