WRAAKENGEL, DEEL II

| Geen reacties

Hij zit in de tuin bij Dusan Bihac, werkloos psychiater en rentenier van weinig inkomsten. De man heeft het voorkomen van een Turk: breed en bonkig. Wie hem ziet, kan niet anders dan medelijden voelen voor de vrouw die hem moest baren. In weerwil van zijn postuur neigt Dusan in zijn kledingkeuze naar het decadente. Hij draagt een kostuum dat een Italiaanse kleermaker verraadt. Bij hem vergeleken, ziet Vasili eruit als een aangeklede geit, iemand die in een uniform hoort maar uit arrenmoede een pak van ribstof kocht. De tuin ligt achter een vrijstaande woning en is prachtig omdat er veel aandacht aan wordt besteed. Ze drinken water en kopjes straffe koffie naar Albanees recept. Vasili komt af en toe langs, de idee koesterend dat hij een goede vriend bezoekt. Een klinische situatie zou hij aanvaarden noch verdragen.

“Mijn vader werkte als piepjonge ingenieur in de mijnbouw. Zijn naam was Erhardt Steinbruch. De familie stamt oorspronkelijk uit het Duitse Thüringen. Ik heb geen idee waarom ze naar hier zijn gekomen. Feit is, dat ze bleven verschillen met de Kroaten, Slovenen en Serviërs. Er was geen probleem, maar het verschil bestond wel. Misschien ook omdat het Lutheranen waren, Jodenhaters van huis uit. Toen brak de oorlog van Hitler uit. Als Volksdeutsche kreeg mijn vader ongevraagd voorrechten. Hem werd voorgehouden dat hij beter was dan de Slaven en Albanezen. Bovendien kon hij goed verdienen door in Duitse militaire dienst te treden. Dit heeft hij gedaan. Hij was toen 19 jaar.”
Dusan maakt een aantekening. Hij heeft een ouderwets, ietwat plechtstatig handschrift met krullen.
“Hoe ging dat verder?”
De benadering bevalt Vasili. Gewoon vertellen wat er gebeurt. Begrijpen levert in zijn visie meer op dan je emoties laten gaan en daarmee op glad ijs belanden.
“De oorspronkelijke Duitse legers werden aan het Oostfront uitgedund. Vervanging kwam steeds vaker uit andere nationaliteiten. Het ging zover dat zelfs moslims van hier werden opgenomen. De Duitsers noemden hen Muselgermanen! Mijn vader werd lid van de SS, waarschijnlijk wegens de goede opleiding die hem de beste kans zou geven te overleven. Na drie maanden ging hij naar Rusland. Niet naar het front, maar achter de linies, in een Sonderkommando.”
Dusan slaat zijn benen over elkaar. Het is lichaamstaal waarvan hij zich niet bewust zal zijn.
“Wat was je vader voor iemand, afgezien van een opportunist?”
Het is een vuige opmerking, bedoeld om zijn bezoeker te provoceren.
“Hoe moet ik dat weten? Niemand kent hem buiten zijn wandaden”.
Voor Vasili bestaat zijn vader als een schim in het onbetrouwbare geheugen van de peuter die hij was toen papa werd opgehaald. Trots is hij allerminst. Zijn marxistische leerjaren hebben hem ingepeperd dat de nazi’s het ergste tuig op aarde waren en deze mening is hij nog altijd toegedaan. De suggestie van Dusan voelt dan ook nauwelijks als een belediging.
“In Charkov werd hem bevolen Volkscommissarissen op te hangen, de dominees van Stalin. Ik weet dit van mijn vroegere commandant die het proces destijds volgde. Er bestaan foto’s waar hij opstaat”.
Processen tegen Joegoslavische nazi’s waren tot ver in de jaren vijftig pro forma: je werd beschuldigd, het bewijs werd voorgelegd en dan kon je het schudden.
“Wat kan ik zeggen? Hij is opgehangen en anoniem begraven. Dat is alles.”
Het laat Vasili werkelijk koud. Hij vertelt omdat Dusan hem vragen stelt.
“En je moeder? Waar kwam zij vandaan? Hoe verging het haar?“
Dit onderwerp ligt iets gevoeliger bij Vasili. Officieel draagt hij haar familienaam: Boric. De verandering werd geregeld nadat zijn vader was opgepakt. Lokale Ustaše ambtenaren, vijanden van Tito’s socialistisch centralisme, hielpen met de administratieve inbreuk. Waar een wil is, is een weg.
“Moeder was een dorpsmeisje uit de grensstreek met Oostenrijk. Gelijk de Slovenen zaten zij meer tegen de Oostenrijkse cultuur aan dan er banden waren met de Serviërs en anderen. Laat staan met Bosniakken of Albanezen. Ze sprak voornamelijk Duits.”
Dusan onderbreekt hem.
“Ik ben een Bosniak, mocht het je zijn ontgaan, zelfs een etnische Albanees. En moslim, dat ook.”
“Jij kletst uit je etnische nekharen. Je bent psychiater.”
Een schermutseling die tot lachen leidt. Dusan verontschuldigt zich met een gebaar. Vasili knikt instemmend. Wat maakt het allemaal uit?
“Moeder werd ook opgepakt. Omdat zij mij had, bleef het bij twee jaar tuchthuis. Ik weet nog dat zij een bloemetjesjurk droeg.”
Om er ineens koud op te laten volgen: “Moeder moest manieren leren in een strafkamp. Maar ze kreeg tyfus en stierf binnen het jaar”.

