Monkwise

columns verhalen fotografie

BLINDGANGER, Hoofdstuk IX

| Geen reacties

De Italiaanse dictator Mussolini meldde met trots, dat hij de treinen op tijd deed rijden. Hierover wordt nog steeds lacherig gedaan. Onterecht, want in een straatarm en chaotisch land is het een formidabele prestatie. Orde en regelmaat geven de samenleving structuur en het leven zin. Neem nou de Hollandse postbode. De man staat elke dag precies om half twaalf bij de brievenbus van de Zwarthoeden. Is dat niet wonderbaarlijk en bemoedigend? Arnold raapt de poststukken op. In de keuken ritst hij een mes langs de bovenzijde van een envelop en onthult een mededeling.

Je denkt zeker dat je ermee weg komt.

Het staat er in een houterig handschrift. Een dreigement zonder afzender. Dit is wat een strak georganiseerde maatschappij de mensen brengt. Het postmerk toont dat de brief uit Amsterdam komt. Wat te doen? Voorlopig heeft Arnold iets anders aan zijn hoofd.
Een beetje verontrust gaat hij naar zijn kamer. Hier trekt hij de beste kleding aan die in de kast hangt. Een linnen jasje. Een zwarte katoenen broek met metalen koppel. Een wit T shirt. Amerikaanse laarzen waarin de broekspijpen kunnen verdwijnen als bij een ruiter. Hij kijkt in de spiegel en vindt zichzelf belachelijk.
Een clown als cowboy verkleed.
Na alsnog gewone kleren te hebben aangetrokken, werkt hij het ritueel af van geld, sigaretten, aansteker en pennenmes. Hij wast zich, poetst de tanden en trekt een kam door zijn haar. Zo moet het genoeg zijn. De BMW brult beschaafd. De pluchen bekleding is een beetje warm, aanleiding om het schuifdak een stukje te openen.
Vrijdagavond. De bedreiging van onbekende herkomst legt hij in het handschoenenkastje.

Hij neemt een andere route als gewoonlijk. Zo mijdt hij de plek waar het leegstaande boerenhuis staat waarover de nodige woorden met zijn vader zijn gevallen. De afspraak om in de garage te komen werken en aankoop van het woonhuis goed te keuren, tonen kenmerken van chantage. Het lijkt erop dat Pa Zwarthoed hoopt Arnold aan zich te binden en tegelijk Trudie een onderkomen te verschaffen. Zij is immers graag bij haar broer. Zo heeft Pa Zwarthoed thuis meer vrijheid met zijn nieuwe vriendin. Van zijn kant maakt Arnold geen haast om volle werktijden voor de garage te maken. Hij tekent in op een cursus publieke relaties, maar deze start pas in de herfst. De lieve vrede hangt aaneen van duistere verlangens en praktische oplossingen.

Vanaf de westzijde entert hij de stad. Het oponthoud wordt veroorzaakt door een koopavond. Winkeliers mogen hun toko tot tien uur in de avond open houden, waar gewoonlijk de boel om zes uur op slot moet. Aan de drukte op straat is te merken dat er veel belangstelling voor de extra openstelling bestaat. Een flinke file is het gevolg. Arnold staat vast en suft wat voor zich uit. Wie loopt daar? Hij wentelt het zijruit omlaag.
“Gerben!”
Gerben is te voet en alleen.
“Stap even in. Praten we wat”.
In de spiegel ziet hij zijn voormalige schoolmakker achter de auto omlopen. Vijf minuten moeten volstaan.
“Tjonge!”
Gerben zit naast hem. Hij kijkt verwonderd rond en zet een boodschappentas tussen zijn benen.
“Ja, het leven is te kort om in een Skoda rond te rijden. Hoe gaat het?”
“Ik wil je niet vervelen met mijn medisch dossier”.
Arnold zwijgt. Hij presenteert een Craven en ziet de jaloezie. Dit steekt hem.
“Gerben, het is maar een auto. Laat je humeur nou niet verpesten.”
Ergens kost het hem moeite dit te zeggen. Een BMW 2800 coupe is niet maar een auto. Maar Gerben is snel uitgekeken.
“Ik mag geen alcohol meer. En ik wil het ook niet”.
Een mededeling die uit de lucht komt vallen.
“Dat klinkt nogal. Voor een erkend zuiper”.
“Alle popmuziek heb ik de deur uitgedaan. En de boeken van WF Hermans, die nihilist, ook weg!”
Gerben klonk heftig.
Arnold overwoog even om door te vragen, maar dacht aan de beschikbare tijd.
Daar komt bij, dat de verkeersstroom gaten tonen. Hij trekt op en wint ineens honderd meter. Dit lijkt Gerben niet te bevallen. Als het nog een paar keer gebeurt, kan hij het hele eind teruglopen.
“Wanneer moet jij ook alweer in dienst?”
Arnold lacht. Hij heeft alle reden om hierover vrolijk te zijn, zeker tegenover Gerben met zijn doktersattesten.
“Ik ben alsnog vrijgesteld, zeg maar uitgeloot”.
Nee, hij gaat de precieze tekst van de brief niet prijsgeven. Laat staan de toelichting van zijn vader herhalen.
“Uitgeloot, zeg je? Hoe kan dat nou?”.
Verwondering op de rand van spijt spreekt uit Gerbens woorden. Hij doet geen moeite zich anders voor te doen.
“Hoe krijg je dat voor elkaar?”
“Ik krijg niks voor elkaar. Ze sturen een brief. Dat is alles”.
Gerben werpt een sombere blik door de voorruit van de auto. De tas staat aandoenlijk tussen zijn knieën. Het moment nadert waarop hij uit de auto zal springen.
“Ik moet gaan”.
“OK. Ik spreek je binnenkort”.
Jarenlang trek je dagelijks met elkaar op. Dan ineens is het gedaan. Wat was ooit de basis van deze vriendschap?

