WRAAKENGEL, DEEL V

In de gehuurde bestelwagen rijdt hij door de stad, passeert een glazen gebouw dat toepasselijk Reflexion heet en een baken van vroeger tijden, de moskee Alipassina. Het gaat richting Cervi en vandaar verder de lege natuur in. De notaris heeft wel een punt: wat moet je met een herberg in een negorij waarin alleen hagedissen en eeuwenoude vetes kunnen overleven?
Voor de zekerheid heeft hij zijn geweer meegebracht. Deze ligt onder handbereik naast hem. Tegenliggers zijn er nauwelijks. Alleen een rokende truck met boomstammen komt hem tegemoet. Exporteurs weten Europa wel te vinden.

Na een half uur bereikt hij het naamloze gehucht, dat er uitgestorven bij ligt. Het kan hooguit dienen als decor van een tweederangs oorlogsfilm. Hoe ellendig moet een leven zijn, dat Bogdan hier ooit vrolijk van werd? Op het erf van de herberg is zowaar een levensteken te zien: de broodmagere hond die eerder niet wilde luisterden naar de naam Nikki.
Vasili draait de auto met de neus naar de uitgang. In geval van nood moet je snel weg kunnen. Met het afzetten van de motor stort de stilte de cabine binnen. Het doet hem denken aan de dagen waarop hij in het staatsinternaat verbleef: de stilte als neerdrukkende kracht. Ieder moment kon er iets gebeuren, maar meestal tikten alleen de minuten weg. Hij steekt een sigaret aan, meegenomen uit de bureaulade van chef Pavlev. Het is een wezenloze Pall Mall, waartegen je al op het pakje wordt gewaarschuwd: rokers riskeren longkanker. De tekst is in het Grieks: Bosnië hangt aan elkaar van vreemde invloeden. Een halve sigaret later verschijnt iemand. Het is de oude vrouw Ajka. Ze blijft staan tot Vasili uit de auto stapt en steekt vervolgens ter begroeting haar wandelstok omhoog.

Samen betreden ze het café. De politie is op bezoek geweest. De mannen hebben er wel drie uur over gedaan. Mogelijk om iets te onderzoeken, maar in ieder geval om zich gratis te bezatten. Ajka heeft het van nabij meegemaakt. Dit brengt Vasili op een idee. Uit zijn kleding haalt hij de groepsfoto. Ajka zet haar leesbril op. Ze wijst Nikki aan en vervolgens een tweede, die Osip zou heten. Kijken naar gezichten en de bijbehorende namen noemen, fokken hem op en jagen hem angst aan. Misschien was het een verkeerd idee om de foto van het wandbord te trekken en mee te nemen. Wraak is immers een gerecht dat het beste koud opgediend wordt.
“Was er een vrouw bij? Deze misschien?”
Nee, Lydia Jadranca is niet meegekomen. Wel een dame die op haar lijkt. Dat dit haar zus Karina de notaris geweest zal zijn, houdt Vasili maar voor zich. Een normale vrouw die urenlang rondhangt met zich bezuipende kerels is een beeld waar hij zich weinig bij kan voorstellen. Ajka klaagt over haar pensioen dat te gering is om te overleven en teveel om te sterven. Zo kan Tito het nooit hebben bedoeld. Het is een verhaal van alledag: op de gehele Balkan zuchten de ouderen in afwachting van hun verlossing. Dat het in het Rusland van Stalin nog veel erger was, heeft ze nooit tot haar gedachten toegelaten.

In de vriezer ligt nog altijd bevroren vlees. Het zijn hompen die je niet binnen een halve dag kunt ontdooien. Vasili zoekt een bijl en hakt een stukje los. In warm water komt de geur wel vrij. Het aanschouwen van de hond heeft een plan in hem opgewekt. Hij lokt het verwaarloosde dier met de kluif naar zich toe.
Hondentrouw wordt verleend ingeval er iets tegenover staat. In die zin lijken mens en dier op elkaar. De hond grist het nog half bevroren vlees uit zijn hand en springt er uit zichzelf mee in de bestelwagen. Het beest zit bovenop de AK en slaat aan het knagen.
“Komt u snel terug, luitenant?”
Ajka weet nog hoe het hoort om een militair aan te spreken.
“Waarom? U zou moeten stoppen met zuipen”.
“Ik stop wanneer het leven weer zin heeft. Geen dag eerder”.