Dusan steekt een sigaartje op. Het is windstil in zijn tuin. De rook kringelt uiterst traag omhoog.
“Beide ouders vroegtijdig dood. Jij in je eentje naar het internaat, de Kindergarten van het tuchthuis. Heeft dat iets met die slapeloosheid van jou te maken? En met die vreselijke woede?”
“Woede?”
Vasili is oprecht verbaasd en wil even nadenken. Ook het feit dat het alsnog over gevoelens dreigt te gaan, bevalt hem maar matig. Hij laat een kort lachje horen, het geluid van iemand die te kennen geeft dat hij de ander doorziet.
“Schei uit. Het gaat om wraak wegens mijn gevangenschap bij het Servische tuig en dat is iets anders.”
“Wat is het verschil dan?”
“Woede is impulsief en onbestuurbaar. Wraak is koelbloedig en bedoeld om de rechtvaardigheid te herstellen.Net als in de Albanese Kanun. Die ken je toch wel?”
Dusan negeert de vraag. De Kanun is een problematisch onderwerp. Nog altijd durven mensen hun huis niet te verlaten omdat er een banvloek over hen is uitgesproken, een Albanese fatwa.
“Je leeft in een zelf geschapen hel. Het is nergens voor nodig”.
Vasili weet alles van de hel. Je vingernagels eraf trekken met een tang en vervolgens je hand in zout water dompelen.
“Leuk geprobeerd. Sinds mijn ontsnapping bewaar ik de hel voor anderen. En dan ben ik nog mild! Een kogel hier, een messteek daar, wat betekent het tegenover doelbewust folteren, puur en alleen uit ziekelijk genoegen?”
Dusan moet iets wegslikken, maar dit ontgaat Vasili.
“Wie moeten er allemaal dood?”
“Ze staan op een foto.”
“Wat doe je dan hier? Voer je plan uit en je zal je beter voelen.”
“Ik moet inderdaad gaan. Ik heb een vergadering op kantoor.”

Twee uur achtereen brengt Vasili door in een gebouw dat ooit een hotel was. In de hal hangt roerloos een witte vlag van de VN. Hij snakt naar de buitenlucht en de stilte ofwel het ontbreken van lawaai zoals van de machine die langszij het gebouw van zijn werkgever een sleuf graaft. Deze geluidsallergie is een erfenis van Pilana Jada, dat is duidelijk. Het gaat niet alleen om de herrie, maar vooral om de machteloosheid er iets tegen te ondernemen. Bovendien boeit het vergaderen hem sinds lang niet meer. Steeds vaker gaat het om posities en ego’s. Inhoud is omgeruild voor profilering en public relations. Het is wonderlijk hoe snel narcisme om zich heen grijpt. En vandaag was er bovendien iets dat hem buitengewoon ergerde: de Stuurgroep Mijnbouw toonde zich onredelijk over de vraag welk bodemgebied in kaart gebracht moet worden. Berekeningen, gebaseerd op metingen en de historische curve, werden zonder argumentatie genegeerd. Chef Pavlev, in de wandelgangen Pavlev de Hopeloze genoemd, deed niets om zijn ondergeschikte te steunen. Het incident, zo je het al zo mag noemen, ontstelde Vasili maar hij zag weinig kans er tegenin te gaan. Duidelijk werd in ieder geval dat het zijn laatste metingen op het oude fabrieksterrein zijn geweest. Ze zouden tot niets leiden. Met het neerdrukkende gevoel te zijn belazerd, verlaat hij de vergadering, weg van de zoemende airco die hier permanent aanstaat.

De komende drie dagen heeft hij vrijaf. De vrijdag is een lokale feestdag en het weekeinde wordt er aan vastgeplakt. Dit vormt een lust en een last. Vasili kan doen wat hij wil, maar hoe krijg je zoveel vrije dagen gevuld? Een gevolg is bovendien dat hij de Landrover moet laten staan. Dienstauto’s worden de laatste tijd gecontroleerd op efficiënt gebruik en zelfs op kleine schades.
Om de leegte in zijn gevoel te overbruggen, loopt hij het feitelijke kantoor binnen, naar moderne inzichten gevuld met zogeheten flexsplekken: je bureau is waar je inlogt op de centrale server. Het idee, afkomstig uit Amerika, is het personeel aangeboden als een verbetering op het bestaande. Voortaan kan de baas zien wat een werknemer op zijn computer uitspookt.
Het kantoor is nagenoeg verlaten. Collega’s verdwijnen als sneeuw voor de zon, de vrijheid tegemoet. Soms is Vasili jaloers op deze mensen waar hij verder weinig omgang mee heeft. Van de oude kameraadschap zoals eertijds in het leger, is geen sprake meer en er kwam niets van waarde voor in de plaats. Ook de kamer van Pavlev is onbemand. Even binnen kijken. Uit balorigheid tikt hij op de entertoets van zijn chef.
Krijg nou wat.
Vasili is plotseling helemaal wakker. De pc is onbeheerd achtergelaten door de chef die zich voornamelijk weet te handhaven door zijn vermogen met iedereen die ertoe doet, de beste maatjes te zijn. Het scherm toont een programma, waar ondergeschikten normaliter niet bij kunnen: de files van Personele Zaken. Gelegenheid maakt de dief.
Het voelt vreemd en riskant, als een inbreker rond te snuffelen in je eigen meest persoonlijke geschiedenis. Alsof je identiteit in bezit is genomen en het verboden is er kennis van te nemen.

