BLINDGANGER, Hoofdstuk XVI

| 1 reactie

Zijn huis lag in een gordijn van regen.
De hele zondag had hij in bed doorgebracht. In stilte, met een geweldige kater. Tussen de tijdsbellen van bewusteloosheid door had hij gedacht aan Karin. Met liefde had hij zijn ziel verkocht om haar bij zich in bed te hebben. Maar er was geen vraag naar zielen.
Nu moest het afgelopen zijn.
Want waar stond hij nu eigenlijk? Wat wilde hij met zijn leven aanvangen?
De garage is van de baan. Iris is dood. Karin is zwanger. Jenny is een kreng.
Maandagmorgen. Precies om 9 uur stond hij bij Gerben voor de deur. Samen en zwijgend gingen ze naar de Bank. De bediende liet papieren tekenen, keek bevreemd en overlegde achter een glazen schot met zijn chef. Arnold en Gerben hadden elkaar niets te vertellen. Het geld werd cash uitbetaald. Gerben had hierop aangedrongen, omdat hij niet traceerbaar wilde zijn met een simpele overschrijving. Buiten gingen ze ieder een andere kant op. Arnold naar zijn eigen bank om het geld bij te schrijven. De rest van de dag kwam hij tot niets.

Een dag later regende het nog steeds. Water drensde onverdroten tegen de ruiten. Het benauwde zijn gedachtegang. Bij neerslachtig weer moet je geen beslissingen nemen.
Pa Zwarthoed had gebeld. Of zijn zoon zin in een kop koffie had.
Arnold betrad de ouderlijke woning via de achterdeur. Een huis met een verkoopbord in de tuin. Onwillekeurig snoof hij de geuren op. Vertrouwd, zo rook het. Anders dan in zijn eigen huis. Een beetje muf, een beetje naar vroeger.
“Dag Pap.”
“Jongen”.
“Waar is Birgit?”
Domme vraag. Birgit had een zaak. Er moest gewerkt worden. Een buitenstaander kent de antiquair slechts als de spin in een oud web, iemand die vanachter een krant op klanten loert. Arnolds vader wist wel beter.
Je moest inkopen, veilingen afschuimen, bestellingen innemen en afleveren, kletspraat aanhoren, de mensen in hun waarde laten, ze alle mogelijke vooroordelen en onzin over spullen laten uitkramen. En toeslaan wanneer het om de centen ging.
Arnold wendde voor te luisteren, maar het verhaal liet hem onverschillig.
“Birgit en ik gaan het land verlaten”.
Een mededeling van een andere orde. De hersenpan incasseert het, maar de informatie moet worden verwerkt, samengevoegd en vergeleken met bestaande gegevens. Dit duurt even. Arnold voelde een mengeling van angst en opluchting.
“We gaan een zaak in Berlijn beginnen”.
Duitsers hadden meer te besteden en deden dit ook gemakkelijker. Bovendien hadden de Russen na de oorlog alles gestolen, dus was er veel vraag naar antiek.
“Hollanders zijn nooit ergens blij mee, of het moet een doelpunt van Ajax zijn”.
Argumenten rechtvaardigen persoonlijke wensen en wanen. Arnold kon onmogelijk in het hoofd van zijn vader kijken. Wel was duidelijk dat Birgit haar zinnen op de nieuwe locatie had gezet. Arnold had een tegenwerping.
“Berlijn ligt in Rusland”.
Een kanttekening met waarde. Berlijn was een Westers eiland, midden in de DDR. De regering van dit land moest naar de pijpen van Moskou dansen en deed dit met zo´n overgave dat de Russische partijleiding bij de Duitsers in de leer kon gaan. Bij een conflict zou West Berlijn de eerste klappen krijgen, zoveel was zeker.
“Arnold, houd daarmee op. Ik weet ook wel, dat ik het heb verprutst met de garage. Aan de andere kant: bedenk dat zonder mijn bijverdiensten de zaak allang op de fles gegaan. Het valt namelijk niet mee om auto’s te slijten aan wantrouwige boeren”.
Hoe langer het gesprek op deze manier voortging, des te beter leek het Arnold dat zijn vader uit zijn leven verdween. Pa Zwarthoed leek deze gevoelens te delen.
“Ik ben de komende weken vaak weg. Als iemand voor het huis belt, wil je dan contact met mij opnemen?”
Vertrouwen. Daar is familie voor. Arnold voelde een scheut warmte door zijn lichaam stromen. Een kind vergeeft zijn ouders bijna alles.

In de middag klaarde het eindelijk op. Arnold reed naar de stad om bij Café Ballade een tosti te eten. Na afloop bleef hij een half uur in de krant lezen en voelde zich desolaat.
Ik heb niets gezegd over Iris, niets over Karin, niets over Jenny.
Hij besloot uiteindelijk de stad in te lopen. Alles beter dan blijven kniezen en klagen.
Om te beginnen betrad hij de Boekencorner van V & D. Hij haalde King Rat van de plank, stak het boek onder zijn jas en liep naar buiten.
Voort ging het. Voor toonbare kleding moest je in kleinere zaken zijn. In een boetiek kocht hij sokken, sportief ondergoed, een spijkerbroek, een zwarte ribbroek met strakke pijpen, bijpassende riem en Italiaanse overhemden.
Drie panden voorbij de BATA, een winkel in communistisch schoeisel, was een andere mooie zaak. Hier kocht hij donkergrijze laarzen en een dunne soepele jas van kalfsleer. Zeshonderd gulden lichter was hij.
Met de aangeschafte spullen liep hij naar de auto en deponeerde alles op de achterbank. In een steeg waterde hij tegen de muur.

