Het Pistool (een zomervertelling)

Beemster

 

Het was een zomerse namiddag in het begin van de jaren zestig. Tegen zijn zin logeerde Arne een paar dagen bij zijn grootouders, die op hun beurt de ouders van Herman waren. Grootvader was na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwd en aan een tweede gezin begonnen. Arne was het enige kind van de oudste zoon uit het eerste legsel van grootvader. De oude fokhaan behandelde iedereen als personeel. Hoe dan ook droegen ze allen dezelfde achternaam en dat telt.

Al was hij pas veertien jaar, Herman bezat reeds die merkwaardig hese, brallerige stem waaraan je hem zijn verdere leven zou herkennen. Een avontuurlijke, naar brutaliteit neigende jongen. Zijn vier jaren jongere neef Arne was eerder timide en op zijn hoede. Op school deed Arne het veel beter, maar dit is niet altijd een voordeel.

Zich bewust van zijn nederige positie, reageerde Arne plichtmatig op Herman’s gebrul.
Hij haastte zich naar de achterzijde van de boerderij, door de stamhouder gebouwd in het crisisjaar 1929. Het was een eenvoudige stolp, in baksteen opgetrokken rond een vierkant van massieve balken. Het dak was bedekt met rode pannen. Het grootste gedeelte van het bouwwerk diende het landbouwbedrijf, in het voorste deel werd gewoond. Vanaf het erf van Arne, hemelsbreed een kilometer verder, deed de boerderij denken aan een Egyptische piramide. Arne keek er dikwijls naar en vermoedde dat dit andersom ook gebeurde.

In dekking!
Aanstonds weerklonk een scherpe tik. Arne keek onderzoekend rond, maar zag niets bijzonders. Na een paar seconden begreep hij waar Herman mee bezig was: zijn neef hield een pistool vast. Het ontbreken van echt geknal kwam hem vreemd voor. Mogelijk had Herman gedacht of gehoopt dat zijn logé onder de indruk zou zijn, of liever een beetje bang. Nu hij zag dat Arne gewoon bleef staan, legde hij dit uit als een bewijs van onnozelheid. Hij lachte schel en wenkte.
Het is een luchtdrukpistool. Je kunt er iemand goed mee raken. Tegen iedereen je bek dicht, ja?
Om ermee te kunnen schieten, moest je het ding openklappen, er een soort van propnagel insteken, dichtscharnieren en vervolgens de loop tegen een paal of muur drukken tot je de grendel in het slot hoorde vallen. Zo te zien, ging dit tamelijk zwaar.
De naam is Arendsoog! Tijd om een een roodhuid af te maken. Daarvan zijn er toch teveel.
Herman richtte het wapen zo snel hij kon en haalde de trekker over. Er volgde een kort gerinkel. Een fles, opgesteld tegen de muur van de boerderij, was aan diggelen.
Arne voelde opwinding en ongemak tegelijk. Zijn ouders moesten niets van wapens hebben, zelfs niet van prullen. De uitwerking van het kogeltje verwonderde hem en maakte hem ergens ongerust. Herman was onvoorspelbaar en deed op eigen erf wat hij wilde. Ook de verwijzing naar de boeken van Arendsoog stond hem tegen. Twee keer had hij een deel uit de serie geleend van een klasgenoot. De opschepperij erin vond hij ronduit belachelijk: Hier, pak aan, hondsvot! Klonk! Baf!! Een kinderachtige tekening moest een hard gevecht verbeelden. Het viel hem in dat Herman op school al eens was blijven zitten.
Niet voor het eerst deze dag kwam de wens bij hem op, naar huis te gaan. Maar ja, zijn ouders waren naar de Veluwe, een donkere vlek op de landkaart van Nederland. Hij had ze op de brommer zien wegrijden. De buitendeur was afgesloten. Je was er mooi klaar mee.

Herman laadde het wapen opnieuw, wees achteloos op de resterende halve fles en gelastte Arne een poging te wagen. Zich verbazend over het gewicht, richtte deze min of meer en haalde onbeheerst de trekker over. De ingedrukte loop schokte naar voren. Geraakt werd er helemaal niets.
Geef maar weer hier!
Over de smalle polderweg voorlangs de boerderij passeerde een vrachtwagen. Hierop stonden melkbussen. De wagen schoof uit het blikveld, rammelde flink en dook weer op toen hij al een eind verder was. Terwijl Herman in hoog tempo ging laden en schieten, beweerde hij al eens een kip te hebben omgelegd. De vogel was gaan rondfladderen als een aangeschoten helikopter en moest met een eind hout uit zijn lijden worden verlost. Allemaal leugens en onzin, maar er zat voor Arne weinig anders op dan bewondering te veinzen. Het leek hem maar raar om een kip dood te slaan. Waarom zou je?
Het is ook leuk om op ramen te schieten.
Herman bemerkte dat zijn bezoeker er niet helemaal met zijn aandacht bij was.
Let even op! Zolang de kogel schuin tegen het glas komt, blijft het heel. Mijn moeder denkt dat er een vogel tegenaan is gevlogen en komt dan kijken. Met haar stomme rotkop.
Hij klapte het wapen open en keek met een gesperd oog door de lege loop.
Dan krijg ik zin om er nog eens..
Hij scheen te beseffen zijn hand te overspelen en de ander teveel in vertrouwen te nemen. In zijn ogen was Arne toch ondergeschikt, want vier jaar jonger dan hijzelf. Hij grijnsde en gaf een harde schreeuw.