Vasili Basic, geboren 01 07 1955, Vareš.
Kindergarten, Zonnestraal, Belgrado, 1958
Basisonderwijs, Leninschool 13, Tuzla 1961-1969
Sredjna Skola, Maarschalk Tito, Sarajevo 1969-1972
Jugoslovenska Narodna Armija, Zemun , 1972-1992

Er staat van alles en ook weer niets. Zijn geboortedatum is onjuist, om te beginnen. De eerste van de maand juli is een typisch administratieve oplossing voor een datum die onbekend is. Rang en legernummer zijn correct vermeld, net als zijn specialisme, medailles voor moed en volharding, beste scherpschutter van zijn eenheid, bevorderd wegens voostellen tot stroomlijnen van opleidingen. Vasili glimlacht. Hier moet staan: bevorderd wegens het onder de pet houden van een verkrachting. Tja, wat doe je wanneer je een kolonel betrapt? Hoe dan ook werd dit alles geschiedenis met zijn afscheid van de strijdkrachten.
Essentiële gegevens uit zijn opleiding ontbreken. Nergens staat dat hij in dienstverband afstudeerde als fysisch geograaf. Mogelijk heeft de digitalisering te lijden heeft gehad onder een analoog verleden van dossiers die verdwenen zijn in kelders of de verbrandingsoven. Een andere optie is, dat niemand buiten het leger mocht weten van de opleiding. Er bestaat zoveel waarover mensen onkundig worden gehouden.
Onder de naam Vasili Basic is hij doorgelicht door de VN. De bevraging staat hem goed bij. Alleen een Duitse afgevaardigde stelde iets voor. De anderen waren kennisarme pennenlikkers. Er is een psychologische rapportage in bijlage. Pavlev de Hopeloze heeft er een eigen paragraafje aan toegevoegd: zijn zogenaamde observaties. Pavlev is van alle markten thuis.

Vasili kijkt rond. In het kantoor, een langgerekte en met de kromming van de muren meebuigende ruimte, is nu niemand meer. Impulsief doorzoekt hij de laden van het bureau, vist er een USB stick uit en kopieert een aantal mappen met documenten. Deze komen in aanmerking voor nadere bestudering, thuis op het balkon met rode geraniums.
Hij schakelt brutaal door naar de mailbox van zijn baas. Scrollen in een reeks berichten, diagonaal lezen door het filter van de argwaan. Er staat niets van enig belang. Hij klikt de box dicht en wil afsluiten, als hij zich bedenkt. Eenmaal op jacht, is de wolf niet te stuiten.
Onder Documenten staat een beveiligd bestand: operatie kannibaal. Zonder enige hoop tikt Vasili KOFFIE in, het meest stompzinnige wachtwoord ooit. Onmiddellijk opent zich een nieuwe wereld: een waslijst aan namen met een islamitische achtergrond. Er staan data bij en Romeinse cijfers, die op afdelingen duiden. Zijn aandacht wordt getrokken door GPS getallen, de precieze plaatsbepaling waar de namen kennelijk bijhoren. Een notie van verschrikking dringt zich aan Vasili op, wanneer hij verschillende keren dezelfde getallen tegenkomt: het moeten plekken zijn waar niemand van mag weten. Plekken zoals waar hijzelf heeft gezeten: de Helse Houtzagerij.

Ooit is het bij hem opgekomen dat zijn chef iets heeft met een andere dienst, als klerk of informant. In vroeger dagen was dit bepaald gangbaar: toen had de geheime dienst nog overal zijn tentakels. Vandaag is dit anders, maar sommige verschijnselen blijven onverklaard. Waar bijvoorbeeld lastige vragen op het werk zogenaamd niet passen bij de werkinhoud, doet Pavlev deze af als niet opportuun. Wat Vasili hier leest, wijst op iets dat veel erger is: een digitaal verdeelstation van formeel niet bestaande mensen.
Er is evenwel geen tijd toe te geven aan verwarring. Een beetje nerveus kopieert hij de complete file. Wachtend op het vollopen van de USB dringt het tot hem door dat hij de computer beter niet afsluit: via het tijdstip van afmelden kan immers worden uitgezocht wie nog in het gebouw was. Met een reinigingsmiddel dat op elk bureau van het flexibele arbeidsleven staat, spuit hij het toetsenbord schoon. Je laat beter geen vingerafdrukken achter waar je op een serieus vergrijp aangesproken kan worden.
Wegwezen! Wegwezen! Wegwezen!
Hij spoedt zich naar het trappenhuis. Het gaat langs deuren waarachter hij nooit is geweest en evenmin toegang tot heeft. De trappen leiden naar de inpandige garage.

De motorfiets is een van de weinige bezittingen die hem restte nadat zijn huis in de binnenstad was uitgebrand. In die dagen werd alles overhoop gegooid. Met de ontmanteling van het Volksleger JNA gaf hij zijn loopbaan als militair op. Tot Serviër naturaliseren had gekund, maar er zat iets tussen. Dit iets was iemand en zij heette Ilona. Als geboren Bulgaarse lag zij niet goed bij de goeddeels Servisch georiënteerde legerleiding. Bulgaren worden gehaat. Voor Vasili was hiermee de maat vol. Steeds vaker was er sprake van etniciteit en bijbehorende vooroordelen. Waar hoorde hij voor de eerste keer het woord zuiveringen? Hij nam ontslag, besloot in Sarajevo te gaan wonen, hoofdstad van het laatste gebied dat je met recht Joegoslavië kon noemen. Hij begon een zaak als barbier. Het leger leert je van alles en er moet brood op de plank. De winkel was op straatniveau. Hij woonde erboven met zijn vijf jaar jongere vrouw. Het met ruzies doorspekte geluk duurde tot de oorlog Sarajevo bereikte, de toegangswegen afsneed, de voedselvoorziening tot een dagtaak maakte. Als een der eersten werd Ilona getroffen door een Servische kogel. Anderhalf uur lag zij gewond en onbereikbaar op straat met naast zich een tas levensmiddelen. Eenmaal in het ziekenhuis hoefden de artsen haar pols niet eens meer te voelen om te weten dat zij dood was.