De BMW parkeert zichzelf voor de tuin van de villa. Het is of de auto aangeeft: dit huis bevalt me wel. Arnold springt naar buiten.
“Zo jongeman, zien we je weer eens?” Pa Filarski.
“Goedenavond. U ziet er patent uit”.
“Zon en vrije tijd”.
Barry steekt Arnold een slappe hand toe.
“En regelmatig seks, ha!”
Ja, met Iris zeker, geile aap.
In de voordeur verschijnt Jenny. Ze groet Arnold afstandelijk. Voor de tweede maal betreedt hij de woning. Een ogenblik komt het bij hem op dat hij beter met Gerben naar de film had kunnen gaan. In De Harmonie draait immers A Clockwork Orange. Het moet een geweldige film zijn.

De oude heer drinkt een kop koffie mee en praat wat over kunst. Hij heeft oog op een schilderij van Willem de Koning.
“Wat vind jij daarvan?”
“Ik weet niets van kunst. Wat zal ik ervan vinden?”
Arnold kan niet uitmaken of de vraag is bedoeld hem als een boer weg te zetten.
“Je moet overal een mening over hebben, ook al heb je er helemaal geen verstand van”.
De opmerking wordt gevolgd door een korte, honende lach.
Arnold realiseert zich dat het gezicht van zijn gastheer iets uitstraalt. Op het eerste gezicht lijkt het een gezond behagen in het leven, maar Arnold proeft vooral een diep verankerde decadentie.
“Bezwaar als ik een uurtje je auto leen?”
Het verzoek overvalt Arnold een beetje. Toch wil hij zich niet laten kennen.
“Wat komt er voor in de plaats?”
“Zoon van een autohandelaar. Ik had het kunnen weten. In ruil daarvoor sluiten we vrede”.
Met enige tegenzin diept Arnold zijn autosleutels op en overhandigt ze.
“En het kentekenbewijs voor als ik wordt aangehouden met die bolide”.
“Nee, want de auto staat op mijn naam. Dan komt u in de problemen”.

Jenny maakt koffie met een apparaat dat een hels geraas voortbrengt.
“Iets erbij?”
“Ik eet nooit koek of gebak”.
“Mijn vader vindt jou aardig, weet je dat?”
Wat kan je daar op antwoorden?
“En jij?”
Jenny draagt een strak oranje truitje, met lange mouwen en zwarte elleboogstukken. Daarover een zwarte mouwloze jurk van een elastische stof, zwartgrijze nylons met oranje blokjes langs de buitenkant, aflopend tot in zwartlederen korte laarsjes. Arnold bekijkt het nauwgezet, maar begeert blijft uit.
“Wat ik van jou vind? Daar ben ik nog niet helemaal uit.”
De koffiezetter reutelt naar een einde en sist als een slang. Arnold neemt zich voor het initiatief te houden. Wel spijt het hem zonder veel weerstand zijn wagen te hebben uitgeleend.
We ruilen een wolk uitlaatgas voor vrede op aarde. Het betekent allemaal niets.  
“Zeg Jenny, ik vraag me al langer iets af: wat doe je voor de kost?”
Het moet klinken naar belangstelling, maar de vraag straalt eerder onzekerheid uit.
“Ik werk hard en verdien weinig”.
Ze loopt met de koffie naar de strakke zitbank en installeert zich. Op tafel ligt een pakje shag, merk Jacobs, een inferieur product. Onhandig draait ze een sigaret.
“Drink je koffie, dan laat ik je het huis zien”.