Begeleid door zijn nieuwe kameraad rijdt Vasili het erf af, het gehucht uit. In de tuin voor het laatste huis zit een ouder echtpaar op een bankje. Ze kijken naar hem, maar steken geen hand op.
Het is een weggetje dat feitelijk uitmondt in niets. Op de scheiding staat een bord dat onbevoegden de toegang verbiedt. Het wordt geflankeerd door twee gezette politiemannen in uniform. Ze zitten op meegebrachte stoelen van plastic. Zo je geld te verdienen, moet wel leiden tot overgewicht en desinteresse.
“U mag niet verder. Dit is verboden terrein”.
Kennelijk hebben zij hun instructies. Vasili stapt uit. Een gesprek aangaan met het gezag vanuit een auto leidt tot niets.
“Ik woon hier”.
Hij toont de eigendomspapieren van het café.
“Wat heeft u hier te zoeken?”
“Ik jaag op herten en zwijnen. Kom een keer eten in de herberg”.
Laten blijken dat je geen angst kent. Tegelijk de ander alvast uitnodigen.
“Stropen is verboden. U werkt toevallig niet voor de buitenlanders met hun onderzoeken?”
Vasili houdt zijn echte functie met opzet zoveel als mogelijk buiten beeld. Voor je het weet, verzand je in competentiestrijd of blijken er nog oude rekeningen open te staan.
“Buitenlanders? Hier?”
Demonstratief spuugt hij op de grond. Vanuit de auto steekt de hond haar luizige kop uit het raam. Vasili realiseert zich dat het vieze dier op zijn wapen zit. De agenten kijken elkaar aan.
“Binnen een uur terug en niet bij de bosrand komen”.
De precieze aanduiding maakt hem duidelijk, dat de lichamen van Goran Rupa en de anderen zijn gevonden. Misschien hebben de agenten naast het bord eigenlijk een andere opdracht, maar wagen zij niet het terrein op te gaan. Vasili geeft hen een hand, stapt in en rijdt verder. Gelukkig heeft het in de nacht een beetje geregend. De bestelwagen trekt nauwelijks stof achter zich aan. Hij geeft gas en rijdt uit het zicht. Achter een pak bramenstruiken komt hij tot stilstand en pakt zijn geweer, kompas en veldfles. De hond moet mee, maar aan een touw.
“Kom op Nikki, we hebben een missie. We gaan eens zien hoe goed jouw neus is.”
Tegen jezelf praten, wordt wereldwijd vreemd gevonden. Babbelen tegen de huiskat is evenwel gangbaar en een hond heeft gesproken instructies nodig. Toch heeft geen dier ooit een zinvol antwoord gegeven.

De afstand tot de plek waar hij de bende van Goran uitschakelde, bedraagt de lengte van drie hindernisbanen zoals bij elke kazerne staan. Nikki gaat redelijk mee, al heeft het beest de neiging links en rechts te snuffelen.
Binnen tien minuten zijn ze zo dichtbij dat Vasili met zijn kijker kan volgen wat daarginder gebeurt. Zijn mond valt open van verbazing en zijn hart slaat over.
Op de plek waar eerder de Toyota stond, staat werkelijk de YPR-765. Er is een met zeildoek overdekte wagen aan gekoppeld. Twee mannen in egaal grijze pakken staan in het zicht. De ene graaft en de ander kijkt toe. Even later bukken beiden zich en slepen iets naar de aanhanger.
Verdomme! Dus toch!
Hij wil perse dichterbij geraken. Omdat het touw waaraan hij Nikki meevoert hem hindert, maakt hij de hond los.
“Blijf en volg! En houd in vredesnaam je bek dicht”.
Hoog boven het bos klimt het geluid van een tweetal straaljagers. Vasili benut de gelegenheid om vooruit te komen. Takken breken waar ze in de weg liggen. In gebogen houding snelt hij voorwaarts.
“Hier blijven! Kom hier!”
Het geluid zwakt af, verandert van toon en valt weg. De afstand tot de mannen bedraagt nog nauwelijks dertig meter. Een kijker om te zien wat daar precies plaatsvindt, is niet langer nodig.
De smerige stank, al opgemerkt op de dag van de schietpartij, dringt zijn neus en vervolgens zijn brein binnen. Hij begrijpt dat de mannen bezig zijn met de berging van lichamen die al langere tijd begraven zijn.
“Blijf nou toch hier, stomme ezel!”

De hond kent het leven als honger in vrijheid. Ze laat zich weinig zeggen. Vasili heeft geen keuze dan te zien hoe ze naar de mannen rent en begint te blaffen. Deze kijken natuurlijk op en gebaren naar elkaar. Ze laten hun vrachtje vallen, doen hun mondkapje af en roepen het beest. Ook kijken ze argwanend naar de bosrand, alsof ze hebben bedacht dat de hond een eigenaar zal hebben.
Hij maakt de AK gereed, schuift de loop tussen de brandnetels naar voren en tuurt door de zoeker. Een elleboog is nodig om het beeld te stabiliseren. Zo laag bij de grond wordt de rottingsgeur erger.
Daar hebben we Osip. Hij deelde het zogenaamde eten rond. Als hij het niet voortijdig uit zijn poten liet vallen om een gevangene te pesten.
Iemand bestuderen die jou niet ziet en overwegen of je hem naar de andere wereld zal helpen, is een perverse bezigheid. Het machtsverschil valt Vasili ineens op. Met een enkele vingerbeweging kan hij een einde maken aan dit leven. Zo heeft hij het ettelijke keren gedaan in oefeningen, in de afscheidingsoorlogen en met lieden die zijn stad Sarajevo beschoten.
Kijk die klootzak daar eens staan, met een opgegraven lijk aan zijn voeten.
Het is vooral uit ongeloof over de onverwachte mogelijkheid dat hij niet meteen de trekker overhaalt.