De motor is van Russische makelij en ingevoerd via Moldavië. Het merk DNEPR is een regelrechte kopie van een Duitse BMW. De wereld mag zich afvragen, waarom Duitse producten en zelfs hun malafide kopieën bijna altijd beter zijn dan andere. De tweewieler staat in een afgesloten vak van de garage bij zijn modernere neven. Deze komen vooral uit Italië en Japan: plastic troep met elektronica waar geen mens wijs uit wordt. Zijn helm is van een Amerikaanse soldaat geweest en bedoeld voor het slagveld. Je kunt ermee voor je hoofd geschoten worden en toch overleven. De K750 blaft bij het starten en loopt als een trein. Wat te doen?

Buiten is het warm, tegen de 30 graden. De stad is nog altijd geschonden, maar je ziet het herstel in vrolijke winkels, eigentijdse auto’s en verse aanplant in plantsoenen. Zelfs de socialistische Plattenbau flats uit de jaren 60 worden tegenwoordig geverfd. Vasili rijdt naar huis.
Op het balkon van zijn flatje eet hij pasta, een oude gewoonte. In het leger was pasta gemakkelijk mee te nemen en te bewaren. Je kocht of vorderde tomaten en uien bij de bevolking, schoot een hert in de bossen of een kalf op het weiland en de maaltijd was voor dagen verzekerd.
Een zinsnede, waarvan hij niet meer weet of hij deze aan Dusan heeft toevertrouwd, repeteert in zijn hoofd: we gingen door met ophangen tot het touw op was. De uitlating haalde destijds de kranten in het proces tegen zijn vader en diende natuurlijk tot morele goedkeuring van het doodvonnis dat volgde. Het herinnert Vasili aan zijn eigen vastberadenheid om het lijstje doodskandidaten van de Helse Houtzagerij af te werken. Misschien is het pure halsstarrigheid, de consequentie van een zelf opgelegde missie waarbij de zingeving van ondergeschikt belang is. Een ogenblik komt het hem voor dat zijn vader misschien gewoon eerlijk was: je gaat door tot het niet meer kan, want bevel is bevel.

Rituelen van het leven: Vasili geeft de geraniums water, spoelt zijn etensgerei af onder de kraan, trekt schone kleren aan en overdenkt de dag. Hij haalt de USB stick tevoorschijn en bekijkt het ding dat niet groter is dan een gummetje. Het lijkt hem beter, deze niet in zijn eigen computer uit te lezen. Wie weet welke informatie teruggehaald kan worden. Om thuis te blijven, voelt hij zich te onrustig. Daarom gaat hij de straat op om de motor bij te tanken. Benzine is goedkoop, een handvol Bosnische Marken volstaan. Zou Bogdan met hem willen vissen? Vanaf het tankstation belt hij de waard. Er wordt niet opgenomen. Hij besluit een krant te kopen en in het park te gaan lezen. De hemel is strak blauw, vandaag geen regen of onweer. Om een uur of zeven zal hij zijn wapenbroeder nog eens bellen. Eventueel kunnen ze eten in de binnenstad en naderhand een hoer bezoeken. Daar komt het seksuele leven van een alleenstaande man van middelbare leeftijd toch op neer.

De Lada Station van Bogdan is tamelijk nieuw, maar in slechte staat. De auto heeft jaren onverkoopbaar in een showroom gestaan, om uiteindelijk voor nauwelijks de helft van de beoogde prijs van eigenaar te wisselen. Het enige dat Bogdan doet, is tanken en olie verversen. Onderhoud boeit hem niet.
Op de achterbank ligt een valies met hengels en wat verder nodig is om een paar forellen te vangen. Vasili zit naast zijn vriend die het stuur stevig omklemt. Twee senioren die een dagje gaan rijden en vissen: kan het beter? Het scheelt weinig of hij begint Born to be wild te neuriën, titelsong van een film die in het Volksleger populair werd toen deze in het Westen al bijna vergeten was.
Het gaat voornamelijk langs een beek die in de zomer weinig voorstelt. Het gebied rond Vareš staat bekend om de winning van ijzererts. Het stadje zelf is overwegend wit van bouw en toont redelijk modern en welvarend. Een afgraving is met regenwater langzaam volgelopen tot een meertje. En toch: de weg erheen toont een deprimerend beeld van grauwe industrie in verval, schoorstenen, een brokkelige afscheiding tussen de weg en het kabbelende water. Het moet hier nog vol landmijnen liggen, achtergelaten na de oorlog. Burgers die hout halen uit de bossen, verliezen er geregeld een been of het leven, honden en wilde zwijnen worden uiteen gereten. De mijnenleggers zijn verdwenen zonder een plaatsingskaart achter te laten. Zo gaat dat met oorlogen.

