BLINDGANGER, Hoofdstuk XIII

| Geen reacties

Mevrouw De Zwaan was overleden. Het bericht bereikte Arnold in de garage, waar hij de BMW een onderhoudsbeurt liet geven. Remblokken en een fuseekogel werden vernieuwd, de tank volgepompt.
Pa Zwarthoed liet hem de rouwkaart lezen, gestoken in een envelop met donkergrijze rand. Niemand heeft zo’n onuitputtelijk klantenbestand als Magere Hein.

Het bericht vormde het startsein tot nieuwe onheilstijdingen.
“De aanleg van de ringweg wordt uitgesteld. Wegen trekken verkeer aan, zeggen ze”.
Ze, dat waren natuurlijk de socialisten.
Resultaat van een avondje dorpspolitiek onder verschuivende machtsverhoudingen. Er moesten woonerven komen, een echte noviteit. Met veel groen en weinig auto. De nieuwe mens verplaatste zich met het openbaar vervoer, dat sterk verbeterd zou worden. Het openbaar vervoer kon alleen maar verbeterd worden. Zelfs afschaffen was beter.
Toch toverde Pa Zwarthoed een konijn uit de hoed.
“Gelukkig heb ik de Raad al een voorlopig koopcontract voor de garage laten tekenen. Ze moeten dus gewoon hun verplichtingen nakomen”.
Pa Zwarthoed sprak ineens van ze in plaats van we. Tegenstanders komen en gaan.
“Johan mag blijven zolang het duurt. Hij is lid van de Vakbond en dreigt met een proces”.
Vakbonden waren inderdaad machtige organisaties. Ze sluisden bijvoorbeeld honderden gezonde werknemers van faillerende scheepswerven naar de WAO omdat deze regeling de beste uitkering bood en veel ontslagenen toch kansloos waren op de arbeidsmarkt. Zo behield politiek voorman Den Uyl zijn electoraat. Politici deinzen er niet voor terug hun begrafenis op termijn te organiseren als ze daarmee de dood een tijdje kunnen uitstellen.
“Terwijl de WAO is bedoeld voor werknemers die alleen nog kunnen kruipen en om hun moeder roepen”.
Arnold hoorde het aan. Het is gemakkelijk je te laten meedrijven met de verontwaardiging van een wethouder die ook je vader is. Tegelijk was hij doordrenkt van meningen die van huis uit waren meegegeven. Bij arbeidsongeschiktheid kon hij zich niets voorstellen.
“U snapt toch dat Johan eruit moet. Denk eens in dat hij blijft. Hij gaat de boel saboteren en klanten afblaffen om u dwars te zitten. Weg ermee!”
“Hij weet te veel”.
“Stel een prikklok in. Hij komt elke donderdag te laat omdat woensdagavond zijn zuipavond is. Drie keer in de fout en hij kan zijn biezen pakken”.
Pa Zwarthoed schoot in de lach en schudde zijn hoofd. Arnold keek chagrijnig uit het venster. Hij was meer ontregeld dan echt boos. Ten diepste boeide de kwestie hem niet.

In de straat van zijn oude dorp weerklonk het getinkel van de SRV wagen. Fascinerend is het leven van de man die dertig jaar rondrijdt met een wagen vol matige levensmiddelen, volgens een vaste route en tot ieders tevredenheid. De sociaal bindende kracht die van hem uitgaat, is een Koninklijke medaille waard.
Met een kartonnen doos vol spullen wachtte Arnold op zijn beurt om te betalen. Het gesprek tussen de winkelier en een klant ging over een huisdier. Hieraan kon je veel vriendschap ontlenen. Het kwam Arnold voor dat het leven eenvoudig en overzichtelijk kon zijn. Bij anderen.