Van zijn eerdere bezoek herkent hij een paar vertrekken en meubels. Echt nieuw is het dus allemaal niet. De afmetingen komen hem geringer voor. Zo gaan de dingen: de mens ziet wat hij denkt te zien. Bij een volgende keer blijkt lang niet alles te kloppen.
“We gaan naar de werkruimten”.
Achter het huis blijkt het terrein zich voort te zetten. Er staat een gebouw dat aan geschakelde scheepscontainers doet denken. Smalle ramen tonen gewapend glas.
Ze betreden de kleine hal, passeren een deur en staan in een corridor. Deze is in diep rood geschilderd. Kleine lampen zijn weggewerkt in wanden en plafonds.
Sfeerverlichting dient om de mensen in een andere werkelijkheid te loodsen. Of mogelijk is de eigenlijke werkelijkheid die, welke mensen denken te ervaren.
“Doe je schoenen even uit”.
Jenny opent de eerste deur. Zelf ontdoet ze zich van haar laarsjes.
Arnold gaat op zijn sokken naar binnen.
Ze bevinden zich in een vertrek van zowat vijf bij zeven meter. Omzoomd door reflectieschermen prijkt een enorm bed, overdekt met een laken in tijgerprint. De vloerbedekking is van donkerrood marmoleum. Er hangen schotelvormige lampen. Filmapparatuur kan aan rails worden voortbewogen. Aan de wanden prijken erotische schilderijen en posters. Het maakt een even absurde als suffe indruk.
“Alle roddels die je over ons kent, zijn waar”.
Haar bewering klinkt uitdagend, zelfs een beetje uitsloverig. Arnold zwijgt. Waarom zou hij allerhande roddels over Filarski & Co willen kennen? Van links en rechts is hij gewaarschuwd, maar wat betekent het, wat zit erachter? Dat vader en dochter nu als het ware de handdoek in de ring gooien, maakt hem niet minder op zijn hoede. Tenslotte vindt hij woorden voor wat hij ziet.
“Wat gebeurt hier in vredesnaam?”
Jenny lacht opnieuw, kort en een beetje ongemakkelijk.
“Wat vind je ervan?”
Hij zoekt in zijn vocabulaire.
“Bizar”.
“Wil je de rest zien?”
Deuren geven toegang tot kleedruimten. Eén voor vrouwen en de andere voor mannen. Er zijn douches en een ligbad van natuursteen. Een overdwars doorgezaagde auto dient tot zithoek: het dasboard is Amerikaans en daarmee protserig.
“Wat is hier achter?”
Hij staat voor een afgesloten deur zonder glas.
“Dat is voor een andere keer”.
“Ik ben wel wat gewend”.
“Dat denk je maar. Ga even zitten”.
Het is op z’n minst een vreemde situatie. Jenny duwt hem het maffe automeubel in.
“Je vraagt wat ik doe. Ik fotografeer mode. Hier worden ook erotische films gemaakt”.
Arnold wil weg, maar vindt dit tegelijk te gemakkelijk. Van uitstel komt niet altijd afstel.
“Ik laat het je zien om te beoordelen of je te vertrouwen bent. Je moet er namelijk je mond over houden. Ga je mee?”
Het rondleiding is ten einde. De terugkeer gaat snel. Jenny schakelt de verlichting uit en sluit deuren af met een sleutel.
“Vergeet je schoenen niet”.

In De Pilaren is het matig druk. Ze zitten op het buitenterras met een biertje. Van verder weg, mogelijk uit de Coco Club, een betonnen kelder voor soulkikkers, bonst muziek. Af en toe snerpt een bromfiets langs. Je herkent het geluid aan de afgeknepen einddemper.
Een avond in een weekeinde. De jeugd is altijd op weg, voortgedreven door hormonen. Jongens willen naar bandjes en zoeken de meiden. Zij op hun beurt klitten samen, bespreken de jongens, tutten met spulletjes op de toiletten en handhaven hun collectief. Het is alles een oeroud paringsritueel.
“Ik heb gehoord dat jij fotografeert?”
Jenny merkt dit als terloops op. Ze zit naast Arnold en hangt af en toe als bij toeval tegen hem aan. Op deze manier vangt hij haar parfum op. Een geur om terug te leunen.
“Wie zegt dat?”
Arnold is oprecht verbaasd. Hij heeft nooit een camera in bezit gehad.
“Je kent haar. Ze heet Birgit”.
De vrouw waar zijn vader mee scharrelt. Hoe kent Jenny haar?
“O, die”.
Met de gebruikte toonzetting kan je een hele tafel kroeglopers aan het lachen krijgt.
“Birgit is mijn moeder”.

Arnold is verbijsterd. Birgit de moeder van Jenny? En Barry dan?
“Mijn ouders zijn gescheiden. Ik zie mijn moeder zelden, maar toevallig onlangs wel een keer”.
“En toen ging het uiteraard meteen over mij”.
Waarom niet? Jij lonkt immers naar alle vrouwen”.
De reactie is onmiddellijk, het sarcasme overduidelijk.
“Zegt je moeder dat?”
Het klinkt defensief. Hij kon ook Birgit zeggen. Je moeder is de benaming voor iemand die in ieder geval voor jou te oud is.
Arnold vindt het gesprek onaangenaam en benauwend worden. Van zijn gedrag tijdens het feestje bij de burgemeester in zijn dorp, herinnert hij zich weinig. Maar er is meer: het voelt aan of ergens een val wordt opgezet. Hij krijgt zin om heel erge scheldwoorden te gebruiken.
“Ik moest maar eens opstappen, Jenny. Ik voel me ziek. Het zou best eens terminaal kunnen zijn”.
“Je blijft gewoon zitten, want ik ben nog niet klaar. Wanneer je met mij gaat sollen, heeft dat ook gevolgen voor de relatie van je vader met mijn moeder”.
Kille drift borrelt op in Arnold. Het lijkt of zijn lichaamstemperatuur acuut meerdere graden daalt.
“Is dat een dreigement, Jenny Filarski? Denk je dat ik bang ben voor jou? Wat kan mij de relatie tussen mijn vader en jouw moeder schelen! Denk je dat ik daardoor aan jou zit vastgebakken? Dan ken je me slecht”.
Jenny lijkt iets te gaan zeggen, zich in de oplaaiende ruzie te laten meetrekken. Ze heeft zichtbaar moeite zich in te houden. Plotseling vliegt er een glimlach over haar gezicht.
“Ik zal je een geheim verklappen, want binnenkort kom je er toch achter. Weet je wie er voor ons werkt, uit de kleren gaat en alles?”
“Verbaas me maar”. Arnold is razend en denkt alles aan te kunnen.
“Iris”.
Iris, natuurlijk, Iris.
“Barry gaat niet met haar naar bed, zoals jij denkt. Hij regisseert films op locatie. Bijvoorbeeld in een kamer boven De Tsarina. Daar was je nog niet opgekomen, he?”
Arnold onderbreekt haar. Hij is jong en onervaren, niet meer dan een vrijpostige dorpsjongen. Hij denkt dat alles is op te lossen met grappen en grollen of desnoods met klappen. In geval van echte nood trek je de portemonnee.

