Monkwise

columns verhalen fotografie

BLINDGANGER, Hoofdstuk XI

| Geen reacties

HOOFDSTUK XI

Op het erf van De Knevelaar staat hem een verrassing te wachten. Trudie.
Ze wil dadelijk onder de splinternieuwe douche, bediend door een mengkraan. Deze lijkt welhaast afkomstig uit een ruimtevaartuig. Vanachter het melkglazen schot vertelt ze onderwijl over haar wederwaardigheden op de Veluwse camping. Over het zingen van clubliederen bij het kampvuur, de bingo en de kegelbaan. En dan zijn er sessies. Je zit met anderen in een kring en moet vertellen wat je diep van binnen voelt. Trudie heeft zelfs het juiste woord onthouden: sensitivity.
Een uurtje lekker zelfstandig schilderen of gewoon uit je neus pulken, is er niet bij. Iedereen moet hoe dan ook overal en altijd bij betrokken worden. Dit vindt de leiding van het grootste belang.
“Je zou toch pas zaterdag terugkomen?”
“Ik heb een tekening achtergelaten”.
Haar stem reflecteert vanzelfsprekendheid.
Als het je ergens niet aanstaat, nou dan vertrek je gewoon.
“Kan ik bij jou komen wonen?”
Arnold voelt zijn maag samentrekken. Elk antwoord lijkt verkeerd.
“De politie zal je weghalen. Dat weet je ook wel. Je bent pas zestien”.
Dit herinnert hem eraan dat zijn eigen laatste verjaardag in stilte is gepasseerd.
“Heb je handdoeken?”
“Achter je rug”.
Hij loopt naar de woonkamer. As van zijn sigaret morst op de planken vloer die nog gelakt moet worden. Heel wat anders dan wat je gewoonlijk bij jonge mensen op de vloer ziet liggen. Vooral Berber, een grauwe hoogpolige kraamkamer voor vlooien, is in de mode. Knus en huiselijk. Aan echt arme mensen verkopen de winkels gevlochten rieten tegels. Huisstof blijft eronder liggen tot je er een trui van kan breien.
“Ik zie geen handdoeken”.
Trudie staat naakt in de woonkamer.
“Je hebt niet goed gekeken”.
“Mag ik ook een sigaret?”
“Pak een handdoek en trek iets aan. Wat moeten de buren denken?”
De meest nabije buren wonen op honderd meter afstand.
“Ik wil een sigaret. Schiet toch eens op!”
Bijna moet hij glimlachen. Zijn zus gaat er vanuit dat ze overal met dwang en chantage haar zin kan opleggen. Hij schudt zijn hoofd en trekt een gezicht.
“Wanneer de politie je zo aantreft, moet je mee. En ik ook. Dan denken ze namelijk aan incest. 
“Godverdomme!”
“Precies. Kleed je dus als de donder aan”.
Hij werpt haar alsnog een sigaret toe, vastbesloten zijn zus op een later tijdstip verder te corrigeren.
“Hebben ze je leren roken, daarginder op de Veluwe?”
Trudie legt haar spijkerbroek op de zitting van haar stoel. Nog steeds heeft ze geen handdoek gepakt of iets aangetrokken.
“Wil je met mij vrijen?”
Ergens heeft hij de vraag zien aankomen.
“Nee. Broer en zus vrijen niet. Wanneer ze er in De Zon lucht van krijgen, krijg je huisarrest. Je hebt namelijk al eens eerder een verpleger in de problemen geholpen”.
“Die stomme homo? Ik wil het”.
“Ik peins er niet over”.
“Waarom niet?”
“Dat zij ik al”.
“Wat maakt het uit?”
“Kleed je aan Trudie, of hoepel op. De bussen rijden om het half uur”.

De volgende morgen eten ze aan de keukentafel. Trudie heeft haar best gedaan. Alle beschikbare benodigdheden zijn neergezet. Brood en beleg, gekookte eieren, beschuit, een klein pakje hagelslag. De borden op placemats, mes en vork, papieren servet, jus d’orange en de onvermijdelijke melk.
“Ik zit voortaan hier”.
Arnold haalt zijn wenkbrauwen op. Hij besluit een antwoord uit te stellen.
“Ik mag hier dus niet wonen”.
Arnold haalt diep adem. Hij kent zijn zus langer dan vandaag. Er ligt een aanval van drift op de loer.
“Maar wel af en toe logeren.”
“Mag dat?”
Het gevaar is afgewend.
“We zullen het vragen. Maar let goed op wat ik zeg. Af en toe. Je kunt niet steeds zomaar voor mijn neus staan”.
“Ga je met een meid wonen?”
“Vast wel”.
“Wie?”
“Bertine, Iris en Jenny”.
“Weten ze dat al?”
Arnold verslikt zich. Hij moet lachen en hoesten tegelijk.