Een uur later gingen de Zwarthoeden naar de verzamelplaats voor de begrafenis. Arnold haalde zijn auto op bij de garage en zette hem neer bij de kerk, recht tegenover Café Tramzicht. De chef van het drankhuis stond vanachter een raam toe te kijken.
Meneer De Zwaan zag eruit of hij zelf begraven ging worden. En misschien lag de zaak ook wel een beetje zo, want in de dood van een geliefde ligt die van jezelf besloten.
Arnold voelde er weinig voor de plechtigheid bij te wonen. Hij kon het mens De Zwaan niet uitstaan. Weglopen was echter ook geen optie. Je kon het beschouwen als een boetedoening: bij de begrafenis van Iris had hij verstek laten gaan. Daarginder te verschijnen, was hem door de politie met klem ontraden.
De klok van de dorpskerk sloeg twee maal. De stoet wachtte gelaten op wat komen ging. Onderwijl werden gesprekken gevoerd over andere doden en kandidaat-doden, want feitelijk staan wij allen op de lijst.
“Die man van Bongers. Ja die kleine. Net vijftig. Hartaanval en weg”.
Je kunt er een boek mee vullen en alles wordt dertig keer herhaald alsof de mensen wat aan hun oren mankeren. Toch heeft dit alles een functie. De mensen beteugelen hun angst voor de eigen toekomstige dood. Bovendien versterkt het de onderlinge banden.

De stoet werd aangevoerd door een formidabele vrouw. Alles aan haar had gezag. De schare zette zich in beweging.
Arnold zag overal benen en schoenen voortgaan, de straat onder zich doorvoerend. Hij liet de kerkdienst nog eens aan zich passeren. De dominee veronderstelde zonder meer dat er een leven na de dood was. Het zeveren van de voorganger vertroebelde de betekenis van een begrafenis: een ritueel, gebaseerd op de behoefte aan troost en geborgenheid. En toch bleef de kern van de beleving overeind. Angst voor sterfelijkheid vormt immers de kern van elke religie.

Toen gebeurde het. Arnold en Pa Zwarthoed registreerden het gelijktijdig en trokken de conclusie alsof ze uit een enkelvoudig stel hersens bestonden. Uit tegenovergestelde richting naderden een politiebusje, een takelwagen en twee trucks met oplegger. De colonne boog af naar de straat waarin Garage Zwarthoed was gevestigd.
Arnold en zijn vader wisselden een blik en ondergingen de traagheid van de stoet.
“Stel je voor dat we halve maatregelen hadden genomen”.
Arnold kon het niet laten zijn vader te berispen. Het lag aan zijn initiatief dat alle bewijsstukken tijdig waren weggehaald.
Pa Zwarthoed was echter van een generatie voor wie het sjoemelen nog codes kende.
“Het zal wel loslopen”.
“Daar lijkt me weinig reden toe”.
Tegelijk stapten ze uit de rij en lieten zich terugzakken tot ze konden verdwijnen.

De ontruiming was een toonbeeld van voortvarende aanpak. De eerste oplegger werd rap beladen met occasions. De tweede nam gebruikte onderdelen mee. Begeleidende agenten zaten op de rand van een betonnen plantenbak toe te kijken. Een fotograaf liep heen en weer om het juiste standpunt te vinden. Bij het hek stonden dorpelingen toe te kijken.
De Zwarthoeden werden van hun eigen terrein geweerd.
“We kunnen beter naar huis gaan”.
Voor Arnold betekende dit zijn eigen huis. Nog een geluk dat hij zijn wagen bijtijds had weggehaald. Hij liep terug naar het kerkplein en reed weg. Pa Zwarthoed had het nakijken.

Op de stoep van de voordeur in de schaduw zitten. Stilte daalt neer. Arnold dronk een pilsje en liet de gebeurtenissen van de voorgaande middag aan zich voorbijgaan. Tenslotte werd hij draaierig en zakte met zijn rug tegen de deur in slaap.

’s Avonds rinkelde de telefoon. Een beetje afwezig nam hij op.
“Dag jongen. Met je vader”.
“Ja?”
“Ik zit op het politiebureau”.
Arnold was meteen klaarwakker.
“Luistert er iemand mee?”
“Zeker”.
“Kan ik iets doen?”
“Je mag op de garage letten”.
“Die is toch leeggehaald?”
“Zorg dat de monteurs geen gereedschap gaan lenen”.
Een Zwarthoed wist precies wat het woord lenen betekende.
“Moet ik iemand bellen?”
“Is al gebeurd. Maar ga morgen vroeg daarheen”.