De stemming is redelijk bedorven, maar Arnold wenst zich niet te laten kennen, zwakheid te tonen die tegen hem kan worden gebruikt. Daarbij is hij om nog een andere reden in het nadeel: Pa Filarski rijdt in zijn auto rond. Jenny betaalt. Even later lopen ze over het plaveisel van straatstenen. Jenny’s auto staat om de hoek.
“Wil jij rijden?”
“Nee. Maak zelf maar ongelukken.”
“Naar huis?” Jenny bedoelt het huis waar zij woont.
“Het strand”.
Hij zegt het om haar te dwarsbomen.
“Wat je wilt”.
Jenny koerst met vaste hand. Ze rijden door straten, afgezoomd met weelderige huizen achter bomen en struiken. Daarna gaat het rechtsaf, richting zee.
“Waarom zei je dat over Iris?”
“Omdat ik van jullie weet. Bedenk dat wij niemand dwingen”.
De eeuwige redenering van de middenstander. Iets aanbieden waarop niemand zit te wachten en dan beweren dat de mensen het zelf willen en jij niet anders bent dan een neutraal en nuttig doorgeefluik.
Arnold voelde dat het anders zat. Dwang bestaat in vele vormen. Het begint met manipuleren en eindigt met geweld. Hij is evenwel te veel ontregeld om goed te kunnen nadenken. En ergens begrijpt hij, dat praten het terrein van Jenny is. Zij zal hem hierin toch de baas blijven.
Ze naderen het strand. Langs de kust is gelukkig weinig gebouwd. Zo kan je op tal van plekken vanuit  duinen en strand uitzien op het beste wat Nederland heeft: de Noordzee. Bij een opgang voor voetgangers kommen ze tot stilstand.

Langs de waterlijn gaat de wandeling. Arnold zuigt de zeelucht in zijn longen, langzaam en in regelmaat. Het zal nog duren voor de zon in de zee verdwijnt. Jenny doet een halfbakken poging hem een arm te geven. Hij denkt aan een schoolreisje van lang geleden. Hoe ongecompliceerd was toen het leven.
Misschien heeft Jenny gelijk. Wat betekent Iris voor hem? Ze doet het met de oude Barry of laat zich minstens naakt door hem filmen om aan geld te komen. Geld, waar ze vervolgens dope van koopt.
“Wat moet Iris precies doen?”
“Iris doet wat alle vrouwen bij ons doen. Maak je geen illusies. En ze moet niks. Maar genoeg over haar. Vertel eens iets over jezelf. Wat ga je de komende tijd doen?”
Instincten blijven van het grootste belang. Hij kan moeilijk naast haar blijven bokken, maar wil geen munitie gratis weggeven.
“De garage. Een paar cursussen. Reclame, Public Relations”.
Het Engels smaakt rottig in zijn mond.
“Niet studeren?”
“Waarom? Wat schiet je ermee op?”
“Je kunt bij ons komen werken”.
“Wie zegt dat?”
“Dat hoor je toch?”
“Als wat?” Arnold raakte het noorden kwijt. Werken met Jenny?
“Jij denkt alleen aan bepaalde dingen. We doen veel meer dan dat”.
“Hier moet ik eens rustig over nadenken”.
Hij weet onderhand niet goed meer of hij spot of een afweging maakt.
“Dat lijkt me ook. Laten we wat gaan zitten, tegen de duinrand”.
Ze trekken hun schoeisel uit en ploegen moeizaam door het losse zand.
Ineens maakt Jenny zich los. Ze rent uitdagend van hem weg, recht tegen het eerste duin op. Een beetje overdonderd kijkt hij haar na.
De man blijft een jager. Tienduizend jaar knollen opgraven en bessen plukken in het bos hebben de oudste driften niet kapot gekregen. Alleen al het vermoeden dat hij wordt afgerekend op zijn vermogen te jagen, dwingt hem tot actie. Arnold zet de achtervolging in.