“Studio Filarski”. Een mannenstem.
“Is Jenny daar?”
“Met wie spreek ik?”
“Arnold Zwarthoed”.
“Zwarthoed?”
De verbinding bleef intact, maar het duurde nogal voor iemand zich meldde.
“Arnold?”
“Dag Jenny. Wat is dat, bij jullie?”
“O, dat zijn mensen uit Berlijn”.
Hoe bestaat het. Is Berlijn vandaag in de aanbieding?
“Ik hoor dat ze nog altijd kunnen schreeuwen”.
Aan de andere kant van de lijn viel stilte.
“Geintje. Sorry”.
Jenny schraapte haar keel. Op de achtergrond klonken werkelijk harde stemmen.
”Ik kan er verder niets over zeggen”.
“Dat hoor ik vaker tegenwoordig. Nog nagedacht over mijn aanbod?”
“Daar hebben we het binnenkort over. Niet via de telefoon”.
Arnold aarzelde. Het leek een bedelgesprek. Je mocht anders verwachten wanneer je met eigen geld komt aanzetten. Vergeefs zocht hij naar een volgende zin. Plotseling werd het contact verbroken. Een beetje beduusd legde hij de telefoon neer.
Een paar minuten ijsbeerde hij heen en weer. De situatie gaf stof tot nadenken. Hierbij hoorde ook het gegeven, dat hij het geld voor de investering al dagen in huis had. Waarom ook had hij het vanmorgen niet meteen gestort? Hij was toch al bij de bank.
Na in de keuken een glas water te hebben gedronken, haalde hij de spade uit de schuur en groef het geld van Pino op. In de keuken voegde hij de bankbiljetten voor Jenny erbij.
hert attachékoffertje zette hij in de kast.
Een jongeman is anderhalf uur bezig. Maar met wat?
Hij gebruikte hetzelfde gat in de voortuin voor de tweede ter aarde bestelling. Na de graszoden te hebben aangestampt, boende hij de spade zorgvuldig schoon.

