BLINDGANGER, Hoofdstuk VIII

| Geen reacties

De telefoon ging over.
“Arnold Zwarthoed”.
Een ogenblik was hij ervan overtuigd, dat het iemand van Defensie was. Een ambtenaar die vrijwillig was aangewezen om hem te zeggen dat de vrijstellingsbrief aan een ander verzonden had moeten worden. Er zijn immers meer Zwarthoeden in de wereld.
“Met De Zwaan. Mijn vrouw kan vandaag niet komen. Ze is ziek”.
Het was een flegmatiek stemgeluid, behorend aan iemand die vrede heeft met het bestaan. Arnold bedacht, dat hij de werkster nog niet had gemist.
“Dat is vervelend, meneer De Zwaan. Is het ernstig?”
De menselijke geest gaat z’n eigen gang. Arnold dacht meteen aan een ongeneeslijke ziekte, een fataal gezwel, een sluipmoordenaar die uit het putdeksel omhoog is gekomen.
“Ze heeft longontsteking. Dat zegt de dokter”.
“Wens haar beterschap van mij. En zeg dat ze zich geen zorgen maakt”.
Beterschap namens Arnold Zwarthoed. Als mevrouw De Zwaan dit te horen kreeg, zou ze minstens een maand wegblijven.
Het gesprek was ten einde. Arnold legde de telefoon neer. Mevrouw De Zwaan was ziek, de onverwoestbare geveld. Geen hatelijke stofzuiger, kletterende afwas, de radio op Nederlandstalig zangtalent, maar evengoed geen warme prak, gewassen broeken, de kranten op een stapel, nieuwtjes uit het dorp.
Kan je het leven van een mens op deze respectloze manier samenvatten? Heeft iemand daartoe het recht?

Hij posteerde zich voor het venster, zag het groen wiegen in de wind en voelde voor het eerst in tijden geen aandrang iets te gaan doen.
Met een flesje frisdrank in de hand liep hij de trap op, nam in zijn kamer plaats achter zijn schrijftafel en schakelde de bandrecorder in. Oude herrie van de juiste soort schalde door het huis. Nummers van The Who. De drummer schopte zijn drumstel over het podium. Zo kon je zien hoe hij over de burgermaatschappij dacht. Arnold zette het apparaat af. De schrijftafel herinnerde hem aan de schoolgang.

Een uur later begaf hij zich te voet naar Garage Zwarthoed. In zijn binnenzak stak een enveloppe met flink wat geld. Het waren solide Nederlandse bankbiljetten van 100 gulden, voorzien van een streng portret. Met de auto was hij naar Amsterdam gereden om Duits geld te wisselen. Aan een brede straat nabij het station zat een wisselkantoortje, verstoken tussen twee machtige panden. Het ging simpel en soepel. Achter een ruitje van gewapend glas zat een Aziatische man te roken. Naar een paspoort of rijbewijs werd niet gevraagd. Arnold wisselde een fors bedrag, maar durfde niet met de volle 20 mille aan te komen. Naderhand moest hij naar een bank om de kwestie af te ronden. Tenslotte was hij vermoeid neergestreken in een café dat aan een aquarium deed denken. Er kwam geen personeel opdagen.