Samen liepen ze naar de zijkant van de boerderij. Hier waren twee zijdeuren, waarvan alleen de achterste werd gebruikt. Meer naar voren bevond zich het venster van de keuken. Het was anderhalve vierkante meter groot, maar viel nauwelijks op door slecht onderhouden schilderwerk.
Elke vrijdag gaan ze samen naar de stad, vanwege de markt. Weet je trouwens, dat ze de koekjes in de trommel telt voor ze weggaat? Zo weet ze of ik ervan heb gegeten. Daarom pak ik vaak ontbijtkoek, die snij ik zelf.
Arne knikte. De koekjes tellen, je moest er maar opkomen.
Als ik je moeder was, zou ik voortaan de ontbijtkoek opmeten. Met een duimstok.
Herman schoot in de lach. Je kon zien dat deze gedachte nooit bij hem was opgekomen.
We gaan op de ramen schieten!
Meteen het eerste schot gaf Herman gelijk. Het kogeltje tikte hoorbaar tegen het vensterglas van de keuken, maar daarmee was het wel gedaan.
Nu jij. Zo’n groot raam moet zelfs jij kunnen raken.
Voor de tweede keer nam Arne het pistool aan. Hij deed een paar stappen naar links om het raam beter in beeld te krijgen en richtte met beide armen gestrekt. Deze manier van schieten had hij ontleend aan een boek van Karl May, de indianen-schrijver waar Herman niets aan vond omdat de zinnen hem te lang waren.
Wat zei ik nou?! Je moet schuin voor het glas staan!
Te laat: Arne drukte af. Onmiddellijk volgde een klap, ongeveer alsof iemand met een platte liniaal op een tafelblad slaat. Instinctief renden beide jongens weg, tot achter de boerderij. Hier luisterden ze een halve minuut opgewonden om alsnog poolshoogte te gaan nemen. Angst is de spiegelzijde van hoop. Over de werkelijkheid zeggen beide weinig.

Het keukenraam was kapot, daar kwam het op neer. Geen daverende schade met enorme scherven die scheef uit de sponning steken, maar een geniepig gaatje als middelpunt van een wijd uitlopende ster.
Jezus Christus! Ik zal jou nog eens laten meedoen!
Herman was flink uit zijn humeur en met reden. Opa stond bekend om zijn harde boerenhanden. Aan tafel had Herman menige opdoffer moeten incasseren, uitgedeeld met een losse houten armleuning. Je kon zelfs vermoeden, dat deze om deze reden met opzet niet werd vastgelijmd.
Je moet maar zeggen dat jij het hebt gedaan, want jou durft mijn vader vast niet te slaan. Je hebt een steentje gegooid, niet geschoten. Je houdt je bek over het pistool! 
De dader was vastgesteld, om niet te zeggen: vastgepind. Desondanks raasde Herman nog een tijdje door. Hij verviel nogal in herhalingen. Na een paar zinnen werd het woord geschoten vervangen door gedaan. Arne onderging de woordenstroom zonder tegensputteren. Feiten zijn feiten, dat begreep hij wel.
Over de polderweg naderde opnieuw een auto. Deze keer was het een personenwagen, een grote Amerikaan. Zonder vaart te minderen, denderde de slee over de houten brug van de zogenaamde tochtsloot, een afwateringskanaal langszij de boerderij. Een wolk kauwtjes, hoog in de lucht, vluchtte uiteen. Arne stootte Herman aan.
De wagen van Veening. Mooi he?
Veening was een bouwbedrijf uit het dorp. Arne knikte. Een meisje uit de familie zat bij hem in de klas, wat kon het hem schelen. Ongeduldig zwaaide hij met zijn arm.
Ik heb een idee! We kunnen het in ieder geval proberen.
Herman leek weinig trek te hebben in voorstellen. Hij was iemand die eerst moest leeglopen voor er weer plaats kwam voor redelijkheid. En dit kon wel even duren.
Het zal wel! Een idee. Nou, wat dan? Wil je soms een kamerplant voor het gat zetten?
Hij snauwde, je voelde de drift in zijn stem.
Arne legde zijn plan uit.
We zeggen dat het ruit van binnenuit is gesneuveld. We wilden afwassen en stapelden wat borden en kopjes op het aanrecht. De boel ging schuiven. Een ongelukje, dat is alles.

Herman wees naar zijn voorhoofd.
Hou maar op met je geouwehoer. Ik bemoei me nooit met wat op het aanrecht staat. Je draait er gewoon voor op, dat is het beste.
Arne voelde ergernis opkomen. Je moest gewoon rustig nadenken en de gedachtegang van een volwassene volgen. Zo slikken de mensen de grootste onzin.
Ik kan ook zeggen dat jij hebt geschoten. Opzettelijk. Met een luchtdrukpistool.
Het vloog hem de mond uit voor hij het wist. Herman was over deze plotselinge weerstand te verbaasd  om meteen te reageren, maar vond uiteindelijk een passende straf. Er is altijd een zwakke plek.
Dan moet je vannacht op de vloer slapen. Je komt mijn bed niet meer in.
Arne sliep al enige nachten noodgedwongen met Herman in hetzelfde bed, geen feest met een naar het midden doorzakkende matras. Op kale vloerplanken liggen, was helemaal een slecht vooruitzicht.

Om de schade nader te bekijken, gingen ze de boerderij binnen. De enige in gebruik zijnde deur gaf toegang tot de dors, opslagruimte voor landbouwwerktuigen. Hier stonden een eg met lange tanden, een hooiwagen en een tractor. Zo hoefde er niets dat kon roesten, buiten te staan.
Vanuit de dors ging het via een houten trapje omhoog tot de binnendeur naar de gang. Deze bijna vierkante tunnel  voerde over de hele breedte van de boerderij, eindigend bij de wc. Aan de wand hing een ingelijste spreuk Moeders tred is uit alle andere te herkennen. Een waar woord, want oma hinkte een beetje. Arne’s vader maakte er in eigen gezin wrange grappen over. Vanuit de gang betraden ze de keuken.