Om half acht in de avond werd er op de voordeur gebonsd. Deze deur kon nog altijd niet open. Drie onbekende mannen maakten kenbaar even met hem te willen spreken. Wat kun je doen om indringers tegen te houden? Door de uitsparing van de brievenbus verwees hij hen naar de achterdeur. Het kwam bij hem op dat hij een hond moest nemen, een gemene kuitenbijter.
De mannen leken verrast een jongeman tegenover zich te hebben die netjes gekleed was en kortgeknipt haar droeg. In Nederland zag je niets dan onverzorgde haardossen.
“Wat komen jullie doen?”
Zijn hersens werkten op volle toeren. Het was hem aanstonds duidelijk dat deze gasten eerder bij Jenny waren geweest. Had zij hen gestuurd?
Een gedrongen man van een jaar of veertig sprak gewoon Nederlands en voerde het woord. De anderen liepen een beetje rond.
“Je hebt Jenny onlangs een bedrag aangeboden om je in te kopen?”
Ontkennen had natuurlijk geen zin.
“Ik zal duidelijk zijn. Dat scheelt tijd. De heren hier komen uit Duitsland. Zij zoeken geld dat daarginder bij een overval is verdwenen. De Italiaan die het naar Nederland bracht, zit vast bij de politie. Wij kunnen hem dus niets vragen. We weten dat hij heeft bekend, maar het geld is weg”.
“De politie is hier al geweest”.
Alles wat gebeurt, heeft zijn nut. Arnold was eerder ondervraagd. De belangrijkste les hiervan geweest dat hij had bemerkt tot op zekere hoogte zijn gedachten te kunnen blokkeren, als het ware ontoegankelijk maken voor anderen. Dit mechanisme van zelfbescherming begon meteen te werken.
“U zal de resultaten van het onderzoek wel kennen. Of niet?”
“Wij zoeken liever zelf. Aan de Nederlandse politie heeft niemand wat”.
Een antwoord op de gestelde vraag was het nauwelijks.
“Wij kwamen uit op enkele namen. Om te beginnen bij Iris van Engelen”.
Taal is een belangrijk middel van intimidatie. Net als lichaamstaal. Het gezelschap vormde een halve cirkel om Arnold heen.
“Iris. Hebben jullie haar soms doodgeslagen?”
Het inzicht dat deze lui op eigen houtje bezig waren, verwarde hem. Gingen banken tegenwoordig zelf op onderzoek uit? Mocht dat allemaal zomaar?
“Wij? Nee hoor. Zo zijn wij niet. Maar we vonden wel een stukje van wat we zoeken”.
Ter illustratie toonde de man een Duits bankbiljet tussen duim en wijsvinger.
“Waren jullie vanmiddag bij Filarski? Heeft Jenny jullie gestuurd?”
Niemand gaf antwoord. Het leek of geen van de aanwezigen hem kon verstaan of zelfs maar horen.
“Waar is het koffertje dat je haar liet zien?”
Arnold knikte naar de kastdeur. Jenny moest gepraat hebben.
“Het geld staat op de bank. Ik bewaar geen cash in huis”.
Uit de kast kwam het gezochte.
“Code?”
“De cijfercode is drie maal nul. Er zit niets in”.
Met z’n allen toekijken bij een handeling. Het slotje klikte soepel open.
“Van de storting kan ik een bankafschrift tonen”.
Arnold voelde, dat de rabiate houding van Gerben in zijn voordeel werkte. Op de rekening was precies dertig mille in Hollands geld gestort en dus niet een bedrag dat was beïnvloed door een wisselkoers. Bovendien stond tenminste Gerbens naam nergens vermeld.
“Hoe komt jij aan dertig mille?”
“Erfdeel van moeders kant. Vrijgekomen door de verkoop van Garage Zwarthoed. Mijn vader dus. Wat hebben jullie daarmee te maken?”
Het klonk ietwat onsamenhangend.
“Je neemt het eerst op van de bank, dan ga je met de flappen naar Jenny en vervolgens stort je het terug op eigen rekening. Begrijp ik dat goed?”
Arnold onderdrukte het besef dat hij gevaar liep.
“Ik wilde Jenny imponeren. Denk ik”.
“Nog andere liggende gelden in huis?”
“Nee”.
Een ogenblik leek het gesprek hiermee gedaan. De man draaide zich om en spreidde zijn armen naar de anderen. Vijf of zes Duitse woorden volstonden. De verschillen tussen beide talen zijn betrekkelijk. De heren begrepen ook zo wel dat er geen resultaat geboekt werd.
Op hetzelfde moment draaide de man zich om en haalde uit. Zijn vuist sloeg Arnold steenhard tegen de bovenkant van zijn neus. Het werd Arnold dadelijk zwart voor de ogen en aan de geluiden om hem heen kon hij opmaken op de vloer te belanden.
Sterke armen sleurden hem omhoog. Hij werd op een stoel geplant.
“Het geld, Zwarthoed! Denk je dat wij net als de politie braaf gaan zoeken? Moeten we je huis slopen? Het geld, druiloor!”
Arnold zag niets dan sterren en strepen. Zijn keel bracht een fluitend geluid voort.
Hij hoorde nieuwe vragen en incasseerde slagen en trappen. Zijn tong proefde een lauwe vloeistof zonder dat hij kon zien wat het was. Hij gilde wegens een hevige pijn aan zijn half. Scherpe schroeilucht bereikte zijn neus.
Een herinnering aan het politieverhoor diende zich aan. Deze had niets te maken met vragen en antwoorden, angsten of zekerheden. Arnold herinnerde zich zijn ademhaling voor hij in het verhoor zijn bewustzijn verloor.
“Wakker blijven, Zwarthoed! Het geld! Niemand kan je horen! Moet je dood?”
Hij was even terug in de hel van zijn eigen huis. Opnieuw gilde hij het uit.
Iemand smeet water in zijn gezicht. Het voelde erger dan een klap. Een absurde gedachte kwam in hem op. Hij rochelde en spuugde slijm of bloed. Zijn adem joeg zuurstof in hoog tempo in en uit zijn longen. Uit alle macht werkte hij aan zijn vlucht uit de werkelijkheid. Opnieuw werd het zwart en leeg in zijn hoofd. Arnold verloor het bewustzijn.

Buiten verzwakte het daglicht. De aardbol draait maar door in een tijdsdimensie welke de mens niet kan bevatten. Nog even en de tuin zou in het donker liggen. Vanuit het raam van de woonkamer kon je zien waar je moest graven.

Versteend van kou kwam hij bij. Het was aardedonker. Om na te gaan of hij blind was, bracht hij een hand voor zijn ogen. Tijd is een idee. Het suggereert lineaire voortgang. Alles wat leeft, haalt adem en dat is wat telt. Arnold had geen idee hoelang hij erover deed om na te gaan of hij zijn ledematen nog had en deze kon bewegen. Zijn neus was kapot geslagen. Overeind komen, bleek een probleem.
De indringers waren kennelijk vertrokken. Kastdeuren stonden wagenwijd open, stoelen lagen omver, een jas was binnenste gekeerd. Arnold zag het en kroop langzaam naar de telefoon.
Een ambulance bracht hem naar een ziekenhuis. Bij nader inzien viel de schade mee. In de polikliniek hadden ze drie kwartier werk aan hem. Opnieuw sliep hij in zijn oude kamer, in zijn eigen bed.