Bij het betreden van het terrein van Zwarthoed BV keek hij rond. Zijn ogen registreerden de werkelijkheid die altijd prozaïsch zal zijn en toch vol drama is.
Een gebouw. Een benzinepomp. Een rijtje gepoetste occasions.
Hij besefte te vroeg te zijn, maakte rechtsomkeert en liep het dorp in. Hij betrad Café Tramzicht en liet zich een broodje kaas plus een glas melk brengen.
Was het wel een goed idee om een leven in de garage aan te gaan? Studeren kwam hem ineens voor als veel gemakkelijker. Dat hij vrijstelling van militaire dienst had gekregen omreden dat zijn vader dit had afgedwongen, ontsnapte aan zijn aandacht. Zo gaat het met jongens die nog geen man zijn. Ze nemen teveel aan als vanzelfsprekend.
“Wat kijk je zuur, Zwarthoed. Herrie met je ouwe heer?” De kroegbaas.
“Ik ben afgewezen voor militaire dienst, zonder opgaaf van redenen”.
Ergens speelde de kwestie toch in zijn gedachten.
“Daar ben je dan mooi vanaf! Gefeliciteerd. Het is immers zonde van je tijd”.
Een eeuwenoud besef dat oorlog duur en zinloos is, zit de Hollanders in het bloed. Net als de tegenzin om bevelen op te volgen. Militaire dienst is meer iets voor Brabanders en boeren uit de Achterhoek.
“Wat u zegt”.
De barman schonk koude melk in.
“Nogmaals van harte, jongen”.
Van de kroegbaas kon Arnold de term jongen wel verdragen.

De meeste mensen vinden het gemakkelijk wanneer anderen voor hen beslissen. Het brengt structuur en als het fout gaat kun je de schuld afschuiven.
Arnold behoorde tot een andere soort. Hij had zich wel zorgen gemaakt over de vraag wat militaire dienst voor hem ging betekenen, maar dit had hem niet weerhouden zijn eigen wensen onverminderd na te jagen. Zoals de aankoop van het boerenhuis. Met het bericht van Defensie sprongen alle verkeerslichten weer op groen, zo moest je het zien. Het werd tijd voor gerichte daadkracht.
Nu de werkster ziek was en voorlopig niet zou komen, had Arnold de rugzak in de kast van zijn kamer gezet. Hij haalde er een kleine stapel biljetten uit en borg deze in zijn portefeuille. Vervolgens ging hij douchen met de deur van de badkamer wijd open.
Douchen is voor het onderhoud van het lichaam tamelijk overbodig. De mens heeft het duizenden jaren zonder moeten stellen. Wel is het een mooi ritueel, symbool van reiniging en vrijmaking. Het is een door loodgieters mogelijk gemaakte ervaring.
“Daar ben je dus!”
Ze wist hem altijd weer te overrompelen. Trudie stond in de deuropening, haar ogen stijf dicht. Ze hief een grote handdoek op.
“Ik zal niet kijken!”
Arnold draaide de kranen dicht en wreef zijn oogleden droog.
“Trudie! Wat ben je vroeg”.
“Tandarts. Met kiespijn kom je altijd gemakkelijk weg”.
Hij pakte de handdoek aan, verborg zijn hoofd erin en wreef zijn hoofd omstandig.
“Krijg ik niets? Ben ik daarvoor thuis gekomen?”
Ze trok de handdoek omlaag. Mensen krijgen nooit genoeg aandacht.
“Kusje!”
Nederig boog hij zijn hoofd, ontving de kus.
“Ik wil ook douchen, schiet eens op”.
Ze stapte de badruimte binnen. Hij had alle gelegenheid naar buiten te stappen, zich te onttrekken. Ze had wat moeite om haar kleding uit te trekken. Hij hielp haar, liet de handdoek vallen, zette de kranen weer aan, zocht de juiste temperatuur, maakte plaats, pakte de shampoo om haar haren te wassen, haar huid te betreden, van rug naar voorzijde, van boven naar onder.
“Is het mijn schuld dat mama dood is?” Een vraag in de stromende regen.
Arnold schrok en trok zijn handen terug. Ruzies, geschreeuw en pesterij vormden het beeld van jaren her. Moeders houden onvoorwaardelijk van hun kinderen, maar niet elke dag. Dacht zijn zus over die dingen na?
“Jouw schuld? Er is geen schuld. Het was immers een ongeluk”.
Trudie boende haar hoofdhaar of ze door vlooien werd belaagd.
“Een ongeluk? Ik weet dat papa haar van de trap heeft geduwd”.
Arnold kende het verhaal. Het was onbewezen. De politie had een enkele vraag gesteld en daarmee was het gedaan. Desondanks kon je er beter over zwijgen.
“Zeg er maar niets over tegen andere mensen. Het is een geheim tussen ons”.
In de keuken bereidde hij de lunch. Je moest met Trudie aan tafel eten, anders draaide het uit op chaos. Borden en bestek, het broodmandje, de hele rataplan in vaste slagorde.
“Ga je een schilderij voor me maken vanmiddag?”
“Een collage. Hoe groot?”
Arnold wees zowat een vierkante meter aan.
“Mag het dan aan de muur hangen?”
“Alleen wanneer je goed gewerkt hebt”.
Hij belde Bertine op haar werk. Zonder de vraag werkelijk te stellen, peilde hij haar bereidheid in de avond wat te gaan stappen. Het antwoord was voorspelbaar afwijzend. Maandag is een werkdag. Arnold moest eens leren zijn wensen in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid van anderen. Hij hing weer op.
“Ik moet weg. Op de terugweg haal ik Chinees”.
“Nee! Ik wil gebakken aardappels. En sla. En een kip. Anders geen collage. En gele vla. Zal ik het opschrijven?”
Arnold stond erbij te kijken. Trudy leek waarachtig mevrouw De Zwaan wel.