Hijgend strijken ze neer in een vlakke duinpan. Vanaf het strand zijn ze niet meer te zien, maar omgekeerd voor hen is het strand buiten beeld. Wel blijf je de zee horen.
“Probeer toch te ontspannen. Wees eens lief voor mij.”
Jenny strekt zich uit op haar rug en sluit haar ogen in de lage zomerzon. Niets merkt zij van de agressie die in Arnold voortwoedt.
Hij kijkt op haar neer, verwondert zich over het gemak waarmee Jenny meende de lieve vrede te hebben gered en de situatie naar haar hand te kunnen zetten. Hij strijkt met zijn vinger over haar hals. Het is geen liefkozing, maar de inleiding tot dominantie.

Andy Warhol, icoon van de juist voorbije jaren zestig, was van mening dat hormonen een hindernis vormen op het pad van arbeid en productie. Seks mag lekker zijn, het leidt de aandacht af van waar het echt om gaat: werk! Hij zag het verkeerd: voortplantingsdrift is de belangrijkste motor van ons handelen en lust in zijn boodschapper. Zonder lust bestaat alleen arbeid die ook door robots gedaan kan worden. Zelfs om de soepblikken van Warhol te bedenken, heb je nood aan rusteloosheid en lustbeleving.
kan je niet zonder de rusteloosheid en frivoliteit, eigen aan lust.

“Doe dit om”.
Haar hand toont onmiskenbaar een opgerold condoom. Ze moet het in een jaszak bij zich hebben gestoken. Arnold doorziet dit aanstonds en het ergert hem mateloos.
“Hoezo?” Hij begint haar uit te kleden.
“Omdat ik het je vraag”.
Ze houdt haar ogen gesloten. Hoever moet je gaan voor Jenny haar bazige toon zal inbinden? Arnold maakt haast. Zijn broek werkt niet erg mee.
“Wij gaan het zonder doen, Jenny”.
Ze slaat haar ogen op, haar heldere leeuwinnenogen.
“Ben je helemaal, moet ik zwanger worden?”
In een onhandige poging overeind te komen, valt ze tegen hem aan.
“Waarom niet?” Haar naaktheid benevelt zijn verstand, maar verleent hem mannenkracht. Hij vat haar polsen en drukt haar neer.
“Hou op! Ga weg!”
Een weg terug is er wel, maar hieraan wil hij niet denken. Jenny rukt zich los en raakt hem in zijn gezicht. Arnold heft zijn hand om terug te slaan. Instinctief beschermt ze haar gezicht.
“Waag het!”
Niet alle stelletjes in de duinen zijn liefdesduifjes. Sommige doen eerder denken aan krokodillen. Hier is geen liefde, maar slechts strijd. Arnold is veel sterker. Jenny schreeuwt, maar wie kan haar horen?
Alles wat u hier zult aantreffen is egoïsme, wreedheid, wellust en de meest absolute goddeloosheid. De enige keus die u hebt, is die van een totale onderworpenheid.
Wie eenmaal De Sade heeft gelezen, kan niet meer normaal denken.
Het komt neer op verkrachting. Arnold probeert zijn zaadlozing uit te stellen. Jenny ligt er in toenemende mate passief bij. Ze houdt haar gezicht afgewend. Dit blijft zo wanneer hij tenslotte in haar klaarkomt en zwetend neerkijkt op haar lichaam.
“Heb je nou je zin?”
Arnold geeft geen antwoord. Hij probeert zijn ademhaling te temmen.
“Dit zet ik je betaald”.
“Misschien is het de rekening voor je eigen wangedrag”.

Jenny rijdt opnieuw. Ze had hem gewoon in het duin kunnen achterlaten, maar lijkt door het geweld eerder wat meegaander geworden. Ze stopt bij een witgeverfde uitspanning langszij de weg. Deze is voorzien van een ruime parkeerplaats, waarop evenwel niet meer dan tien auto’s staan. Het geheel maakt een desolate indruk. Arnold herkent het gebouw. Hier heeft hij Cuby zien spelen, zanger van de beste Nederlandse bluesband ooit. Hij had destijds in de duinen kunnen liggen met Bertine, maar koos voor de muziek. Nederland kent een hele serie prima bands, maar na een jaar of tien is de golf afgevlakt om het land achter te laten met zouteloos volksgejammer en burgerlijke videoclips. Wie kon vooruit bedenken dat het van muziek naar beeldtaal zou gaan en nog weer later naar een staccato discodreun voor een collectieve viering van het ego?

Het zalencomplex is sinds Arnolds laatste bezoek veranderd in een nachtclub. De naam staat hoog aan de gevel in neon: Het Paradijs.
Onderweg hebben ze gezwegen, aanvankelijk in een sfeer van wrok en verontwaardiging. Het werd beter toen Arnold zijn hand op Jenny’s onderarm legde.
“Het ging vanzelf Jenny. Het spijt me”.
Waarmee hij op de keper beschouwd alsnog geen verantwoording neemt. Net zomin als dat Jenny haar kaarten op tafel legt.

