RET jezelf, deel 18

| Geen reacties

Wanneer de koorts opkomt, begint het. Tegen mijn gesloten oogleden ontwikkelt zich een uitzicht op het universum, een zwart heelal waarin lichten opflakkeren als helse explosies. Deze trekken weg om elders opnieuw te ontstaan. In mijn brein groeien onmogelijke problemen waarin ik me wanhopig vastbijt. Voor de oplossing heeft niemand interesse. Uren kan dit proces aanhouden, waarschijnlijk tot ik uitgeput raak en alsnog in een soort van slaap wegglijd.

Afgelopen week was het weer eens zover. Overdag voelde ik me al niet bijster lekker, in de nacht werd het erger. Ik besefte diagonaal in bed te liggen, maar was onmachtig aan deze houding iets te veranderen. Ik lag erbij als iemand die uit een helikopter in een weiland is gesmeten. Elk voornemen tot bewegen liep vast. Ik vermoedde dat al mijn botten waren gebroken en spieren afgescheurd. Gewend om alles zelf op te lossen en zelfs niet mijn vrouw om hulp te vragen (wat voor hulp dan), was ik desondanks in staat enige positieve feiten vast te stellen: ik was niet misselijk en behoefde evenmin naar de wc. Ik probeerde te gapen ondanks het feit dat ik de dag tevoren een uur bij de tandarts had gezeten. Mijn mond bleef dicht, maar ik voelde geen pijn.

Uren later ontwaakte ik met een schok. Neonlicht staarde door de luxaflex. Mijn hart bonsde, mijn armen omklemden mijn lichaam. Het leek of ik mezelf met alle kracht bijeen probeerde te houden, te voorkomen dat ik uiteen zou vallen.
Woede. Razernij. Iets anders kon het niet zijn. Ik opende mijn ogen en kreeg het aanstonds koud. Een auto naderde. Ik zag het licht van de koplampen komen en gaan, wegtrekken tegen een binnenmuur van de slaapkamer.
Geen wonder, sprak ik op een toon alsof een onderbroken conversatie werd voortgezet,
dat geschifte teringwijf!

Normaal ben ik terughoudend als het over Moeder gaat. Ik ben vrij bij haar te komen of te gaan en zij hangt niet dagelijks aan de telefoon. Daarbij is het de vraag in hoeverre je iemand kunt of mag beoordelen. Ook nu ik met koorts in bed lag, begon ik dadelijk te relativeren en mezelf te corrigeren. Tegelijk begreep ik dat het niet lang meer kon duren of ik raakte de scherpte van het droombeeld kwijt. Hoe zat het ook alweer?

Het was in de winter van 1969. Ik woonde nog thuis, was 17 jaar en zat op school in een stad vele kilometers verderop. De nacht was ingevallen onder dreiging van ijzel. Via de radio was op voorhand gewaarschuwd voor spekgladde wegen.
Ook op zaterdag was er school. Als altijd stond ik vroeg op, liep de trap af naar de woonkamer en at zonder belangstelling een boterham.
Vader was al aan het werk. Zelfs in huis hoorde je het bonken van de sorteermachine in de schuur. Moeder scharrelde rond, als een kloek die het hok in de gaten houdt. Op de dijk waaraan wij woonden, verscheen geen fietser of auto. Het landschap lag roerloos en leeg. Aan het erf was weinig bijzonders te zien, maar de betonnen leggers van de brug glommen onheilspellend: ijzel.

De werkman was niet komen opdagen. Ik suggereerde dat dit kon liggen aan zoiets als een gladde weg, maar Moeder gebaarde in afweer, bijna minachting. Ik begreep de impliciete redenering dadelijk: je werk is je werk en daarmee uit.
Hij maakt er tegenwoordig een potje van, verklaarde Moeder ten overvloede. Ze had de pest aan de man en trouwens aan iedereen die te vaak naar haar zin over de vloer kwam.
Ik overzag de situatie. Op school wachtte mij les in gymnastiek en een uur Engels of scheikunde. Niet de moeite om een valpartij voor te riskeren. Ik keek naar Moeder. Ze bleef maar staan in die woonkamer: bij de schoorsteenmantel, een kastdeur, de krantenbak, naast haar schoenen op het tapijt. Het was mij op voorhand duidelijk: ijzel of geen ijzel, ik zou hoe dan ook naar school moeten. Daarbij wist ik zeker dat Moeder op hetzelfde moment gelijke gedachten ontwikkelde, zij het in tegengestelde richting. Dat ze naar me loerde en tegelijk mijn blik meed, was een veeg teken.
Kijk dan naar buiten, riep ik uiteindelijk, je kunt toch vanaf hier al zien dat het niet te doen is!
Woorden werden omgevormd tot overbekende zinloze zinnen. Liever hadden we wapens getrokken.

Waar het op uitdraaide: in weerzin en razernij sleurde ik mijn brommer naar buiten. Al op de tegels bij de deur was het glad. Nieuwe woorden van ruzie volgden. Ik wees op schade die door een val kon optreden en wilde weten wie deze dan ging betalen. Over mogelijke verwondingen werd overigens gezwegen. Dit was geen strijdpunt. Een hersenschudding of een beschadigde huid geneest immers wel weer.
Moeder gaf geen krimp. Het ging allemaal wel meevallen en anders reed ik maar langzaam.
Ik luisterde niet langer naar haar, maar was mij wel aanhoudend bewust van haar aanwezigheid, de onmogelijkheid haar te lozen. Ze volgde mij op de voet, stond als een cipier in de deuropening tussen het woonhuis en de bijkeuken, de onbenoemde scheidingswand tussen haar wereld en die van alle anderen.