De Provinciale Weg lag er leeg bij. Het weer toonde een wezenloos mengsel van dampige wolken, een vrij hoge temperatuur en nauwelijks wind. De motor van de BMW gromde in regelmaat en kracht. Formidabele techniek is een pijler voor welke toekomst dan ook. Ooit dreunden er BMW motoren in Duitse jachtvliegtuigen, door Hitler uitgestuurd om oorlog te voeren. De oorlog werd verloren, maar BMW bleef.
Arnold reed naar een adres gelegen aan een smalle zijweg van de doorgaande route. Het betrof een kleine nieuwgebouwde bungalow. Aan de poort hield een zwarte bouvier de wacht.
Zonder acht te slaan op het blaffen van de hond, liep hij het erf op en belde aan. Een nonchalant geklede man op leeftijd deed open.
“Goedemiddag. Mijn naam is Zwarthoed. Neemt u mij niet kwalijk dat ik zomaar langskom. Ik had moeten bellen”.
“Hoe ben je in godsnaam langs Casco gekomen? Zwarthoed, zei je?”
Binnen werd het gesprek voortgezet, naar boerengebruik met een pot koffie. Op de keukentafel lagen de restanten van een gerookte makreel.
“Mijn vader voert gesprekken met de makelaar, maar het schiet niet op”.
“Wil jij daar gaan wonen? Zo’n jonge kerel?”
“Alleen al vanwege de kastanjebomen. Ze zijn prachtig”.
“Je ziet er niet uit als een boerenzoon”.
“Daar denken ze in de stad anders over. Mijn vader”.
“Ja, ik ken hem wel, van afstand dan. Wethouder. Garage Zwarthoed. Wil je ook een autobedrijf beginnen?”
Een gesprek voer je vooral met je oren. Arnold bespeurde een zekere afkeer van het woord auto.
“Ik denk meer aan struiken en boompjes. Bedoeld voor de nieuwbouw. De mensen willen toch iets in hun tuin planten”.
Mooi antwoord. Zijdelings het agrarische erin houden.
“Wat kom je nu precies doen?”
“Ik zou willen weten waar het op hangt”.
“Daar kun jij niets aan veranderen”.
“Als het over geld gaat, misschien toch een beetje”.
De oude man was een goede burger. Hij had altijd gewoon zijn werk gedaan en belasting betaald. Enige toelichting op andere opvattingen leek noodzakelijk.
“Ik dacht aan een onderhandse regeling”.
De boer mocht eerlijk zijn, achterlijk was hij niet. Arnold nam een flink risico met zijn voorstel. Er viel een lange stilte.
“Heeft je vader dat gezegd? Ben jij niet een beetje jong voor deze fratsen?”
Arnold voelde dat het helemaal scheef kon lopen.
“Als mijn vader het hoort, krijg ik een pak slaag. Maar ik heb wat geld gespaard en vandaar, op die manier. Misschien kan ik de boel vlottrekken”.
De verkoper moest nadenken. Het bleef opnieuw lang stil. Geen enkele auto of brommer passeerde. Zelfs de hond, die op eigen kracht was binnengekomen, hield zich koest. Het dier lag naast zijn baas en wendde een slaapje voor.
“Ik heb een voorstel”. Arnold waagde het erop.
“Zoals?”
“Ik betaal u onderhands zesduizend gulden en u zakt met tien. Mijn vader krijgt de indruk dat hij succes heeft en zal wat soepeler worden”.
Een kleine legpuzzel.
“Ik wil achtduizend”. De boer kon sneller rekenen dan Arnold veronderstelde.
“Zes. Meer heb ik niet. Bovendien staan er veel huizen te koop, dat weet u ook wel. Maar u treft het, want ik betaal met Duitse Marken en die zijn meer waard”.
“De oorlog is allang voorbij. Wat moet ik met Duits geld beginnen?”
“Ik wil het ook eerst wisselen, maar dan krijgt u precies zesduizend in guldens”.
“Laat eens zien, dan”. De man dacht natuurlijk dat Arnold blufte.
Arnold haalde zijn portefeuille tevoorschijn en telde het geld uit op tafel.

