BLINDGANGER, Hoofdstuk XV

| Geen reacties

Politici zijn hyena’s. Bij leven en welzijn respecteren zij de rangorde. Dit verandert zodra één van hen gewond raakt. Dit is het moment waarop gevechten uitbreken om een nieuwe rangorde af te dwingen.
Pa Zwarthoed was afgetreden als wethouder. Formeel wegens persoonlijke omstandigheden. Zoals Bertine’s baas al tegen Arnold zei: je vader is aangeschoten wild. De garage werd door de gemeente aangekocht en zou worden afgebroken. Hier bleef het niet bij. In de tuin van het woonhuis stond een verkoopbord: Zwarthoed wilde het dorp uit.
Het afscheid van de politiek stond in het teken van onaangenaamheden, beledigingen en zelfs bedreigingen. Monteur Johan stamde uit de dorpse kliek en hij was boos. De man moest voorkomen en kreeg geen WW omdat hij zijn werk door eigen toedoen verloor. Pa Zwarthoed werd slechts wanorde in zijn boekhouding aangerekend, af te doen met een naheffing van de Belastingdienst.

Wat aanvankelijk een beperkt ongenoegen was, breidde zich uit als een besmettelijke ziekte. Binnen een week had iedereen een verhaal of herinnering. Meestal in het kwade. Zwarthoed had gefaald als bestuurder en onnavolgbare declaraties ingediend. Als garagehouder deugde hij evenmin. Er was altijd een mankement aan een afgeleverde wagen en bij achterstallige betaling stuurde hij zonder pardon een deurwaarder de wijk in.
Met een Judaspenning lieten zijn liberale vrienden hem achter. Alleen de voorman van de PSP had een aardig kaartje gestuurd. Drie dagen later reisde Arnolds vader met Birgit per vliegtuig af naar Barcelona. Haast hoefde de voormalig wethouder niet te maken: de gemeente was gehouden hem jarenlang een WW uitkering te betalen zonder verplichting te solliciteren. Handen die elkaar wassen, raken soms beide onder de smurrie.

Arnold vernam details in Café Tramzicht, waar hij een eenvoudige lunch wegwerkte: broodjes, melk en een plak ontbijtkoek. De baas had er een banaan bij geleverd.
“Die dans ben je mooi ontsprongen”, sprak hij zijn gast toe.
Zwijgen leek de beste optie.
“Gelukkig dat je naar mij geluisterd hebt”.
Arnold knikte met tegenzin. Met je mond vol behoef je geen antwoord te geven.
“Ik heb leuke muziek ingekocht”.
Het klonk een beetje vreemd in dit café: Joe Cocker met Delta Lady.
Arnold stak zijn duim omhoog. Ach ja, op Joe kon geen mens kwaad worden. De man schreeuwde zijn emoties van zich af en bewoog als een papegaai met Parkinson. Vooral vrouwen zijn dol op een ontredderde kluns.
“Wij hebben in het verleden iets afgesproken”, hervatte de uitbater zodra hij het tafeltje weer had bereikt, “over het aanleveren van bouwvakkers. Ik krijg nog honderd vijftig”.
Arnold vertrok geen spier, maar voelde zich aangestoten. Je moet een man niet storen tijdens het eten. Hij legde mes en vork neer en pakte zijn portefeuille.
“Het hoeft niet meteen”.
De cafébaas begreep te laat dat hij een verkeerd moment had gekozen.
“Telt u even mee? Alstublieft”.
Na de maaltijd vertrok Arnold zonder te groeten.
Even kijken hoe de garage erbij staat.
Met een reservesleutel verschafte hij zich toegang. Hij reed zijn wagen naar binnen en hevelde handmatig veertig liter benzine over uit een vat. In de werkplaats hing een stoffige stilte. Arnold scharrelde een kwartiertje rond in het magazijn. Luchtfilters, oliefilters, brandnieuwe schokdempers en een compleet instrumentenbord voor zijn auto verdwenen in de kofferbak. Twee vaatjes motorolie, ruitenwissers voor vijf jaar en een set koplampen in de doos volgden. Hij deed een plas en liep het kantoor binnen. De telefoon was afgesloten.
Hij bracht de onderdelen naar zijn huis, goot een glas cola achter zijn kiezen en overwoog er nog een te nemen. Hij ging naast de koelkast zitten om zich te kunnen bedienen.
Het huis was afgelost met geld van de erfenis. Een reden tot vreugde, maar Arnold voelde zich een kat die in blakende welstand wordt afgeleverd bij het asiel.