Op het aanrecht stond alleen een rechthoekig aquarium. Kleine vissen met groene en rode strepen schoten heen en weer. Het waren neon tetra’s, was hem door oma bij herhaling verteld. Hoog in de hoek zweefde een maanvis. Het leek of zij de bezoekers bekeken; misschien hoopten ze te worden gevoerd. Op de bodem rustte een soort schatkist, weggezakt tussen slierten groen.
En nu? Zie jij kopjes, borden of asbakken? Idioot! Wat moeten we?
In de stilte van de keuken, met uitzicht op de polderweg , drong ineens getjilp door, het vertrouwde geluid van mussen. Wat er altijd is, valt nauwelijks op. Waarschijnlijk zaten ze met een troepje op de rand van de goot. In het voorjaar nestelden ze graag onder de dakpannen. Arne klakte met zijn tong.
Ik weet de oplossing! Maar daarvoor hebben we een eersteklas schutter nodig.
Hij wachtte een ogenblik om zijn woorden tot Herman te laten doordringen. Nerveus was hij zelf ook: opa kon een bullebak zijn en het pistool moest geheim blijven. Hij zocht naar woorden die bij Herman zouden aanslaan.
Knal een mus van het dak! Die leggen we buiten onder het raam neer. De sufferd is zogenaamd tegen het glas gevlogen. Snap je?
Herman knikte zonder overtuiging. Het was duidelijk, dat hij niet eerder een vogeltje had verschalkt. Tegelijk streelde het dat er een beroep op zijn kunde werd gedaan. Een botte verwerping deed geen recht aan de status die hij begeerde.
Goed dan. Naar buiten en aan de gang! Maar eerst even snaaien.
Arne wierp een blik op de wandklok, een Japans plastic ding dat op een batterij werkte. De wijzers vertelden dat het half vijf was. Hoeveel tijd was er nog?
Doe dat straks maar. Eerst een mus afmaken.
Ergens verbaasde het hem dat Herman zich liet commanderen. Dat was op het schoolplein wel anders. Vaak genoeg was Herman bij een kleine knokpartij betrokken en het moment waarop de hoofdonderwijzer hem na een incident aan een oor het schoolgebouw binnen sleurde, stond Arne nog helder bij. Herman had geschreeuwd als een speenvarken.
Rustig aan. Anders jagen we de vogels weg en duurt het langer.
Herman toonde de grenzen van zijn toegeeflijkheid.
Moet je echt alles beter weten? Godverdomme!
Toch liet hij de voorraadkast met rust. Hij zwaaide met het pistool en ging Arne voor, de weg terug door de boerderij. Voor hij de buitendeur open trok, drukte hij de loop helemaal in tegen het tractorwiel en draaide zich om.
Het kan ook gemakkelijker. Daar omhoog zit een zwaluwnest!

Alles vergt tijd. Vooral urgente zaken drijven de druk op. De jongens klommen via de hooiberg naar boven, helemaal tot de achterste hanenbalk. Hier zat, vakkundig tegen het hout gemetseld, inderdaad een zwaluwnest. Op hun nadering sperden de jongen hun gele bek wijd open en piepten hartverscheurend.
Herman had zijn oude bazigheid hervonden.
Jij moet weer omlaag. Zie je die bezem daar liggen? Haal hem op!
Arne deed wat van hem werd gevraagd. Wat Herman met een bezem op die hoogte in de boerderij wilde, was hem onduidelijk. Klimmen met zo’n lange steel in je handen was bovendien geen pretje.
Donder nu op naar buiten. Je leidt me af. Wegwezen!

De zon scheen voluit. Arne moest zijn ogen half toeknijpen. Nu Herman buiten beeld was, kon hij beter nadenken. Zijn ouders hadden het vast naar de zin, op de Veluwe. Hij keek in de richting van het dorp achter de dijk die zich een halve kilometer verder als horizon verhief. Alles was hier laag en recht: de wegen en sloten, de akkers, de boerderij. Alleen de dijk kronkelde in bochten. Zou je op de Veluwe ook ver kunnen kijken?
Om hem heen hervatten de zwaluwouders al snel hun ritueel. Om beurten doken ze als een raket door het openstaande stalraampje naar binnen. voedsel brengend voor hun jongen in het nest waarop Herman het had voorzien. Wilde hij er een uit de lucht halen met het pistool? Zwaluwen zijn onwaarschijnlijk wendbaar. Je moest  bovendien niet je evenwicht verliezen, daar bovenin de boerderij. Misschien viel zijn neef wel te pletter op de betonnen dorsvloer. Arne kon zich dit gemakkelijk voorstellen, maar het beeld riep geen mededogen in hem op. Waarom had die ezel ook niet ingestemd met de jacht op een veel tragere mus?

Om de tijd te doden ging Arne op de zijkant van een kruiwagen zitten en keek de polder in naar zijn ouderlijk huis en erf. Daarginder lagen zijn voetbal en verzamelingen. Hoe nauwkeuriger hij hierover nadacht, des te ongelukkiger hij zich voelde worden. Liever was hij thuisgebleven. Een paar boterhammen kon je zelf ook wel bereiden. Waarom zou je niet alleen kunnen zijn? Zo werd hij nooit volwassen.
Minuten verstreken. Een tractor naderde en passeerde. De boer stak zijn hand op. Arne zwaaide plichtmatig terug. Hij had geen idee wie het ding bestuurde. Hoog in de hemel trok een vliegtuig een lange witte streep. Het bijbehorende geluid bereikte zijn oren pas toen het toestel alweer van hem wegvloog. Zijn gedachten dwarrelden weer naar de voetbal die hij thuis had gelaten omdat je kon verwachten dat Herman hem in de vaart langszij de boerderij zou trappen. Het water was breed en de bal zou reddeloos afdrijven naar het gemaal verderop. Dit had Arne allemaal vooraf ingezien. Bedenken wat er stond te gebeuren, vond hij alleszins normaal.

Het lichte knetteren van een bromfiets overviel hem. Voor hij het begreep, stond oma naast hem. Hij had aangenomen dat ze met de fiets was vertrokken, de manier waarop zijn eigen moeder boodschappen deed. Oma evenwel had een brommer, een zwarte Berini met een zweefzadel. Achterop stond een mand met inkopen.
Zo, daar ben je!
Oma lachte, een beetje zoals Herman deed: plotseling en onbeheerst.
Dag oma. Fijn naar de stad geweest?
Met bonzend hoofd kwam hij overeind. Dit ging niet goed aflopen. Waar was Herman gebleven? Instinctief ging hij tussen zijn oma en het kapotte keukenraam staan, in de hoop dat zij de beschadiging niet meteen zou opmerken.
Is Herman er niet?
Jawel. Kan ik helpen met de mand?
Thuis zou het niet bij hem opkomen dit aan te bieden.
Nee, jij mag de brommer binnen zetten. Ernaast lopen en niet starten, denk erom.
Door de zijdeur kwamen ze de dors binnen. Arne kuchte luid, als waarschuwing voor Herman. Hij durfde niet omhoog te kijken. De standaard van de Berini schraapte over het beton. Intussen stelde zijn oma vragen. Welke rapportcijfers hij haalde, of hij zijn schoenen al had gepoetst. Zijn antwoorden waren halfbakken. Intussen bewonderde hij de kilometerteller van de brommer. Graag zag hij zo’n klokje op zijn fiets.