De Ragebol was gesloten zonder begeleidende mededeling. De deur was gewoon op slot. Achter het raam heerste zware duisternis. Hier had ooit een winkelier zijn personeel uitgekafferd. Kinderen waren opgegroeid met uitzicht op de gracht.
Arnold liep over de kromme kade van straatsteentjes. Het water was donker. Dit paste goed bij de achterkant van de hoerenpanden met hun verweerde metselwerk. Het rook naar gas en het einde der tijden. De bestrating liep vast in een berg zand.

In het hoekpand was een nieuw zaakje gevestigd. Altijd weer slaagt de middenstand erin om een nieuwe negotie te beginnen. Zonder middenstand werd het land een dictatuur, linksom of rechtsom.
Voor de etalage bleef hij staan en bestudeerde de tijdschriften met foto’s van jongedames. De vitale delen waren afgeplakt met een zilverkleurig sterretje. Er lagen witte en zwarte trilstaven, handboeien, koorden als kleine galgen. Rond een paspop was een lederen pakje gedrapeerd. Het werd samengehouden met metalen knopen. Tien jaar eerder was dit ondenkbaar geweest; de politie was eraan te pas gekomen. Zonder duidelijk plan stapte hij naar binnen.
Achter een kleine balie wachtte hem een verrassing: Jenny.
“Hoi”.
“Hai”.
Hoe ze beiden in staat waren hun verbazing te verbergen.
“Pas geopend?”
“Een maand”.
“Ik zag je staan. Gefeliciteerd”. Kletsmeier die hij was.
“Ik zal het doorgeven”.
De winkel behoorde aan een kennis, een vriendin, een ander.
“Van wie heb je gehoord dat ik hier was?”
“Ik heb zo mijn methodes. Net als jullie”.
Ze lachte zoals alleen een vrouw dat kan. Arnold voelde dat hij beter meteen zoiets als een reden voor zijn komst moest geven.
“Dat lederen pakje in de etalage. Wat kost dat?”
“Tweehonderd”.
“Of je een emmer leeggiet”.
“Maar het is wel apart en van heel soepel leder”.
Leder, een typische middenstandsterm om het woord leer op te vijzelen, de klant de indruk te geven iets zeldzaams te verwerven.
Ze stond op, kwam vanachter haar barricade, schoof langs hem heen.
“Zeg, Jenny?”
“Wat?”
“Draag jij die dingen ook?”
“Wat gaat jou dat aan?”
“Voor jou zou ik het kopen”.
“Ben jij er zo één?”
“Het zal je prachtig staan”.
“Je hebt wel lef”.
“Anders kom ik nergens”.
“Ik draag die dingen niet”.
“Jammer”.
Ze keken elkaar aan, verloren geen moment het contact. Zijn hart klopte in zijn keel, tegen zijn slapen. Hij was een grens gepasseerd, een grens waarvan hij vijf minuten geleden geen notie had gehad.
“Je bent een vreemd kereltje”.
“Nee hoor. Als ik een ander was, dan zou ik jaloers op mij zijn”.
Hij kocht niets. Even later was hij buiten.