Midden in de nacht ontwaken in de gewaarwording van gewichtloosheid en verstijving. Elke nacht sluipen verkenners van de dood door je lijf. Wie zich verwondert over het naderende einde, heeft tijdens het leven niet opgelet.

Hijgend en bezweet ontdekte hij zichzelf op de vloer van de woonkamer. Zijn hart bonkte wild. Hij had gedroomd. Bovenaan de trap in de woning van Iris was met kalk een figuur op het tapijt getekend. Precies als in een aflevering van Colombo, de meest irritante politieman van het tv scherm. Een grote, donkere vlek benadrukte de plaats waar het hoofd moest hebben gelegen. Maar het was niet Iris die daar had gelegen. Hij was het zelf.
Om een droom te kunnen onthouden, kun je deze het beste meteen opschrijven. Arnold wankelde naar de telefoon. Hier ligt altijd wel een pen, een stuk papier. Maar niet in zijn huis. Hij keek rond, maar raakte kwijt wat hij had willen onthouden. Langzaam daalde zijn hartslag. Het was raadzaam nog even te gaan liggen. Hij kroop weer in bed en viel in slaap. De demonen konden hun gang weer gaan. Maar demonen bepalen zelf of ze komen dan wel wegblijven.

Daglicht brak door het wolkendek. Arnold stond moeizaam op, stram vanwege de ongemakkelijke slaaphouding en harde ondergrond eerder in de nacht.
Hij spoelde zijn mond met koud water en voelde zich afgemat. Op blote voeten liep hij de trap op, naar de slaapkamer. Hier lag Jenny te slapen in het bed van Iris. Alleen haar rode golvende haren waren zichtbaar. Het dekbed rees en daalde gelijkmatig. Ze moesten samen zijn thuisgekomen.

Het was zaterdag en het middaguur naderde. De brug over het kanaal was versperd. Een plezierschip had een betonnen pijler geramd. Je moet het maar voor elkaar krijgen. De klep van de brug stond open als de mond van een patiënt die op de tandarts wacht. Te midden van andere auto’s keken Arnold en Jenny gelaten toe. Er zat niets anders op dan een lange omweg te maken. Auto’s keerden op het fietspad of reden achteruit tegen het verkeer in. De tijden van beschaafd wachten waren voorbij.
Overal was het druk. Op de hoek van een zijstraat wandelde kalm een haan. Het dier klapte even met de vleugels toen het een kat zag. Niet om te vluchten, maar om iets duidelijk te maken. De kat sloop verder. Het dierenrijk handhaaft de rangorde zonder verkeersborden.

Hij zette Jenny af in het centrum van haar dorp en reed dadelijk terug naar de stad. Om een nieuwe file te mijden, parkeerde hij in de stationsbuurt. Op een steenworp afstand van De Tsarina had een nieuw koffiehuis de deuren geopend. Het heette De Lantaarn. Altijd weer zijn er ondernemers die wedden op het paard achter de wagen. De markt voor hangplekken was verzadigd. In De Lantaarn zat niemand.
Arnold liep door en stapte bij de kapper binnen. Ondanks de teloorgang van een complete generatie coiffeurs die hun langharige klanten langs de ramen zagen lopen, had deze man zich gehandhaafd. Hij zette zijn gasten een kopje koffie voor en informeerde beleefd naar hun welzijn.