In de restauratie van het spoorstation bestelde hij koffie. Het herstel was snel gegaan, al zat hij nog onder de blauwe plekken. Zonder belangstelling observeerde hij wachtende treinpassagiers. Rondhangende alcoholisten waren er ook. Een man dronk uit een fles, die hij na gebruik in een plastic tas stak.
Arnold mijmerde na over de kloppartij. Het bed van Iris was onaangeroerd gelaten. Het huis voelde onderhand een beetje bezoedeld aan. Op de achterdeur had hij een nieuw slot laten monteren.
“Hé, jij hier?”
Arnold herkende de jonge vrouw aanstonds: Antina, ex serveerster van Wimpy, ex barkeepster van de Kleine Prins. Ze droeg het uniform van de Nederlandse Spoorwegen.
“Dag Antina!”
Alsof ze een oude bekende was, stond hij op en gaf haar een kus op de wang.
“Je ziet er prima uit. Gezond. En zo verzorgd!”
“Dat kan ik van jou helaas niet zeggen”.
“Ik ben beroofd en bijna vermoord”.
“Het stond in de krant. Ik wist niet dat het zo erg was”.
“Dat is het ook niet. Het verband is alweer van mijn neus”.
Antina schudde haar hoofd en wenkte de bediening.
“Mogen wij twee koffie. Wil je gebak?”
“Ik lust geen zoetigheid.”
Ze ging zitten en babbelde over haar nieuwe baan. Ze was aangesteld als cheffin van de personeelskantine. Een mooie promotie, zeker wanneer je bedacht dat de werkloosheid voortdurend steeg. Voor goede mensen is er altijd werk.
“Hoe staat het met dat eigen bedrijf van je?”
“Dat komt wel goed, het neemt tijd”.
Het leek weinig zinvol te vertellen over wat hem was overkomen. Je belandt van de ene in de andere vraag en zo goed kende hij haar nou ook weer niet.
“Zie je wel dat je mij gewoon wilde versieren?”
Vrouwen als Antina zijn goud waard en het ontroerende is dat ze dit zelf niet weten.
“Eet je wel genoeg, Arnold? Je bent toch niet aan de drank?”
Ze nam afscheid en stapte in een trein. Arnold zag de coupéramen langs trekken, maar Antina liet zich niet meer ontdekken.
Hij bleef nog wat zitten. Buiten joeg een stevige wind bladeren, kranten en andere rommel in cirkels over de straatklinkers. Het was me wel een week geweest. Hij had de de politie beschrijvingen moeten geven en er was zelfs iemand aangehouden. Langzaam zakte de stress weg uit zijn lichaam. Hij knipoogde naar een mager meisje met een paraplu en was blij dat zij doorliep.
Reizigers kwamen en gingen. Ze sleepten met koffers, bladerden in tijdschriften, vergeleken hun horloge met de onverbiddelijke wandklok. Vanaf het perron galmde geregeld een stem met onverstaanbare mededelingen. Nederlands is een lastige taal.

Arnold bleef zich lamlendig voelen. Het enige uitstapje dat hij maakte, betrof een supermarkt in een wat verder gelegen stad. De autorit beviel hem, maar eenmaal thuis kroop hij weer in bed.
Vandaag was het donderdagavond en al een beetje weekeinde voor vrijgestelden.
In de Ragebol heerste een drukte die je bijna gezellig kon noemen. Patrick had een thema-avond belegd. Uitsluitend platen van de Rolling Stones werden gedraaid. De mannen waren al zoveel jaren tekeer gegaan, dat je met gemak een hele avond hun muziek kon draaien zonder in herhalingen te vervallen. Mocht daar bezwaar tegen bestaan. Er werd wiet gerookt, vanonder de toonbank verstrekt tegen vriendenprijs. Bovendien was het weer eens Pils Avond. Na zes uur was er toch nooit controle.
Arnold had de halve middag geslapen. Nu was hij paraat. Hij zette zich aan de bar en goot kalm twee glazen bier naar binnen. In de spiegel achter de tap zag hij zichzelf zitten, aanleiding om zich allengs beter te voelen. Uit de boxen schalde Jumping Jack Flash, niet het beste nummer ooit, maar toch bijzonder.

Hij klopte een Craven uit het doosje en stak op. De eerste inhalering is de beste, de meest pure. En dan te worden begeleid door een prachtig nummer van de Stones.

Sun turning round with graceful motion
We’re setting off with a soft explosion
Bound for a starr with fiercy oceans

