BLINDGANGER, Hoofdstuk XVIII

| Geen reacties

Het was een kille woensdagmiddag. In een smalle winkelstraat kreeg hij het stel in het vizier. Vooralsnog zonder plan en op een meter of tien volgde hij, afgeschermd door zijn hoog opgezette kraag en zijn nieuwe vilten hoed.
Onderwijl probeerde hij te achterhalen welke Dalton het hier betrof. Was het Muis of Ko. Hoe heette de derde ook weer? Frans, inderdaad.
Worden criminelen per nest ter wereld gebracht?
Hij voelde bijna tegenzin toen de identificatie doorzette en er alsnog een enkel individu opdoemde: Frans Melk. Arnold was bepaald teleurgesteld. Waarom moest hij elke keer een andere Dalton tegenkomen?
Frans was met een meisje. Ze hadden er flink de sokken in.
Bij een portiek kwamen ze tot stilstand, niet op een normale ingehouden wijze, maar alsof ze zich plotseling realiseerden in een mijnenveld te zijn beland.
Arnold bemerkte dit fenomeen aan de late kant. Half met zijn rug naar het tweetal gekeerd, bestudeerde hij zogenaamd de meest nabije etalage, een winkel in huishoudelijke artikelen. Er werd een elektrische frituurbak aangeprezen. Friet voor iedereen, elke dag weer.
“Jij had het gekocht. Waar is het dan?”
“Ik heb niets gekocht. Jij hebt het geld”.
“Heb ik het geld?”
“Dat zei je toch”.
“Maar jij zou het kopen. Waar is het?”
“Dat zeg ik net. Ik heb het niet”.
“Hoe kan dat nou?”
“Weet ik dat. Vraag het aan jezelf”.
“Ja, houd je klep maar weer. Jezus Godverdomme”.
Het klonk niet echt naar een liefdesrelatie.
Voort ging de tocht, in het hijgerige tempo eigen aan junks.
Bijna gelijktijdig passeerde Arnold met hen de glazen toegangsdeuren van C & A.
“Jij zou het kopen”.
“Waarvan dan?”
“Je zou het gewoon kopen”.
“Ik had toch geen geld”.
“Nou hebben we niks”.
“Alsof dat mijn schuld is”.
“Dat is het ook”.
“Schei toch uit”.
“We hebben weer niks”.
“Dan had je me geld moeten geven”.
”Dat heb ik toch gedaan”.
“Aan een ander zeker”.
Hij wachtte onderaan de roltrap tot ze de eerste verdieping bereikten en volgde in het kielzog van een verkoper.
Wanneer de jacht eenmaal wordt ingezet, gaat het verstand op nul.

Het duurde even voor hij het spoor weer te pakken had. Dit was terug op de begane grond, de etage voor herenconfectie, van kamgaren jas tot witte onderbroek, van sok tot Spaanse pantalon. Kleding voor mannen bevindt zich meestal dicht bij de uitgang. Dat is omdat zij vaak een hekel hebben aan winkelen en al helemaal aan het passen van kleding.
Hij zag het meisje. Ze dribbelde rond bij de pashokjes. Het liet zich raden wat daar gaande was. Snel en met de zijwaartse bewegingen van een krab naderde Arnold haar. Hij blokkeerde de doorgang en schraapte zijn keel.
“Niet zo fraai, dame”.
Het meisje was verrast en gaf zich bij voorbaat over.
“Luister goed. Ik ga even met je vriend praten. We weten allebei waar hij in de paskamer mee bezig is. Hier blijven en niet weglopen, want dan gebeuren er ongelukken”.
Wie weet wat hij wil, komt niet eens op het idee dat een ander kan tegenspartelen. Dit zou bovendien geen indruk maken.
Zelfverzekerd wendde hij zich af, liep naar een pashokje en trok met kracht het gordijn opzij.
“Wat staan we krom Frans, is er polio in de familie uitgebroken?”
Polio kwam geregeld in het nieuws. Gereformeerde dominees praatten hun kudde aan dat de ziekte een strafoplegging van de Heer was. De werkelijkheid is datgene wat je ervoor houdt. Frans kwam nooit in een kerk of het moest zijn om koperen kandelaars te stelen.
Nadere kennismaking leek nodig, want de aangesprokene keek of hij het komkommers zag regenen.
“Ja, Zwarthoed is de naam. Begint het te dagen?”
Zijn voet schopte gewelddadig naar voren, zijn elleboog beukte genadeloos tegen de schedel van zijn slachtoffer.
“Is dat niet een beetje warm, twee broeken over elkaar? Je moet de volgende keer een schaartje meebrengen om de labels eruit te knippen”.
Het gezicht van Frans toonde een mengsel van bevroren angst en ongeloof.
“Bezwaar als ik je jas even nakijk? Ik trek trouwens het gordijn even dicht, dat is veel gezelliger”.
Daar kwam de rommel. Een verfrommeld pakje shag, een halflege goedkope aansteker, een glazen knikker, een bierviltje met twee telefoonnummers, een prop zilverpapier met ongetwijfeld een bij wet verboden inhoud.
Geld trof Arnold niet aan. Nergens in de vodden van Frans vond hij zelfs maar een enkel muntstuk met de troostende beeltenis van de Koningin der Nederlanden.
“Wees gegroet Maria, vol van genade. Voorkom dat ik een ongeluk bega”.
Gevolgd door een vuistslag, links tegen het oor.
“En dat terwijl je vriendin staat te wachten tussen de rekken poloshirts. Schaam je! Hoe heet de lieve schat trouwens?”
Hoesten was voldoende om de ander ineen te doen krimpen. Hij zag eruit als een beschonken clown met die twee afgezakte pantalons om zijn magere benen.
“Nou?”
“Marjan, weet ik veel”. De toon van het antwoord leverde hem een klinkende oorvijg op.
“Een meisje dat vertrouwen in een holbewoner heeft. En jij hebt moeite haar naam te onthouden?”
“Laat mij met rust. Je mag haar hebben”.
Arnold keek omlaag. Een prooi. Alles zou hij ermee kunnen uithalen, redenen genoeg ook om het te doen. De lui van C & A konden alvast een ambulance gaan bellen.
“Doe vooral de hartelijke groeten aan Ko, dat stuk ongeluk”.
Opnieuw sloeg hij de ander in zijn gezicht, op neus en lippen, hard en gericht.
“Nergens respect voor, nietwaar beste vriend. Je mag haar hebben? Alsof het over een hond gaat. Je hebt haar toch niet geneukt, hè?”
“Je bent zelf …” Frans dacht zeker dat de bui al over dreef.
Arnold reageerde onmiddellijk. Het hoofd van de ander stuiterde meerdere malen tegen de dunne wand van de paskamer. Het was een wonder dat er geen alarm afging. Arnold voelde steken in zijn hartstreek en kwam bij zinnen. Hij wierp het pakje shag en de aansteker op de vloer.
“Je spullen”.
Het is vernederend, iets te moeten oprapen, hiervoor te bukken. Arnold spoorde zijn slachtoffer aan met een schijnbeweging.
Toch toonde ook deze Dalton, gelijk eerder zijn broer Muis, een zekere veerkracht.
“Je moest je vijanden eens wat dichter bij huis leren zoeken, Zwarthoed. Waarom zouden wij Iris iets aandoen? Denk aan wie er belang bij heeft. Niet bij geld, maar of zij nog leeft”.
Het klonk moeiteloos en doordacht. Arnold zei niets. Geen Dalton had ooit zoveel betekenisvolle woorden achter elkaar gesproken. Frans Melk, de oudste Dalton, keek op. Zijn gezicht zag er gehavend uit.
“Heb je al een overlijdensbericht gehad? Pas op je tellen. Iris kreeg ook zo’n kaart”.
Arnold was sprakeloos. Hij herinnerde zich het briefje dat bij het bed van Iris lag: denk maar niet dat je ermee weg komt..
“Let maar op, Zwarthoed. Je hebt geen idee met wie je te maken hebt”.

