It’s only rock and roll

| Geen reacties

Luchow

Luchow

In Concerto, het Walhalla van de Amsterdamse muziekfreaks, is het rustig. Zo kun je prettig rommelen in de bakken met vinyl, overwinnaar in de strijd met de cd, wanproduct van de vorige eeuw. Op de achtergrond klinkt het nieuwe album van de Stones: Blue and lonesome. Dit is mooi meegenomen, want niet alleen de muziek doet ertoe, maar ook de entourage, de context waarbinnen je deze beluistert.

Het in een hels blauwe hoes gestoken album werd ruim vooraf aangekondigd en tamelijk goed beveiligd tegen gretige oren. Youtube bood slechts een introotje. Zoiets kun je wel aan Stones BV overlaten en gelijk hebben de heren: ook jatten van rijke artiesten is verkeerd.
Je kon intekenen op het album om je te verzekeren van de eerste persing and all that shit. Dit heb ik niet gedaan, indachtig mijn fout bij hun vorige album A Bigger Bang, met afstand het slechtste dat ze in dertig jaar op de markt brachten.

Ik vorder gestaag door het alfabet, trek er een paar platen uit van Van the Man, de alweer vergeten Ian Dury en een LP van Alvin Lee. Intussen spelen de Stones gezellig door. Ik zeg gezellig, omdat dit precies het probleem is met Blue and lonesome. De plaat klinkt best lekker, maar om meteen het pijnpunt aan te wijzen: het is geen blues.
Blues is schijnbare eenvoud, uitdrukking van een emotie zonder commerciële overwegingen. The Stones zijn entertainers, pretletters van de betere soort.

Voor blues hoef je niet terug naar de Cottonsfields. Blues is van alle tijden en wordt door zwart en blank gemaakt. Denk aan Junior Kimborough, T-Model Ford of aan Jeffrey Lee Pierce met het prachtige Go tell the mountain. Heb ik Peter Green al genoemd?

Dat de Stones nog eens een blues album zouden maken, ligt voor de hand. Zonder deze voedingsbodem waren de heren achter The Pretty Things en de Yardbirds blijven steken, bands die het trouwens ook van blues moesten hebben. Zelf heb ik jaren geleden al een eigen blues album van de Stones samengesteld. Met nummers als Cocksucker Blues, Sister Morphine, Brand New Carr en Fancy Man Blues. Nodig was dit nauwelijks. Een beetje fan van de Stones bezit hun illegale albums Andrew’s Blues en From Hillside to Woodstock.

Ik installeer me bij een van de versleten draaitafels in de zaak en beluister de uit de rekken getrokken albums. Niets bevalt me. Om het personeel werk te besparen, breng ik de spullen netjes terug. Toch maar Blue and Lonesome kopen? Een echte misser kan het niet zijn, gelet op de behoorlijke bluesharp van Jagger en het gitaarwerk van Clapton die toevallig in de buurt van de studio was. Clapton is een echte bluesman. Je hoeft het aloude Crossroads maar te horen en je weet genoeg. Alleen: Clapton is geen Rolling Stone.

Bij toeval valt mijn oog op het album The Big Beat van Art Blakey and The Jazz Messengers. Geen blues, maar jazz. En toch weer wel, want blues gaat minder over de bassline of de beat, dan over de noodzaak. Wat dit is, kun je niet in woorden uitleggen, je moet het aanvoelen. Ik weet wat mij te doen staat: Art Blakey afrekenen en wegwezen.

The Stones zijn goede muzikanten, oude rotten in het vak. Maar dat Jagger zich waagt aan een nummer van Howlin’ Wolf is, gelet op zijn zang, een gotspe. The Wolf is blues, waar Jagger dit heeft moeten leren. Jagger is Rock and Roll. Dit werd ooit vertaald in een keuze. Na de dood van Brian Jones, werd Mick Taylor gehaald. Deze uit de stal van John Mayall afkomstige bluesgitarist voelde zich niet thuis in de club. Na hem werd Ronnie Woods ontboden. Woods is ook rock and roll. Hij past uitstekend in de band, temeer daar Jagger meer brood zag in optredens en merchandise dan in goede platen. Met blues heeft het niets te maken. Geen probleem, maar Blue and lonesome bewijst hoe het zit.

Monk
5 december 2016
(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.