Eenmaal op de dijk, bleek het KNMI niets teveel te hebben gezegd: het was inderdaad spiegelglad. Witte woede doortrok mijn lichaam en mijn brein raakte beneveld als van een beschonkene.
Ik zal wel luid hebben geschreeuwd en gevloekt. Moeder die vanuit huis alles bedisselde, geen poot buiten de deur zette, maar alles beter wist en anderen haar geschifte opdrachten dicteerde.
Ineens kon het mij niets meer schelen wat ervan ging komen: schade of doodrijden, van de weg in de belendende ringvaart belanden en daar verdrinken. Ik gaf gas en sloeg binnen honderd meter tegen de straat: broek gescheurd, trapper verbogen, een duur aluminium paneel van het motorblok kapot, een schaafwond aan mijn hand en in mijn linker onderbeen een gat dat flink bloedde. Vervuld van haat maakte ik rechtsomkeert.

Moeder stond vanuit de woonkamer toe te kijken hoe ik over het erf strompelde. Brutaal keek ik terug en zal wel een onfris gebaar hebben gemaakt. Ik bracht de brommer naar de grote schuur achter het huis. Hier was meer ruimte dan in de bijkeuken, maar mogelijk was ik ook bang Moeder dood te slaan op het moment dat zij wederom in de deuropening tussen bijkeuken en woongedeelte zou staan, de armen over elkaar geslagen, op het punt om een volgende stomme opmerking te maken.

Ik trok mijn brommer op de standaard en bekeek de opgelopen averij. Minstens 60 gulden schade was er, die ik met werk zou moeten terugverdienen tegen 1 gulden 25 in het uur. Ontstaan omdat ik tegen alle wijsheid in de straat was opgestuurd. Omringd door een zachte stofwolk stond Vader in z’n eentje te werken. Hij zag mij wel, maar had geen tijd. De machine bonkte eentonig. Onze werkman liet onverminderd op zich wachten en ik begreep al wie hem straks ging vervangen.

Langzaam en met een pijnlijk been liep ik terug naar het huis. Moeder liet zich pas zien in de woonkamer. Ik negeerde haar, snoof van afkeer, trok mijn broekspijp omhoog om de wond te inspecteren en grauwde iets over de schade aan mijn brommer.
Ja, het was daarnet op de radio, zei Moeder plotseling, dat het vooral in deze streken erg glad is. Doet je been pijn? Het klonk of ze nooit een andere mening had uitgedragen dan dat ik beter was thuis gebleven.
Ik denk dat ik niet bij machte was nog iets te antwoorden en zal de rest van de dag onaanspreekbaar zijn geweest, mijn hoofd vol gloeiende spijkers.

Het gebeurde vormde geen incident of menselijke vergissing. Het was de consequentie van een geestesgesteldheid, een psychische aandoening zonder kans op herstel. De specifieke herinnering maakt zonder twijfel deel uit van talloze vergelijkbare situaties. De conflicten gingen schijnbaar over futiliteiten. Hun hevigheid wees op het tegendeel.
Nog onlangs gebeurde het volgende: ik had voor Moeder een loodzware stereo laten repareren en deze met precisie teruggeplaatst op de oude plek. Ik ben immers goed getraind. Met haar 88 jaren kwam Moeder bijna bovenop me staan en zei: volgens mij stond hij ietsje meer naar links. En ik was wederom de kleuter die gehoorzaamde.
De rest van de dag was ik leeg.

Ik lig in bed en het enige waartoe ik in staat ben, is zacht te vloeken, eindeloos achtereen. Na een halve eeuw zie ik wel in dat het niet ging om de feitelijke schoolgang. Ik bevond mij gewoon in het territorium van Moeder, binnen een door haar geprogrammeerde tijdspanne. Daarbuiten moest ik opkrassen. In haar door dikke deuren vergrendelde brein ontbrak ieder vermogen zich aan te passen, het redelijke te aanvaarden, zelfs maar twijfel toe te laten. Slechts harde feiten van buitenaf konden haar werkelijkheid veranderen. Waarna in de nieuwe setting het patroon van beheersing en controle van vooraf aan werd hervat. Als God de mens heeft geschapen, kan Hij wel wat bijscholing gebruiken.

Natuurlijk draaide ik op voor de schade aan de brommer. Mijn voorstel, de verzekering aan te spreken, werd afgewezen. Ik had immers door eigen toedoen de schade veroorzaakt. De scheur in de broek werd netjes genaaid, het been herstelde met de tijd. Mijn ontzetting over de kronkels van Moeder bleef. Haar halsstarrigheid was even slecht te harden als de onvoorspelbaarheid waarmee zij een omslag kon maken, de ander achterlatend met de idee schuld te hebben of niet goed wijs te zijn.

Moeder moet een bron primaire zijn van de destructieve demon die in mij huist. Je moeten schikken naar een iemand met psychische mankementen leidt zonder twijfel tot nieuwe afwijkingen. Wilszwakte en verkniptheid, agressie en onmacht zijn woorden die moeiteloos bij me opkomen. Soms heb ik het gevoel te zijn ontwikkeld in een laboratorium van de Oost-Duitse Stasi.
Onafgebroken dwang tot conformeren aan de grillen van een gemankeerde denkwereld leidt tot opgekropte woede, blindheid voor echte gevaren, de bereidheid dwars door muren te breken en tegelijk tot het onvermogen definitief afstand te nemen, de schuldvraag af te wimpelen, naar je voorhoofd te wijzen en eindelijk te ontspannen. Mijn leven is ermee doortrokken. Het zij zo. De koorts zal zakken en de demon terugvoeren naar zijn hok.

Monk
6 februari 2014
(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.