Halfslachtige muziek tetterde door De Tsarina. De bezoekers, hooguit vijftien in getal, draaiden shag of speelden een spelletje risk. Komt tijd, komt niks. Achter de bar zat Vincent. Hij keek op noch om. Waarschijnlijk las hij de bijlage van de Volkskrant. Op de zaterdag werd hier voor een week aan leesvoer bijgeleverd.
“Ha, die Vincent!”
“Godverdomme”.
“Gezellig sfeertje”.
“Wat moet je?”
“Groentesoep met ballen”.
Dit was er natuurlijk niet. Koek en chocolade prijkten op het armoedige lijstje.
“Cola dan maar”.
Hij volgde de bewegingen van de barman.
“Hier. En houd je bakkes, want ik wil lezen.”
Arnold deed of de mededeling hem niet aanging.
“In de politierapporten over mijn vermeende onrechtmatige geldbezit staat geen narigheid van jouw kant”.
Vincent keek toch. Hij proefde de ingewikkelde woorden van zijn klant.
“Dat had je liever gezien?”
“Ik wil je slechts even bedanken”.
Vincent toonde zich doof.
“Ook goed. Zet dan tenminste echte muziek op. Alles beter dan dit nichtengejammer.”
Arnold slurpte van zijn cola en wierp eens een blik om zich heen. Er zaten allemaal lui die hij eerder had gezien. Toch wilde hem geen enkele naam te binnen schieten.
“Tjonge, wat een waardeloze plaat”.
Vincent volhardde zijn bezoeker te negeren. Hij las geen Volkskrant maar in Vrij Nederland en sloeg demonstratief een pagina om.
“Staat er wat in?”
Als je maar lang genoeg zanikt, komt er een keer antwoord.
“Er staat een hoop onzin in rapporten van de politie”.
Arnold werd even door elkaar geschud. Had Vincent hem gespaard? Waarom dan?
“Zoals ik je al eerder zei, miste ik niets na jouw nachtelijk bezoek. Met geld van een Duitse crimineel die werd geholpen door Iris heb ik niets te maken en ik wil er ook niets mee te maken krijgen”.
Het klonk alleszins redelijk. Vincent las dit af aan de lichaamstaal van zijn bezoeker.
“Kan ik verder van je geleuter verschoond blijven? Mooi zo”.
De muziek was afgelopen. De arm van de draaitafel kwam uit eigen beweging terug. Vincent maakte geen aanstalten iets anders op te zetten.