Arnold schoof hij het gordijn open. Hij wenkte twee verkopers naar de paskamer, zag de vriendin van Frans staan en liep op haar toe. Het zweet stond hem op de rug.
“Daar ben ik weer. Loop even mee. We gaan iets drinken bij Café Ballade. Frans heeft problemen en die kun je beter laten waar ze horen. De stuff zat trouwens gewoon in zijn broekzak. Hij zei dat hij niet met jou wilde delen. Weet je wat? Het is buiten fris. Neem deze sjaal, lamswol uit Noorwegen”.
Zonder omhaal nam hij een mooie blauwgroene sjaal van een plank en drapeerde die om haar hals. Zonder te betalen verlieten ze de winkel.

Café Ballade was om de hoek. Vanaf de straat kon je zien dat de ruimte was verlicht.
“Wil je iets lekkers?”
Ze bestelden warme chocolademelk en notencake. Lekkernijen die bij een huiverend jaargetijde behoren. Voor zichzelf nam Arnold er een glas cognac bij.
“Goed dat je bent meegegaan. Dit is beter dan het politiebureau, vind je niet?”
Ze draaide een sjekkie. Hij stak een Craven aan en dacht verontrust aan de woorden van Frans Dalton. Tegelijk besefte hij, dat zijn concentratie verzwakte. Hij keek naar Marjan en voelde begeerte.
“Je ziet er een beetje ongelukkig uit”.
“Wat kan jou dat schelen?”
Haar onverschilligheid irriteerde hem.
“Luister. Ik help mensen graag. Maar dan moet je wel een beetje meewerken. Zit je sjaal prettig?”
Marjan spijbelde van school en werd thuis afgebekt wanneer ze tv wilde kijken. Met een tientje zakgeld per maand ging ze om met verkeerde lui. Controle over het geld volstond niet langer om jongeren aan te lijnen.
Zodra zij haar ogen afwendde en haar blik door Ballade liet gaan, bekeek hij haar nauwlettend. Zij was een mooi meisje met een iets minder indrukwekkende inhoud.
“Ik dacht dat je bewaker was”.
“Bijna goed. Ik ben van de reclassering. Vandaar dat ik naar Frans ging. Je wilt niet weten wat hij zoal op zijn kerfstok heeft. Net als zijn broers trouwens”.
“Ik heb toch niets gestolen?”
“Je staat op de uitkijk voor een bekende winkeldief. Dus ben je medeplichtig, Marjan”.
Hij noemde haar voornaam. Zo wekte hij de indruk haar te kennen en dat zij weinig keus had dan hem te geloven.
“Ik zal je vertellen wat er gebeurt als je zo doorgaat. Op een dag kom je thuis en staan er twee agenten bij je ouders in de huiskamer. Ze ruiken naar kamfer en dragen handboeien aan hun koppelriem. Voor het oog van de buren ga je de politiebus in”.
Hij liet de woorden even intrekken, als marinade in een kippenbout.
“Zou je niet eens gewoon over zelf verdiend geld willen beschikken?”
Arnold haalde diep adem. In zijn kleding diende zich een erectie aan.
Ik neem haar mee naar Jenny. Eens kijken hoe ver het allemaal gaat.
Marjan was een weifelaartje, niet gewend aan het nemen van besluiten. Nog maar even doordrammen dus.
“Ik ken een jonge fotografe. Ze heet Jenny en heeft een echte Studio. Er worden platenhoezen en reclamebladen gemaakt, speciale kalenders, noem maar op. Volgens mij ben jij heel geschikt. Je ziet er prachtig uit. De sjaal bijvoorbeeld laat je gezicht al veel beter uitkomen”.
Marjan had helemaal geen mening. Zonder ingrijpen zou ze hier morgenochtend nog zitten. Arnold zag dit in.
“Als je mocht kiezen tussen een nieuwe jurk en nieuwe schoenen, wat zou je dan nemen?”
“Schoenen, denk ik”.
“En als je mocht kiezen of je die vandaag of volgende maand kon kopen, wat zou je dan kiezen?”
Het is een eenvoudige truc: met een willekeurige keuzevraag het menselijk brein op de volgende vraag voorprogrammeren. Dan denkt deze persoon aan niets anders meer dan aan het maken van een keuze.

