Man en Paard

| Geen reacties

Ik heb een hekel aan hoofdbedekking. Onder een hoed of pet verzamelt zich warmte, waardoor je huid gaat zweten en jeuken. Bovendien vergeet ik geregeld een paraplu, tas en alles dat niet aan mij is verankerd, dus met een hoofddeksel zou het verkeerd aflopen. En dan is er nog de schaamte, een al bijna vergeten begrip in de platte delta.

Er zijn een paar uitzonderingen geweest, moet ik toegeven. Op mijn 17e schafte ik een vilten hoed aan, een hippieding dat mogelijk voor vrouwen was bedoeld. De kleur was natuurlijk zwart en er hoorde een rood lint bij dat ik meteen wegdeed. In weerwil van het ouderlijk beleid, begon mijn haar lengte te krijgen en door de hoed voelde ik mij verbonden met popmuzikanten, revolutionairen en andere dwarsliggers. Ik bezat overigens geen instrument dan een goedkope mondharmonica, een zogeheten blues harp. Thuis erop spelen was af te raden. Alleen de blokfluit van mijn zus vond bij Moeder genade, omdat deze nodig was voor haar opleiding tot onderwijzeres.

De vilten hoed was geen lang leven beschoren. Ik kwam namelijk op het idee om hem op de brommer te dragen. De wal keert het schip. De hoed waaide bijna onmiddellijk af, waarna ik mezelf moest vernederen door om te keren, af te stappen en mijn bezit van de dorpsstraat te rapen. Het is wel zeker dat er achter de ramen werd gelachen, want ik stond bekend als iemand die met roekeloze snelheid door het dorp jakkerde, tot schrik van de kinderen, woede van huismoeders en jaloezie van gekluisterde vaders die aan hun betere dagen als vrijgezel dachten.
Nadat de hoed nog eens was afgewaaid, liet ik hem thuis en na een paar maanden deed ik hem cadeau aan een vriendinnetje. Zij vlocht er eigenhandig een rood lint omheen en zo waren we weer terug bij af.

In mijn jeugd stonden hoofddeksels al bijna nergens meer voor, waar ze eerder iets met status te maken hadden. De meeste mensen wilden niets op hun hoofd. Ouderwetse hoeden werden steeds minder gedragen, of het moest zijn door notabelen bij rituelen als trouwen en begraven. Petten waren voor boeren en arbeiders. Mijn vader was boer en droeg een zogeheten alpino. Het model was afgekeken van de militaire baret van Engelse militairen die bij ons na de oorlog mateloos populair waren.

De alpino van mijn vader was donkergrijs en werd zelden gewassen. Om die reden toonde hij een gore binnenring van huidvet. Het deerde mijn vader niet. ’s Morgens zette hij hem zonder blikken of blozen op. Vaders voorhoofd werd scherp gedeeld in een zondoorbakken en een bijna blank stuk, alsof zijn schedeldak ooit was gelicht. De werkman droeg een onbestemde pet met klep die evenmin werd schoon gehouden. Deze stond wat mij betreft voor rooms arbeiderisme, slechte kranten, een groot kindertal en andere negatieve kwalificaties die ik van Moeder had meegekregen.

In die dagen belandden veel jonge mannen in het ziekenhuis of op het kerkhof wegens ongelukken met brommers. In mijn jeugdige overmoed vond ik dit normaal en zelfs wel spannend. Wie verongelukte, had kennelijk een fout gemaakt. Zelf kwam ik ook aan de beurt: twee maal vloog ik uit de bocht en bij een frontale klap op een auto had ik gemakkelijk het loodje kunnen leggen. God herinnerde zich evenwel mijn gang naar de kerk als kind en Hij liet mij leven. Op dankbaarheid hiervoor behoefde Hij voorlopig niet te rekenen. Ik bleef de helm mijden als de pest en ben nog steeds van mening dat iemand het recht heeft, zich te pletter te rijden.

Uitgerekend een pet met klep belandde op mijn Sinterklaaslijstje. Ik was een jaar of 10 en had in een dorpsetalage een klein voorwerp gezien, dat mijn begeerte trok. Het was een metalen embleem, voorstellende een geheimzinnige ruiter. Man en paard leken vergroeid in een gezamenlijke droom, een fascinerende aanblik. Helaas voor mij was het bevestigd aan een pet die ik allerminst begeerde. Naar binnen gaan, om te vragen of het embleem los verkrijgbaar was, durfde ik niet. Kinderen stelden geen vragen, ze gaven uitsluitend antwoord.

Sinterklaas waardeerde mijn wens: niets beter dan een nuttig cadeau. Daarbij was het volop winter en koud. Anders gezegd: de oren vroren van je kop. Zo nam ik op 5 december het ruiterembleem met bijbehorende pet in ontvangst. Binnen een paar dagen sloopte ik het eraf om er vaak naar te kunnen kijken. Met de pet had ik andere plannen. Ik moest er niet aan denken op school hiermee te worden gezien, dan nog met die debiele oorkleppen aan weerszijden. Binnen een week liet ik hem doelbewust op het schoolplein achter, netjes onder een afdak. De volgende dag was de pet verdwenen en mocht ik thuis gaan uitleggen hoe het zat.
Hoe dit verder ging, is mij ontschoten. Moeder zal flink boos geweest zijn en mij hebben laten voelen dat ik fout zat. In ieder geval kwam de pet nooit meer boven water. Liever koude oren dan voor gek lopen.

Misschien is dit de belangrijkste moraal van het verhaal. Mijn keuzen zijn vaak irrationeel en gezichtsverlies is erger dan de consequenties van slecht gedrag te ondergaan, in dit geval koude oren en ruzie thuis. Het ruiterembleem verloor gaandeweg aan magie en verdween op de vuilnisbelt van de geschiedenis.

Monk
26 april 2016
(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.