De mannen blijven staan en kijken omhoog. De reden hiervan wordt snel duidelijk. Op nauwelijks vijftig meter hoogte razen twee F-16 straaljagers over de bosrand. Het motorgebrul is oorverdovend. Wervelwind slaat neer. Een walm van kerosine mengt met de stank van de dood. Bijna ongemerkt maakt zijn wijsvinger de beslissende beweging. Osip zakt in elkaar als wordt er vanuit de aarde aan zijn voeten getrokken. Net iets te lang vraagt Vasili zich af of hij ook de andere man zal uitschakelen. Deze begrijpt het gevaar maar al te goed. Hij springt zigzag naar de YPR en trekt de stalen deur achter zich dicht. Schieten heeft geen zin meer. Het rupsvoertuig start met grof geraas en komt in beweging, de aangekoppelde wagen met menselijke resten meeslepend.
Ook voor Vasili is een snelle aftocht wenselijk. De vliegtuigen zullen foto’s hebben gemaakt. Contact met de aarde is een kwestie van seconden. Voor je het weet, hangt er een helikopter in de lucht. Hond Nikki is onvindbaar en moet het zelf maar uitzoeken.

Binnen de kortste keren is hij terug bij de agenten en hun verbodsbord. Het geweer heeft hij uit het zicht onder de voorstoelen geschoven. Hij knaagt op een meegebrachte appel om een onnozele indruk te maken.
“Daar ben ik weer”.
“En?”
“Niks natuurlijk. Er waren buitenlandse vliegtuigen. Zij hebben het verpest”.
“We hebben ze gezien, ja. Waar is je hond?”
“Weggelopen. Komt wel vaker voor. Ze is oud en eigengereid”.
“En ons eten?”
“Volgende week. Kom vrijdag na werktijd”.
De agenten nemen geen moeite in de auto te kijken. Ze wimpelen hem uit hun beeld.

Bij het café aangekomen, leest hij de oude Ajka de toekomst.
“Geef me je hand eens, moedertje!“
“Ach jongen toch!”
Ajka mag een verstokte communist zijn, handlezen en duistere zaken hebben nog altijd belang.
“Ben je nuchter, Ajka? Luister dan goed. Ik zie aan deze lange lijn, dat je binnenkort opnieuw de baas wordt van deze herberg! Wat zeg je daarvan?”
Ajka trekt haar hand terug.
“U speelt met mij. Dat is gemeen”.
“Nee, het staat er echt. En ik heb ondersteunend bewijs zoals dat heet. Kom!”
Hij maakt de buitendeur van de herberg open en trekt haar mee naar binnen. Hij heeft haast, want vandaag is hem eens te meer helder geworden dat hij het land uit wil. Op de grote ruwhouten tafel spreidt hij de documenten uit van de notaris.
“Haal je paspoort, Ajka! Ik heb het nodig voor de overdracht.”
Ajka beeft van opwinding. Ze kan nauwelijks geloven dat zij na al die jaren van nutteloze uitsluiting nog eens opnieuw chef mag zijn. Maar eigenaresse wil ze niet worden.
“Wilt u op mijn oude dag nog een kapitalist van mij maken? Foei! Laat mij de zaak voor u voeren, zolang mijn oude benen het aankunnen. En ik heb een kok nodig. Weet u iemand?”
Ja. Katja met haar zwarte ogen. Dat zou me wat zijn!
Dat de herberg de laatste tijd slechts drie man en een paardenkop bedient, mag de pret niet drukken.
“En u dan, luitenant?”
“Een oude soldaat met een café, daar kan geen goed van komen.”

Slapen bij Bert in de kleine logeerkamer. In de nacht ritselt het flatgebouw van kleine geluiden. Elk moment verwacht Vasili dat de deur wordt ingetrapt, hij uit zijn bed wordt gesleurd en meegenomen naar Pilana Jada, achter dikke muren onder de grond, als voorportaal van de hel. Alweer heeft hij vandaag iemand doodgeschoten. Het ultieme bewijs van zijn schuld ligt onder het bed: een aanvalswapen met vijf magazijnen scherpe patronen. Sporen op een kogel uit Goran of een ander kunnen hem op levenslange celstraf komen te staan. De slaap blijft uit. Als eerste staat hij op, zet thee voor beiden, vist de krant uit de brievenbus en stelt vast dat de wereld draait als elke dag. Over praktijken aan de randen van de Bosnische beschaving geen letter. Het wachten is op de opening van het notariskantoor.