Even later gingen zij  door de deur naar de gang en vandaar de keuken in. In de zomermaanden speelde het  gezinsleven zich af in de keuken. Dit was overal zo in een boerderij. De woonkamer was voor de winter, wanneer de kachel aan moest. Eenmaal in de keuken probeerde Arne opnieuw de ruitschade met zijn lichaam af te dekken. Steels bekeek hij de mogelijkheden. Misschien kon hij het aquarium verschuiven? Of zouden de vissen van schrik uit het water springen? Minuten verstreken. Oma pakte haar boodschappentas leeg en verdween een ogenblik in de voorraadkast. Er schoot Arne niets te binnen.

Hoe lang duurt tijd? Hoe ver reikt elastiek? Je kon niet eeuwig tegen het aanrecht leunen, in de hoop dat oma het beschadigde ruit niet zou opmerken. Bovendien keek zij, juist omdat dat hij daar stond, om de haverklap precies die kant uit. Hij hoopte op een wonder.
Is het raam kapot?!
Daar had je het al. Oma kwam naderbij, een beetje voorzichtig alsof ze haar ogen niet geloofde.
Hoe kan dat nou! Weet jij daar wat van?
Arne keek schaapachtig om, alsof hij iets nieuws hoorde. Een ogenblik overwoog hij te vertellen wat Herman hem had opgedragen. Dat hij per ongeluk een steentje had gegooid. Hij kreeg het zijn mond niet uit.
Precies op dat moment verrees de gestalte van Herman achter het venster. Hij hield een vogeltje omhoog, kennelijk een jonge zwaluw die hij uit het nest hoog in de boerderij had gehaald.
Kijk eens! Tegen het raam gevlogen!
Zijn stem klonk triomfantelijk. Hij toonde een kaal beestje met onvolwassen vleugels, onmogelijk in staat om te vliegen. Er kwam geen woord uit Arnes mond; zijn keel zat potdicht.

Het was een avond als andere zomeravonden, een avond uit de eeuwigheid. Opa kwam om kwart voor zeven binnen. De koeien waren gemolken, de melk in bussen van dertig liter aan de weg gezet. Hij zat in zijn stoel met de losse armleuning en at langzaam en zonder interesse. Arne verwonderde zich. Hier zat zijn opa. Maar ook de vader van Herman. Over het kapotte ruit zei  opa geen woord.
Wat heeft je vader afgelopen week gebeurd voor de augurken?
Arne schrok op. Gebeurd? Wat een vreemd woord. Daarbij hield hij zich nooit bezig met veilingprijzen. Deze stonden vast wel in de krant die naast opa op de grond lag.  Onzeker haalde hij zijn schouders op. Het is vervelend om iets niet te weten wat voor de hand ligt om wel te weten. Opa wierp hem een afkeurende blik toe.
Ik zie het al. Jij wordt een boer van niks.
Het klonk niet boos of teleurgesteld. Opa had zijn kleinzoon gewogen en te licht bevonden. Met een kort gebaar gelastte hij Herman de krant aan te geven. Elke beweging leek even logisch als voorspelbaar. Zo ging het ongetwijfeld elke dag. Een pagina werd omgeslagen. De bladzijde boog een stukje door in de bovenhoek. Oma kwam overeind en ruimde de borden van tafel. Hierna ging zij de vissen in het aquarium voederen uit een klein busje, alsof ze zout of gemalen peper strooide.
Arne volgde haar bewegingen, zag dat oma aan haar linkervoet een grotere schoen droeg dan rechts en probeerde vergeefs haar murmelen te verstaan. Wie spreekt er nou tegen vissen die bovendien onder water zwommen?
Zou jij ook vissen willen, Arne? Het is leuk hoor, vooral de neon tetra’s geven bijna licht in het donker.
Oma had in de gaten dat ze werd gadegeslagen.
Nee, ik hoef geen vissen.
Zijn grootouders hadden voor een verjaardag al eens een glazen kom met twee goudvissen meegebracht. Arne had een plakalbum voor zijn lucifermerken gevraagd en was teleurgesteld weggelopen. Wat moest je in vredesnaam met siervissen? Zijn ouders wilden bovendien helemaal niets van dat wijf in zijn huis. Vader had na een paar dagen de kom resoluut boven een sloot geleegd. De kom werd bewaard om bloemen in te zetten.
Of het moet gebakken vis zijn.
Arne bouwde zijn vader na, die graag vis beliefde. Een vergeefse wens, Arne’s moeder lustte geen vis en zij was de baas in de keuken. Slechts een enkele keer was er gebakken schol gehaald.
Vanachter zijn krant lachte opa een beetje, onopvallend en zonder op te kijken.
Herman wenkte Arne met zijn hoofd.
Gaan we buiten?
Oma wilde weten wat ze gingen doen.
Arne moet bijtijds onder de wol. Morgen is er weer school, nietwaar?
Nee oma, ik heb vakantie.

Arne hoorde het gesprek zuchtend aan. Hoe kon zijn oma denken dat er school was in de zomer?
Herman leek zijn verveling te delen. Hij knipoogde nadrukkelijk. 
We gaan een stukje fietsen, helemaal niet ver. We zijn straks terug.
Arne keek langs hem heen. Vroeg naar bed wil geen enkele jongen. Bovendien waren er alleen de waardeloze boeken van Herman om onder de deken te lezen. Aan de andere kant, leek een fietstochtje hem evenmin gunstig. Dan moest er ongetwijfeld weer geschoten en toegekeken worden. Hij kreeg een beetje genoeg van het logeren.