“Weet je nog van MASPOK? Ik moet er ineens aan denken. Alles lijkt zo lang geleden”.
Bogdan doorbreekt de stilte. MASPOK, de Kroatische Communistenbond. Een fanatieke concurrent van Tito’s KPJ, die zich lange tijd op Moskou richtte.
“Nee, daar was ik te jong voor”.
“Tegen hen heb ik voor het eerst geweld gebruikt. We sloegen ze verrot omdat ze koketteerden met Kroatisch nationalisme. Wat ik bedoel, is dat het ook onder kameraad Tito nooit echt lekker heeft gezeten in dit verdomde land. Het denken in termen van Eigen Volk Eerst is nooit weg geweest”.
Vasili laat zich liever drijven op wat hij ziet, de ene na de andere bocht in de smalle weg. Veel zin om te praten heeft hij niet.
“Dit land is vervloekt. Ga emigreren, Vasili! Je spreekt Duits. Ge terug naar je eigenlijke Heimat”.
“Ik heb geen Heimat. Dat jij zoiets kunt zeggen!”
Vasili gaapt. “En jij dan?”
“Voor mij zit het leven erop. Bijna dan. Het is al een wonder dat ik er nog ben. En wie moet de zwijnen die jij aanlevert dan slachten en braden?”
Op dat moment weerklinkt een scherpe tik, gevolgd door een dreun die galmt in de krappe ruimte van de auto en in de oren van Vasili.
Onmiddellijk verliest de auto richting, dweilt over de weg, raakt een paaltje en smakt een paar meter vanaf het talud omlaag. De motor blijft gewoon lopen. Het neemt weinig meer dan enkele seconden. Vasili slaat met zijn hoofd tegen de voorruit en verliest kort het bewustzijn tot een vieze geur hem weer bijbrengt. Hij weet niet goed raad met de situatie, maar beseft dat er iets helemaal fout zit. Het glas is nagenoeg uit de auto geslagen, scherven en splinters liggen overal, op zijn schoot en in zijn haar. Een blik opzij leert, dat Bogdan verloren is. Uit een forse hoofdwond schokt bloed op het ritme van een verzakend hart. Zijn lichaam hangt onderuit in de veiligheidsgordel.

Nooit zal Vasili weten of hij heeft geschreeuwd. Zijn gehoor is dichtgeslagen. Er is pijn maar de oorsprong is niet zomaar te achterhalen. Instinctief duwt hij het portier aan zijn kant open, laat zich vallen en begint te kruipen. Deze ongemakkelijke gang gaat al snel over in strompelen en rennen in gebogen houding. Het terrein is hiervoor eigenlijk te moeilijk: het ligt hier vol scherpe keien en is begroeid met kreupelhout en dichte plukken brem. Omdat hij misselijk en duizelig wordt, wringt hij zich achter een haag van bladeren en doorns. Hier gaat hij liggen. Even later komt het braaksel.
Bij kennis komen, kan het nauwelijks worden genoemd. Vasili waant zich in een andere wereld.
Hij is bij Dusan die als een goeroe in zijn bloementuin zit. Hij praat op hem in, maar het is onduidelijk waarvan hij de psychiater probeert te overtuigen.
“Serviër, Bosniak, Cetnici, Ustasa, het heeft mij nooit wat kunnen schelen. Ik kom uit de school van Tito. Hij was de eerste en enige die de chaos pacificeerde door iedereen gelijk te schakelen, de mensen te beoordelen op wat ze kunnen en doen. Milosevic keerde terug naar de etnische verdeeldheid en dus kwam er weer oorlog. Godverdomme”.
Dusan wuift met zijn hand als naar vliegen.
“Je had onderhand een kalmer leven kunnen hebben. Met een pensioen en twee katten in de huiskamer”.
Vasili wordt steeds bozer.
“Ik hoef geen rotkatten. Ik wil Ilona. Maar zij is dood, vermoord zonder reden. En aan geld kun je altijd komen. Desnoods beroof ik een Bank. Dat zijn immers zelf ook criminelen”.
“Dat is alles?”
De ongenaakbare houding van Dusan brengt Vasili tot schreeuwen.
“Is dat alles? Wat denk jezelf?!”

Op dat moment realiseert hij zich de werkelijke situatie: de auto, de klap, zijn vlucht en de ongemakkelijke bodem waarop hij ligt. Daarbij komt een besef van die andere werkelijkheid: dat zijn relatie met Ilona van meet af moeizaam was en vol van herrie en zelfs handgemeen. Menig keer heeft hij haar verweten zijn loopbaan te hebben verpest. Zij schreeuwde vaak dat hij voor meer geld moest zorgen: verhuur jezelf als moordenaar, je bent toch zo handig met wapens?!
Het dringt tot hem door, te zijn bedolven onder elzenhout en brandnetels. De stank is onmiskenbaar zijn eigen braaksel. Tot zijn verbazing blijkt zijn gehoor evenwel helemaal terug. Scherper dan in tijden hoort hij het gonzen van een motor. Eerst denkt hij aan de auto waarin hij zat, maar allengs dringt tot hem door dat het een helikopter is. Het geluid komt naderbij en zwakt weer af. Ineens is het weg. Verderop klinken stemmen. Ze blijven op afstand. Hij blijft liggen en valt uitgeput in slaap.