“Zo snel heb ik nooit iemand zien terugkeren. Bevalt het pand niet?”
Vasili negeert de spot in de stem van notaris Karina die doorkwebbelt.
“Een zaakgelastigde aanstellen, kan natuurlijk. Maar er zijn wel kosten en fiscale gevolgen aan verbonden”.
Vasili steekt een sigaret aan zonder toestemming te vragen. Het is de laatste Pall Mall van Pavlev.
“Misschien kunt u uw zus er even bijhalen?”
“Pardon? Wat heeft zij ermee te maken?”
Er is dus weldegelijk sprake van zussen. De gezusters Lescovic, voor al uw rampspoed.
“Dat hoort u dadelijk wel”.
“Ik voel er niets voor. U kunt uw zaken met mij afhandelen, of anders”.
“Breng Lydia Jadranca hier of ik laat haar arresteren”.
Sommige mensen luisteren alleen naar harde woorden. De notaris staat op en aarzelt.
“Wegens actieve deelname aan marteling en doodslag in speciaal hiervoor ingerichte kampen”.
Vasili heeft er vele malen over nagedacht. Wat te doen, ingeval de heks binnen handbereik komt? Maakt het iets uit dat ze zwanger is? Neten worden luizen, sprak de cowboy die met zijn bende een Indianendorp uitroeide en geen genade toonde voor de kinderen.
“Uiteraard komt uw kantoor dan in het nieuws. Ik heb contacten bij de Oslobodenje”.

Karina gaat haar zuster halen. Vasili wacht gespannen tot zij binnen komt.
“Zo Lydia. Of zal ik Jadranca zeggen? Kunnen we gewoon praten, of moet ik me eerst voor je aftrekken?”
“Hé hé, kan het wat minder?”
Karina denkt dat haar mening wordt gevraagd. Vasili reageert zich meteen op haar af.
“Houdt u zich er liever buiten. Uw zus kan het zelf wel af”.
Opnieuw richt hij zicht tot Lydia.
“Pilana Jada, weet je nog? Moet ik in details treden?”
Er bestaan mensen die tot hun dood blijven ontkennen. Niet alleen moordenaars die voor hun leven mogen vrezen, maar ook kleine oplichters of je buren. Het zijn mensen die bij de dag leven. Wat niet van pas komt, wordt verdrongen. Een enkeling mist het moreel kompas helemaal. Zij gaan tot waar een ander onherroepelijk de grens trekt.
“Pilana wat? Nooit van gehoord”.
Vasili haalt de groepsfoto uit zijn kleding. Zijn vinger wijst zonder mededogen.
“Nikki Tesla en Lydia Jadranca Lescovic. De anderen hebben geen naam meer. Drie zijn naar de hemel, de vierde hangt voorgoed in een karretje aan een zuurstoffles”.
Karina gaat er ontdaan bij zitten. In de werkkamer rinkelt een telefoon, maar niemand neemt op.
Vasili keert om de kaart en leest voor.
“Je me souviens les journées passées et je pleure. Wie heeft die onzin achterop geschreven?”
Hij probeert de geur van Lydia op te snuiven, als het ware zijn weerzin ermee op te frissen.
“En geen gezever, want ik weet al wie het is. Ik wil het alleen van jou horen”.
Lydia leest en haalt haar schouders op. Ze wint snel aan zelfvertrouwen en brutaliteit.
“U moet niet denken ons te kunnen intimideren. We halen de politie erbij! U gaat rechtstreeks naar het kamp terug en niemand hoort nog wat van u, oud stuk onbenul!”
Dit is de soort taal die Vasili van de vrouw gewend is. Maar indruk maakt het niet meer. Desnoods snijdt hij haar in stukken met het meegebrachte mes van Nikki de Vis.
“Wie wil je bellen? Goran Rupa misschien? Je kunt hem opzoeken in het lijkenhuis, als iemand hem nog kan herkennen. Ik weet niet of je mij helemaal begrijpt, Vrouw Holle. Wanneer je praatjes blijft houden, kun je naar Den Haag. Daar staat het Internationaal Strafhof”.
Hij spreekt luid. Hij wil dat het personeel van het kantoor meeluistert. Ook Lydia lijkt dit in te zien.
“Ik denk dat de psychiater ons fotografeerde. Dosan of zoiets”.
De tweede bekentenis is binnen. Lydia geeft toe dat zij op de foto staat en dus in het kamp was. Haar geringschattende toon ergert hem geweldig: Dosan of zoiets. Tegelijk verwart haar opmerking hem: heeft Dusan hier zich echt voor geleend?
Het kost hem moeite zich te concentreren.
“Haal die vervelende grijns van je gezicht. Je zegt Dosan. Was het Dusan? Wat deed hij bij jullie?”
Vasili huivert. De naam van zijn vriend noemen, klinkt als verraad. Hij denkt aan de hanenpoten in het notitieblok van de psychiater. Precies als het schrift op de kaart. En had Dusan geen Franse krant bij zich? Wie in deze contreien leest een Franse krant? En bovendien: tegen deze man heeft hij dingen gezegd die niemand eerder van hem hoorde.
“Dat weet ik niet meer”.
Vasili trekt de kaart weg onder de neus van de vrouw die hij in gedachten honderd maal heeft vermorzeld.
“Denk aan het slangenei in je schoot, meisje. Moet je kind naamloos in een pleeggezin belanden? Wat zal Nikki ervan vinden?”
Zijn naam noemen, vormt opnieuw een slag in de lucht. Wel was in de kerkers bekend dat de twee het goed konden vinden. Gevangenen leren hun bewakers nauwgezet observeren.
“Ga weg! Laat ons met rust! Ziet u niet in wat voor conditie ik ben?”
Lydia’s stem slaat over. Zo was het ook in het kamp. Om de haverklap kwam het kreng opdagen, met haar vileine beweginkjes alsof ze een verdomde filmster was. Voorover buigen tot je in haar decolleté kon kijken en dan plotseling haar sigaret in je gezicht uitdrukken.
Het wordt Vasili rood en zwart voor de ogen. Zijn keel doet pijn van woede. Hij heeft het dus goed geraden of gezien, geconcludeerd, wat maakt het uit? Nikki en Lydia zijn samen en krijgen een kind. Het beste bewijs ooit dat er geen God bestaat.
“Vuile teef! Wat kan mij jouw broedsel schelen? Ik vraag, wat Dusan Bihac bij jullie te zoeken had!”
Vasili schreeuwt alsnog. De werkkamer achter zijn rug valt stil.