Hij stuurde de BMW met vaste hand naar de Eeuwige Laan in Bergen. Onderhand sprak hij over de mode van morgen, hierover had hij gelezen in het blad Rolling Stone.
Over Dalton Frans zei hij achteloos dat deze jongeman een harde tijd tegemoet ging. Misschien moest hij wel keien bikken op de Afsluitdijk.
De rit ging naar Studio Filarski. Arnold had Jenny vanuit Ballade telefonisch voorbereid.
“Misschien krijg je wel een contract. Het is natuurlijk geen makkelijk baantje”.
Zijn passagier moest vertrouwen krijgen, zich tegelijk bewust worden van haar rol als aankomend model. Arnold dacht veel te ver. Het meisje leefde bij het kwartier. Veel belangrijker was het om gewoon de tijd vol te praten.
Ze lieten de auto in de berm achter. Het rijpad van de villa werd versperd door een klusbus. Twee kerels stonden op ladders aan een dakgoot te prutsen. Naar goed gebruik onder bouwvakkers hadden ze hun auto neergezet waar het uitkwam.
Jenny deed open. Ze lachte vriendelijk naar het bezoek. Haar inschatting duurde minder dan een seconde.
“Ha! Daar zijn jullie al. Kom binnen! Hallo Marjan, welkom”.
De gastvrouw spelen was Jenny op het lijf geschreven. Ze danste heen en weer als Penny de Jager van het tv programma Top Pop. Het meisje betrad de woning, de deur van de val sloeg dicht. Jenny draaide zich naar Arnold.
“Wat enig dat je haar hebt gebracht”.
Geen spier in haar gezicht verraadde verwondering of spotzucht. Niet meer dan tien wervelende minuten volstonden om Marjan te overtuigen van een zonnige toekomst. Het meisje wisselde van kleding, keurig achter een scherm. Hippiehemden en creaties uit een lokale shop passeerden de revue. Netkousen en rood gelakte pumps volgden. Heel toevallig was er net een opdrachtje binnen van een startende modezaak. Het was een wonder dat niemand haar eerder had ontdekt. Arnold moest zolang maar een boekje gaan lezen in een aangrenzend vertrek waar het gesprek woordelijk te volgen was.
Jenny toonde haar professionaliteit, de vaardigheid om zonder een spoor van stress uit te zenden een model te kunnen brengen waar ze wilde.

Na een half uur onderbrak ze de sessie voor een drankje en een snack. Arnold mocht er weer bijkomen en dronk een flesje Fanta. Marjan mocht zich een flinke joint draaien van de stuff uit de broekzak van Dalton Frans. Deze zou onderhand bij de dokter zou zitten. Of in de cel. Jenny nam ook een hijs. Arnold kreeg trek in een borrel, maar hield zich in.
Voort ging de arbeid. Jenny haalde een papier uit een lade. Marjan behoefde alleen maar een handtekening te zetten, links onder de tekst.
Ze werd een beetje hangerig. Af viel ze bijna omver. Hier moest ze zelf nogal om lachen. Dat krijg je wanneer je een hele joint oprookt.
“We gaan even hiernaast. Dat is romantischer en meer ontspannen”.
Ze verplaatsten zich naar de kamer met het enorme bed. Het was hier nogal warm.
“Help even met de lampen, Arnold”.
De aarzeling van Marjan was tastbaar.