In de Ragebol hield niemand zich nog bezig met de dood van Iris of een zoekgeraakte rugzak. De bezoekers spraken met elkaar over gezellige onderwerpen. Studenten aan een tafel lachten luid. Enkele hippiemeisjes, zo te zien Italiaanse, stonden gewoon mooi te wezen. Hun lichaamshouding zond signalen van beschikbaarheid uit. Ze hadden zeker gehoord dat Nederland helemaal groovy was. Arnold keek het een poosje tevreden aan.
Helaas, daar kwam Sonja binnen. Haar tanden leken alsmaar door te groeien. Ze was in gezelschap van Vincent, maar deze werd meteen bij binnenkomst aangesproken door een magere jongen. Arnold keek Sonja recht in het gezicht.
Sonja keek terug. Het was een blik die het midden hield tussen afkeer en bereidheid de strijdbijl te begraven. In plaats van te gaan krijsen of door te lopen, treuzelde zij.
“Zeg het eens, Sonja”.
Het viel Arnold op dat de vrouw stonk. Niet naar uitheemse luchtjes, maar naar oud zweet. Het werd tijd dat ze eens ging douchen.
“Pino wordt uitgeleverd”.
Niets leuker dan bezorgdheid tonen over je vijanden. Nog niet zolang geleden had Sonja hem vervloekt in Doublecross. Nu mocht zij klagen over haar ongeluk.
“Zijn vrienden zonden negatieve vibraties uit. Ik ging er slecht van slapen”.
Mensen houden tot het einde der tijden vast aan hun wanen. Feiten van buitenaf worden hier moeiteloos ingepast. Arnold liet het er maar bij.
“Biertje?” Altijd fascineerde het hem om iemand die hem naar het leven kon staan een glas bier aan te bieden en toe te kijken hoe dit werd leeggedronken.
Sonja had liever wijn en die had Patrick niet.
“Wat voor vrienden zijn dat? Volwassen Duitse kerels met een ouderwets kapsel?”
“Hoe weet jij dat?”
Arnold slikte. De mannen in zijn huis waren dus mogelijk zelf betrokken bij de overval in Duitsland. Een tweede, nog gevaarlijker gedachte drukte hij weg.
“Ik heb ook bepaalde gaven. Ze zijn mij verschenen in een nachtmerrie”.
“Idioot”.
Sonja liep door, om plaats te maken voor twee Daltons. Muis was in gezelschap van zijn broer Frans. Kootje zat kennelijk in de carrousel van celbezoek van de familie.
Zodra ze vlakbij waren, stampte Arnold met zijn hak op de grond en maakte een hoekige beweging. De beide straatkatten vlogen voorbij. Dit bood zicht op een andere bekende.
“Wat hink je Gerrie? Is dit loopje in de mode?”
“Lach maar. Ik ben bassist in Utopia”.
Hij maakte plukkende bewegingen aan een denkbeeldige gitaar. Arnold had nog nooit gehoord van Utopia. Veel kon het niet voorstellen. Maar wat zou het? De meeste dingen in een mensenleven zijn gedoemd.
“Patrick, een biertje voor deze man”.
Gerrie wachtte gelaten. Gratis bier komt niet elke dag op je pad.
De volgende binnenkomer was Sjoerd. Onbevangen stormde hij op Arnold af.
“Godverdomme! Ik dacht dat jij vast zat”.
“Ik? Je loopt achter. Ik ben alweer bijna vermoord”.
Sjoerd luisterde niet.
“Ik heb een hele dag op het bureau gezeten. Vanwege”.
“Dat snap ik allemaal wel, Sjoerd. De politie heeft het maar druk”.
Hij boog zich naar voren en was Gerrie al vergeten.
“Zeg Sjoerd, ik hoor dat er geld zoek is. Ik ga niet vragen of jij er iets vanaf weet. Maar let op: er zijn Duitsers in de stad die navraag doen. Het zijn harde kerels met weinig gevoel voor humor”.
Sjoerd deinsde achteruit.
“Ken jij die gasten? Ik heb alleen maar wat in dat huis rondgekeken!”
“In het oude of haar nieuwe huis?”
“Ja, wat denk je? In het oude was niets meer natuurlijk”.
Sjoerd werd bijna omver gestoten.
“Hier blijven. Heb je daar nog wat gevonden?”
Het biertje voor Gerrie werd doorgegeven. Arnold maakte een gebaar dat hij meer glazen kon gebruiken.
“Geen ene sodemieter, nou ja, een tv. Daar ben ik mee gezien”.
Arnold trok Sjoerd dichterbij en bood hem een sigaret aan. Samen roken, ja gezellig.
“Wanneer was je er dan?”
“Weet ik veel. Ik loop niet rond met een kalender”.
Een vuurtje. De fraaie aansteker belichtte het vermoeide gezicht van Sjoerd.
Arnold zag het en voelde onwillekeurig iets van sympathie. Deze jongen was toch te verkiezen boven die uniforme bouwvakkersmoelen waarmee hij mee te maken had gekregen, of anders van de studenten in het dorp van Jenny. Om over het tuig van een week geleden in zijn huis maar te zwijgen. Toch maar even de zweep erover leggen.
“Kijk Sjoerd, het is met jou altijd hetzelfde liedje. Het is een wonder dat je vrij bent! Weet je dat wel? En wat doe je met dat goede nieuws? Klagen over je ongeluk. Het ligt altijd aan een ander, nietwaar?”
“Maar”.
“Daar gaan we weer. Altijd een Maar. Feit is, dat je de woning van Iris overhoop hebt gehaald omdat je er geld dacht te vinden. Als ik je in mijn huis zou aantreffen, sloeg ik een deuk in je kop. Ik geef maar een voorbeeld”.
Hij nam een slok van zijn bier dat al even stond. Het smaakte lauw. Opnieuw rook hij de nabijheid van Sonja. Een vilein plan kwam in hem op.
Tersluiks voelde hij in de binnenzak van zijn jasje. Ha! De papieren van Vincent! Eerst meer even doorzaniken tegen Sjoerd.
“Neem een voorbeeld aan Gerrie. Staat te zwaaien op zijn poten, maar speelt wel in een band!”
Arme Sjoerd. Kleine schuwe kelderrat. Ooit had ook hij een moeder die blij met hem was geweest. Dat kon je tenminste hopen.
“Fuck man. Wat kan ik dan doen? Ik heb het druk. Ik moet geld vinden, de halve stad aflopen. Urenlang lullen met iedereen om wat los te krijgen”.
“Dat is omdat je een verkeerd leven leidt. Daar hebben we het een andere keer over. Maar kijk uit voor die Duitse gasten. Ze zijn alle mogelijkheden aan het afwerken. Als je begrijpt wat ik bedoel”.
Gerrie had zijn biertje te pakken. Arnold stond op en hief zijn glas. Hij liet nu Sjoerd even staan.
“Vertel eens over Utopia, Gerrie. Het interesseert me, weet je wel”.
Gerrie stond tussen hem en Sonja in. De vrouw voerde een gesprek met een lange slungel die Engels sprak met een onmogelijk accent.
“Wil je even zitten, Gerrie?”
Nooit eerder was hij voor de ander opgestaan. Arnold maakte van het wringen der lichamen gebruik om de papieren van Vincent ongemerkt in de jaszak van Sonja te loodsen. Onmiddellijk keerde hij haar de rug weer toe.
“Zeg Gerrie. Neem gerust nog een pilsje. Patrick zal om geld vragen, maar alles is al betaald”.