Hij zette zijn nieuwe tv aan. Hoe gedachteloos je zo’n ding aanschaft, had hij zich pas gerealiseerd toen het monteren van de antenne een heel gedoe bleek. Het was een soort wasrek dat op hoogte gemonteerd werd en vervolgens gericht moest worden naar de twee zenders die Nederland rijk was.
Deze avond was op Nederland I de Berend Boudewijn Show. In nette armoe gestoken burgers moesten antwoord geven op vragen, gesteld door de olijke quizmaster.
U staat op de camping en een onbekende schone vraagt uw man haar te helpen met haar badkleding. Wat doet uw man?
Nederland II net toonde een race van sloopwagens die op hoge snelheid achteruit reden. Verder was er niets. Hij zette het toestel af.

Het optreden van The Bintangs, een band die wilde klinken als de Rolling Stones, vond plaats in een witgeverfde dancing. De parking stond stampvol brommers en auto’s.
Binnen was het benauwd en halfdonker. Groene en rode lampen flitsten aan en uit als op hol geslagen stoplichten. Arnold hing tussen het harde volk van de vissersschepen. Hij zoende met een meisje dat amper vijftien kon zijn. Bier was het enige dat over de toonbank ging. Er waren laadplanken van een strekkende meter. Hij werd opgenomen in een groep zuipers, rookte sigaretten aan één stuk en schreeuwde mee met de steenharde bluesrock. Je hersens bleven zowat aan het beton hangen.
Rosemary nymphet, so fragile, so hard to ignore.
The first time you see her, you know you’ve seen her before.

Zat als een aap stapte hij naar buiten. Het meisje van de tongzoen hing aan zijn zijde. Ze dweilden naar de auto en verlieten het terrein aan de achterzijde met medeneming van een paar vuilnisbakken.
Achter een supermarkt hadden ze seks. Langs de zijwand glommen honderd stalen karretjes in het kunstlicht. Geen condoom kwam er aan te pas. Arnold kwam hevig in het meisje klaar. Toen het gedaan was, zette hij haar af bij een huis dat ze aanwees.
Voort ging het, de nacht in met zijn mistlampen aan. Witte damp steeg uit sloten en vaarten. Bomen flitsten langs de ruiten. Zijn snelheid was gevaarlijk hoog. Eenmaal thuis kotste hij langdurig in de wc. Uitgeteld bleef hij liggen op de vloer.

Het is maar goed dat de aarde draait. Zonder dit zou de planeet haar beschermende elektromagnetische veld verliezen en verstenen. Atmosfeer en oceanen zouden verdampen. Het draaien om de as zou langzaam ophouden. Gelijk op de maan, werd de dag eeuwig dag en de nacht eeuwig nacht onder een bombardement van ruimtestraling.
Arnold ontwaakte van lieverlee. Het daglicht kon ongehinderd binnentreden. Hij kwam overeind, waste en plaste. In de koelkast vond hij een pak chocomel.
Zijn auto, neergekwakt op het erf met de sleutel nog in het contact, verraadde wat in de nacht was gebeurd. De seks die hij meende te ruiken, bleek evenwel niet van de achterbank te komen, maar van zijn kleding. Mannen zijn nu eenmaal zwijnen.
Hij nam plaats achter het stuur. Hoe weinig wist hij van het meisje. Zelfs geen voornaam wilde hem te binnen schieten. Aan haar denken, was denken aan onvolgroeide borsten en een dampende huid. Op de vloer vond hij een goedkope rode aansteker.
Hij startte de wagen en reed in kalm tempo naar de garage in het dorp van zijn vader. De deur was vast en er brandde geen licht. Waarom hier blijven? Hij besloot naar Café Tramzicht te gaan en later nog eens terug te keren.
De baas zag hem aankomen en deed de deur voor hem open.
“Je bent er vroeg bij. Zit hij nog vast?”
Arnold haalde zijn schouders op.
“Het staat in de krant”.
“Nu even niet. Alstublieft”.
De baas trok zich terug achter zijn toog en bracht koffie en twee plakken cake.
“Ik heb nog wat over van een begrafenis”.