Herman fietste voorop. Even dacht Arne dat ze naar zijn eigen huis gingen, het huis waar niemand was. Wat moesten ze daar doen? Hij ging Herman beslist niet vertellen waar de sleutel van de achterdeur werd bewaard. Voetballen op het erf zou wel leuk zijn.
Weet je al dat er vanmiddag een ansichtkaart van je ouders is aangekomen?
Arne veerde op, voelde zijn hart bonzen en zette een tandje bij met zijn fiets.
Ze zitten in Nijkerk of zoiets. Dat staat op het poststempel. Ik denk dat ik het zegel eraf ga weken.
Arne zag het voor zich: geknoei met water om een postzegel te lichten. Binnen een minuut was de tekst onleesbaar.
Wat staat erin? Wat schrijven ze dan?
Hij fietste nu pal naast zijn neef. Kwam er een ansichtkaart binnen en niemand die er wat over zei?
Wat ze schreven? Geen idee. Iets over mooi weer en groene bomen, geloof ik. Waarom wil je dat weten?
Arne raakte in verwarring. Natuurlijk wilde je zoiets juist wel weten.
Stond er iets in over mij?
Het klonk naar zwakte, dat voelde hij duidelijk.
Herman dacht na of deed alsof.
Er stond dat je moeder door de achtervering was gezakt. Haar kont is te dik!
Hij lachte luidkeels, je moest het op honderd meter kunnen horen. Na een paar minuten stapten ze af op een plek waar geen enkel gebouw in de buurt stond: geen woonhuis, boerderij of schuur.
Verrassing! Er zit hier een nest met eenden.

Ze legden de fietsen in het gemaaide bermgras. Herman wist precies op welke plek gekeken moest worden.
Deze boom is het. Met de beschadiging. Er is ooit een auto tegenaan geramd.
Op hun zitvlak lieten ze zich zakken in de berm. Je moest oppassen, anders lag je zomaar in het water. Herman boog voorzichtig naar voren.
“Godverdomme. We zijn te laat! Ze zijn al weg.
Nu er toch niets meer te zien was, maakte hij plaats. Arne schoof een stukje in zijn richting, erop bedacht dat Herman hem een duw zou geven, je wist maar nooit.
Je moet wel goed kijken, je hebt niets gezien!
Arne trok zich evenwel terug en krabbelde omhoog door het gras. Inderdaad, hij had niets gezien, maar wist wel hoe een leeg eendennest eruit zag.
Alleen maar veertjes en een paar kapotte eierschalen.
Hij verwachtte min of meer een discussie, maar Herman kreeg de moedereend met pulletjes alsnog in de gaten. Het gezin dreef een stukje verderop: een kluit dons in het water.
Daar heb je ze!

Weerloze eendjes doodmaken Jongens doen zulke dingen. Berouw komt na de zonde en niet eens altijd. Het gaat om een oeroud instinct om te jagen, iets uit te proberen. Wat je ogen zien, vernielen je handen.
Bij het eerste schot stoven de pulletjes uiteen. De moedereend hief een luid gekwaak aan, gevolgd door klapwiekend rondvliegen in een waas van opspattend water. Nieuwe pogingen volgden. Maar wat Herman ook probeerde, hoe lafhartig dichtbij hij ook naderde, hij raakte niets. Arne volgde een paar minuten de opwinding in de sloot en de toenemende boosheid van de ander. Het liefste had hij Herman achtergelaten en was naar de boerderij terug gegaan. Deze luxe ontbrak voorlopig. Hij moest het nog een paar dagen uitzingen.
Wat lag daar voor zijn voeten? Uit het gemaaide gras stak een dikke verbogen staaldraad, misschien van een vrachtwagen of tractor gevallen. De functie was hem onduidelijk en juist dit bracht hem op een idee.
Ik wil wedden dat ik binnen een minuut meer eenden raak dan jij in een half uur.
Arne sprak luid. Hij wilde dat dit allemaal ophield. Waarom konden ze niet gewoon wat spelen achter de boerderij: daar lag weiland en had je alle ruimte. De reactie was voorspelbaar en kwam onmiddellijk.
Wat zeg je daar? Weet jij het weer beter?! Godskoleere. Wedden wil je? Om wat dan?
Herman staakte zijn onderhand lachwekkende pogingen. Hij ging vlakbij Arne staan, een duidelijk signaal.
De spanning was tastbaar. Ter plekke bedacht Arne iets waarvan hij meende dat het Herman zou boeien.
Als jij wint, gaan we rondkijken in het huis van mijn ouders.
Het zweet brak hem uit. Herman in het huis van zijn ouders toelaten? Hij leek wel gek geworden.
Maar Herman reageerde lauw. Hij was bezeten van het pistool, de drang zich te bewijzen.
Jij gaat eenden raken? Waarmee dan wel?
Uit elk woord dat hij uitstootte, sprak ongeloof en tegenzin. Hij had willen imponeren of minstens resultaat van zijn inspanning willen zien, zeker nu het probleem van het kapotte keukenraam minder urgent leek. Herman boog naar zijn kleinere neef, als een boom over een struik. Het intimideerde, hoe hij daar stond.
Arne gaf zich echter niet zomaar gewonnen. Met elke seconde nam zijn behoefte op te stappen toe.
We kunnen er op muizen jagen. Die zitten op de zolder.
Het was of hij een ander hoorde praten. Herman in huis toelaten, dan nog helemaal tot op de zolder?
De juiste verlokkingen aanbieden, daar gaat het om. En toezeggingen maak je niet zomaar ongedaan.
Muizen zeg je?
Arne knikte bevestigend, maar hief ook zijn rechterhand.
Dat zeg ik. Maar als ik win, is het pistool voor mij.

Zo, het was gezegd. De beschikking over het pistool zou aan het idiote gehannes van Herman een einde maken. Dan kon hij doen wat hij wilde, zo kwam het hem voor. Dat Herman reden had hem uit te lachen, nam hij op de koop toe. Aan zijn voeten, half bedekt door afgemaaid gras, lag het staaldraad. Herman schoot in de lach.
Zal ik mijn bezit voor een paar muizen wagen? Er zitten zelfs muizen onder mijn bed!
Arne had geen plan. Hij probeerde Herman te bespelen, zin voor zin, argument voor argument.
Hoezo riskeren? Jij gaat toch beslist winnen? Dat zeg je zelf.
Hij maakte aanstalten naar zijn fiets terug te lopen, Herman alleen achter te laten. Hier was niets meer te halen.
Binnen één minuut? Zonder pistool? 