Het duurt even voor Lydia Jadranca weer bij de les is. Zelfs probeert ze de kamer te verlaten. Ze zou naar de wc moeten, de aanstelster. Vasili komt overeind. Intimideren is in het leger de gewoonste zaak van de wereld en hij heeft schoon genoeg van haar manipulaties.
“Misschien moeten we de VN maar beter vergeten. Je zou hooguit een jaar of drie krijgen. Het is beter om een paar leuke moslimjongens op je af te sturen. Als voormalig barbier ken ik er genoeg die je aan de hete uitlaat van hun Mercedes willen vastbinden”.
Lydia begint te huilen. Waar mensen de greep verliezen, gaan mannen vloeken en vrouwen huilen. Aanleiding voor haar zus de telefoon op te nemen en het initiatief terug te pakken. Vasili slaat haar de hoorn uit de hand.
“Wees wijzer, Karina Lescovic! Regel liever de papieren voor Ajka!”
Hij wendt zich weer tot Lydia.
“Gisteren zijn er lijken ontdekt op het terrein van de staalfabriek. Je maat Osip was er illegaal aan het ruimen. Vliegtuigen hebben foto’s gemaakt, dus je begrijpt wat er gaat komen”.
Heen en weer ijsberend, wacht hij tot de notariële zaken zijn afgerond. Over kosten durft Karina het niet meer te hebben. Zij zal hebben bedacht, dat ze beter een factuur naar de herberg kan sturen. Alsof Vasili van plan is, haar ooit te betalen.

Deze keer komen de media inderdaad op gang. Tijdens een persconferentie toont de VN luchtfoto’s. Een team van forensisch specialisten is in aantocht. Na de slachtpartijen in de enclaves tien jaren eerder is de vondst van zoveel lijken een grof schandaal. Een Duits dagblad kopt met de historisch beladen woorden Vernichtung Durch Arbeit.
De lokale politie heeft meerdere huiszoekingen en arrestaties verricht. Ze zal wel moeten. Geruchten gaan, dat de slachtoffers moslims zijn, afgebeuld in mangaanmijnen. De daders worden gezocht in de kringen van milities die uit zijn op de onafhankelijkheid van Srpska, een deelgebied dat ook de eerdere moslimenclaves omvat. Maar wie durft dit gebied echt met machtsvertoon binnen te trekken?
Op tv wordt uitgelegd dat mangaan in poedervorm of damp giftig is. Symptomen van vergiftiging zijn longproblemen en zenuwschade. Maar het is nuttig om staal te versterken en wordt gebruikt in de productie van batterijen. De moderne wereld draait op batterijen.
Vasili neemt er kennis van op de bank van Bert. Deze kan niet wachten tot de nieuwsberichten zijn afgelopen.
Dat u nog naar die ellende wilt kijken!

Pavlev lijkt verdwenen. Zijn kantoor blijft donker. Rechercheurs gebruiken zijn werkkamer om werknemers te bevragen, waaronder Vasili. Deze houdt zich van de domme. Welke dwaas vertrouwt hier de politie? Met lede ogen ziet hij toe, dat de koffiepot van de agenten naast de onaangeroerde computer van zijn voormalige chef staat. Voor zijn inkomen behoeft hij voorlopig niet te vrezen. Hij heeft het geluk, rechtstreeks onder de VN te vallen: complete afdelingen van de Dienst Mijnbouw krijgen van de ene op de andere dag geen geld meer en het personeel is naar huis gestuurd. In de parkeergarage staan nog drie auto’s en geen enkele motorfiets, behalve dan de DNEPR van Vasili.