We hebben eigenlijk een man nodig. Maar ik weet niet of Arnold daar de ballen voor heeft”. Het klonk bepaald ordinair.
“Ik begin een beetje moe te worden. En draaierig”.
Met sommige mensen is weinig aan te vangen. Het lijkt of er geen besturingssysteem is ingebouwd.
“Je moet er even doorheen, schat. Je leert vandaag meer dan anders in een maand, vergeet dat niet”.
“Ik ga liever naar huis”.
“Je hebt een contract. Het is hier geen koffiehuis waar je kunt komen en gaan hoe het uitkomt”.
Stevige taal. Jenny liet merken geen flauwekul toe te staan.
“Jenny, laat mij maar even. Ik praat wel met haar”. Arnold gebaarde Jenny te vertrekken.
“Ik wil stoppen. Ik wil naar huis”.
Hij wachtte tot hij alleen met haar was: een meisje op de rand van paniek. Hij praatte op haar in, streelde haar als een huisdier, kuste haar haren en voelde zijn geslacht zwellen.
“Marjan, luister”.
Hij wachtte een halve minuut, alsof hij de woorden nog bedenken moest.
“Jenny heeft gelijk. Je zit vast aan een contract. Maar niet voor lang. Doe wat ik zeg en ik zorg dat je het terug krijgt. Ik ken Jenny. Naar mij zal ze luisteren”.
Hij trok haar bij zich, op de rand van het bed.
“Na vanmiddag zal je weer vrij zijn. Maar nu moet je even doorbijten. Wat zit er anders op? Frans zit op het politiebureau. Hij probeerde drie broeken over elkaar aan te trekken. Om ze te stelen, snap je wel?”
Zijn hart bonkte onrustbarend.
Ik ga hoe dan ook met je naar bed.
Hij zocht naar nieuwe woorden, aarzelend tussen daadkracht en overgave.
“Luister, ik ken Jenny. Als je wilt, dan houden we er helemaal mee op”.
“Kan dat dan?”
“Alles kan. Mag ik je nu kussen?”
“Komt ze nog terug?”
“Alleen als we haar roepen, prinses van me. Alleen als we haar roepen”.
De situatie begon zijn geest te vertroebelen, zoveel was zeker. Niets had hem nog tegen kunnen houden om zijn zin door te drijven. Hij kuste haar hals en haar oorschelpje.
Karin. Karin.
Zijn hand dwaalde naar verboden plaatsen.
“Niet doen. Niet doen. Alsjeblieft”.
“Als je roept, komt Jenny terug”.
Zijn hand bleef tasten en zoeken, tot onder haar laatste bescherming.
“Ik zal je wat vertellen: Frans heeft jou aan mij verkocht. Zo noemde hij het zelf. Ik heb hem vijf honderd gegeven. Hoe denk je die aan mij terug te betalen?”
Langzaam drukte hij haar achterover in het dekbed met tijgerpint van Studio Filarski.
Nog meer woorden kwamen er uit zijn mond. Hele en halve waarheden, leugens en zinloze beweringen, een ritme van klanken, vermengd met niet aflatende liefkozingen.
“Ik kan weggaan, maar dan stuurt Jenny een vreemde kerel deze kamer in”.
“Ik heb dit nooit eerder gedaan”. Ze huilde bijna.
“Ik zal je erdoor helpen. Probeer je te ontspannen. Bij mij ben je veilig. Zodra ik je zag, werd ik verliefd op je.”

“Ik wil jullie horen”. Jenny was terug.
Van zeer nabij ging ze filmen.
Arnold sloot zijn ogen en probeerde niet te denken aan de situatie waarin hij zich had gemanoeuvreerd. Voor Marjan begreep wat er gebeurde, drong hij bij haar naar binnen.
Hij stootte diep om haar weerstand te breken, kuste langdurig hals en borsten, trok zich terug en kwam opnieuw.
“Sluit je ogen. Ontspan je”.
Jenny tikte hem op de schouder. Buiten het zicht van het meisje gaf ze hem aanwijzingen hoe het verder moest.
Hij trok haar op de knieën en hervatte het spel van strelen en binnendringen.
“Harder, ze kan er best tegen”.
Gaandeweg trad een verandering in hem op. Zijn oog veegde langs de spiegels en ving het beeld op. Het bevorderde zijn dierlijkheid, de bereidheid grenzen te verleggen, pijn te veroorzaken, wreed te zijn. Arme Marjan.

Het was een klein restaurant. Je moest brood in een stenen schaal met pruttelende kaas dompelen. Zo’n ding werd een cachelot genoemd. Andere gerechten werden niet aangeboden. Een fles Chablis erbij, een schaaltje sla met tomaat en stukjes avocado, een vrucht die je nergens kon kopen.
“Dat was heavy, nietwaar?”
Arnold zweeg.
“Het zal er goed uitzien, ik heb eersteklas film gebruikt”.
Nu hij weer bij zinnen was, vond hij zichzelf een beetje belachelijk.
“Bijna een vol uur! Al moet ik hier en daar wat wegknippen”.
“Kunnen we het over iets anders hebben?”
Nu was het de beurt aan Jenny om een tijdje voor zich uit te staren.
“Goed. Iets anders. Binnenkort gaan we naar Berlijn”.
“Ja”.
“Vind je dat niet leuk?”
“Ik hoef geen cadeau“.
“Wat wil je daarmee zeggen?”
“Dat ik niet weet wat ik in Berlijn moet. In de herfst dan nog”.
“Je kunt je vader opzoeken”.
“Dat is zo”.
Hij sloot zijn ogen en zag zichzelf bezig met Marjan, zomaar een meisje van de straat, suf geneukt en gefilmd. Het contract was natuurlijk teruggenomen. Niet om Marjan te bevrijden, maar omdat ze veel te jong was voor zoiets als een contract en dit papier beter niet in verkeerde handen kon komen.
“Je bent toch niet verliefd op haar geworden?”
Jenny keek regelrecht in zijn schedel. Alleen dacht hij niet aan Marjan, maar aan Karin.
“Wat? Ben je gek geworden?”
Het is soms moeilijk om de grens tussen leugen en waarheid te trekken.
“We hadden het over Berlijn”. Arnold had geen behoefte zich te verdedigen.
“Volgende week is er een kunstveiling”.
“Je gaat er je moeder tegenkomen. Vind je dat niet vervelend?”
Jenny negeerde zijn opmerking.
“Mag ik nog iets zeggen over vanmiddag?”
Ze wachtte het antwoord niet af.
“Ik weet dat het je niet lekker zit. Voor een eerste keer heb je het geweldig gedaan. En bedenk dat je haar zelf hebt meegebracht. Dat zegt toch iets”.
Ja, dat ik heb gezien hoever jij gaat.
Zijn boze gedachten dropen van valse verontwaardiging. Het werd tijd volwassen te worden. Hij had Marjan meegebracht uit omdat hij de Daltons niet kon uitstaan, uit genoegdoening voor alle klappen die hij eerder van wie dan ook had gekregen. Geweld leidt tot geweld. Als Marjan ging praten, kon hij opgepakt worden voor verkrachting. Het zou een strafblad opleveren. Stomme idioot die hij was.
“De film mag niet worden verkocht, mocht dit de bedoeling zijn”.
Eindelijk een verstandige opmerking.
“Dat was ik ook niet van plan”.
“Waarom heb je dan gefilmd?”
“Ik wilde wel eens zien wat je kunt”.
Ze lachte ondoorgrondelijk. Arnold dacht even de buikspreker van zijn eigen gedachten te horen.
“Nou ja waartoe je in staat bent, is misschien een beter omschrijving”.
“En dan?”
“Je bood deelname in de Studio aan. Geldt dit nog?”
Arnold keek Jenny recht aan. Hij meende iemand te zien die hij niet kende. Drift borrelde in hem omhoog. Eerst klappen uitdelen en dan weer paaien?
“Probeer je mij te chanteren? Op straffe dat je de film alsnog verkoopt, zoiets?”
“Het was maar een vraag. Laten we nu ophouden. We gaan lekker naar Berlijn en daarna beslis je wat je wilt”.
Arnold moest nog iets kwijt.
“Ik zal niet ondergaan zonder jou mee te trekken”.