Het leek of zijn ongeloof hem ertoe bracht het risico te nemen.
Nou goed. Als ik win, zorg jij dat.. Binnen één minuut moet er een eend dood, denk eraan.
Arne gaf geen antwoord. Hij bukte zich, raapte het staaldraad op, liep van Herman weg en stak de polderweg over. Over het gemaaide gras kroop hij een meter of twintig voort, onzichtbaar voor de eenden. Hier stak hij de weg opnieuw over om plotseling op te duiken.
Onder gewone omstandigheden was een volwassen eend er meteen vandoor gegaan, maar het instinct om haar jongen te beschermen, was sterker.
Arne gooide vaker: naar vogels en koeien, naar bomen en lantaarnpalen, lopend en zelfs vanaf zijn fiets. Alles kwam hiervoor in aanmerking: stenen, kluiten, aardappelen. Hij wilde niet doden, maar raken. Of op een haar na missen, was ook bijna in orde. Op deze avond was hij vooral het gedoe met Herman zat, het logeren, dan nog in het zicht van zijn eigen thuis, zelfs het venster van zijn slaapkamer kon hij gemakkelijk zien.

Hij pakte het staaldraad bij een uiteinde, zwaaide dit horizontaal boven zijn hoofd om er vaart aan te geven, klampte zijn blik in de eendenkluit en liet los. Als een malende propeller zwiepte het metaal door de lucht, dook omlaag en sloeg neer.
Het leek een explosie. De volwassen eend schreeuwde in doodsangst en ging er definitief van door, de uiteengeslagen groep kleintjes aan hun lot overlatend. Deze renden over het water naar de oever die hem aan het oog onttrok.  In de sloot dreven twee levenloze pulletjes.

Eindelijk hield Herman zijn mond, zijn grote bek. Woordloos stond hij naar het spektakel te kijken, het drukpistool zinloos in zijn rechterhand, de loop omlaag. Arne besefte heel goed wat hij had aangericht. Eerst leefden de eendjes en zwommen ze rond hun moeder; plotseling waren ze dood en was de rest op de vlucht geslagen. Zijn hartslag stampte in zijn hoofd, zijn keel en overal in zijn lichaam. Langzaam wendde hij zich af, liep naar Herman en hield zijn hand op.
Twee dooie eenden. Binnen een minuut.
Herman verborg de hand met het wapen onwillig achter zijn rug.
Er schuilt een moordenaar in jou. Jezus Christus! Laten we maar naar huis gaan.
Arne week geen centimeter. Herman was groter en sterker, maar als het moest zou Arne vechten.
We hebben gewed en ik heb gewonnen. Geef op.
Gesprekken, ook tussen kinderen, gaan heel vaak over wie de macht heeft.
Het pistool is van mij. Je mag een paar keer schieten.

Herman had zijn veerkracht snel hervonden, maar Arne bleef halsstarrig.
Je hebt verloren.
Kom het maar halen.
Mij best.
Ze rolden over de grond en over de straat. Nooit eerder was het tussen hen tot een lichamelijke krachtmeting gekomen. Al snel kreeg Herman de bovenhand. Hij werkte zich bovenop Arne, maar het verzet viel hem tegen en hij was genoodzaakt het pistool van zich af te leggen. Zijn vuisten sloegen erop los.

Geen auto of zelfs maar fietser naderde. De polderweg was en bleef leeg. Elke boer of akkerbouwer was thuis, zat aan de thee bij de radio of de tv, een nieuwigheid die ook op het platteland snel haar weg vond.
Herman onderschatte zijn neefje. Hij dacht al dat het gevecht beslist was, toen Arne zich los werkte, wegrolde en het pistool te pakken kreeg. Onmiddellijk maakte deze het ultieme gebaar: hij dreigde het wapen in de sloot te gooien. Zijn gezicht bloedde, misschien dat Herman hiervan schrok en inbond.
Ho ho! Goed dan. Maar morgen geef je het terug!
Arne schreeuwde voor de gelegenheid. Thuis mocht dit niet, maar hij kon het wel.
Ja, en dan zeker weer proberen het af te pakken!
De mond van Herman van groter dan zijn moed. Of anders voorzag hij problemen met zijn ouders. Per slot logeerde de kleine klier bij hen, sterker: ze sliepen in hetzelfde bed.
Stop nou maar! Het is goed. Je mag het hebben. Voorgoed. Godverdomme! Jij je zin.
Arne fietste honderd meter voor Herman uit naar de boerderij. De fietstas aan de bagagedrager slingerde heen en weer. Hierin had hij het pistool gesmeten.

Oma had thee gezet. In de zomer speelde zich hier in de keuken het hele familieleven af. De kermisklok aan de wand wees kwart voor negen. De theekopjes waren oud, van een breed model, beschilderd met een bloemmotief. Er stond ook suiker op tafel: een glazen potje met bovenop een schuif van glimmend metaal. Het wachten was op opa. Elke avond maakte hij een ronde over het grasland om schapen te tellen. Soms kwam er een op de rug terecht in een greppel. Dan was zo’n dier binnen een etmaal dood.
Arne! Wat zie je eruit! Hebben jullie gevochten?
Dit was het geval, maar de reden hield hij voor zich.
Je bloedt aan je gezicht. Laat eens kijken.
In een vorig leven was oma verpleegster. Dat was voor ze zo onoplettend was op de boerderij was komen wonen, in het voorgespiegelde vooruitzicht van een onbekommerd boerenbestaan. Permanente armoede en verveling waren haar deel geworden. Vakkundig lapte zij Arne op, waste bovendien zijn armen en ellebogen. Het gras op de kniestukken van zijn broek kon natuurlijk niet zomaar weggetoverd worden.
Ga boven maar wat anders aantrekken. Je hebt een extra broek meegekregen.
Al die tijd liet Herman zich niet zien. Arne slofte de trap op, haalde het pistool uit zijn onderbroek en verborg het onder het matras, aan zijn kant van de twijfelaar. 