Bij de uitgang stootte hij Vincent aan.
“Sonja staat met papieren van jou te zwaaien. Je laat haar toch niet achter je bar staan?”
Hij tikte tegen zijn denkbeeldige baret en stapte naar buiten. Hier stond Gerben. Hun blikken kruisten elkaar, maar geen van beiden gaf blijk van herkenning. Knap werk.

Zolang je rustig op een barkruk zit, valt dronkenschap erg mee. Eenmaal in de buitenlucht krijg je een knal voor je kop.
Arnold had onderschat wat het bier in zijn vermoeide lijf zou aanrichten. Een beetje onstandvastig liep hij de gracht af, beklom de stenen brug en kreeg de antiekzaak in het vizier. De zaak was zo donker dat hij wel ontruimd moest zijn. Misschien ging het slecht met antiek. Moest zijn vader dit niet weten? Willoos liet hij zich verleiden de straat met hoerenkasten in te slaan. Altijd trekken kaarsen nachtvlinders aan. Vrouwen wenkten hem, met handen en heupen. Het ging zonder vreugde. Geen nevel van alcohol kan deze waarneming wegnemen. Een prostituee is de ultieme fake.
Bij het gepolijste wassenbeeld van een Aziatische vrouw, misschien dertig jaar, bleef hij staan. Ze waren van elkaar gescheiden door een wand van glas. Hij in zijn herfstjas met een stuk in z’n kraag, zij in beschamend geringe onderkleding. Haar blik was even onbewogen als haar lichaam. Ze was de enige die niet dadelijk moeite deed hem naar binnen te loodsen.
Pas na een halve minuut verwaardigde zij de deur te openen.
“You have money?”
Ze had een zachte stem, maar het kon ook zijn dat hij slecht hoorde. De opgelopen klappen tegen zijn hoofd konden hiervan de oorzaak zijn.
“I want to be loved”.
Het was de titel van het laatst gehoorde Stones nummer in De Ragebol, het brokkelige grachtenkrot, toevluchtsoord voor de hopelozen van de toekomst.
“You can’t always get what you want”.
“I got the silver”.
Hij mocht binnenkomen. Ze hielp hem uit zijn jas, schonk een glas thee in. Ze leek zijn moeder wel, in betere tijden.
Een waanzinnig bedrag vroeg de vrouw, maar Arnold knikte. Jenny had het al gezegd. Hij was groen als plattelandsgras.
“Ik heb vijftig. Geloof ik”.
“You take drugs?”
Ze controleerde de binnenkant van zijn armen op naaldprikken en taxeerde en passant zijn lichaam. Een prostitué weet heel snel wat voor vlees ze in de kuip heeft.
“Not me, sister morphine”.
Uit zijn broekzak kwamen een biljet van vijfentwintig, twee tientjes en een vijfje. De vrouw masseerde zijn rug, trok de broek van zijn achterwerk. Onmachtig lag hij onder haar handen en gaf zich over. Ze vroeg niet naar zijn naam.
“You dream a lot about girls?”
“I made one pregnant”.
De handen stopten ogenblikkelijk. Ze draaide hem om, als een rollade die gezouten gaat worden.
“You take care of the baby?”
Een baby. Een kind. Ben je helemaal van de ratten besnuffeld.
Zijn tekst was ontoereikend, maar zijn lichaamstaal moest boekdelen spreken.
”You son of a bitch”.
Hij sloot de ogen, was zich bewust van zijn erectie, maar kon onmogelijk iets klaarspelen. Ze veegde met haar borsten over zijn huid, masseerde zijn lendenen tot hij begon te lekken. Binnen dertig seconden trok ze hem leeg.
Hij moest zich aankleden en ophoepelen. Met achterlating van zijn geld.

De rest van de week had hij het druk. Zo hoort het ook. Een man moet werken om zichzelf de moeite waard te vinden. Zij, die de kantjes eraf lopen, staken, koffie slempen of bulletjes draaien onder het motto Alles Beter Dan Werken hebben een laag zelfbeeld. Er komt niets van hen terecht. Alles wat ze aanvatten, is gedoemd.
Arnold bracht een bezoek aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken om zich te oriënteren op het starten van een bedrijf. Jenny bekeek het maar met haar getreuzel en het bezoek van de Duitsers had de deur helemaal in het slot gegooid. Het werd tijd om aan te pakken. Zodra Pa Zwarthoed naar Duitsland vertrok, was het gedaan met de maandelijkse toelage. Dan moest Arnold zelf brood op de plank brengen. Zo zou hij erachter komen hoe de echte wereld in elkaar stak.
“U kunt niet aannemelijk maken voldoende kennis van zaken te hebben”.
Kennis van struiken en planten, bedoelde de man die had geluisterd naar Arnolds onberedeneerde plannen. Ze zaten in een vertrek voor ondernemers in wording.
Een Tuincentrum starten, had Arnold aan de man voorgesteld.
“U kunt het beste een jaartje stage gaan lopen bij een dergelijk bedrijf. Studeren en werken.”
De tegenzin was evident.
“Of een geschikte partner vinden. U lijkt me nogal geschikt als manager”.
Dit klonk al beter, modern ook vooral. Arnold verzweeg dat hij Jenny een partnerschap had aangeboden in de filmstudio.
“Geld lijkt me geen probleem. U bent jong en beschikt over eigen opstallen en terrein. Maar u moet wel ergens verstand van hebben”.
Kantoorlui, apart volk. De lui graven wat in hun paperassen, raadplegen een kaartenbak, trekken een brochure tevoorschijn. Na afloop ben je even ver als aan het begin.
Eenmaal op straat bemerkte hij hoe hevig hij transpireerde. Zijn benen voelden aan als waren ze gevuld met zand.

