Het spel en de knikkers

Nijmegen

Onder het mom van duurzaamheid, veiligheid en afnemende uitstoot van CO2 neemt de greep van de industrie en overheid op de autobezitter gestaag toe. En hiermee op de burger die de automobilist buiten zijn auto is.

Duurzaamheid is voor sukkels, niet voor de industrie en (dus) evenmin voor de overheid.
Ik reed mijn vorige wagen naar een kilometerstand van bijna 400.000, om hem hierna op de eerbiedwaardige leeftijd van 28 jaar te verkopen aan een volgende liefhebber.
De auto-industrie daarentegen doet zijn best aanhoudend nieuwe modellen in de markt te zetten. Een auto van 5 jaar is zogenaamd achterhaald. Onderhoud is duur wegens toepassing van veel gespecialiseerde elektronica in dicht geklikte plastic units die bovendien moeilijk te recyclen zijn.

De benzine motor in mijn auto had al een katalysator en was dus relatief weinig vervuilend. Hoe de auto industrie denkt over uitstoot van dieselmotoren weten we onderhand. Het woord sjoemelsoftware is een begrip geworden. Decennialang werd fabrikanten geen strobreed in de weg werd gelegd om dieselmotoren te monteren. Terwijl zelfs nieuwe diesels meer vervuilen dan mijn oude benzine krachtbron. Zie daar de invloed van de industrie, inclusief de olieboeren, op de politiek. De elektrische auto lijkt een alternatief, maar het productieproces van accu’s is zeer giftig. En hoe schoon is het opwekken van stroom eigenlijk?

Auto’s werden in de loop der tijd onmiskenbaar veiliger. Betere ontwerpen en verplichtingen van overheidswege brachten het aantal verkeersslachtoffers drastisch terug. Kreukelzone en radiaalband waren pure winst. Overheden pasten de wegen aan in breedte, bochten, wegdek, borden en verlichting. Tegelijk woedt al een halve eeuw de competitie op basis van motorvermogen en acceleratie. Auto’s kunnen 2 x zo hard als maximaal is toegestaan. Veiligheid geldt vooral voor de inzittende en minder voor de buitenwereld.

Vaak in navolging van Japan werden in Europese wagens steeds meer gadgets ingebouwd: schakelflippers, waarschuwingslichtjes en piepgeluiden, automatisch afslaande en weer startende motoren (blue motion) alsmede telecommunicatie systemen. Hier komt nu een nieuwe vorm van opsmuk bij: gamification. Rijden als spelletje, als competitief entertainment. Welkom Kabouter Plop! Papa en mama op de voorbank doen net zo kinderachtig als het schreeuwende kroost achterin.

Bestuurders van een Ford Focus kunnen genieten van een digitaal boompje op hun display. Het boompje groeit wanneer zuinig wordt gereden en slinkt als je het gaspedaal intrapt. Opel kent een vergelijkbaar speeltje. Nissan laat zijn rijders met elkaar wedijveren in zuinigheidsgedrag. Je kunt het maar druk hebben in een auto.
Elektronica biedt evenwel verder strekkende mogelijkheden, zoals invloed op de verzekeringspremie. Industrie, verzekeraars en overheid kunnen steeds beter meekijken. Via ingebouwde speeltjes verzamelde gegevens dienen uiteindelijk commerciële en bestuurlijke belangen. Het mooie is, dat de burger hier zelf voor betaalt, sterker: er naar vraagt. Een auto zonder gadgets is voor losers en binnenkort niet eens meer te koop. Vaarwel privacy.

De benaming gamification is bedrieglijk. Wat zich voordoet als uitdaging, komt neer op een uitgekiende strategie om te sturen. Het echte geniep ligt in de sluipende bevordering van een gewenst politiek en economisch model, de neoliberale ideologie. Individualisering, onderlinge competitie en overdragen van het moreel kompas aan schijnbaar neutrale techniek worden verheven tot norm. Voor nog meer blijde rijders, weet u wel.

Monk
12-01-2018
(foto: Monk)

*Aldus communicatiewetenschapper Van Roy van de KU Leuven.

Reacties gesloten.