De portier is een Neanderthaler. De man herkent Jenny met enige moeite. Hij snuift als een hyena aan een ingesloten hertje. Tenslotte kunnen ze doorlopen, om te belanden in een lounge. Hier staat een bar van glas en gietijzer, omzoomd door met wit kunstleder overtrokken krukken. Lelijkheid kent geen tijd. Jenny laat Arnold even alleen.
De kelner is jong, onberispelijk en tamelijk afwezig. Hij vraagt wat Arnold wil drinken.
“Mijn vriendin komt eraan”. Je moet wat zeggen.
“Ik weet wat Jenny drinkt. Wat zal het zijn?”
Een nieuwe wereld. Haar wereld. Op de achtergrond klinkt muziek van The Partridge Family. Een plastic wereld. Met de wisseling van het decennium zijn de fameuze jaren zestig definitief afgedankt. De nieuwe muzikale mode toont bovenal performance en glitter. Er bestaat zelfs een artiest die zich letterlijk zo noemt: Gary Glitter. Hij heeft een slechte naam en zal nog eens in de gevangenis belanden.
“Dan maar een pilsje”.
De kelner gaat aan het werk. Hij keert terug met drie centimeter schuimkraag in het glas.
“Verkoop je sigaretten?”
“Zeker”.
“Craven?”
“Die ken ik niet”.
“Players? Davidoff? Senior Service?”
Hij zegt het om te pesten. Zijn pils ziet er niet uit.
Het wordt een pakje Camel Filter, beter is er niet. Met de muziek is het evenzo gesteld. Vanachter een schot van witgekalkte schrootjes sijpelt de piepstem van BJ Thomas, een onbeduidende zanger.
Eindelijk komt Jenny terug. Niets wijst erop hoe ze er een half uur eerder aan toe was. Ze beklimt de barkruk naast hem. Arnold snuift omzichtig aan haar parfum.
Welkom in Het Paradijs. Help.

“Daar zijn jullie dus!” Barry Filarski.
De sleutels van de geleende BMW kletteren naast het pilsglas.
“Even uitblazen”.
Hij schuift op een kruk en klikt met zijn vingers, een tamelijk overbodig gebaar.
“Prima wagen. Beetje zwaar voor mij. Duur ook, zou ik denken”.
Arnold voelt zich uitgenodigd een verklaring te leveren.
Van mijn vader gekregen. Wegens mijn diploma. De auto was eerst van hem.
“Geld zat. Succes is een kwestie van opletten en toeslaan”.
Zoals eerder in De Pilaren wordt zijn blik getrokken door het zware horloge om de pols van Barry. Het is even imposant als lelijk. Zelfs bij hem past het eigenlijk niet eens.

“Ik sprak al met Arnold over werk. Hij fotografeert namelijk”.
Jenny probeert het gesprek op de zaken te richten.
“Zo, zo”.
“Hij zou stage kunnen lopen. Dan heb ik meer tijd om te managen”.
Managen, een woord dat Arnold voor de eerste keer hoort. Pa Zwarthoed regelt gewoon zijn zaken.
Er wordt nu links en rechts van hem gesproken. Hij zit er tussen en neemt geen deel. De kelner plaatst een breed glas whisky voor Barry. Er drijven brokken ijs in, die tegen zijn voortanden zullen rammelen wanneer hij een slok neemt. Arnold neemt de aandacht van de kelner meteen waar.
“Niet om het een of ander, maar dit noem ik geen glas bier”.
De barman weet heus wel hoe het zit. Zonder weerwoord neemt hij de pils terug en houdt het glas nog eens onder de tap.
“Ik heb het huis getoond. En de werkruimte”.
Jenny glimlacht zelfverzekerd. Ze wisselt een blik met Arnold als om aan te geven dat het tijd wordt dat hij zelf de kar gaat trekken. Hij kiest ervoor zijn kruit droog te houden. Van hem behoef je geen uitsloverij te verwachten of capitulatie voor schone schijn.
“Ik heb het gezien. Ik denk maar zo: het is vooral gewoon werk”.
Hollandse nuchterheid wordt steeds minder naar waarde geschat. Zijn hand speelt met de sleutels van zijn auto.
“Ik heb gezegd erover na te denken”.
Dit lijkt hem als verklaring en initiatief wel voldoende. Het bier giet hij met een enkele beweging naar binnen. Toch lukt het hem niet helemaal zich te onttrekken aan de druk van vader en dochter. Waar je mee omgaat, daar word je mee besmet, is niet voor niets een oude volkswijsheid.

“Verdient dat nogal, het maken van films?”
Het woord porno durft hij niet in de mond te nemen.
“Zoals je al veronderstelde. Het is hard werken”.
Het klinkt en beetje stroef, op afstand. Barry gaat langer mee dan vandaag.
“Luister even, Arnold. Ik heb nagedacht over ons vorige gesprek, in De Pilaren. Waarschijnlijk heb ik de verkeerde mensen vertrouwd”.
Onverwacht geeft hij Arnold een stevige hand.
“Toch wil ik je een raad meegeven. Zeker als je bij ons komt werken.”
“U hoeft dit niet te zeggen, ik begrijp het zo wel”.
“Probeer niet, ons in de maling te nemen. Dit zeg ik je in alle eerlijkheid. En nu ga ik eens rondkijken, want hier zit ik uiteindelijk toch in mijn eentje, nietwaar?”