Wassen onder toezicht bleek onvermijdelijk. Alleen in de slaapkamer van zijn grootouders was een echte wastafel. Voor de rest was je aangewezen op het aanrecht van de keuken. Hiertoe door oma verplicht, waste hij zijn armen en oksels, daarna zijn piemel en billen. In schaamte stond hij geluidloos te vloeken. Eenmaal in zijn pyjama kalmeerde hij langzaam. Obligaat poetste hij zijn tanden boven de gootsteen van grauwgele tegeltjes. Alles was hier ongetwijfeld nog zoals bij de bouw in 1929. Hij besefte, dat ook zijn vader hier als jongen had gestaan. Waarschijnlijk zonder tandenborstel, want met 27 jaar had vader zijn tanden en kiezen laten trekken. Na jaren van moordende kiespijn ging hij verder door het leven met een volledig kunstgebit.
Arne’s oog werd getrokken door het kogelgaatje in het ruit, de stervorm eromheen en ineens zag hij achter het aquarium de dader liggen, een bijna onherkenbaar propje lood. Wat te doen?
Hij spoelde zijn mond, liet water over de spuugplekken in de gootsteen stromen en veegde mond en handen af aan een kleffe handdoek.
Als terloops deed hij een poging het aquarium te benaderen, het kogelpropje weg te nemen.
Zie je wel, je vindt ze toch interessant!
Het leek of zijn oma erop had gewacht hem te betrappen. Kans om het loden bewijsstuk te pakken, kreeg hij niet.
De schatkist op de bodem is wel leuk.
Met de bewegingen van een krab deinsde hij af, wenste een ieder welterusten en beklom de smalle trap naar de bovenverdieping, een uitbouw die tot slaapkamer diende. Alles kraakte: de vloerdelen, de deur, het bed waarin hij ging liggen.

Een boerenbedrijf in een windarme zomeravond. Arne berekende dat zijn ouders morgenavond terug konden zijn. Of het werd dagen later, ingeval er geen snelle reparatie van de brommer mogelijk was. Reparatie? Hij sperde zijn ogen en bedacht dat niemand hem de ansichtkaart had laten zien waarover Herman had gesproken. Was er wel een kaart binnen gekomen? Speciaal hiervoor de trap afdalen was  geen optie. Morgenochtend zou hij het uitzoeken.
Het bed waarin hij lag, was een zogenaamde twijfelaar. Voor een enkele persoon lekker breed, voor twee aan de smalle kant. Nog een half of heel uur en dan zou Herman komen, zich naast hem nestelen, een wind laten en in slaap vallen. Erger was dat er geen stevig modern matras in het bed lag, maar een oude katoenen zak, gevuld met kapok, pluiskatoen dat er al een halve eeuw in kon zitten. Je moest het elke dag opschudden om een slaapkuil te voorkomen. Helaas is kapok loodzwaar en dus werd het matras hooguit een paar keer per jaar gevlakt. Twee slapers rolden onherroepelijk tegen elkaar aan.

Tegen de tijd dat hij bijna in slaap viel, werd hij opgeschrikt door krakende traptreden. De deur ging open. Levensgroot naast het bed stond niet Herman, maar opa.
Kom er even uit, jongen!
Arne schrok hevig. Beverig kwam hij overeind. Wat moest dit voorstellen?
Naar beneden en vlug wat!
Was er brand? Arne rook niets. Hij hees zich op de rand van het bed en wankelde.
Hop hop! Tempo graag!
Grootvader liep alweer naar de deur en bonkte voor hem uit de trap af.
In de keuken zaten oma en Herman op hun vaste plek aan tafel, precies zoals toen Arne naar bed werd gestuurd. Op tafel stond een schoteltje van wit porselein. Hierop lag een verwrongen kogeltje. Arne zag het en begreep alles.
Heb jij dat gat in het raam geschoten?
Arne keek hulpeloos rond. Het schoteltje toonde het bewijs van zijn schuld. Zijn blik probeerde die van Herman te vangen, maar deze keek weg, besmuikt en met een rode wang. Het leek erop dat hij een draai om zijn oren had gekregen. Of twee.
Nou?
Ontkennen was zinloos.
Ik hoor van Herman dat jij hebt geschoten met een pistool. Waar is het?
Afweermechanismen werken het beste onder druk.
Weggegooid.
Weggegooid waar?
Wat was hier de meest aannemelijke, oncontroleerbare plek?
In de tochtsloot.
Opa bleef staan. Zijn grote handen rustten op de rugleuning van zijn stoel, de stoel met de losse leuning.
Schiettuig is gevaarlijk. Hoe kom je eraan?
Opnieuw probeerde Arne oogcontact te maken met Herman, deze keer met succes.  Herman’s blik hield een waarschuwing in.  Je hoorde hem denken: Tegen iedereen je bek dicht, ja!