Met een afspraak voor vrijdagavond op zak marcheerde hij naar het leefbare deel van de stad. Hier was het domein van de winkels met kleding, schoeisel, fietsbanden, brood & banket, de hele neerslag van welvaart. Maar eerst ging hij naar de echte motor van de economie: een Bank. Vier Duitse bankbiljetten uit De Tsarina werden probleemloos omgewisseld voor Nederlands geld. Banken regeren over de economie, over wel en wee, leven en dood. Wat zijn daarbij een handvol bankbiljetten van een provinciale snotneus?
Bij Wimpy streek hij neer om wat te eten. Minutenlang staarde hij door het vensterglas naar buiten. Hoe zat dat met Jenny? Hoe kon het bestaan dat hij haar uitgerekend hier en vandaag had ontmoet? Zou de I Tjing, die werd aanbevolen door boekenclubs, er een verklaring voor bieden?
Serveerster Antina die hem eerder had geholpen, bracht zijn bestelling. Hij at aan de bar, voerde met haar een gesprek over fietspaden, informeerde waar ze woonde en wat ze verdiende. Hij betrapte zich erop bezig te zijn met de vraag of zij in de toekomst voor hem zou kunnen werken. Ze leek een vlotte meid.
“Kun je honderd wisselen?”
De serveerster weifelde.
“Ik ga wel even hiernaast”.
En weg was ze. Maar niet zonder de sleutel van de kassa mee te nemen. Een prima meid.