Ze blijven nog een klein uur, spelen wat aan een fruitautomaat en roken Camels. Jenny legt haar hand op de zijne, maar ze knikt ook naar andere mannen. Haar kennissenkring lijkt omvangrijk en diffuus.
“Zullen we naar de stad gaan?”
De stad. Arnold wil naar buiten. Het Paradijs benauwt hem. De hel is overzichtelijker.
“Als jij het wilt”.
Het besluit stelt hem wel een probleem. Bestaan er gelegenheden die bij Jenny passen? De hangplekken en cafés waar hij normaliter komt, lijken alle ongeschikt. Dat hij Jenny wel eens in de Ragebol en zelfs in Doublecross heeft getroffen, doet hieraan niets af. Desondanks wil hij niet terugkrabbelen en in Het Paradijs blijven. In de stad kan je verder kijken.
Vanachter de bar van Het Paradijs klinkt de stem van Paul McCartney, de gezellige Beatle. Verlost van moralist Lennon kan hij eindelijk ongeremd positieve liedjes de wereld insturen. Arnold luistert liever naar The Plastic Ono Band van Lennon; Cold Turkey, Instant Karma. Jenny heeft een voorstel.
“Ik ken een nieuw café in de stad. Pas geopend. Het heet Ballade”.
“Is dat zo?”
Arnolds verbazing is oprecht. Deze naam heeft hij nooit eerder gehoord.
Arnold rekent af, waarna ze Het Paradijs verlaten. Hij geeft de barbaar bij de deur een klein geldbedrag, want portiers moet je te vriend houden. De BMW ruikt naar Barry.
De auto van Jenny moet blijven staan. Pa Filarski wil ook een keer naar huis, al kan dat desnoods met een taxi.
“Wil jij rijden? Ik heb teveel achter mijn kiezen”.
Een verstandige beslissing. Reeds bij de afrit worden ze staande gehouden door de politie. Hun wagen staat tussen de struiken. Een dikke kerel in uniform loert in de wagen. Hij bekijkt Jenny’s rijbewijs. Ze behoeft geen alcoholtest af te leggen.
“Jenny?”
“Ja?”.
“Je bent een supervrouw”.
Het is een kunst of een afwijking: te geloven wat je zegt, ongeacht of het iets met de waarheid uitstaande heeft. En hiervoor het juiste tijdstip te kiezen.

De BMW is van een andere orde dan de Lancia. Jenny heeft er moeite mee. De krachtbron in het vooronder is machtig en ongedurig.
In een woonstraat parkeert ze de wagen slordig en geeft de sleutels dadelijk over.
“Wil je misschien liever naar De Zwarte Beer?” Jenny denkt voor Arnold.
“Daar kom ik alleen als er niets anders meer op zit. Blijven we vannacht samen?”
“Nee. Morgen moet ik weg. Met het vliegtuig. Dat hoor je later allemaal wel”.
Het klinkt hem vals in de oren. En terecht, want er komt nog een toetje.
“We hebben bovendien vandaag wel seks genoeg gehad. Jij toch in ieder geval”.

Café Ballade ligt schuin tegenover Doublecross. Arnold ziet al van buitenaf dat de bevolking vooral bestaat uit artistieke types met een sikje naar voorbeeld van Ho Chi Minh, de populaire voorman van Noord Vietnam. Alleen betreft het hier geen politiek betrokken mensen, maar lui die alleen belang hechten aan uiterlijk vertoon. Je kan ervan op aan dat het biefstuksocialisten zijn, de kern van de latere Linkse Kerk.
“Ha, die Arnold!”.
Drie voormalige klasgenoten in corduroy begroeten hem. Een vierde draagt gebleekt spijkergoed, de schrik van elke moeder, maar de opkomende mode voor studenten aan de Sociale Academie.
“Heren! Gaat het u goed? Het betreft een retorische vraag”.
Onmiddellijk speelt Arnold de clown.
Er wordt inderdaad gestudeerd. Het feest is begonnen. De wereld opent haar poorten.
“Werk je in de garage van je vader?”
Op de een of andere manier ergert hem vraag hem. Het klinkt naar aards en minderwaardig.
“Zeker. Ingeval jullie een auto willen aanschaffen, kan ik helpen”.
Arnold weet donders goed dat de studenten nog lang niet toe zijn aan een auto. Opnieuw buigt hij mee met de druk van het veronderstelde intellectualisme.
“Maar ik ga ook films maken. Erger dan Kubrick. Als die naam je iets zegt” .
Alex. Binnendringen, Roven en verkrachten. Ultra Violence. Godverdomme.
“Trouwens, dit is Jenny”.
Ze wordt bekeken en gewogen. Jenny kan elke keuring doorstaan. Gezellig gaat het niet worden.