Duister zijn de wegen langs welke beslissingen tot stand komen. In een seconde overwoog en verwierp Arne de mogelijkheid alsnog de waarheid te vertellen. Wat had hij eigenlijk verkeerd gedaan dan mee te doen met wat Herman had voorgesteld? Wie dacht Herman dat hij was om over hem te liegen, weg te duiken en klappen te verkopen? Arne’s polsen en scheenbeen voelden nog pijnlijk aan. De wond aan zijn hoofd viel mee.
Tegelijk was hij zich bewust dat klikken hem permanent in problemen zou brengen. Daarbij zou hij het pistool moeten halen. Niet uit de tochtsloot, maar van onder het matras waarop hij daarnet nog lag te dommelen. De vernedering die hem stond te wachten, was niet te overzien: zijn grootouders zouden hem nooit meer geloven, zijn ouders zouden hem met terugwerkende kracht straffen, Herman zou hem opwachten langs de weg om hem nog eens af te rossen. Zijn brein werkte op volle toeren.
Gevonden op de vuilnisbelt. Een paar weken geleden.
Geen slechte uitvlucht. De gemeente stortte vuilnis op het uitgegraven landje aan de overkant van de tochtsloot, niet recht tegenover de boerderij maar honderd meter naar achteren. Mensen willen van hun rotzooi af.
Je komt hier logeren en brengt een pistool mee?
Wat kon je zeggen? Na een halve minuut van stilte had oma had ook een vraag, een interessante.
Maar de kogeltjes dan? Hoe kom je daaraan? Die zullen er niet bij gezeten hebben!
Liever dan te antwoorden, was Arne door de vloer gezakt. De verdomde kogeltjes! Maar de vloer was van stevige planken en oma zat stevig in haar stoel.
Ik heb een paar keer de trekker overgehaald. Toen was hij leeg.
Een halfslachtig antwoord waaruit hij desondanks moed putte.
Daarom heb ik het ding ook weggegooid. Ik kon er verder niets mee.
Tegelijk besefte hij, dat Herman het doosje loden propnagels nog moest bezitten en meer: dat hij dit opzettelijk niet had afgegeven. Wel het pistool, maar geen munitie. De vuile hufter. Hij voelde drift opkomen, de bereidheid om brutaalweg te zeggen: voor de kogeltjes moet u bij Herman zijn.
Er volgden meer woorden, maar langzamerhand doofde de confrontatie langzaam uit. Tenslotte mocht hij weer naar boven. Het bed waarin dadelijk Herman naast hem zou neerstrijken. Dit was het moment waarin hij het logeren het meest verafschuwde. Bij het opnieuw beklimmen van de trap voelde hij zijn hart tekeergaan als een heimachine. Waarom ook had hij dat propje lood niet gewoon gepakt toen hij het achter het aquarium zag liggen? Niemand zou hem hebben gedwongen zijn hand te openen.

Klaarwakker lag hij onder slechts een laken. De zomernacht was warmer dan je aangenaam kon noemen. In zijn hoofd raasde het conflict onverminderd verder. De film van de dag trok twintig keer voorbij. Hij dacht aan de dode eendjes in de sloot, de vraag of de moedereend nog was teruggekeerd, aan zijn beschadigde broek en waarom hij zo nodig uit logeren was gebracht, beslist niet zijn eigen voorstel. En hoe kreeg je het pistool ongezien uit de boerderij? Kon hij het beter uit het raam smijten en morgen oprapen? Of het in de kast van Herman verbergen, waar oma het later zou vinden? Wat moest je er eigenlijk mee, zonder munitie?
Na de chaos aan vragen volgde het zelfbeklag. Was het maar vast morgenavond. Dan lag hij in zijn eigen bed, door niemand gehinderd. Tenslotte voelde hij onder zijn kant van het bonkige matras, trok het pistool naar zich toe en drukte het tegen zich aan: als een teddybeer, een troostend aapje.
Eindelijk kwam Herman binnen. Hij liet het licht uit, smeet zijn kleren in een hoek en liet zich met een smak naast Arne vallen. De baas komt thuis. Hij fluisterde, iets dat helemaal niet bij hem paste.
Knap werk, Arne! Jezus man, wat kan jij liegen!
Zonder te kunnen zeggen dat Herman stonk, rook Arne dadelijk dat zijn neef zich hooguit met de Franse slag had gewassen. Hij voelde een elleboog in zijn rug.
Zeg, slaap je? Wat heb je nou echt met het pistool gedaan? Ik weet zeker dat het niet op de bodem van de tochtsloot ligt!
Arne draaide zich langzaam naar Herman toe. Hij deed moeite afstand tot het lichaam van zijn bedgenoot te houden. Die rottige slaapkuil! Begon het gedonder weer van voren af?.
Maar nog voor Arne iets kon zeggen, stak Herman opnieuw van wal. Zijn stem was hees en hoog.
Kijk eens maat, je mag kwaad zijn, maar vergeet even niet dat jij degene bent die het raam heeft vernield. En uiteindelijk is het pistool ook van jou. Dat wilde je zo graag dat je erom begon te vechten. Ik heb geprobeerd het te houden, maar jij moest het zo nodig hebben. Dus moet je ook maar op de blaren zitten.
Een aannemelijk klinkende maar allesbehalve waterdichte redenering. Arne vroeg iets anders.
Wat heb je met het vogeltje gedaan dat zogenaamd tegen het glas was gevlogen?
Een halve minuut was het stil. Herman was even van zijn stuk gebracht.
O, dat. Heb ik weggegooid. Je denkt toch niet dat ik daarvoor helemaal terug klim in de hanenbalk?
Nieuwe stilte. Van Arne mocht dit zo blijven, maar Herman was een prater.
Maak jij je druk om een manke zwaluw? Je hebt zelf vanavond twee eenden doodgegooid, weet je nog?
Arne bleef zwijgen. Herman moest aanvoelen, zo niet verder te komen.
Mijn moeder vroeg ook al naar dat stomme vogeltje. Ik heb gezegd dat ik jou op die manier wilde beschermen. Door te doen alsof. Voor jou. Dan weet je het, mocht ze er naar vragen.
Arne voelde zijn weerzin toenemen. Herman had gewoon leugens verteld om zijn straatje schoon te vegen. Het enige dat voor hem telde, was het pistool terug te krijgen. Dit voelde Arne haarfijn aan.
Langzaam maar met nadruk duwde Arne het wapen naar voren, tegen het lichaam van Herman.
De loop is ingedrukt. Zal ik de trekker overhalen?
Stilte heb je in soorten. De boerderij, de bomen langs de weg en de herkauwende koeien in de weilanden lagen verzonken in een stilte die vreedzaam was en ontspannen. In deze slaapkamer heerste ook stilte, maar dan op de rand van laaiende ruzie en geweld. Herman doorbrak de impasse. Hij leek maar niet te kunnen inzien dat hij aan het kortste eind kon trekken.
Wat doe je daar? Ben je gek geworden? Er zit niet eens een kogel in!
Zijn woorden klonken onverminderd dominant en zelfverzekerd. 
Arne werd zich bewust van de muffe beddenlucht, de in maanden samengepakte lichaamsgeur van Herman. Het moment waarop zijn gedachten zouden blokkeren, naderde in hoog tempo. Hij duwde de loop van het pistool met toenemende kracht tegen Herman aan. De kuil in het matras achter zijn rug werkte in zijn voordeel.
Weet je het zeker? Geloof je echt dat ik niet durf?


Monk
26 juni 2019

Foto: Monk

Reacties gesloten.