Het werd tijd om boodschappen te gaan doen en naar huis te gaan. Hoewel, Doublecross was vlakbij. De gedachte aan hernieuwd bezoek na zijn vlucht wond hem op. Voor de zekerheid diepte hij het pennenmes van Trudie op en stak het in zijn toegankelijke jaszak.
Hij bereikte het zwarte café, aarzelde een ogenblik en stootte naar binnen. Hij zag geen bekenden. De barman was immer dezelfde. De man zat op een kruk en was bestudeerde een telefoonboek.
Arnold keek nog eens nauwkeurig rond. Twee groepjes langharige jongens zaten er. Een paar vrouwen rookten een joint. De muziek stond tamelijk zacht. Verdomd, de muziek in Doublecross kon weldegelijk op normaal niveau worden afgespeeld. Ergens tegen de muur zat dan toch Sjoerd, gehuld in een dikke jas. Bewegingloos staarde hij voor zich uit.
“Is je installatie kapot?”
“Burengeklaag, er moet isolatie in de plafonds”.
“Er is ook altijd wat”.
“Zeg dat wel.”
Een barman is ook maar een mens. Hij zit in het vak omdat hij niet in staat is echt werk te vinden. Soms is dit vanwege een strafblad. Deze man was geen professional. Hij stelde zijn eigen problemen aan de orde in plaats van te luisteren naar die van de klanten.
“Ik ben vandaag niet erg in vorm”. Zo iemand vraagt om ontslag.
“Ik snap het al: je vriendin is weggelopen”.
Mensen op een directe manier aanspreken, doen alsof je elkaar al jaren kent. Het werkt. Dit komt omdat de mens altijd bevestiging zoekt, als het ware aanhoudend met zichzelf in gesprek wil zijn.
“Nee, mijn vader is gisteren overleden”.
De woorden vielen precies in het gaatje van seconden tussen twee muzieknummers in. De mystiek van het leven dringt door tot in de meest duistere schuilhoeken.
“OK, ik snap het.”
“Dat betwijfel ik. Colaatje?”
Arnold keek naar de heilloze ruimte en kreeg de pest in.
Wat kon hem de dode vader van deze mafkees schelen? Toch trok hij een kruk naar zich toe en schoof naar de bar.
“Cola is goed”.
Hand aan de pomp, een glas dat schuin werd gehouden alsof het om bier ging.
“Dus je vader is overleden”.
Antwoord bleef uit. Hij ontving het glas cola en legde alvast een muntstuk neer. Je kunt beter meteen betalen. Voor je het weet, komt het er niet meer van.
“Dat is erg. Maar het is iets minder erg dan wanneer bijvoorbeeld de vader van Sjoerd zou overlijden, vergeet dat niet”.
“Sjoerd? Is zijn vader ook dood?”
“Hoe moet ik dat weten?”
”Wat zit je dan te zwetsen? Minder erg? Waarom?”
“Het gaat om het principe. Jij wordt ’s morgens wakker in een behoorlijk bed. Je staat op, je hebt werk. Je gaat geld verdienen”.
De barman zuchtte zichtbaar. Dat krijg je ervan als je gesprekken aanknoopt.
“Sjoerd daarentegen slaapt in een kraakpand, op een muffe matras met kattenvlooien. Van een ontbijt kan hij alleen maar dromen. Hij stoot zijn hoofd aan een zolderbalk en herinnert zich dat hij de dag tevoren bij het Arbeidsbureau moest komen.”
“Jezus Christus”.
“Precies. Op straat komt Sjoerd toevallig zijn moeder tegen. Die vertelt hem, dat vader al een week dood is. Dood en begraven. Ik bedoel maar”.

Op straat keek hij om naar het pand. Vroeg of laat kwam er een inval door de politie. Je zag het voor je. Dan werd het café met houten schotten dichtgetimmerd.

In een kleine Buurtsuper deed hij boodschappen. Kopen bij De Spar is sparen bij de Koop! Bij een poelier scoorde hij de laatste twee gegrilde kippen. De man hanteerde een kromme schaar om de beesten in stukken te knippen. Arnold keek toe en prees de hemel dat hij er niet gratis een uitgekauwd raadsel bij kreeg.
Welke vogel moet het met één testikel stellen? Het halve haantje.

In een optocht van auto’s reed hij huiswaarts. Het liep tegen half zes in de avond. Steeds meer mensen beschikten over een auto die ze gebruikten om naar hun werk te gaan. Veel wegen bleken te smal. Het aantal verkeersongelukken met doden en gewonden steeg explosief. De overheid liep achter de feiten aan.
Thuis leverde hij zijn aankopen af bij Trudie. Ze somde nauwkeurig op wat hij had beloofd. Pa Zwarthoed verscheen een kwartier later. Hij had een pak paperassen bij zich. Er kwam weer een Raadsvergadering aan. Hij wierp zijn kinderen een korte blik toe, stelde vast dat er eten in huis was gehaald en wenkte Arnold naar de woonkamer.