Jenny had een relatie in Berlijn, Jenny had overal relaties. In dit geval betrof het een van oorsprong Nederlandse kunstenaar. Hij had de oorlog van nabij meegemaakt en zich het land van de aanstichters naderhand eigen gemaakt, onderworpen aan zijn schilderijen.
De man woonde en werkte in een oude buurt nabij de Muur. Hier waren ook betaalbare hotels en ze waren feitelijk midden in de stad. Arnold luisterde met een half oor naar Jenny’s enthousiaste opsomming.

Thuis belde hij met zijn vader in Duitsland. Pa Zwarthoed was hoorbaar blij iemand uit Nederland aan de telefoon te krijgen, zijn zoon bovendien. Nee, het huis waarin hij en Birgit woonden, was niet in de buurt. Berlijn was een wereldstad. Je moest minstens een half uur reizen met de ondergrondse en de bus. Nou ja, misschien was het beter wanneer Jenny de hotelkeuze maakte. Arnold vond dat zijn vader maar wat ouwehoerde, maar zei er niets van.
Hierna reed hij naar de stad. In de Ragebol stond muziek van The Doors op windkracht zeven. Al was de band ter ziele, het stereogeluid wankelde onverminderd door de afgetrapte ruimte. Een nieuwe lichting scholieren zat aan een tafel te pokeren. Ze dronken thee. Boekentassen stonden naast de stoelen. Twee langharige werklozen deden niets. Hun oneindig lange benen wiebelden van de vensterbank waar ze tegen leunden. Op de gevelkachel lag een kat te slapen. Patrick zat achter de toog naast alweer een nieuwe vrouw, een blonde met een vervelend gezicht. Ze wisselden een kusje uit. Verandering en vooruitgang zijn verschillende zaken.
Als altijd voelde Arnold zijn kracht toen hij hier binnen stond. Deze keer in blauwgrijze corduroy, met zwartlederen laarzen en vilten hoed, een Schimmelpenninck sigaartje in de brand. Hij ving zijn spiegelbeeld in het raam.
Ik lijk verdomme wel een deurwaarder.
“Lang geleden, Patrick”.
Hij gaf de chef afstandelijk een hand, knikte naar de vriendin, nam zijn vilten hoed af. De vriendin lachte onwennig. Vrouwen zijn altijd gevoelig voor charme en de man die geen charmeur wil zijn, is een dwaas.