Wanneer hij ontwaakt, blijkt het te regenen. Eerst is er het ruisen op de bladeren, daarna bereiken druppels zijn schuilplek. De tijd lijkt gekomen om een beter heenkomen te zoeken. Nat wordt hij sowieso.
Als voormalig soldaat heeft hij nog altijd enkele essentiële attributen bij zich. Zo is daar een inklapbaar kompas. Het behoort tot zijn PSU, de Persoonlijke Standaard Uitrusting van elke militair, waar ook ter wereld. Een soldaat moet zich kunnen redden. Een blik op de kompasnaald leert hem waar de auto moet liggen. Hij kruipt uit zijn benauwde onderkomen en vertrekt in tegenovergestelde richting. Terugkeren heeft geen zin. Bogdan is dood en zal reeds weggehaald zijn. Zich op de plek vertonen, kan hem alleen maar moeilijkheden bezorgen. De politie wil altijd iets van je. Beter kan hij ergens in een lijnbus stappen en zien dat hij thuis komt.
Bewoning is hier nauwelijks, tenminste niet langs de weg. De natuur heeft vrij spel. Hij steekt het asfalt over en zoekt een beschut plekje aan de beek in de diepte. Na zijn ontsnapping uit de krochten van Nikki heeft hij drie maanden in de bossen geleefd. Weliswaar met de onvrijwillige hulp van dorpelingen die textiel van de waslijn alsmede hun hofdieren kwijt raakten.
Tot de kostbaarheden in zijn kleding behoort ook een spiegeltje, bedoeld om je bij te scheren en zonlicht te reflecteren om je aanwezigheid kenbaar te maken. Hij bekijkt zijn gezicht. De schade valt mee, op een aantal krassen van braamstruiken na. Met vers water spoelt hij bloedspatten weg en wast hij zijn handen. Uit de beek drinken is onverstandig. Dorst is iets voor later.
Een bus laat zich niet zien. Wel twee wagens van de politie. Hij duikt weg en laat ze passeren. Dan nadert zowaar een taxi. Vasili houdt deze staande, stapt ongevraagd in en laat zich niets zeggen door de bestuurder die helemaal geen zin heeft rechtsomkeert te maken. Een paar bankbiljetten verbeteren de stemming enigszins, maar gezellig wordt het niet. Hij is nat en vuil en moet op een stuk karton zitten.

Hij laat zich afzetten in het centrum van Sarajevo, de opgestoken vinger van de chauffeur negerend.
Hier kent hij de weg en zijn er enkele kennissen uit zijn jaren als barbier. Helaas: iedereen lijkt de stad uit wegens het vrije weekeinde. Na drie deurbellen stapt hij vermoeid een kledingzaak binnen om zich een nieuwe pantalon en een zomerse regenjas te laten aanmeten. Inpandig kun je doorsteken naar een eetcafé, waar hij een krant pakt en tomatensoep bestelt. Het is een onwezenlijke dag. De verbindingen tussen huizen stammen uit de dagen dat je groot risico liep om op straat door een sluipschutter te worden vermoord. In een hoek van het etablissement hangt een tv. Bijna alles wat wordt uitgezonden, is reclame en goedkoop vermaak. Toch is er ook een flard lokaal nieuws: de Lada van Bogdan in de takels van een kraanwagen. Een blondine spreekt van een ongeluk waarbij een dode is gevallen. De nieuwe generatie mist de neus voor onraad. Niets over de oorzaak, de kogelinslag die het effect had van een granaat. Hij schuift de soep terzijde en bestelt koffie.
“Wat zanik je toch over zielige moslims? Ze hebben de ellende over zichzelf afgeroepen. Weet je wel dat hun bendes worden betaald door de Arabieren? Of anders door de Turken. Hoe komen ze anders aan wapens? Toch niet omdat het van die harde werkers zijn. Nee, liever in de drugshandel, samen met hun soortgenoten in Albanië”.
Aan de tap vindt een gesprek plaats dat je overal kunt opvangen. Vooral de houding van Europa jegens de Serviërs wordt verbitterd besproken. De mensen zien heel goed dat deze past in de anti Rusland politiek. Servië en Rusland zijn immers al heel lang verbonden. En het geweeklaag over moslims is toe te schrijven aan schuldgevoel over de moordpartijen in de enclaves. Iedere moslim aanslag, waar ook ter wereld, wordt hier met een grijnslach herkend. Vasili vangt het op met een helderheid die hem voorkomt als een feest. Nooit heeft hij vermoed dat zijn rechteroor zou herstellen.
“Ik zal je wat zeggen: zelfs toen die klootzakken in het nauw zaten in hun stomme enclaves bij de withelmen die de halve dag met hun thuisfront telefoneerden, zelfs toen hadden ze hun vel nog kunnen redden. Maar wat deden ze? Ze verboden de withelmen in hun zogenaamde gebied te patrouilleren. Ze misbruikten de situatie om Servische gezinnen te vermoorden. Overdag lagen ze te rukken of jammerden in de media dat ze het zo slecht hadden. In de nacht trokken ze de bergen in om gewone dorpelingen te vermoorden en te beroven. Ze hebben zelfs de historische brug in Mostar opgeblazen, de mongolen!”
Vasili hoort het aan. Er valt geen speld tussen te krijgen. En toch: waartoe kan dit alles leiden, anders dan tot nieuwe problemen? Hij zucht diep, steekt de krant in zijn nieuwe jas en loopt naar buiten.