“De makelaar heeft gebeld”.
Arnolds hart klopte snel en luid.
“De prijs is gezakt. Met negenduizend. Zie je wel dat wachten loont?”
Negen? We hadden tien afgesproken. Vuile klotenboer!
Hij knikte een beetje nors.
“En nu?”
“Je reageert nogal koeltjes. Negenduizend is een mooie som. Of ben je op andere gedachten gekomen? Het kan nog”.
Arnold wisselde een blik met zijn vader. Zijn hoofd schudde ontkennend.
“De zaak stopzetten, is precies wat ik zou moeten doen. Want ik weet dat je bij die boer bent geweest en wat jullie daar hebben besproken”.
Arnold kon geen woord uitbrengen.
“Ben je helemaal van de ratten besnuffeld!?”
Arnold wilde iets zeggen, zich teweer stellen. Helaas, zijn woordenschat was uitgeput.
“Je bent een stomme ezel! Je moet nooit langs elkaar heen werken, snap je dat niet? Als je me dit in de garage flikt, schop ik je persoonlijk de poort uit!”
Zijn vader had natuurlijk gelijk. Arnold begreep het en hield zijn mond.
“Nu heb je de eerste zes mille al ingeleverd”.
Toch nog een meevaller: de boer had kennelijk gezwegen over de omstandigheid dat het Duits geld betrof.
Natuurlijk omdat dit hem meer oplevert.
“Ik zou er gewoon mee moeten ophouden, weet je dat! En jou naar die boer sturen om je excuses aan te bieden! En je geld terug te halen. Idioot! Je bent nog lang geen 21 jaar, onthoud dat even. Je kunt helemaal geen zaken doen zonder mijn goedkeuring”.

Het waren de laatste woorden deze avond. Na de maaltijd zaten ze gezamenlijk voor de tv. Er was een optreden van de familie Majoor.
Ik wandel in het licht met Jezus. Vader en kinderen Zwarthoed keken drie kwartier naar een ongelooflijke hoop shit. Toch was geen van hen bereid op te staan en de knop van het toestel om te draaien.
Ze werden gered door het journaal. Beelden uit Belfast toonden zwarte rook in uitgewoonde straten. Burgers zwaaiden dreigend met hockeysticks naar bewapende militairen. Een hond vluchtte met de staart tussen de achterpoten.

Hij droomde van de garage. Zijn vader parkeerde enkele occasions voor het gebouw. Het leek heel wat, maar Arnold wist dat in geen enkele auto een motor zat. Het was niets dan toneel.

De volgende morgen wachtte hij tot alle geluiden uit het huis waren weggeëbd. Een beetje lamlendig liep hij de trap af, ging in de keuken een boterham eten en keek de tuin in. Het gras werd te lang. Het kwam niet in hem op hieraan iets te doen.
Tot half twaalf was hij druk aan de telefoon. Daarna dronk hij een glas melk, poetste zijn tanden en begaf zich te voet naar Garage Zwarthoed.
Zijn vader zat achter zijn bureau, met bestellijsten en een rekenmachine.
“Heeft u een ogenblik?”
“Zeg het eens”.
“Over gisteravond. Ik heb het verkeerd gedaan. Het spijt me”.
Het viel Arnold nu pas op, dat zijn vader een leesbril had.
“Ga even zitten”.
In het kantoor hing de geur van een verse sigaar, kenmerk van een geslaagde transactie.
“Ik ben blij dat je de stommiteit inziet. Wanneer je op eigen gezag in de problemen komt, kan ik je niet altijd helpen. En misschien wil ik het op zeker moment ook niet meer”.
In de garage werd een auto gestart en weer afgezet.
“Nog even over je militaire dienst. Je zult wel gedacht hebben. Waar bemoeit die ouwe zich mee”.
Arnold haalde zijn schouders op. Hij was nog bokkig van de vorige avond. Een opgroeiende jonge heeft tijd nodig om zijn ego te leren beheersen.
“Het is vanwege Indonesië. Dat is mij slecht bekomen. Militairen zijn doden met uitstel, nou ja, zoiets”.
Gedempte radioklanken drongen tot het kantoor door. Sinds enige jaren konden de monteurs het niet zonder muziek stellen. Het was er zomaar ingeslopen.
“Jij denkt nu misschien, dat ik daarginder doodsangsten heb uitgestaan en liever was thuisgebleven.”
Een minuut lang verroerden vader noch zoon zich. Gezamenlijk keken ze naar buiten, over de betonnen platen die tot aan het hek liepen. Hierachter lag de woonwijk die uitbreiding zou krijgen.
“Daarginder heb ik gemerkt, dat je aan actie gaat wennen. Sterker, je raakt er verslingerd aan. Het komt zover dat het geweldig is om een dorp uit te kammen. Er werden weddenschappen op afgesloten hoeveel we er te grazen zouden nemen”.
“U zei: het had ook kunnen mislukken”.
Pa Zwarthoed schoot in de lach, een korte schamperlach was het.
“Met jouw keuring? Ja, maar dat was voor sommige lui niet verstandig geweest. Het verleden is voorbij, maar ik laat jou niet anderhalf jaar weghalen voor zoiets als dienstplicht. Je mag trouwens straks even een auto ophalen”.