Er waren geen bekenden. Zo gaat het met generaties: ze komen en gaan. Alleen de wind weet waar ze blijven. Hoewel. Vanachter het pluchen gordijn dat de ruimte in twee stukken deelde, verscheen het hoofd van Gerben. Arnold knikte en bestelde twee glazen thee.
Gerben had een krant voor zich uitgespreid, een zelf meegebrachte Waarheid.
“Zo, Al Capone”.
“Oorlog is vrede, broeder”.
Gerben las voort in zijn eigen tempo. Hij had alle tijd van de wereld. Geen baas die op hem wachtte. Zijn uitkering was ingezet en kon duren tot het einde der tijden.
Arnold zweeg. Het kwam hem voor, dat de Ragebol een baarmoeder was. Hier behoefde niemand iets te doen noch te zeggen, zich ergens voor te verantwoorden.
Op de voorpagina van De Waarheid prijkte een foto van de Noord Ierse dominee Paisley, een rechtlijnige man die het liefst alle katholieken de Ierse Zee injoeg. Zijn gezicht beet in de camera. Nee, deze man was nooit met een gezellig rooms meisje thuisgekomen.
“Mooie foto”.
De mens toont zijn schoonheid in de aarzeling. Gerben keek op, zijn zwijgen duurde nogal lang.
“Het is een foute kerel”.
“Wat maakt dat uit?”
“Er is daarginder oorlog”.
“Die kunnen wij niet oplossen”.
“Nee”.
“Dus: wat blijft er over? Een mooie foto”.
Gerben vouwde zijn krant op en nam een sigaret uit het doosje Craven van Arnold. De vuurkegel vrat zich beschaafd in het vloei.
“Waarom ben jij niet gaan studeren?”
Arnold haalde zijn schouders op.
“Omdat ik wat anders te doen heb”.
“Dat zal wel.”
Je kon Gerben bijna hardop horen denken.
“Studeren heeft alleen zin als je weet waar je het voor doet. Ik vind het geen doel op zich”.
Soms heb je een antwoord kant en klaar in je hoofd, zonder het zelf te weten. Hij wenkte Patricks vriendin en bestelde twee tosti’s zonder erge trek te hebben.
Gerben blies rookwolken en keek zorgelijk.
“Kun jij je kiezen op elkaar houden?”
“Een graf is er onrustig bij”.
“Ik hoor geregeld stemmen”.
Gerben tikte tegen de zijkant van zijn benige schedel.
“Het is een ramp”.
Arnold keek langs zijn vroegere schoolmakker het café in. Er kwamen een paar jonge meisjes binnen. Ze zouden de Ragebol wel juist hebben ontdekt. Ze gingen bij het raam zitten, op de rand van buiten en binnen.
“Wat hebben die stemmen te melden?”
“Dat verschilt”.
Arnold zuchtte lang en onhoorbaar, meer verontrust dan verveeld.
“Soms geven ze opdrachten”.
“Wat voor opdrachten? Huiswerk? Daar is het een beetje laat voor”.
Hij zag het venijnige van deze sneer wel in, maar gezegd is gezegd en zo fijnbesnaard was Gerben zelf ook niet altijd.
“Lach maar, ik heb er geen stuur over”.
“Dat weet ik niet”.
Arnold herbeleefde hoe zijn zus de boel geregeld kort en klein sloeg.
Nooit wist ik zeker of ze door woeste krachten werd gedreven, of gewoon geen zin had om normaal te doen.
“Dokter Zwarthoed heeft een theorie”.
Arnold lachte zonder vreugde.
“Hoe werkt het dan? Is het een mannenstem? En wanneer is het begonnen?”
Het viel hem ineens in, dat de belangstelling van Gerben voor de communistische partij een gevolg kon zijn vanwege rechtlijnig denken. Hij vroeg zich af of rigiditeit een kenmerk is van een ziektebeeld. Veel tijd om na te denken was er niet.
“Het is mijn eigen stem. Maar anders. Ineens moet ik dan bijvoorbeeld weg. Er zit niets anders op. Dan weet ik al wat ik ga doen. Alleen begrijp ik niet waarom. En ik kan me er evenmin aan onttrekken”.
Het ging vooral om Miriam, zijn ex. Gerben had uitgezocht waar ze werkte. Dit was bij een bank, de ultieme vijand van de klasseloze maatschappij. Urenlang stond hij op wacht en volgde haar naar huis. Op zaterdag liep ze met een kindje.
“Het is mijn kind. Zoveel is zeker“.
“Wat moet jij met een kind?”
“Ze sluit mij uit. Daar gaat het om”.
Arnold aarzelde.
Als je over een dokter begint, krijg je de volle laag.
Bij Gerben was de hele medische stand uitschot. Goede artsen waren er alleen voor leden van het Koningshuis, die jaarlijks door randdebielen toegezongen mummies.
Een beetje laf hield hij zijn mond. Hij schoof zijn kompaan een tosti toe, begon langzaam te eten en bemerkte dat de schoolmeisjes een andere plek zochten. Zo was het ooit met hemzelf ook begonnen.
Ze speelden een spelletje schaak. Gerben won met gemak. Een tweede ronde leverde hetzelfde resultaat op. Ze speelden zonder tijdklok. Geen enkele klok zou op het eindresultaat iets uitmaken.