In plaats van huiswaarts te keren, huurt hij een kamer in een pension. Het is een smoezelige tent, gelegen in een onaanzienlijke zijstraat. De kamer is echter goedkoop en hij weet dat er heel goed wordt gekookt. Cevapcici, raznjici, pitabroodjes gevuld met vlasicki en paddenstoelen, af te ronden met alle zoetigheden die de Midden-Europese en de Turkse traditie hebben meegebracht.
De kokkin heet Katja en is van zijn leeftijd. Ze is gezet en heeft zwarte ogen die door je heen kijken. In de kamer ruikt het muf, een beetje naar vroeger. Vasili neemt een bad, maakt een serie doornkrassen schoon, masseert pijnlijke plekken aan zijn benen en denkt aan Dogan. Het lijkt waarachtig of zijn vriend de dood letterlijk voelde naderen. Wie in vredesnaam kan het op een waard hebben gemunt?
Of ikzelf ben het doelwit. Bogdan is gestorven omdat hij naast mij zat.
Op hetzelfde moment realiseert hij zich, dat de USB stick nog in zijn achtergelaten broek moet zitten.

Er zit niets anders op dan terstond naar de kledingzaak terug te marcheren om dit verzuim te herstellen. Kan hij meteen nieuw ondergoed aanschaffen. En schoenen, want de zijne blijken verpest met bloed en iets dat motorolie kan zijn.
Word ik gecontroleerd, dan blijkt mijn zoolprofiel anders dan gevonden bij de auto. Om mij te vangen, moet je vroeg opstaan.
De oude broek is nog aanwezig en de USB komt probleemloos tevoorschijn. Hij wordt geholpen door een man van tegen de veertig met nuffige maniertjes. Deze stelt zich voor als Bert en toont zijn klant het beschikbare ondergoed als een erotische belofte. Vasili registreert het: in zijn tijd als barbier kreeg hij geregeld klanten als Bert over de vloer. Formeel bestaan ze niet, maar in de stad zijn ze volop aanwezig.
“Zeg vriend, is hier ook ergens een internetcafé? “
Dit blijkt een heel eind verderop te zijn. Tegenwoordig is er Wifi en kun je overal op het internet. De kwestie is, dat Vasili een computer nodig heeft. Bert glimlacht raadselachtig.
“U kunt straks ook bij mij thuis de computer gebruiken. Dat kost niets”.
Een onverwacht voorstel. Vasili denkt even na.
“Ik weet het goed gemaakt. Ik nodig je uit om in mijn pension te komen eten. Daarna ga ik met je mee voor de computer. Maar onthoud dat het daarbij blijft. Ik neuk niet met mannen”.

En zo komt het dat Vasili twee uur later met ene Bert aan tafel zit in een afgetrapt pension met een geweldige keuken en een kokkin die de knopen van zijn broek doet springen.
De wereld is een web van onderlinge relaties waaraan het moeilijk is je te onttrekken. De mensen verlangen naar elkaar bevestigende meningen. De media tonen berichten die tegemoet komen aan behoeften die met de tijd mee bewegen. Waarheid en leugen slapen in hetzelfde bed. De gezwollen taal van de socialistische epoque is met de jaren weggevaagd door het liberale gekwek van pretentieloos entertainment en consumentisme. Zonder de helse etnische oorlogen was Bosnië allang in de Europese Unie opgenomen. De onmiskenbaar bestaande corruptie mag geen bezwaar zijn. Europa zelf deugt immers evenmin. Alleen is hier bij wetgeving in voorzien: banken en multinationals gaan hun gang en onvermijdelijke verliezen worden bij het volk gelegd.

Vasili betaalt ruimhartig voor de maaltijden en laat Katja komen om haar bereidheid te peilen. Dat hij aan tafel zit met een homo, doet hieraan niets af, integendeel. Was hij alleen, dan kwam de kokkin niet of ze zou er beslist wat van denken.
Vasili paait haar door te raden welke kruiden zij heeft gebruikt, maar zijn tafelgenoot is hierin veel beter. Het maakt allemaal niet uit: Katja weet ook zo wel wie van hen echte belangstelling heeft voor haar persoonlijke merites. Ze laat evenwel ook al snel de fatale uitdrukking mijn man vallen. Reden voor Vasili om van strategie te veranderen. In een restaurant komen veel mensen. Hij toont Katja de geplastificeerde groepsfoto. Ook Bert mag even kijken.
De kokkin schudt haar hoofd nog voor zij goed heeft gekeken. Het lijkt of zij lont ruikt en weet dat onnozelheid een beproefd middel is tot overleven, in oorlog en vrede.
De waardin komt erbij staan en eist haar rol op.
“Wij geven geen inlichtingen over andere klanten! Bent u soms van de politie?”
In de middenstand kun je maar beter gezellig blijven.
Vasili bergt de foto weg en probeert nonchalant over te komen.
“Nee hoor. Ik ken alleen deze man. Hij heet Nikki en ik probeer hem te vinden”.
Wanneer ze alleen zijn en op het punt staan te vertrekken, maakt Bert een onverwachte opmerking.
“De vrouw die u zoekt, ken ik wel. Ze woont hier praktisch om de hoek. Een vriendin?”
Vasili gelooft zijn oren niet en laat zich de uitspraak nog eens herhalen. Denkt Bert dat hij leuk kan zijn, of een aanstellerig verhaal mag ophangen? Hij heeft ineens zin, dit kereltje te dumpen en de trap op te gaan naar zijn kamer. Misschien kan hij Katja alsnog het bed in krijgen, wie weet.
“Luister, Bert. De dame op de foto is een ellendige slang. Ze vernederde weerloze gevangenen door ze in hun ballen te trappen en te dwingen zich voor haar af te trekken”.
Hij spreekt in de tegenwoordige tijd, vervloekt zichzelf om zijn uitval, maar krijgt zijn razernij niet helemaal onder controle. Bert hoort hem aan en blijkt hardnekkig.
“Ze heet Jadranca”.
“Wat nou weer? Ze heet Lydia en ik ben in de stad om haar te vermoorden”.
Misschien helpen harde beweringen om de verkoper van overhemden en stropdassen af te schrikken. Wat kan die gast helemaal weten?
“Mag ik nog eens kijken?”
Een beetje geërgerd blijft Vasili de foto vasthouden. Als Bert een grap wil uithalen, zal hij spijt krijgen.
“U noemt haar Lydia, maar ze heet Jadranka Lescovic. Ik ken haar uit Pilana Jada. Wel eens van gehoord?”
Eén enkele naam kan je perspectief omgooien. Ze vertrekken meteen naar het huis van Bert. Onderweg toont deze Vasili het pand waar Lydia alias Jadranca zou wonen. Bij de deurbel voor de eerste etage staat werkelijk L.J. Lescovic.
“Gewoon onder haar eigen naam! Lydia Jadranca!”
Verder doen ze er het zwijgen toe. Over ondergane gruwelen loop je niet zomaar wat te keuvelen.