Het weer slaat om. Dagenlang regent het mistroostig. De vermoeidheid van de stad wordt tastbaar. Het kapotte rioleringsstelsel kan het water niet aan, daken lekken aan alle kanten. Een opslagruimte, gelegen onder een woonhuis, blijkt drie ton aan explosieven te bevatten. Ook is er een probleem met zwerfhonden: ze opereren in groepen om winkelstraten op afval af te schuimen en je komt beter niet in hun buurt.
In de werkkamer van psychiater Dusan Bihac is het een beetje benauwd.
“De blik in je ogen is veranderd, vriend. Waarom wordt alles tussen ons verpest?”
Vasili opent het gesprek.
“Het lijkt erop dat we elkaar de waarheid niet meer zeggen”.
Het antwoord verrast hem in zoverre dat Dusan kennelijk over hetzelfde heeft nagedacht.
“Juist. Waarmee we ons mogen afvragen wat de waarde van de relatie nog is. Bedoel je dat?”
Vasili merkt dat hij zich slecht heeft voorbereid. Praten is de kracht van de ander, niet van hem. Tegelijk wil hij zijn best doen, om tenminste een afscheid waardig te houden.
“De leugen dus. Goed. Wat je wilt. Je zal wel gelijk hebben. We kunnen voor de aardigheid onze rollen eens omdraaien”.
Dusan lacht afgemeten.
“Moet ik me aan jou uitleveren?”
Vasili ziet geen andere uitweg dan in de aanval te gaan. Diplomatie zal hem vooral problemen brengen.
“Zie jij de rol van psychiater zo? Nu ja, je bent ook nog dichter, toch? Of citeer je Franse teksten uit het hoofd?”
Dusan stuurt een peilende blik de ruimte in, alsof daar redding valt te verwachten.
“Je bent er dus achtergekomen. Vandaar die agressie”.
Een gedenkwaardig moment. Twee vrienden die begrijpen dat het voorbij is. Twee totaal verschillende levensstijlen kruisen de degens: de gemakzuchtige, buigzame psychiater Dusan versus de rechtlijnige, op daadkracht gerichte soldaat Vasili.
“Agressie? Het moet niet erger worden“.
Vasili schampert luid.
“Jij ontloopt je verantwoordelijkheid en bij klachten geef je de ander de indruk dat hij agressief is! Hoeveel mensen heb je op deze manier in hun hemd gezet? Staat dit werkelijk in je handboek psychiatrie?”
Hij is onderhand zo boos dat hij meerdere seconden moet pauzeren en zijn gedachten bijeen rapen.
“Weet je wel waarmee je bezig bent? Het tuig waar jij hand en spandiensten aan verleent, is uit op mijn ondergang, mijn dood! Hoor je dat Dusan? Die lui willen mij dood hebben! Jij oreert en ouwehoert in een luchtbel. Je jammert over geld en je geslaagde zoon in veilig Zagreb. Maar hier wordt op mij gejaagd en geschoten. Een vriend van mij is om die reden vermoord en geen haan van de politie die er naar kraait. Ik zou je verrot moeten slaan!”

Vertrouwen is de basis van elke relatie. Eerst is er de vrijblijvende belangstelling. Het aandragen van bouwstenen is een langdurig en delicaat proces. Pas wanneer we in het nauw geraken en de ander zich waardig toont, begint een relatie iets voor te stellen. Waarom wordt iets dat zoveel tijd en opbouw vraagt, soms zomaar opgegeven?
Dusan begrijpt natuurlijk ook welke kant het uitgaat. Aarzelend begint hij aan een uiteenzetting. In hoeverre het werkelijk onzekerheid betreft, valt moeilijk te beoordelen. Mensen die niets doen dan zich verbaal handhaven, kennen de kneepjes van het vak. Niet meteen ingaan op stellige beweringen van de gespreksgenoot, behoort tot dit vakjargon.
“Weet jij wat een psychiater in de eerste en laatste plaats is? Een arts, een doodgewone dokter. En daarmee ben ik de mist ingegaan. Omdat ik dacht dat verplichte arbeid tenminste uitstel bood en daarmee de minst slechte oplossing was”.
Vasili staat op scherp en snauwt de ander af.
“Je hebt gevangenen goedgekeurd die als slaaf naar de mijnen werden afgevoerd. Je excuus is, dat ze anders werden vermoord. Was je bang voor je hachje? Dat kan ik nog begrijpen. Maar ik hoor het je niet zeggen. Heb je enig idee hoe die mensen zich moeten voelen, hoe ze doodsangsten uitstaan, van minuut tot minuut? Jij leest in je boeken over zoiets als inlevingsvermogen en betrokkenheid. Het komt mij voor dat je een opportunist bent, die nergens boodschap aan heeft. Je lult hier met mij op basis van zogenaamde vriendschap. Intussen laat je toe dat anderen worden verhandeld als vee. Dat wordt geen hemelgang met het vooruitzicht van 66 blanke maagden voor jou!”