Een tweede bezoek aan de garage leverde hetzelfde beeld. De deur was op slot en geen personeel liet zich zien. Arnold besloot eerst maar eens bij zijn vader te gaan kijken.
Hij reed naar de stad en parkeerde een paar straten van het Bureau. Naar Hollandse traditie was dit ondergebracht in een stevig, maar doorleefd pand. Handhaving van de openbare orde mag niet teveel kosten. In de wachtruimte stond een automaat waaruit je naar believen gratis koffie kon tanken.
“Ik kom vanwege mijn vader. Zwarthoed is de naam”.
“Kunt u zich legitimeren?”
De diender bestudeerde het rijbewijs of hij een dergelijk document voor de eerste keer onder ogen kreeg.
“Hij zit nog hier”.
“Dus?”
“Wat wilt u?”
Arnold keek langs de agent de ruimte in. Ieder ander die zo tegen hem sprak, had hij zijn vet gegeven.
“Kan ik hem even zien?”
“Welja. We hebben op het moment toch niets te doen”.
Het cellencomplex lag centraal in het gebouw. Vier stalen deuren met een kijkgat keken uit op een betegelde vloer. Het rook naar reinigingsmiddel. Het licht kwam van TL buizen.
“Bezwaar als ik erbij blijf?” De agent posteerde zich naast de deur.
Pa Zwarthoed zat de krant te lezen. Hij droeg een overhemd zonder stropdas, maar had wel gewoon veters in zijn schoenen.
“Zo, ben je daar?”
“Dag Pap”.
Ze gaven elkaar een hand. De agent keek toe en gaapte.
“Is er een aanklacht?”
“Nee hoor”.
“U mag niet over de reden van uw aanhouding spreken”. Oom agent.
Ze peilden elkaars blikken. Geen aanklacht.
“Heeft u iets nodig? Moet ik iets doen?”
“Hoe was het in de garage?”
“Dicht en donker. Er wordt geen geld verdiend”.
“Wat je zegt. Wil jij Trudie opvangen? Ze komt vanmiddag thuis”.
Dat was alles. Arnold kon weer gaan.

Op de kale betonnen vloer van Garage Zwarthoed waren twee werknemers bezig met hun eigen auto. De radio was afgestemd op Noordzee. Arnold zag dadelijk dat Johan in het kantoor aan de telefoon hing. Hij groette de anderen.
“Morgen”.
”Vandaag”.
Het antwoord getuigde van gering respect. Arnold probeerde zich dit niet aan te trekken.
“Wat mankeert eraan?”
“Waaraan?”
“Aan je verstand. Dit is niet de bedoeling”.
“Er zijn toch geen klanten vandaag”.
“Wanneer er geen werk is, kun je wel naar huis”.
Arnold negeerde het lachen en liep door naar het kantoor. De deur stond wijd open. De jassen van de mannen lagen op tafel. Johan had Arnold wel gezien, maar ging gewoon door met bellen.
“Nog even over die kleuren tv”.
Zonder waarschuwing trok Arnold de telefoondraad uit de muur.
“Wat krijgen we nou? Godverdomme!”.
De onderkoning wordt in zijn macht gestoord.
“Doe dat maar bij je thuis, Johan. Vergeet je jas niet mee te nemen”.
Arnold sprak luid. De anderen mochten meegenieten.
“Je mag lid van de vakbond zijn, vanaf nu ontzeg ik je de toegang tot de garage en het bijbehorende terrein. Je bent trouwens al in overtreding omdat dit pand door de politie is afgesloten. Als ik het wil, zit je binnen een half uur bij mijn vader in het cellenblok. Verder heeft onze advocaat inzage in alle stukken waar jouw beschuldigingen in staan. Bedenk zelf maar wat dit betekent. Of geloof je dat de vakbond geld en tijd in een sjoemelaar gaat steken?”
Hij haalde diep adem en zag dat Johan zich liet intimideren. Zelfvertrouwen mengde zich met woede. Niet om wat Johan had gedaan, maar uit pure afkeer.
Hij smeet de deur naar de werkvloer dicht en dempte zijn stem.
“Je kunt je verhaal beter intrekken. Zeg maar dat je dronken was of wraak wilde en dus maar wat aanlulde. Straks sta je alleen. De politie gaat namelijk niets vinden. Weet je waarom? Omdat ik alles heb opgeruimd. Niet alleen domme stukken ijzer, maar de boekhouding, de papieren en de bonnetjes. Zo gaan die dingen”.
Met trillende handen van opwinding stak hij een sigaret aan, een Craven. De eerste trek is de lekkerste.
“O ja. Voor alle duidelijkheid. Ik stuur een bevestiging van mijn opdracht naar je huis en de vakbond”.
Hij stampte de werkplaats binnen en zette de radio af.
“Een mededeling”.
Stilte.
“Iedereen gaat nu weg. Neem je auto mee, straks kun je er niet meer bij. Gereedschap laten liggen en geen geintjes want ik weet wat er hoort te zijn. Jullie krijgen precies een half uur”.
Zonder op antwoord te wachten, liep hij terug naar het kantoor. Het was zijn eerste zelfstandige optreden in de garage. Niet slecht. Hij liep Johan straal voorbij.