In Ballade kan je keurig dronken worden. Hiervoor behoef je maar mee te praten over Herbert Marcuse of Joop den Uyl. Arnold verveelt zich te pletter en slaagt erin buiten te geraken. Jenny zal hem voorlopig niet missen. Hij overweegt naar de Ragebol te lopen, maar eenmaal buiten ziet hij hier vanaf. Doublecross is geen optie gezien de problemen die hij er tegenkwam met de Daltons en aanverwante criminelen. Dan maar naar De Tsarina. Bij het langsrijden, heeft hij al gezien dat de paardenstal open is.
Arnold neemt de auto. Dat je tweemaal achtereen wordt staande gehouden is statistisch niet waarschijnlijk. Hij scheurt onverantwoord snel, maar geen dienaar van orde en gezag laat zich zien. Binnen enkele minuten bereikt hij het jongerencafé. Hij steekt een pepermunt tussen zijn kiezen, veegt het zweet van zijn voorhoofd en drukt de deur naar binnen. Vincent brengt juist een bestelling rond.

Arnold zet zich aan de bar. Hier zit verder niemand. Op de houten kubussen in de ruimte wordt gedobbeld, een kaartje gelegd of zomaar wat geluisterd naar muziek. Hier is geen alcohol, alleen thee, koffie en een colaatje uit de koeling.
“Zo, Vincent. Heb je weer nachtdienst?”
Het scheelt weinig of hij pepert de barman de seks met Jenny in.
Vincent kijkt op.
“Lekker rustig, Zwarthoed. Geen gedoe meer met foute vriendinnen. Saffie?”
Toe maar! Arnold neemt de sigaret aan, tikte het mondstuk op de bar en wachtte.
“Iris nog gezien?”
Vincent werpt Arnold een peilende blik toe.
“Ik wilde jou toevallig dezelfde vraag stellen”.
“Dat schiet niet erg op”.

Binnen twee minuten zit Arnold weer in zijn auto en rijdt de weg terug. Precies voor Doublecross is een lege parkeerplek. Hij besluit alsnog het café binnen te gaan. Alles beter dan Ballade.
Achterin het zwarte café hebben aanhangers van coke een enclave afgepaald. Hier vormen ze een nauwe kring. De Witte Sloper is nog zeldzaam en roept geen associaties bij de burgerij op. Bij het woord coke denken de mensen aan cola, zo simpel is het. Er wordt gewoon openlijk gebruikt.
Arnold kijkt nauwgezet rond om eventueel gevaar te registreren. Het geluidsniveau in het koffiehuis staat op een te verwachten stevig niveau. Get ready van Rare Earth blijft dan ook een dijk van een nummer, wat de tegenstanders van soul ook mogen beweren.
Hij loopt gelijk door tot aan de wc deur. Verdomd, toch nog een bekende.
“Sjoerd, ouwe rukker!”
De aangesprokene probeert weg te komen, maar is te fragiel, niet bestand tegen de brutaliteit waarmee Arnold hem klem zet. Deze moet zich buigen tot aan de oorschelp van zijn prooidier om zich verstaanbaar te maken.
“Wat een haast, amigo. Weet jij waar Iris is?”
Sjoerd weet niets.
Geweld inzetten, Sjoerd even bij de les halen?
“Wil je wat verdienen?”
Een interessant voorstel voor iemand met lege broekzakken.
“Iris?”
“Bespaar me je papegaaiengeleuter. Ik heb gezelschap dat staat te wachten.”
De herrie wordt iets beter te verdragen. De drumsolo begint en de rest van de band gaat de benen  strekken.
“Ik weet het verdomd niet”.
“Wat kan mij dat schelen? Steek je licht in kroegen en krochten. Zoek! Raadpleeg Sonja, zij kan kijken tot achter de sterren. Moet ik alles voorkauwen?”
Hij haalt twee biljetten van tien uit z’n zak, vouwt deze samen en steekt ze in het jasje van de ander.
“Luister vriend. Het blijft geen kermis en alle dagen zondag. Ga je huiswerk maken, anders weet ik je te vinden. Als je iets zinvols te melden hebt, krijg je er nog een paar”.
“Wanneer dan?”
Sjoerd geeft zich gewonnen. Wie kan de verleiding van geld weerstaan?
“Ga nou eerst maar wat rondvragen. En niet mijn naam noemen, denk erom”.
“Waar tref ik je dan? En wanneer?”
“Ik vind jou wel. Opeens sta ik voor je neus”.

Een ogenblik later staat hij weer op straat, de lege straat waar een zachte nachtwind doorheen stroomt. Lantaarns weerkaatsen hun wiegende licht in de ruiten van een bovenwoning.
Ik zou moeten studeren en de hele troep achter me laten.
Hij treuzelt een minuut en keert met tegenzin terug naar Café Ballade. Hier treft hij Jenny met een vol glas als het middelpunt van een stel jonge Duitsers.
“Zo, jij hebt het volgehouden”.
Arnold heeft geen zin kennis te maken. Hij doet of de anderen er niet staan.
“Jenny, ik wil weg”.
“Wat transpireer je, ben je ziek?”
Over de grens tussen gezond en ziek kan je redetwisten. Arnold haalt zijn schouders op. Bovenal is hij vermoeid.
Zal ik je naar huis brengen?”
“Nee hoor. Ik red me wel. Ga maar gauw”.
Altijd heeft Jenny het laatste woord en stuurt zijn beslissingen.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.



De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.