Dusan verbergt zijn gezicht in zijn handen. Vasili ziet een doos sigaartjes op tafel liggen. Hij zou er een kunnen nemen, maar wil voorlopig niets doen dat als tegemoetkoming kan worden geduid. Hij laat de doos liggen en schuift de groepsfoto uit Pilana Jada over tafel.
“Wat moet dit voorstellen? En wat bedoel je met dat Franse geleuter achterop?”
Dusan bekijkt de foto niet eens. Hij weet zo wel waarover het gaat. Hij geeft een antwoord dat de waarheid, maar evengoed een vileine bewering kan inhouden. Heeft Vasili hem niet verteld dat hij vooral de vrouw op de foto haat?
“Lydia wilde het graag. Ik was daar om het personeel in te enten tegen tyfus of iets anders”.
Hij staat op. Vasili hoort hem achter zich rommelen in een kast. Het komt bij hem op dat er iets onherstelbaars staat te gebeuren. Dat moet dan maar. Wat hen betreft, mag Dusan zich ter plekke voor de kop schieten. Hij weet godverdomme precies hoe zij heet. Maar Dusan gaat weer zitten en kucht een beetje.
“Je zal het niet geloven, maar het is een dubbelzinnige tekst. Er staat eigenlijk dat ik verlang naar de dagen dat er nog geen oorlog was”.
Vasili’s reactie volgt onmiddellijk.
“Je bent een waardeloze romanticus of een gevaarlijke idioot. Wat praktisch op hetzelfde neerkomt. Jij kunt nergens iets aan doen, nietwaar? Maar wel als de kippen erbij om je zoon tegen mij te beschermen! Jij denkt dat mensen die in conflict komen, ziek zijn en genezing behoeven. Kwam het ooit bij je op dat omstandigheden schandalig kunnen zijn en mensen zich daarin alleszins begrijpelijk gedragen? God mag weten hoe je het ooit tot psychiater hebt geschopt!”
Boos en nerveus staat hij op om naar buiten te kijken, naar de hemel, de vrijheid. Op de patio dreint een fijne regen neer. De fontein op de patio doet hierdoor nog belachelijker aan dan anders. Hoe kan iemand met weinig geld zo riant wonen?
“Laat mij je iets vertellen over het leven van echte mensen, waarde vriend. Iemand slaat mij verrot in de gevangenis. Niet omdat ik minstens een dozijn van zijn maats heb afgeschoten, maar omdat hij mij wil laten zeggen dat ik een Duitser ben. Als etnische Serviër heeft hij namelijk nog een appeltje te schillen met de nazi’s van een halve eeuw geleden. Van zo iemand ga jij een grappig bedoelde foto maken, omreden dat een al even geschift wijf het je vraagt? Jezus Christus!”

Razend is hij. Alleen uit pure minachting heeft hij zijn kwelgeest getrotseerd. Het laatste dat een mens kwijt wil, is niet zijn leven maar zijn trots, zijn gevoel voor eigenwaarde. Er hoeft weinig bij te komen, of hij zal zijn ontmaskerde vriend door zijn eigen praktijkruimte trappen. Gelukkig kent het brein veiligheidskleppen, hoe onbegrijpelijk deze ook mogen zijn. Een tekstregel uit een deuntje, opborrelend uit het onnavolgbare geheugen, zeurt door zijn hoofd:
Rain, snow, misery, this whole town is a hell to me.
Alles wat de laatste tijd gebeurt, lijkt bedoeld om hem van zijn thuis te vervreemden, zijn vertrek over de grens onvermijdelijk te maken. Dit voelt bijna fysiek aan. Beter eenzaam in een vreemd land dan omgeven door gieren die zich uitdossen als paradijsvogels in je eigen omgeving.
“Misschien hing ik de dag dat jij de foto nam, tien meter verder aan een ketting. Maar jij kwam voor lui die je personeel noemt. Die mochten vooral niet ziek worden. Voor ons was er geen dokter. Wij waren natuurlijk in feite al dood. Wij hoefden zelfs niet eens meer gekeurd te worden voor de mijnen van Vareš. Je vraagt mij geregeld of ik al kan slapen. Je adviseert me yoga en meditatie. Ik vraag me af hoe jij nog ooit kunt slapen zonder eerst een hele doos Temazepam achter je kiezen te werken”.