In de winkels werd licht ontstoken, de straten kregen een besloten sfeer. Wind ontbrak volkomen. De stad lag onder een stolp, zo leek het. Over drieduizend jaar zou iemand restanten vinden. Misschien door met een visnet over de bodem te schrapen. Ooit zakken de Lage Landen immers weer terug in zee. Nederland is het Atlantis van de toekomst. Arnold verliet de Ragebol en begon te lopen. Een stad bij invallend duister. Het is een beeld van alle tijden en windstreken. Het zal ook soortgelijke gevoelens opwekken: de aandrang nog iets af te ronden, de wens om veilig onderdak te geraken. Voor de winkel in erotische artikelen stuitte hij op een bekende.
“Hé, Vincent”.
“Zo, klootzak”.
“Je bent weer klaar met nietsdoen. Gaan we koffie drinken?”
“Koffie drinken met Zwarthoed. God sta me bij”.
“Weet je iets beters? Je hebt nog geen dildo verkocht, wil ik wedden“.
Het is mijn winkel niet, mafkees”.
“Dat is waar ook. De winkel is evenmin van Jenny, je ex. Toch kom ik jullie er beiden tegen. Wonderbaarlijk, nietwaar?”
Café Ballade was op loopafstand. Het was er tamelijk druk. Vincent was zonder verder protest meegekomen. Ze vonden een plekje bij de kachel.
“Nou, vertel op. Ik hoor dat je de Lantaarn heb gekocht. Je had kennelijk liggende gelden, een kapitaal in ruste”.
Het is een gave. Iemand treiteren zonder spoor van sarcasme in je stem.
”Ik maak er een restaurant van. Ik heb al een Indonesische kok”.
Arnold voelde toch bewondering. Vincent was een echte ondernemer.
“De Tsarina was een slecht omgebouwde paardenstal. Hopeloos vanaf aanvang”.
“Het ging niet om glazen melk en nootjes”.
“Hoezo? Je liep zelfs met de huur achter”.
“Dat bedoel ik nou. Zakendoen gaat jouw verstand te boven. De huur bestond alleen voor de vorm. Het ging erom wat het pand zou opbrengen bij verkoop”.
“Wat had jij daaraan?”
“Genoeg”.
“Voor wat?”
“Om een hypotheek voor de Lantaarn los te krijgen”.
Arnold was het noorden even kwijt. Had Vincent meegedeeld in de winst die met de verkoop van De Tsarina was gemaakt?
“Hoe krijg je dat voor elkaar?” Zijn verbazing was oprecht.
Vincent schamperde. Toch leek hij het prettig te vinden een keer met een leeftijdgenoot over zijn echte leven te praten.
“Het terrein van De Tsarina stond allang in de belangstelling van de gemeenteraad. Het bestemmingsplan werd aangepast om woningbouw mogelijk te maken”.
De serveerster kwam vragen wat ze wilden.
“Koffie, thee, gevulde koeken, breng maar iets”.
Arnold snauwde het meisje af. De kachel achter zijn rug zond een ziedende hitte uit. Toch had hij geen zin zijn jas uit te trekken. Vincent zette zijn college voort.
“Barry had mij een huurcontract met tijdelijke duur gegeven. Zo kon hij bij gedwongen verkoop aan de gemeente alle winst meteen opstrijken”.
“En jij kreeg niks. Dus?”
“Gemeentelijke besluitvorming duurt lang. Wettelijk gezien, veranderde mijn tijdelijke huur in permanente. Zo beschikte ik over een middel om Barry tot schadevergoeding te bewegen. Anders had hij nog minstens vijf jaar op de verkoopcenten moeten wachten”.
Even was het helemaal stil. In geroezemoes drijven soms luchtbellen rond. Vincent sloot het onderwerp af.
“Wat is het doel van je uitnodiging, Zwarthoed?”
“Ik zou willen weten wat je zakelijke ervaringen zijn met Jenny”.
Vincent was bepaald in een lankmoedige stemming.
“Het zal een beetje laat zijn voor verstandige adviezen”.
Een soortgelijke opmerking had Arnold pas kort geleden tegen Gerben gemaakt.
“Bedenk om te beginnen, dat ik niet de minste jaloezie voel. Mijn relatie met Jenny was vooral zakelijk. In ieder geval vanuit haar perspectief”.
Vincent schoot in de lach.
“Heb je het warm, Zwarthoed van de Duistere Stegen?”
Arnold trok alsnog zijn jas uit. Die verdomde kachel van Ballade ook!
Opgewekt wenkte Vincent de serveerster. Hij wachtte tot ze naast hem stond en bestelde een zwarte koffie met een punt appelgebak. Hierna wendde hij zich weer tot Arnold.
“Ik moet in herhalingen vallen. Ik zei namelijk al eens tegen je: waarom zou Jenny belangstelling hebben voor een patsertje van het platteland?”
“Misschien omdat ze mij een beetje anders beoordeelt”.
Elk antwoord leek beter dan een vernederend stilzwijgen waaruit moest worden afgeleid dat hij in de kern een naïeve schooljongen was.
“Halleluja jutteperen! Jij bent daar de nieuwe James Dean, is het nou goed?”
Vincent straalde kracht en ontspanning uit.
“Jenny is goed in haar vak, Zwarthoed. Een echte Leni Riefenstahl, regisseuse van Hitlers propagandafilms. Vincent boog zich over tafel.
“Zeg?”
“Nou?” Arnold klonk korzelig.
“Heeft Jenny jou al in een filmpje gevangen?”

De koffie arriveerde. Begeleid door de appelpunt voor Vincent. Ze roerden in hun kopjes en dachten onderhand na over nieuwe mogelijkheden om elkaar de loef af te steken. Wanneer je dezelfde vrouw hebt gehad, blijft het altijd wringen.
“Ik hoor het al. Je bent dus uit de broek geweest. Vraag is wie het meisje leverde. Ik neem tenminste aan dat je niet van de verkeerde kant bent. Je mocht lekker krikken en vergat even dat Jenny je recht in je reet filmde!”
Deze laatste zin schreeuwde Vincent de caféruimte in. Arnold voelde het zweet onder zijn hoofdhaar prikken.
Hij keek beschaamd uit het raam en zag hoe iemand iets van de straat opraapte, het gevondene bekeek en weer liet vallen. Waarom had hij Vincent eigenlijk aangesproken, zat hij met hem aan een tafeltje in een café?
“Weet je wat ik denk, Zwarthoed?”
Het alsmaar noemen van zijn achternaam begon Arnold stierlijk te vervelen, maar wat kon je ertegen doen? Wel verplaatste hij zijn stoel een meter, weg van de moordende kachelwarmte. Vincent trommelde met zijn vingers op de tafelrand en wierp Arnold een lange peilende blik toe.
“Ik denk dat jij binnenkort op reis gaat. Misschien naar Hamburg of anders Berlijn”.
In Café Ballade werd een jazzy muziekje opgezet. Laura Nyro. Een mooie, zeg maar gerust schitterende vrouw. Als je dit wist, nam je haar muziek op de koop toe.
“Tijdens die reis ga je problemen krijgen, hele grote problemen”.
Arnold schrompelde met elke door Vincent uitgesproken zin verder ineen. Hij was geen schaker, maar moest het hebben van de manier waarop roofkatten werken: overrompelen, nek breken, kaalvreten, wegwezen.
Er verstreken wel drie minuten. Vincent wenkte opnieuw de serveerster. Hij bestelde dure whisky.
“Een advies. Alleen omdat je mij hebt verteld dat je weldegelijk in De Tsarina was. Waarover ik overigens nooit iemand iets heb verteld. Je kunt alleen aan Jenny ontsnappen door weg te rennen, haar achter te laten in de woestijn”.
Arnold beleefde zijn Waterloo. Er was bij Vincent geen doorkomen aan.
“Leuk hoor, om mijn autopapieren in de zak van Sonja te steken. Een beetje doorzichtig, maar goed. Je gaf ze in ieder geval terug”.