Vanachter het bureau van zijn vader rammelde hij een verslagje uit de schrijfmachine. Dit kostte enige tijd, want persoonlijke gegevens en de datum moesten nauwkeurig worden opgenomen. Jarenlange scholing kwam ineens van pas.
Belastering van de werkgever. Ongeoorloofde activiteiten in betaalde tijd.
Het versturen kwam later wel. Hij wierp een blik in de werkruimte, wachtte tot iemand hem opmerkte en keek omstandig om zijn horloge.
Vervolgens vond hij in het telefoonboek het adres van een beveiligingsbedrijf. Gelukkig was de uit de wand getrokken telefoonkabel nog heel.
“Het gaat om twee nieuwe sloten.”
“Volgende week hebben we tijd”.
“Het moet vandaag”.
“Dan kost het meer”.
“Mij een zorg”.
De rol van zaakwaarnemer beviel hem wel. Om de tijd te doden, maakte hij koffie voor zichzelf. Met de door hem ontworpen mok in de hand trok hij de kantoordeur open.
“Nog een kwartier!”

Tegen tien uur in de avond was hij eindelijk thuis. Op de deurmat lag een briefje van Huis De Zon. Trudie zou wegblijven omdat zij geëvalueerd moest worden. Arnold bedacht dat hij een echte brievenbus aan de poort moest plaatsen.
Twee tosti’s met kaas stilden zijn honger. De uitgaansnacht en navolgende intensieve dagbesteding deden zich gelden. Op de bank voor de tv sukkelde hij in slaap. Zo gaat het met jonge mensen die hard werken.

Denken over geld is denken over mogelijkheden. Je kunt een bedrijf opzetten, aandelen of obligaties kopen en netjes bij een notaris wegzetten, het bedrijf van je vader overnemen, ander personeel aanstellen.
Onwillekeurig dacht hij ook aan Jenny en de studio, een gedachte die vooral werd gedreven door testosteron, een gevaarlijk hormoon dat al menigeen in de problemen heeft gebracht. Als hij zich nu eens inkocht bij de Studio?

Wimpy was gesloten. Aan de binnenzijde van de deur lag een berg post, kranten en reclamefolders. Arnold aarzelde een ogenblik. Hij keek de straat in. Het kwam hem voor dat eenzelfde straat er op meerdere manieren kon uitzien, afhankelijk van de reden waarom je er was. Er zat niets anders op dan door te lopen.
Café Ballade had haar deuren wel geopend, al waren er nog geen klanten. Arnold nam plaats aan het venster, bestelde een lunch van de kleine kaart, spreidde op tafel een tijdschrift uit en begon dit te bestuderen.
Achterin stond de Top 40 afgedrukt. Le lac majeur van Mort Shuman voerde de lijst aan. Het was een nummer dat iedereen kende en tegelijk de zanger anoniem liet. De man was domweg te oud om sexy te kunnen zijn. Zijn blik gleed over de andere namen van artiesten. De veertig best verkochte platen waren hier opgesomd en er zat niets bij dat boeide. Helemaal niets. De gouden dagen van compromisloze jaren zestig waren voorbij.
Hij sloot het blad en voelde zijn al dagen aanslepende vermoeidheid.