Twee rustige meisjes stelden zich op aan de bar. Ze wachtten netjes af tot ze geholpen zouden worden. Naar gewoonte taxeerde Arnold hen met een snelle blik.
Thee wilden ze en een rol drop. Vincent moest weer in de benen. Arnold greep de gelegenheid onmiddellijk aan.
“Ik snap niet hoe je kunt overleven. Wat komt er dagelijks binnen? Op een dag merk je bovendien dat je gewoon te oud wordt voor een scholierencafé. Kijk je al om naar iets anders?”
Vincent schonk heet water in dikke glazen. Een theezakje mochten de meisjes zelf uitkiezen. Ze wilden lindebloesem en kastanje schilletjes. Door het ontbreken van muziek en een antwoord van Vincent aan het adres van Arnold, hing er een raar sfeertje aan de bar. De meisjes merkten het en trokken zich snel terug.
Vincent ging weer zitten. Voor zichzelf had hij ook een kopje ingeschonken. Het leek of hij de beledigingen van Arnold een beetje vermakelijk vond, want een flauwe grijns gleed over zijn gezicht.
“Kijk, Zwarthoed. Jij denkt dat hier geen droog brood wordt verdiend. Maar ik zal je een voorbeeld geven hoe je kunt rondkomen. Let wel: het is hypothetisch, voor je weer van alles gaat inbeelden”.
Hij vouwde zijn handen. De meester geeft onderricht.
“Stel dat ik inkomsten heb die beter buiten de belasting blijven. Dat moet jij je toch kunnen voorstellen. Hoe kan ik dat geld bruikbaar maken? Arnold luisterde met evenveel tegenzin als belangstelling.
“Dan begin je een koffiehuis en maakt op papier een geweldige omzet. Gewoon een kwestie van elke dag de kassarol voldraaien”.
Vincent hief zijn vinger als een onderwijzer.
“Natuurlijk moet je ook inkopen. Dozen koek en snoep, kratten met Fanta. Die komen echter nooit aan, want ze gaan rechtstreeks naar een ander adres waar je ze juist weer wel verkoopt zonder dat je het aan de kassarol kunt aflezen. Kunnen die havermoutklonten in je schedel het nog aan?”
Er klonk geen treiterzucht in Vincents stem. Het was meer een provocerende superioriteit.
Arnold zweeg. Dergelijke opzetjes kwamen niet voor in de leerstof op de middelbare school. Wat je daar leerde, was bedoeld voor Calvinisten met een vaste stoel in de kerk.
Vincent keek op zijn horloge.
“Dat is waar ook. Ik vergeet mijn gasten”.
Zorgvuldig goot hij twee glazen vol met cola. De bruine schuimkraag zakte langzaam ineen.
“Ik ga nu even naar boven. Misschien vind jij dan tijd om rustig op te krassen, OK?”
Hij plaatste de glazen op een blad, verliet de bar en verdween door de aan Arnold bekende deur naar de bovenverdieping. Joost mocht weten wie daar zaten.
Arnold bleef een beetje ontheemd achter. Onder de omstandigheden gevolg geven aan Vincents verzoek voelde aan als een nederlaag. Hij keek over de bar, half van plan de VN te pakken. Het werd een portefeuille. In de lederen klapper staken een rijbewijs, paspoort, autopapieren, een foto van een hond, twintig gulden papiergeld en een paar bonnetjes.
Arnold nam het rijbewijs en de autopapieren weg en legde de geplunderde portefeuille terug. Met achterlating van twee guldens op de bar liep hij kalm naar buiten.

Te voet doorkruiste hij de stad. Winkeliers reden hun rekken met rechterschoenen, kantoorhemden en onverkochte kranten naar binnen. Een bloemist stouwde chrysanten in grote emmers. De bloemen waren na een week ook nog prima.
Juist voor sluitingstijd slaagde hij erin V & D binnen te komen. In de boekencorner was niemand. De kassa was al verlaten.
Zijn ogen vlogen langs de rij auteursnamen. Hij vond niets van zijn gading. Bij de glazen uitgang werd hij tegengehouden door twee mannen in uniform.
“Hebben wij niet iets vergeten?”
“Ik onthoud alles. Wat is er aan de hand?”
Arnold meende het gezicht van de man vaag te kennen.
“Mogen wij even?”
De ander fouilleerde Arnold.
“Hij heeft niets. Je zou toch zeggen dat hij het was”.
Teleurstelling. De mannen leken te overwegen het onderzoek nog eens over te doen. De eerste keek op zijn horloge en maakte een neerbuigend handgebaar.
“Je kunt gaan”.
Arnold herschikte zijn kleding en nam er de tijd voor. Niet de controle, maar het feit dat de mannen hem nu ineens vlug de deur wilden uitwerken, maakte hem boos. Op hetzelfde moment wist hij, wie hier voor hem stond: de barman van De Taverne, de kerel die hij met zijn pennenmes in de hand had gestoken. Het drong tot hem door dat deze lieden met twee waren, aangesteld bovendien om lastposten legitiem aan te pakken. Hij slikte zijn woede in en liep de straat op.