Bert woont op de bovenste etage van een afgetrapt flatgebouw. Vooral in de jaren 70 voerde de DDR treinladingen geprefabriceerde betonplaten aan om de bevolking onder dak te brengen.
Het appartementje is smaakvol ingericht. In de keuken staat moderne apparatuur als een magnetron en een Italiaanse espressomachine. Zolang je niet uit het raam kijkt naar de overkant van de straat, kun je de indruk koesteren in een westers land te zijn.
“Ik heb een laptop. Kunt u daarmee overweg?”
Bert gaat tv kijken. Vasili neemt plaats aan de eettafel, schuift de USB in de platte tafelcomputer en verwondert zich opnieuw. Eigenlijk heeft hij een geologische kaart nodig, maar die is hier natuurlijk niet. Ook zonder deze wordt hem duidelijk wat hij ziet: een overzicht aan plekken waar mannen met een moslimachtergrond verblijven en waarschijnlijk worden vastgehouden. Met enige kwade wil kan hij hiermee eveneens verklaren waarom hij nul op het rekest kreeg van de Stuurgroep Mijnbouw: in het door hem aangemerkte gebied rond Vareš bevinden zich de meeste aanduidingen.
Pavlev weet dat die mensen de groeven zijn ingestuurd. Daarom wil hij mij daar weghouden.

“Als u wijn wilt? Ik heb Griekse”.

Vasili kijkt tegen het achterhoofd van zijn gastheer aan. Antwoord geeft hij niet.
“Jadranca is de Moeder Theresa van de Onderwereld. Bent u katholiek, luitenant Vasili?”
Je kunt niet blijven zwijgen, dan nog in het huis van een ander.
“Katholiek? Je bedoelt of ik in een God geloof? Vanmorgen is een vriend van mij doodgeschoten. We zaten samen in zijn auto en deden niemand kwaad. Ik heb God nergens gezien”.
Het duurt even voor Bert reageert. Hij zapt een paar zenders verder, maar er is niets dan onzin en reclame, wat ook onzin is.
“Maar bent u katholiek?”
Vasili wordt een beetje kribbig. Wat wil die homo van hem?
“Mijn vader was een nazi, Bert. Hij heeft meer mensen vermoord dan hier in de flat wonen. Mijn moeder kwam uit een nest Ustasa. Voor mij was het een voorrecht om communist te worden”.
“Jadranca is katholiek. Ze gaat elke zondagmorgen naar de katholieke kerk”.
“Wat zou dat?”
“Zij sleepte mij naar Cilibici om te laten bewijzen dat ik een echte man ben. Hoe kan iemand als Jadranca gelovig zijn?”
Cilibici. Kamp voor moslimvrouwen van de Servische Bosniërs tijdens de oorlog. De gruwelijke details over georganiseerde verkrachting gingen de wereld over. Het was werkelijkheid en fictie ineen. Kortom: het was politiek. Er werd weldegelijk verkracht en mishandeld, maar het gebeurde minder collectief en vanuit een idee dan werd beweerd. Oorlog is irrationeel en stapelt geweld op geweld.
“Weet ik veel. Ik wil wel een glas wijn. En laten we erover ophouden”.
Vasili is doodmoe. De dag is lang geweest en vol ontzettingen. Oude reflexen dienen zich aan. Naar het pension terugkeren, is geen optie meer. Indirect heeft hij zich daar bekend gemaakt. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast. Hij klapt de laptop dicht en steekt de USB in zijn broekzak. Samen met Bert zit hij op de bank met uitzicht op een uitgeschakelde tv. Ze drinken tot de fles leeg is.
“Zeg Bert, ik weet dat het uit mijn mond raar klinkt, maar kan ik hier op de bank slapen?”
“Dacht u dat ik u liet gaan? Misschien hebben ze in het pension dat wijf wel gebeld. Ik heb een logeerkamertje. Maak u geen zorgen. U bent mijn type niet”.

Een kwartier later is het donker en begint de nacht van een flatgebouw in ruste. Minstens honderd mensen liggen op matrassen in een krat van beton. Bij vlagen hoor je helemaal niets, maar je weet dat ze er zijn. Hij strekt zich languit onder een laken. Ooit heeft hij bij vergissing overnacht in een grot vol vleermuizen. De herinnering hieraan is oppervlakkig, maar komt toch even boven. In de bergen verderop klink vaag gerommel van onweer. In de kamer naast hem, draait Bert zich om en begint te snurken.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.