Te voet ging het door een smalle straat. Veel winkels waren gesloten. Er hingen wat vlaggen, soms voorzien van een oranje wimpel. Ooit had de stad zich geweerd tegen de Spaanse bezettingstroepen, puur om lijfsbehoud. Later was dit feit gekaapt door de hoge heren van Oranje. Natuurlijk, volksverzet komt alleen in de boeken wanneer het een leiding heeft of naderhand krijgt die ermee gaat pronken.
De vlaggen zouden feestelijk moeten staan, maar benadrukten eerder de leegte. Arnold bleef staan voor een etalageruit en staarde naar binnen. Hier had hij een cruciaal gesprek aangeknoopt met Iris. Van het een was het ander gekomen. Hij werd zich bewust van zijn spiegelbeeld en wendde zich af.

Helemaal tot aan Bertine’s kantoor liep hij door. Hij had geluk. Het advocatengebroed stond gebak te eten in de kantine. Mr. Slagveer was echter niet aanwezig. De chef van Bertine, weggelopen uit de Amerikaanse serie Baretta, liet zich voorstellen.
“Kijk aan, de jonge Zwarthoed”.
Arnold dronk een kopje koffie mee. Gebak was aan hem niet besteed.
“We gaan even naar mijn kamer”.
Het kantoor leek op het werkhok van een overwerkte journalist. Benauwd, volgeladen met dossiers en kranten. Boeken langs de wanden, een scherpe lamp, een terrarium met een zwarte slang.
“Je vader komt vandaag vrij. Gegarandeerd. Ze kunnen hem niks maken. Zelfs de auto’s moeten weer terug. Ik zal je eens wat vertellen”.
De chef zette een leesbril op, deed een greep in een stapel papier en bladerde even.
” Waar heb ik het? Precies: fouten in de dagvaarding. Voor een gewone burger wordt zoiets meestal uitgelegd als een slordigheid. Geen haan die er naar kraait. Maar je vader is wethouder, bijna een bekende Nederlander, ha!”
Arnold kon geen woord uitbrengen.
“Wat overblijft is de verklaring van een werknemer. Deze man heeft een strafblad en er loopt nog een kwestie tegen hem. Mondje dicht hierover. Kortom, zijn verhaal is niets waard”.
“Gaat dat over Johan?”
“Waarom vraag je dat?”
“Ik heb een aanvaring met hem gehad en meteen maar een gesprek gevoerd. Het verslag ligt nog in de garage”.
“Kijk aan! Alleen: een gesprek moet je aankondigen. Je kunt niet ruzie maken en het met terugwerkende kracht een andere functie toekennen. Stuur het aan mij, dan maak ik er wel een leuke waarschuwing van. Van brieven met het logo van een advocatenkantoor schrikken de mensen zich te pletter”.
“Klinkt goed”.
“Nu over je vader. Er komt een Aanslag van de Belastingdienst. Het gaat geld kosten”.
“Wat betekent dat?”
“Dat je vader een geweldige bofkont is. Wat is geld?”
“Je moet het wel hebben”.
“Ga even zitten”.
Dat ging helemaal niet. De uitnodiging moest worden opgevat als een voorstel nog even te blijven staan.
“Onder ons. Je vader was verkeerd bezig, laat dat duidelijk zijn. Zijn betrokkenheid bij duistere zaken is evident. Politiek is hij aangeschoten wild. Hij kan beter iets anders gaan doen”.
“In een antiekzaak, zeker”.
“Hoe bedoel je dat?”
“Mijn vader heeft een vriendin met een antiekwinkel”.
Dit te zeggen, voelde aan als het vaststellen van een nieuwe werkelijkheid.
“Zo zo. Antiek. Van de regen in de drup, als je het mij vraagt. Houd dat maar onder ons. Wat doe jij eigenlijk voor de kost, jongeman?”
De aarzeling. De registratie. De reactie.
“Je bent nog jong. Ga studeren, zou ik zeggen”.
Arnold knikte. Zijn onvolwassenheid werd wel erg pijnlijk blootgelegd.
“Waar heb je oog voor, wat vind je vanzelfsprekend om te doen?”
Rondhangen. Eten. Bier drinken. Mensen intimideren. Hun geld afnemen.
“Ben je al in dienst geweest?”
“Fotograferen vind ik leuk”. Hij liep een vraag achter, maar wat gaf het?
“Nou dan! In Utrecht staat een school voor de journalistiek. Je lijkt me een avontuurlijk type. Reizen maken! Rapportages! Let op: tv gaat het helemaal maken. Ga dus niet voor kranten schrijven, maar richt je op beeldmateriaal”.
Een man springt uit een brandend gebouw. De fotograaf volgt de sprong. Helemaal tot op het wegdek. Tot in de dood.
De chef van Bertine stak zijn bezoeker de hand toe.
“Ik moet nu weg. Het ga je goed en tot ziens”.
Goede raad kost meestal niets. Je moet alleen de juiste mensen ontmoeten en je zintuigen de kost geven.
Het was een flink eind lopen naar het stadscentrum waar zijn auto stond. Voorlopig vatte hij post bij een bushalte en hoopte er maar het beste van.