In de stationsrestauratie was het rustig. Dit bleef zo na het binnenrollen van een tamelijk volle trein. De mensen stroomden dadelijk de stad in. Doelgericht spurtten ze weg op fietsen of doken gereedstaande bussen in. Het liep tegen half zeven. Arnold zat aan een vensterbank waarop een stenen kabouter prijkte. Hij dronk van zijn koffie en las de koppen van een streekkrant. Een bromfietser had zich in een mestwagen geboord en was hierin gestikt. De noodzaak om het dragen van valhelmen wettelijk verplicht te stellen, werd nog eens onderstreept. Verder werden foto’s van het Egyptische leger getoond. Tanks en vliegtuigen, made in USSR. Ze bereidden zich voor op een nieuwe oorlog met Israël.
De commentator stelde dat Nederland Den Uyl nodig had als premier. De man zou zeker een bemiddelende rol kunnen spelen. Geen moment kwam het in het hoofd van deze deskundige op dat uitgerekend Den Uyl Nederland in een oliecrisis zou storten.
Arnold legde de krant weg en haalde het rijbewijs van Vincent tevoorschijn. Hij wenkte de ober en bestelde een boord met warm eten.
Een stationsrestauratie is een plaats waar mensen met elkaar afspreken. Zonder afspraak ben je anoniem en kun je er een hele dag zitten zonder met iemand een gesprek te hoeven aangaan. Het bewijst dat drukte en eenzaamheid zusjes van elkaar zijn. Arnold zag mensen komen en gaan. Niemand had belangstelling voor hem.

In een zijstraat op honderd meter afstand van De Lantaarn, trof hij de auto van Vincent.
Het was een oranje VW Karmann Ghia, leuk om te zien en waardeloos om te rijden. Met een eenvoudige garagetruc brak hij het portierslot open, dook onder het dashboard en trok een paar draden los. Toch een spannend moment. Met het onvolprezen pennenmes van Trudie schraapte hij het koper bloot. Beetje choken, beetje gas geven. Er ging een huivering door de auto, de motor sloeg aan. Eigenlijk was het vooral een hels kabaal. Voorbijgangers keken om en knepen demonstratief hun neus dicht.
Hij nam de wagen mee. In de opkomende schemering trok de stad zich terug in de beslotenheid van de huiskamer. Winkelruiten waren zwart, Bij een benzinepomp tankte een bromfietser. De stad, overdag overvol van verkeer, raakte snel leeg.
Hij bereikte de hoerenstraat achter de gracht van De Ragebol. Hier mocht je niet doorheen rijden. Zou Gerben thuis zijn?
Dit was het geval. Wel had hij juist een uiltje geknapt, waardoor zijn gezicht een beetje opgeblazen was. Gerben stond desondanks voor hem.
“Komt u binnen, heer Zwarthoed”.
Iemands woning betreden is altijd een bijzonder moment.
In de woonkamer lag een huiskat, de parasiet van het moderne burgerleven.
“Waar leef je van?”
”Uitkering. En de rente van onze geheime rekening”.
Onze rekening. Mooi, Gerben is medeplichtig.
“Heb je koffie?”
“Ik drink alleen thee”.
Hij vroeg zich af waarom hij had aangebeld. Toch maar doorzetten.
“Ik heb een voorstel. In het Witte Paard speelt een band. We drinken hier even thee en daarna gaan we erheen. Ik heb vlakbij een auto staan”.
Gerben ging aan de slag. Zijn woning was prettig leeg. Een beetje erg leeg.
“Waar is je contrabas?”
Deze stond bij een musicus in een andere stad, veertig kilometer verder. De handen van Gerben waren iets soepeler geworden. Artritis was een vreemde ziekte die soms door je lijf leek te wandelen. De laatste tijd verkeerde zijn leermeester echter in een persoonlijke crisis. Hij was ontslagen uit een bekend orkest, lag in vechtscheiding en scharrelde de kost bijeen met optredens in bejaardentehuizen om aan de schraapzucht van zijn ex te ontsnappen.
“Soms kom ik aan de vaste deur”.
Arnold probeerde te voorkomen, dat hij zich in deze situatie ging verliezen. Wat konden hem de sores van een aan lager wal geraakte muziekleraar schelen?
Na de thee verlieten ze de woning. Twee deuren verder brandde een rood lampje. Het hoerenbestand breidde zich uit en trok vage klanten: klaplopers en Mediterrane types.
Bij de auto van Vincent bleef hij staan en opende het portier.
“Ik ben de sleutel kwijt, maar geen nood”.