Maar Dusan blijft weinig bereidheid tonen in te gaan op de snijdende kritiek. Hij is bezig met het optuigen van zijn eigen verhaal en zucht een beetje theatraal. Bert kan er nog wat van opsteken.
“Het ging fout in 1997. Misschien heb je gehoord van het Albanese piramidespel, waarbij je steeds rijker wordt naarmate je hoger in het systeem zit. Ik kende nogal wat mensen, Daarom leek het aantrekkelijk. Iedereen maakte elkaar gek. Ineens stortte de boel in elkaar. Ik had een schuldenberg omdat ik investeerde met geleend geld.”
De zaak speelde in half Europa. Arbeidsverhoudingen in bedrijven en bij overheden kwamen onder druk te staan omdat mensen elkaar waardeloze fiches aansmeerden. Gezinnen vochten elkaar het huis uit, omdat er op grote schaal gegokt en verloren was. Ook in de strijdkrachten werd gehandeld en gerommeld, maar Vasili hield zich er verre van. Instinctief of mogelijk omdat hij zich bepaalde doctrines had eigen gemaakt, voelde hij het gevaar. Niet meedoen aan de waan van de dag, is een keuze.
“Dat zei ik net. Je hechtte altijd teveel waarde aan luxe. Ik heb nooit geld gehad, meer dan nodig voor de huur en eten. Geld is een belofte, een perverterend idee, een slavenketting.”
“Je bedoelt dat ik een stomme ezel ben geweest? Gelijk heb je. Zeker ik had het moeten weten.”
Er valt een gat van stilte. Het antwoord klinkt te gretig. Alsof Dusan de aandacht wil afleiden van zijn verraad aan Vasili, een proces dat geruime tijd innam en derhalve ergens onderweg gestopt had kunnen worden. Maar tot welk doel? Vasili tikt ongeduldig met zijn knokkels op de vensterbank. Dusan moet niet denken zomaar te kunnen ontsnappen. Tegelijk voelt hij de motivatie wegzakken om de ander de les te lezen. Zijn vriend heeft het grondig verpest: niet alleen om wat hij deed, maar vooral om wat hij nog steeds niet wil inzien en toegeven.
“Laat ik het zo zeggen: ik geloof je wel. Je hebt mij bedonderd en je moet er zelf mee leven. Ik ga geen beweegredenen voor je invullen en evenmin wil ik ze kennen. Waarom levert uitgerekend een moslim zijn broeders uit aan de Cetniks? Puur voor het geld? Werd je door iemand in de tang gehouden dit te doen? Zit je misschien heimelijk in de politiek en hoop je een Albanese opstand uit te lokken? Wat kan mij het allemaal verdommen? Je was bereid mij op te offeren, daar gaat het om. Ik weet nog altijd eigenlijk niets van jou. Je bent gewoon oneerlijk geweest, dus onwaardig”.

De kans dat Dusan vroeger of later wordt aangesproken door het gezag, is reëel. De Bosnische Staat kan niet zonder geld van de internationale gemeenschap en wie betaalt, bepaalt. Ooit gaat iemand praten. De media spreken van een massagraf met zeker honderd lichamen, allemaal mannen. Een deel van hen is clandestien opgegraven, in een wagen gesmeten, gekoppeld aan nota bene een voormalig VN voertuig. Deze is een eind verderop in een zinkgat gereden. De bestuurder is onvindbaar en wordt verdacht van betrokkenheid bij de dood van een collega die bij de opgraving lag.
Dusan staat weer op, deze keer om een fles Montenegrijnse jenever uit de kast te pakken. Als moslim drinkt hij gewoonlijk geen alcohol, maar vandaag is het anders.
“Nemen we er een?”
“Welja”.
Zo zitten ze een kwartier: zwijgend en drinkend. Vasili vraagt zich af waarom hij heeft ingestemd. Alles in deze kamer en zelfs het uitzicht heeft een andere betekenis gekregen. Dusan moet de verwarring en uitputting bij zijn bezoeker zien. Het is zijn beurt, een tik uit te delen.
“Wat nu, Oskar? Vertrek je naar Duitsland? Gedenke dass du ein Deutscher bist? Nikki had namelijk ondanks alles gelijk. Ik heb je verleden uitgezocht.”
Het is alsof Vasili een elektrische stroomschok incasseert. Dusan noemt hem Oskar. Een weerzinwekkende gedachte komt aanstonds bij hem op: Nikki wist in Pilana Jada al hoe het zat, namelijk via Dusan. Nota bene op grond van informatie die ik hem zelf heb gegeven.
Er komt geen reactie bij hem op en evenmin is hij nog in staat iets te voelen.
“ Je geboortebewijs zit in het archief voor oorlogsdocumentatie in Belgrado. Je bent niet geboren in Vareš, zoals je denkt, maar in Plauen, Thüringen, in de voormalige DDR. Ik denk dat je ouders na de oorlog naar Duitsland zijn gevlucht en te vroeg terugkeerden”.
Hij laat het bericht op Vasili inwerken. Timing is een onderschat onderdeel van communicatie.
“Het spijt me werkelijk dat het zo is gelopen, vriend. Mensen deugen zelden. Denk aan je eigen ouders. Maar ook aan jezelf. Jij berooft ook mensen van het leven en zoekt naar rechtvaardiging. We zijn zoals we zijn en dingen lopen anders dan we mogelijk willen”.

Reacties gesloten.