Tijd in Ballade was een ander tijd dan die in de Ragebol of De Tsarina. Ze liep meer in de pas met de tijd die op straat van toepassing was, met die van kantoren en fabrieken in de stad. Hier kwamen mensen die werkten of studeerden en zich even kwamen verpozen.

Vincent knikte bedachtzaam, als een geleerde die weet dat de patiënt ziek is en er geen kans bestaat op genezing. Hij schoof de asbak van zich af. Handen gaan hun eigen gang en zoeken een bezigheid.
“Jij houdt toch van verhalen? Ik zal je een geschiedenis vertellen. Geen onderbrekingen, denk erom”.
Antwoord was overbodig, Vincent ging uit zichzelf al verder.
“ In een stad hier heel dichtbij werd eens een film gemaakt”.
Vincent keek of hij de bediening zag. Het duurde hem te lang.
“Wenn Nachts die Keuschheitsgürtel klappern!”
Arnold schrok van de uithaal en hij was niet de enige. Hoofden draaiden naar hen toe. De whisky werd prompt geleverd.
Vincent hield de serveerster staande, goot het glas in één teug achter zijn kiezen en verzocht meteen een tweede te brengen.
“De film was nota bene voor de Oost-Duitse markt. Jazeker! Het kader van de Socialistische Eenheidsworst Duitsland houdt van het decadente leven. Hun burelen zijn alleen zuur voor anderen”.
Vincent sprak zoals een heimachine palen in de grond slaat. Hij hield zijn blik op Arnold gericht.
“Werken op locatie. Onthoudt dat. Blond meisje raakt aan lager wal. De schoonzoon van de huisbaas wordt erop uitgestuurd om de huur te innen. Even stompzinnig als doeltreffend. Wat was bij jou het zogenaamde thema?”
De café klok van Ballade wees kwart over zes. De studenten verderop in het café dronken Belgisch bier, merk Duvel. Arnold voelde zich tamelijk beroerd.
“Liefje van winkeldief moet zich voor hulp verantwoorden”.
Arnold sprak toonloos. Wanneer Vincent over de brug kwam, kon het hem evenmin nog iets schelen. Vincent verslikte zich bijna, zette zijn glas neer en lachte uitbundig. Hij hernam het woord en hief hierbij zijn wijsvinger.
“We stonken naar zweet en zaad, snoven coke vanaf het aanrecht. Draaiden de hele tijd ritmische muziek. Ze werd vastgebonden op haar eigen bed en moest alles doorstaan”.
“Was dat boven De Tsarina?” Arnold was toch benieuwd.
“En dat van jou in Studio Filarski, de Geheime Kamer met tijgervellen?”
Antwoorden waren overbodig. Vincent stoomde voort.
“Ik moest voortmaken, want de film raakte op. Het zogenaamde model kreeg een sjaal om haar hals, een hippie ding uit India. Het was heet onder die lampen! Jenny zei, dat ik de sjaal langzaam moest aandraaien. Terwijl ik het met dat meisje deed”.
Vincent maakte een wringende beweging. Het leek erop of hij een visioen kreeg.
“Ze liep blauw aan en kreeg schuim op haar mond. Ik hield het niet langer! Je transpireert nogal, Zwarthoed”.
Arnold keek op. Vincent barstte in een schorre lach uit en schoof zijn stoel naar achteren.
“Je moet je wel een beetje verdiepen in de moderne kunst, jongeman”!
Precies in de tongval van Filarski.
In het gezicht van de ander las Arnold zijn eigen achterstand. Vincent behoorde tot een bepaalde sociale laag, daar kwam je niet gemakkelijk aan. Zijn gespreksgenoot kwam overeind.
“Ga je weg?”
“Natuurlijk, ik ben hier klaar. Het was een verhaal, Zwarthoed, denk erom”.
Vincent schoot opnieuw in de lach.
“Veel geluk met Jenny en haar jacht op de schat. Ik ben van dat tuig verlost”.

De buitendeur ging open en dicht. Arnold zat versuft aan de tafel. Tenslotte schuifelde hij naar de deur van de wc.
“Ja. Hallo. Ik sta hier ook te wachten”.
Een student met een leren tas blokkeerde de toegang tot de Witte Pot.
Sommige mensen houden er een slecht gevoel voor timing op na.
“Lazer op, of ik pis over je schoenen, existentiële aap”.
Arnold stootte de jongen opzij en trok de deur achter zich dicht. Het feitelijke toilet was niet meer te halen. Hij plaste in de kleine wastafel, of tenminste ongeveer. Boven de kraan hing een spiegel.

Ieder moet het stellen met de mogelijkheden. Beperkingen palen het terrein af. In je eigen koninkrijk mag je de tent afbreken. Daarbuiten moet je op je tellen passen.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.