Het rumoer in de auto was aanzienlijk, de besturing licht en onvast. De versnellingsbak haakte. Het motorvermogen was ondermaats. Alleen het ontwerp kon een reden zijn de wagen aan te schaffen.
Ze reden door de stad. Het geroffel van de tweetaktmotor weerkaatste tegen de gevels. Gerben vroeg niets en Arnold was er blij mee.
“Stukje sturen, Gerben?”
“Ik heb geen rijbewijs. Dat weet je toch?”
“Des te beter. Kun je een beetje oefenen. Anders leer je het nooit”.
Ze wisselden van stoel. Arnold wendde voor het volste vertrouwen te hebben. Hij liet Gerben daarom ook zelf de betekenis van diverse knoppen en handels ontdekken. Tersluiks keek hij mee.
“Is die politiezaak al afgehandeld?”
“Kunnen we het daar een andere keer over hebben?”
Vrienden heb je om over bepaalde onderwerpen te kunnen zwijgen.
Ze bereikten de snelweg. Gerben schakelde groot licht aan en trapte het gaspedaal tegen de bodemplaat. De wagen schudde en bonkte. De topsnelheid bedroeg bijna honderd veertig.

De aarde is plat. De Kerk heeft dit tenminste eeuwenlang tot waarheid verheven. Op zeker moment tuimel je van die pannenkoek af naar de diepte, in de hel van Dante. Tot die dag kun je beter genieten van het leven.

“Soms voel ik me Andreas Baader”.
Een plompverloren opmerking van Gerben. Baader was een linkse activist in Duitsland. Hij voerde moordaanslagen uit op mensen die meestal niet deugden.
“Baader zit vast en krijgt levenslang. Net als Meinhof en nog een handvol. Op een dag hangen ze aan de buizen van de centrale verwarming en niemand heeft wat gezien”.
“Toch doen ze iets voor de wereld”.
“Het zal wel. Net als Zuster Theresa”.
“Dat is een roomse kerkhoer”.
Het Witte Paard kwam in beeld. Ze waren een beetje vroeg voor het optreden van de band. Ze leverden hun jassen in bij de garderobe. Arnold presenteerde de kaal geschoren uitsmijter een sigaret, gaf vuur met de Myon en bestudeerde het gezicht van de straatbokser. Wat een polsen! En dan dat blikkerige horloge. Wat zou het opleveren, een hele avond hier staan bouncen? En wat deed zo’n kerel de rest van de week?
De grote zaal was al aardig gevuld. Er werd een achterhaalde plaat gedraaid. Lichtvlekken schoten over de wanden. In de provincie gebeurt alles vijf jaar later.
Ze komt. Ze komt. Ik moet Gerben kwijtraken.
Hij liep zijn voormalige schoolkameraad achterna, betaalde diens bestelling en goot twee extra glazen pils naar binnen. Zonder geluid te maken, liet hij een langgerekte boer en keek naar de grond. Deze lag bezaaid met plakken afgewerkte kauwgom.

Om elf uur ontdekte hij Karin. Vanuit het halfdonker volgde hij haar bewegingen. Ze was omgeven door vriendinnen en vrienden. Het waren opgeschoten jongens.
“Er zit beweging in”. Gerben stootte hem aan.
Op het podium werd inderdaad gesleept met apparatuur. Een drumstel werd gemonteerd. Twee muzikanten schudden hun manen en begonnen gitaren te stemmen. De boxen werden ingeplugd. Het klonk als blikseminslag. De band pakte de zaak groots aan. Een technicus stelde de microfoons op hoogte en tikte ertegen.
“One, two, three. One, two, three”.