In zijn woonhuis trof hij Trudie. Zijn zus verkeerde in een slecht humeur.
“Trudie, wat is er?”
“Jenny was hier”.
“Wat?!” Zijn verbazing was groot.
“Wat moest ze dan?”
“Ik zei dat je weg was”.
“En toen?” De vraag was al op de rand. Trudie moest geen schuldvraag ruiken.
“Toen niks”.
Trudie begon te huilen. Arnold begreep dat er iets vervelends was gebeurd.
“Is ze er soms nog?”
Zijn zus schudde haar hoofd. Plotseling begon ze te krijsen.
“Jouw bed! Is dat van een ander geweest?”
Arnold wist geen antwoord.
Trudie gebaarde woedend en zonder terughoudendheid.
“Dat kreng heeft je bed ondersteboven gekeerd!”

Zoals hij had verwacht, arriveerde tegen de avond een personenbusje van Huis De Zon. Het gezelschap bestond uit drie mensen. Ze stonden erbij alsof er een dolle hond ingerekend moest worden. Trudie kleedde zich evenwel rustig aan en dronk haar thee op.
“Dat vergat ik nog.”
“Wat?”
“Ik heb dat wijf wel gehoord. Ze belde stiekem met het Huis. Waar ze mij konden vinden”.
Afgeschermd door een chagrijnige vrouw en twee lakeien verdween ze naar buiten.