De politie had Arnold nog eens willen spreken, maar Mr. Slagveer had hier een stokje voor gestoken. Gelet op de medische impact bij zijn cliënt, moesten de eerdere verhoren maar volstaan en bovendien was er nog de half opgeloste kwestie van het criminelenbezoek in zijn huis. Ingeval de politie nog iets wilde, dan maar via de advocaat. Aan het verweer, dat Jenny en Arnold tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd, had Mr. Slagveer geen boodschap. Na deze telefonische tirade was niets meer vernomen. De politie stond onder druk, niet alleen van coulante rechters, maar ook van de politiek. Het verschil tussen politie en politiek bedraagt niet voor niets slechts een enkele letter. Voor een harde aanpak was steeds minder draagvlak. Criminaliteit zou haar oorzaak vinden in de samenleving, een kwestie van economische deprivatie.

Alweer ging een week voorbij. De tijd maalt niet om zogenaamde omstandigheden, al regent het atoombommen.

De leestafel van De Pilaren was beladen met dikke zaterdagedities van de dagbladen, leesvoer voor kunstenaars en intellectuelen die geen abonnement konden betalen of er geen zin in hadden.
Arnold zat aan een tafeltje, bedekt met een omakleedje. Hij keek naar buiten. Het regende. De oude ruïnekerk toonde haar rafelige contouren. Het was kwart over zes in de avond. Op dit tijdstip zit de Hollander aan zijn welverdiende avondmaaltijd. Ook De Pilaren ontving een flink aantal gasten.

“Je hebt geen idee onder welke druk ik heb gestaan”.
Jenny was midden in een verhandeling over het onrecht, haar aangedaan door de bezoekers uit Duitsland en de nonchalante houding van Arnold hierover.
“Alsof het mijn schuld is, wat daarginder gebeurde”.
“Is dat een reden om die gasten op mijn dak te sturen?”
Jenny schudde haar hoofd.
“Het kwam toevallig door je telefoontje. Zij luisterden mee en trokken hun conclusies”.
“Die lui hadden mij wel kunnen vermoorden”.
“Welnee, het zijn mensen die we al langer kennen.” Alsof dat iets zegt.
“Het was dat ik buiten westen raakte. Weet je wel dat ze bij Iris zijn langs geweest?”
“Jenny zweeg. Arnold kon veel van haar leren: bijvoorbeeld wanneer je moet zwijgen.
“En dat zijn je zakenpartners? Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig”.
Het leek tijd om door te drukken.
“Je moet breken met die gasten”.
“Ja”.
Het klonk halfhartig, bijna onwillig.
“Tot het zover is, steek ik geen cent in jouw bedrijf”.
Hij kon praten wat hij wilde. Jenny keek of ze een half pond slaappillen had ingenomen.
Antwoord bleef uit. Arnold kreeg een idee.
“Of word je misschien afgeperst door die lui?”
Jenny bleek nog te luisteren.
“De kwestie is, dat in Berlijn geld is geroofd dat voor een deel van ons is. Hierdoor zijn we in financiële moeilijkheden gekomen”.
“Reden te meer ermee op te houden”.
“Dat gaat niet zomaar”.
“Dus toch chantage. Je moet er nooit aan toegeven. Nooit”.

De kelner naast hun tafeltje kuchte beschaafd. Zijn aanwezigheid was te lang onopgemerkt gebleven. Arnold gebaarde dat Jenny het mocht zeggen.
Zodra de man had geschreven en weg beende, kreeg Arnold een inval.
“Er is nog een andere mogelijkheid”.
“Welke dan?”
“Daarover moet ik nog nadenken. Ik weet alleen dat er iets niet klopt”.

Een jonge bediende kwam met de tomatensoep. Twee borden waterige rommel met miezerige balletjes werden hen voorgezet.
“Eet u smakelijk”.
In Nederland eten de klanten wat hen wordt voorgezet, zelfs wanneer het varkensvoer is. Na afloop van de maaltijd laten zij zich welgevallen dat obers kleinerende opmerkingen maken over netjes leeg gegeten borden.
Arnold en Jenny begonnen te eten, snel en vijandig.
De obers van De Pilaren toonden zich vakmensen. Ze boden het tweetal nauwelijks gelegenheid de woordenwisseling te hervatten. Na de soep kwam meteen de hoofdschotel. En zo door tot en met de rekening en de weinig subtiele mededeling dat aan de tap klanten zaten te wachten op hun diner.