Nog voor hij Karin had kunnen begroeten, trok ze hem aan zijn arm mee. Ze belandden achter de toiletruimte, in een stookhok. Aan het plafond brandde een peertje. Het schriele, naargeestige licht viel op een stoffige bromfiets.
“Ik ben drie weken over tijd!”
Hier kon hij het even mee doen.
“En ik ben nooit met een ander naar bed geweest”.
Een meisje in paniek. Door zijn toedoen. Andere mogelijkheden waren uitgesloten. Het was zo’n typisch voldongen feit.
“Geloof je me niet?”
Het was zover. Het had eerder kunnen gebeuren, met Bertine, Iris, Jenny. Nooit had hij er echt bij stilgestaan, laat staan de zaak preventief in eigen hand gehouden. Wel had hij, bij wijze van proef, een enkele maal een condoom om zijn geslacht gesjord in de badkamer. Na dit te hebben ondergaan, was hij afgezakt naar De Zwarte Beer, de reddeloze Zwarte Beer van vóór de verbouwing.
“Natuurlijk geloof ik je wel.”
“Als mijn ouders erachter komen, slaan ze me dood. En jou erbij”.
Achter de muur werd de band aangekondigd. Er klonk geroep en gejuich. De drummer deelde een paar inleidende klappen uit.
“Drie weken zegt nog weinig”.
Zwak verweer. Het ging over het nemen van verantwoordelijkheid.
“Laat je mij zitten?”
Karin was een dapper meisje, gewend aan een leven zonder franje of verbale flauwekul. Ze keek naar hem op, was bereid onmiddellijk overstag te gaan en zichzelf opnieuw uit te leveren. Op voorwaarde dat hij het goede antwoord gaf.
“Ik moet over de situatie nadenken. Wat we ermee moeten doen. Als je echt zwanger mocht zijn”.
Hij kreeg het benauwd. Beelden van het gezin De Zwaan kwamen hem voor de geest. Lelijke meubels. Heilloze gesprekken. Armoede. Een vergooid leven.
Feit bleef, dat hij een veel te jong meisje had bezeten. Hiervoor kon je in de molen van Justitie belanden.
“Heb je al getest? Er bestaan flesjes. Het heet Predictor. Wacht, ik geef je geld om het te kopen”.
Waar haalde hij het vandaan. Het moest van de reclame komen, uit een krant of de Muziek Express. Predictor. Ouwehoer die hij was.
Achter de muur werd gestart met het eerste nummer. De zangeres klonk een beetje aangeschoten. De gitarist hakte en schokte. De installatie zond een fluittoon uit.
Twee eenzame zielen in het brommerhok. Arnold trok Karin naar zich toe, kuste haar haren en voelde hoe zij zich aan hem vast klauwde.

Anderhalf uur lang duurde het muzikale geweld. Het was goed noch slecht. Het was vooral bekend. Gedanst werd er nauwelijks. Het publiek keek toe, dronk een biertje en draaide shag. Het was een tamme bedoening. Nou ja, de band kon je het nauwelijks aanrekenen. Ze traden wel honderd vijftig keer in het jaar op. Hooguit anderhalf duizend kregen ze voor een hele avond inclusief alle kosten. Hollandse popsterren woonden bij hun ouders of in een huurflatje en ze aten boerenkool met worst.
Karin had zich bij haar eigen groepje gevoegd. Ze wilde voorkomen dat er gekletst ging worden. Er stond een afspraak voor de eerstvolgende zaterdag.
Arnold zag het aan. De heen en weer stampende muzikanten, Karin die telkens even zijn kant uitkeek, Gerben met z’n degelijke schoenen. Het voelde aan of het gebouw overkoepeld was door onzichtbare tralies.
Kort nadat het podium was verlaten, de bandleden achter de geluidszuilen hun zweet afveegden en de DJ een beroerde plaat van Focus opzette, was het genoeg.
Arnold stootte Gerben aan. Snel en onopvallend er tussenuit knijpen, daar was hij goed in.