Het weer sloeg om. De ene dag was het zomer, de volgende herfst. Zo gaat dat in Nederland. Een krachtige wind joeg grijze wolken over het landschap. Het water in de vaart toonde een zwartzilveren golfslag. Arnold zat in zijn auto en deed zijn best de snelheid te beperken. De rit voerde naar een vormloos dorp onder de rook van de staalfabriek. Hier moest het naamloze meisje van het bezoek aan de Bintangs ergens wonen. Te laat begreep hij, niet zomaar bij haar te kunnen aanbellen.
In de dorpskern stond een café waar jongeren rondhingen. Arnold parkeerde en betrad de ruimte. Wat kon dit bezoek opleveren? Een groepje onnozelaars zat aan de bar. Jongens in ouderwetse kleding rukten aan een eenarmige bandiet. Vanaf de plafondbalken klonk muziek van Peter Green. Ooit begonnen bij John Mayall, furore gemaakt met Fleetwood Mac, eruit geraakt wegens excessief drugsgebruik en nog juist in leven.
Toeval is de noemer waaronder we alles verstaan wat we niet begrijpen en toch gebeurt.
Arnold trok de buitendeur open om te vertrekken. Daar stond ze, te midden van een groepje andere meiden.
De aanblik sloeg in als een harpoen. Onmiddellijk onderging hij haar overrompelende aantrekkingskracht.
“Hallo”.
Het was een zeer geschikt moment om een hartaanval te krijgen. Ze was zo jong als hij zich herinnerde. Hooguit vijftien jaar.
“Arnold! Wat kom jij hier doen?” Ze had zijn naam onthouden, waar hij die van haar nooit gekend had.
“Er was iemand die ik onmogelijk kon vergeten”.
“Gekkie”.
Hij voelde zich een debiel.
Dit kan ik niet maken. Ze is jonger dan mijn zus.
“Het is niets dan de waarheid”.
Ze werd zich bewust van het haar omringende gezelschap.
“Kijk, dit is hem”.
Hij was een beer met getrokken tanden. Iedereen kon aan het touwtje trekken om hem te laten dansen. Ze gingen naar binnen, Arnold voor de tweede keer. Er kwam chocomel en frisdrank op tafel. Door de week waren het nuchtere meisjes.
“Zeg Arnold, weet je al dat Karin zwanger van je is?”
Een dolletje, de meiden lagen onder tafel.
Karin heette ze dus.
“We hadden je heus wel weten te vinden, hoor”.
“Lefgozer in blauwe sportwagen. Makkelijk zat!”
“Voor de alimentatie, weet je wel”.
Het waren volkse meisjes, ongecompliceerd, een beetje ruw van tong, bereid om elke dag opnieuw met een schone lei te beginnen.
Arnold had weinig verweer. Het kwam hem voor dat alles wat hij zou zeggen hun terechte lachlust ging opwekken.
“Ik neem hem even mee. Als hij niet bevalt, breng ik hem terug”.
Karin trok hem aan zijn jas naar buiten.
“Waarheen?”
“Naar je auto. Zit ik tenminste nog eens lekker”.
Zij deelde de lakens uit. Eenmaal in de beslotenheid van de BMW, gaf ze hem toestemming. Haar mond smaakte naar cassis. De kus duurde niet lang.
Ze zette de radio aan. Hij keek neer op haar haren en schouders terwijl ze een leuke zender zocht. Behoedzaam snoof hij haar geuren op.
“Kom je vrijdag?” Ze friemelde aan zijn oor.
”Komt er weer een band?” Hij raadde het goed.
“Earth and Fire”.
“Misschien”.
“Waar hangt dat vanaf?”
“Ik zal wel zien”.
De radio bracht Hey Jude van The Beatles. De zender klonk zwak en huiverend.
“Je komt, of je komt niet.”
Hij zag het voor zich.
Derde klas huishoudschool. Ze heeft broers die voetballen en ouders die mij zullen uitschelden.
“Karin, ik ben een beetje van slag.”
“Dat dacht ik al. De vorige keer was je nogal anders”.
“Ik ben gekomen om je mijn excuses te maken.”
Ze voelde onmiddellijk welke kant het uitging.
“Als je zo begint, stap ik uit”.
Hoe gemakkelijk maakte ze het hem. Niets zeggen. Gewoon laten uitstappen. Nooit meer terugkeren. Probleem opgelost. Hij treuzelde veel te lang.
“Ik ben al 20 jaar. Ik heb een ingewikkeld leven”.
Leugens markeren het begin van elk einde.
“Zit je in de misdaad?”
Hij geneerde zich. Hoe dicht zat ze bij de waarheid. De duivel lachte hardop in zijn oor.
“Het is maar wat je daaronder verstaat”.
Verbaal geweld. Wangedrag naar zo’n jong meisje.
“Vind je mij eigenlijk wel lief?”
“Daarom ben ik toch gekomen”.
“Of heb je een andere vriendin?”
“Hoe kom je daar nou weer bij?”
“Zeg het dan eens tegen me. Dat je me lief vindt”.
“Ik vind je ontzettend lief”.
Woorden zijn woorden, niets minder maar ook zeker niet meer. Om zijn zin te krijgen, had hij alles willen zeggen. En Karin had hem maar al te graag geloofd.
Er volgde wederom een kus, een eindeloze. Zijn hand begon over haar lichaam te dwalen. Karin duwde hem weg en stapte uit.

Achter een rij autobussen met personeel van de staalfabriek reed hij terug. Bij het zien van een Chinees restaurant dook hij van de weg om een bak eten in te slaan. Hij wachtte op een kruk aan de bar en vervloekte zichzelf. Waarom moest hij zo nodig naar het meisje Karin zoeken? Wat wilde hij hiermee bereiken? Wat kon hier van terechtkomen, anders dan ellende? Hij betrapte zich erop, te denken aan Iris. Ook zijn omgang met haar was van meet af een doodlopende straat geweest. Wat mankeerde hem eigenlijk?
Eenmaal thuis liet hij de kartonnen dozen met voedsel staan, kroop terstond in bed en ontdeed zich in luttele minuten van zijn smartelijke verlangens.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.