Op straat leek het even of ze definitief zouden splitsen. Maar op het laatste moment betraden ze toch samen De Taverne, het café waar Arnold de barman met zijn pennenmes had gestoken. Op zijn hoede keek hij rond. De wetenschap dat deze man inmiddels bij V&D in de beveiliging werkte, stelde hem nauwelijks gerust. Achter de tap stonden evenwel twee hem onbekende mensen, kennelijk een echtpaar. Arnold ging dicht bij de uitgang staan. De onenigheid zette nog even door.
“Ik begrijp niet, waarom jij dat bed in huis hebt gehaald”.
“Je hebt er anders wel in geslapen”.
Jenny schudde haar rode haren.
“Hoe brutaal moet je zijn om andermans bed in huis te halen?”
“Hoe weet jij dat het bed van iemand anders is geweest?”
“Van je leuke zusje”.
Er werd muziek opgezet. Een oude plaat van Brainbox, een sterk onderschatte band. Arnold probeerde te luisteren en tegelijk na te denken. Dit kostte tijd. Toch kwam hij ertoe zich af te vragen hoe Trudie van het bed had kunnen weten. Zijn boosheid won het.
“Trudie mag gebreken hebben, gek is ze niet. Ik ga pissen”.

Jonge mensen zijn soepel en weerbaar. Zij denken alles te kunnen opvangen en naar hun hand te zetten. Ze hebben geen notie van de krachten die onopgemerkt hun sloopwerk verrichten. Ooit maakte Arnold deel uit van een schoolklas. Gaande dit proces maakte hij zich los, om welke redenen ook. Het succes van zijn examens bood een laatste kans zich te conformeren, mee te gaan met de stroom. Door te kiezen voor een studie en te investeren in stabiele vriendschappen waren deuren voor hem opengegaan. Sommige dan toch. Hij koos ervoor een eigen koers te varen. Wat had dit hem opgeleverd, anders dan een groeiend aantal vijanden en problemen, onaangename milieus en diverse pakken slaag? In zijn voortuin rustte de enige bonus waarop hij zich kon beroepen en dan nog buitenwettelijk verkregen: de buit van een overval, door anderen in Duitsland gepleegd. Zo mocht de vraag van Bertine’s baas nogmaals worden gesteld: wat is geld helemaal?

Drie kwartier later zaten ze in de blauwe zescilinder. Arnold reed met gematigde snelheid naar de stad. De motor gromde ontevreden. Alleen Joost mocht weten hoe de strijdbijl was begraven. Misschien was het wegens Birgit. Haar naam was onverwacht gevallen. Jenny had opgemerkt, dat haar moeder nauwelijks verstand had van antiek. De inkopen voor de winkel waren gedaan door Papa Barry en door Jenny. Verbroken liefdes behoeven het zakendoen niet in de weg te staan. Arnold had het aangehoord. Het interesseerde hem nauwelijks. Ergens vermoedde hij al langer dat zijn vader zich liet leegschudden door de vrouw in wie onvoorwaardelijk geloofde. Of misschien ook niet. Je kunt alleen gedrag beoordelen. Hij concentreerde zich op zijn auto.

BMW, dat is pas Power to the People.

Het ging over de kanaalbrug en vervolgens naar donkere wegen. De lichtbundel van de koplampen volgde een kaarsrechte weg, afgezoomd met water en riet. Even later sneed het licht langs de kastanjebomen van zijn huis, reflecteerde in de ruiten en boorde een kegel in de openstaande schuur.
Jenny ging meteen naar de wc. Vrouwen moeten vaak plassen. Er komt geen einde aan. Arnold pakte een fles middelmatige whisky, eerder gekregen van Bertine of voor haar gekocht maar nooit overhandigd. Hij liep ermee de trap op en draaide de kranen van de wastafel open. Water, reinigend en zuiverend. Het mirakel uit de kraan. Hij spoelde uitgebreid zijn mond en waste zijn handen.
“Zullen we vrijen?”
Dit was zwak uitgedrukt. Eerder had hij zin om Jenny keihard te nemen.
“Ik ben ongesteld”.
In zijn slaapkamer was het warm. Arnold had de cv aan laten staan, een gewoonte meegebracht uit het ouderlijk huis waar voor kinderen alles kosteloos is.
“Dan kun je in ieder geval niet zwanger worden”.
“We kunnen beter gewoon gaan slapen”.
“Slapen is voor zieken en mensen die zich vervelen”.
Hij trok de dekens weg en gooide ze op de grond. Een matras, overtrokken met een wit laken. Als een altaar, een offerblok.
“Een beetje overdreven, vind je niet?”
Hij stak theelichtjes aan, een heel peloton. Aangeschaft bij de HEMA. Een voordeelpak in doorzichtig plastic. Een plattelander zoekt de definitie van romantiek.
“Op het bed van Iris, Jenny. Jij houdt toch van perverse spelletjes? Ga liggen. Ogen dicht en rustig ademhalen”.
“Ik wil douchen”.
“Dat kan wachten. Schiet op”.
Hij wierp een blik op haar ondergoed. Dat ze zo voor hem stond, ontroerde hem. Hij hield de whisky tegen het licht.
Iris is dood. Mijn vader naar Berlijn. Karin krijgt een kind. Gerben haakt af. Ik heb alleen Jenny.

Print Friendly, PDF & Email

Eén reactie

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.