In de huiskamer stond Arnold geruime tijd voor het raam. Het uurwerk in de Rotterdamse Staander achter zijn rug tikte kloek, om niet te zeggen meedogenloos.
Buiten gebeurde niets van belang. Een paar vrouwen fietsten langs. Een oude man liet een aangelijnde hond uit. Het beeld verschoof tijdelijk en keerde terug.

Het roken van laatste sigaretten is flauwekul. Dat is iets voor films. Je roept gewoon tegen de gevangenen: sodemieter maar op! Ze verstaan je donders goed en beginnen te rennen. Dan schiet je ze dood. De klootzakken.

Op zijn schrijftafel lag de collage, hem toegezegd door Trudie. Met belangstelling bestudeerde hij het tafereel, opgebouwd uit gescheurde papierstroken, verfstrepen, potloodkrassen en houtskoolvegen. Wat hij zag, was een weergave van wat drie jaar geleden in dit huis gebeurde: misschien, waarschijnlijk, niet aangetoond, verzwegen.
Een trap van vage treden. Onderaan een blauwe vlek die leek te bewegen.
“Mooi?”
Trudie was dus toch thuis.
“Het is vreselijk”.
Als het om kunst ging, had Trudie een perfecte antenne voor leugens.
“Denk jij dat ik gek ben?” Het was een manier om het woord liegen te omzeilen.
Arnolds ogen bleven op de collage rusten.
“Heb ik dat ooit gezegd?”
“Je moet niet iets anders vragen als ik jou wat vraag”.
“Ik denk niet dat jij gek bent”.
“Ik heb het gezien”.
Arnold moest iets wegslikken: niet door herbeleving van de dood van hun beider moeder, maar omdat hij voorzag dat zijn zus van streek zou raken en er heibel van kwam.
”Dat is niet zo best”.
De herinnering diende zich desondanks aan. Een nacht in augustus, de wisseling van zaterdag naar zondag. Hij was wakker geworden van de zoveelste ruzie tussen zijn ouders. Er werd met een deur gesmeten en er volgde een geraas of er een zak aardappels van de trap viel.
“Je kunt het beter voor je houden. Anders moet je misschien voorgoed naar De Zon”.
Hij had een hekel aan zichzelf dit te zeggen.
“Mag de poster in de woonkamer hangen?”
“Kom eens hier”.
Arnold schoof zijn stoel terug, nam zijn zus op schoot, streelde haar haren.
“Als mama nu een geest is, waar woont ze dan?”
“Beneden in de kist?”
Ervaring is de sleutel naar succes in de menselijke omgang. Arnold voelde dat hij niet te gretig moest zijn.
“Misschien. Als jij het denkt”.
Ze sprong van zijn schoot en griste de collage naar zich toe.
“Ik weet waarom je hem niet wilt ophangen”.
Het ging een kant op die hij niet had verwacht.
“Waarom dan?”
“Omdat je woorden hebt met papa. Daarom”.
“Ja, misschien is dat wel zo”.
Resoluut scheurde Trudie de collage aan stukken.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.