Beroepskeuze

Een zomerdag in 1966. Ik was 14 jaar, zat in de tweede klas van een middelbare school op het platteland en had geen idee wat ik wilde worden. Niet dat het mij duizelde van de keuzestress, integendeel. Er werd mij niets gevraagd over een gewenst beroep, geen enkel idee bereikte mijn oren of ogen. Noch door mijn ouders, noch op school werd er aandacht aan geschonken. Ik zat in de klas, werkte op het land van Vader, meed het binnen bereik van Moeder te geraken en leefde in mijn eigen fantasie. De zon gaat op, de zon gaat onder. Je kon zeggen: ik had geen toekomst.

Deze zomerdag in 1966 bevond ik me op de Veluwe. Ons gezelschap was hier geraakt vanuit Emmeloord, de plaats waar mijn oom Joop woonde en wij de nacht hadden doorgebracht. Joop was de jongste broer van mijn vader, accountant in wording, getrouwd en in het bezit van een kindje dat later juist gepusht werd wel iets te worden, maar hierin zou falen. De werkelijkheid is taai. Met 4 volwassenen en minstens 3 kinderen waren we in de Opel van Vader gepropt, via Zwolle en Joost mag het weten gereden, om uit te komen in een natuurgebied op de Veluwe. Mijn ouders hielden nogal van bossen, meer dan ik ooit zou doen. Ik houd juist van overzichtelijk terrein, landschap waar je de dingen van ver kunt zien aankomen.

Er was van alles meegesleept: ligstoelen, een katoenen windscherm met metalen stokken, brood, thermosflessen en een goed humeur dat onderweg werd getest doordat we met teveel waren.
Ongetwijfeld op aangeven van Joop, die langere tijd militair was geweest in het gebied, werd Vader ertoe gebracht de auto een bospad in te sturen. Een eind verderop werd gestopt: hier kon je staan waar je wilde, omgeven slechts door dennengeur. Alles werd uitgepakt en opgezet. Vader en Joop gingen een stukje lopen om vrijuit te praten. Bij hen had ik niets te zoeken. De vrouwen bouwden hun eigen clubje. De echtgenote van Joop was een van de weinige mensen met wie Moeder het goed kon vinden: zij sprak nooit openlijk tegen, had een ijzeren geduld en boog als riet in de wind. Mijn oudere zus bleef bij hen rondhangen. Aan de jongste kinderen heb ik geen herinnering. Wat zal een jongen van 14 zich bezighouden met klein grut?

Al met al begreep ik, mezelf  te moeten vermaken. Geen nood, want ik had allang gehoord dat verderop met zwaar geschut werd geschoten. Om de zoveel tijd klonk een doffe dreun. Kennelijk bevonden we ons in de buurt van een oefenterrein van de landmacht.
Ik overzag de situatie: we zouden hier nog minstens een uur blijven. Vervolgens scharrelde ik weg op een manier die ik naderhand zou perfectioneren: onnavolgbaar, ineens verdwenen. Zo voorkwam ik dat Moeder mij terug riep en allerhande oponthoud zou veroorzaken. Zij legde haar kroost het liefst vast met een touw aan een boom.

Ik liep dwars door het bos op het geluid af en bereikte de rand van de begroeiing. Van hier keek je uit over een golvend terrein, met veel zand en weinig bomen. Het dreunen bleef van ver klinken, maar ik kreeg wel tanks te zien. Het verbaasde me, hoe snel en ruw hun voortgang verliep. Je moest er niet aan denken erin te zitten. Thuis las ik clandestien goedkope beeldromans over de strijd tegen de Moffen en de Jappen, maar nooit had ik het bijbehorende geweld naar waarde geschat. Ik was juist van het nauwkeurige en uitgekookte, het verrassingselement en het toebrengen van een geluidloze dood: een geboren sluipschutter.

Belangstellend bleef ik enige tijd toekijken. Niemand merkte mij op en de tanks bleven op afstand. Ik ging zitten en veegde rond mijn benen wat zand weg. Hieruit kwam een forse kogel tevoorschijn, een koperen pil van een centimeter of 9, tamelijk zwaar in de hand: een mooie vondst! Tegelijk begon ik ongerust te worden: straks dook er een soldaat op die mij zou dwingen mijn broekzakken leeg te maken, of anders kon er een machinegeweer dat ik niet had opgemerkt, gaan ratelen. Ik verliet de plek en begon aan de terugtocht naar de auto.

Hier was alles bij het oude: Vader en Joop waren nog niet terug, Moeder prutste aan een handwerkje en babbelde met de vrouw van Joop. Mijn zus sloeg muggen van zich af en, zoals ik al zei, van meegereisde kleintjes herinner ik me niets. Ik bleef op veilige afstand, wachtte en voelde met mijn hand aan de gevonden kogel. Nee, ik zou hier geen melding van maken. Moeder zou immers aanstonds stampij maken en eisen dat ik dat rotding weggooide, Joop zou uitleggen om welk projectiel het precies ging, Vader zou vermoeid zwijgen en de munitie in beslag nemen. Ik was 14 jaar, had geen toekomst, maar wist precies wat eraan zat te komen.

Eenmaal weer thuis, nam ik mijn schetsblok ter hand en tekende in houtskool een machinegeweer naar eigen inzicht of naar voorbeeld uit een van mijn  flut boekjes waar Moeder geen weet van had. Het wapen rust op een al te keurige standaard waarop je eerder een moderne tv zou verwachten. Droomde ik van een toekomst als militair?
Erg waarschijnlijk is dit niet. Eerder boeide het mij de machine te bedenken waarmee je de kogel kon afvuren, maar die bestond natuurlijk al. Mijn toekomst bestond niet uit wat ik wilde bereiken, maar uit wat ik van me af wilde houden. Toen ik jaren later voor militaire dienst werd opgeroepen, deed ik er alles aan om hieraan te ontkomen. Met succes, zeg ik er maar bij. De kogel bleef bewaard, verloor wat van zijn glans, maar zal mij ruimschoots overleven.

18 juni 2019
Foto: Monk

Print Friendly, PDF & Email

Reacties gesloten.