De auto maakte herrie als een bromfiets met een kachelpijp. Gerben was uit eigen beweging weer achter het stuur gestapt en pompte het gaspedaal op en neer. Arnold liet de elektradraden vonken.
“Karren maar!”
Ze verlieten de parking, draaiden de straatweg op. Half één wees het horloge om Arnolds pols. De toestand rond Karin had hem de hele avond beziggehouden.
“Wat is er met jou, heb je die griet soms zwanger gemaakt?”
Een communist evolueert tot helderziende.
“Misschien”.
“Hoe oud is ze eigenlijk?”
“Zestien”.
Hij gokte er een jaar bij, anders was het helemaal te gek voor woorden.
“Zestien?”
Gerben barstte in een daverend gelach los. De auto maakte een geweldige zwaai over de weg. Hij had moeite de auto weer op de eigen weghelft te brengen.
“Zestien!? Ben je helemaal van pot gerukt?”
Achter hen reed een andere wagen.
“Ha, ha, ha!! Zwanger. Hij wel. Ha, ha, ha!!”
Achter hen klonk een korte geluidsstoot. Blauw zwaailicht weerkaatste in de binnenspiegel. De achterliggende auto kwam langszij en passeerde. Remlichten gloeiden op.
“Wisselen!” Gerben begreep al hoe het zat.
Arnold bleef zitten. Hij was net iets te zat om snel te reageren en juist voldoende nuchter om in te zien dat beter Gerben dan hijzelf aangesproken kon worden.
“Schiet toch op, man!”
Het was te laat. Een agent klopte tegen het zijruit. Er zat niets anders op dan te gehoorzamen.
“Goedenavond. Rijkspolitie. Enig idee waarom ik u staande houd?”
Gerben had een paar seconden nodig.
“Er stak een kat over. Of een haas. Ik schrok”.
Van de zenuwen schoot hij in de lach.
“Heeft u gedronken?”
“Gedronken? Ik drink alleen water”.
Het klonk stellig. Zo beslist kon alleen Gerben zijn. De agent keek eens omstandig in de auto. Ook op Arnolds gezicht kwam de lantaarnkegel terecht. Terug naar Gerben.
“Mag ik uw papieren even zien?”
De hamvraag was gesteld. Het was voorbij middernacht. Daar stonden ze, ergens boven een industriestad langs de straatweg met een smeris.
“Ik heb geen papieren. Bij me”.
Alleen een goed verstaander hoorde hoe Gerben de zin in twee stukken knipte.
“Rij- en kentekenbewijs?”
Het klonk onverstoorbaar.
Arnold greep in zijn kleding. Het moest maar gebeuren.
“Alstublieft, agent”.
Er hing een raar sfeertje in de auto. Gerben was te zeer overrompeld om tegen te spreken. Arnold stootte hem tegen de arm.
De agent liep rond de lage sportwagen. Waarschijnlijk bekeek hij het model, of in het licht van de koplichten naar de papieren.
“Vanavond heet je Vincent”.
“Het kan niet waar zijn!”
” Houd je kiezen op elkaar. Wees beleefd. Er gebeurt niets”.
De agent keerde terug naar het zijruit. Hij bukte zich weer. Alles op z’n gemak.
“Het lijkt in orde. Blijft u wel rechts rijden en matig uw snelheid een beetje. Goedenacht”.

Gerben was ontsnapt op de identiteit van Vincent, maar kon er de grap niet van inzien.
“Als je nog eens wat weet”, snauwde hij Arnold toe, “heb je die auto soms gestolen?”
“Wees blij dat ik je uit de brand heb gehouden”.
Arnold moest het stuur overnemen. Hij reed kalm en geconcentreerd. Er bestonden agenten die een eind verderop gingen posten om na te gaan of je hun aanwijzingen wel opvolgde. Zo reden ze voort, over een donkere weg, richting de stad. Op de hoek van de hoerenstraat, vlakbij De Ragebol, stapte Gerben uit.
Met het portier in zijn hand boog hij zich naar Arnold.
“We moesten die rekening maar opheffen. Maandagochtend om 9 uur bij mij”.
Het portier sloeg dicht. Arnold zag zijn vroegere schoolmakker wegbenen, een beetje stijf als een oudere man. Het leek een beeld van de toekomst.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.