Tegen het middaguur brengt hij Trudie weg. Niet naar de Veluwe, maar naar Huis De Zon. Hij drinkt een kopje thee met het personeel en repareert een stopcontact waarin al twee keer kortsluiting ontstaat.
Weer in het ouderlijk huis gekomen, zet hij de radio aan, een simpel toestel van plastic. Besluiteloos hangt hij een uur in een stoel. Hij hoort hoe de muziek wordt weggedrukt door reclame voor tabak. Pall Mall moet je hebben, Pall Mall Export. Reclame volgt naadloos een maatschappijkritische song. Alles is entertainment. Je kan het beschouwen als een veeg teken. Maar wie herkent beelden van de toekomst?
In het kantoor van de garage vind ik geen papieren uit Duitsland. Er komen Duitse wagens binnen, maar waar zijn de papieren?

Vroeg en verstijfd ontwaakt hij in zijn eigen boerderijwoning. De deken ligt op de grond, naast het matras. Een echt bed heeft hij nog niet. Hij staat op, scheert zich en kijkt in de spiegel. In het huis heerst stilte. Bij het aanrecht drinkt hij een halve liter koude melk. Het lege pak spoelt hij uit onder de kraan en is ermee verlegen omdat er nog geen vuilnisbak staat. Het valt hem in, dat het bezit van een huis hem uiteindelijk weinig doet. Het verandert zijn leven nauwelijks en zeker niet op een manier die hem van binnen raakt. Hij loopt nog een ogenblik rond, ziet de telefoon en tilt de hoorn van de haak. Verdomd, het apparaat werkt! Leve de PTT! Het wordt hoog tijd zijn vader te bellen, deze met feiten en bevindingen te confronteren. Maar Pa Zwarthoed neemt andermaal niet op en antwoordapparaten moeten nog uitgevonden worden. Hij springt in de auto en zet koers naar de garage.

Arbeidsverdeling is een geweldige vinding, maar het leven van menigeen is ermee verpest tot sleur, eentonigheid, onderontwikkeling en kwetsbaarheid. Vooral jonge mensen zouden niet zo snel in het harnas van klok en kalender gehesen moeten worden. Het leven zou een mooie zoektocht moeten zijn, hooguit ingedeeld naar de standen van zon en maan. Zo ging het eeuwenlang bij volkeren in Amerika voor de Europeanen arriveerden. Zo ging het ook in het Engelse Stonehenge, door de spacerock band Ten Years After verbasterd tot Stonedhenge. Om twee uur in de middag vindt Arnold het wel genoeg. Hij vertrekt naar de stad.
In een winkelstraat loopt een groep vrouwen met geblondeerde haren, gekleed in krappe shirts en zeer korte broekjes. Het ziet er nogal volks uit. Op de boezem prijkt de tekst Veronica blijft. De Nederlandse regering wil het piratenschip uit de ether halen, desnoods of bij voorkeur met hulp van de marine. Tot dit niveau is de inzet van de Nederlandse Leeuw afgezakt: het bedreigen van een oude schuit van waaraf muziek wordt uitgezonden. Zelfs hiervan zal het evenwel niet komen. Tijdens een storm loopt het zendschip op het strand. De burgers moeten voortaan naar Hilversum III luisteren, een zender naar beproefd recept ontworpen voor middelmaat en verzuiling. In haar zucht naar controle gaat de Nederlandse overheid steeds meer gelijkenis vertonen met de vijand van het Oostblok.
Arnold neemt de vrouwen op. Zijn blik blijft iets langer rusten op vitale plaatsen.
Je moet de shirts natspuiten en de meiden touwtje laten springen.
Een erectie dient zich aan, maar laat even snel weer verstek gaan.

Bij Wimpy kan je de hele dag eten. Er zijn vandaag geen andere klanten. Je mag je afvragen of dit een gezonde situatie aangeeft. De serveerster controleert een bestellijst. De bar is onberispelijk schoon.
“Wat zie je bleek”.
Ze geeft hem een spiegeltje, de schat.
“Je hebt gelijk. Het leven is hard voor mij”.
Hij buigt zich over de bar, lokt haar met zijn glimlach, leest haar naamplaatje. Het is een geschenk van de werkgever om je eraan te herinneren hoe je heet. Bij eentonig werk kan je zoiets gemakkelijk vergeten.
“Antina”.
“Ja?”
“Bevalt het je hier nogal?”
“Dat gaat wel. Je moet toch wat”.
Het geven van aandacht is de sleutel om bij vrouwen succes te hebben.
“Maar je zou wel wat anders willen?”
“Waarom dan?”
Hij ziet zichzelf opnieuw in de handspiegel. Waar is hij mee bezig? Neemt hij Antina in de huishouding? Moet zij naar de vleesfabriek van Filarski? Wat is dit voor soort balorigheid?
“Binnen een half jaar wil ik voor mezelf beginnen.”
Ze zet een glas melk voor hem neer. Dit heeft ze kennelijk onthouden van een vorig bezoek. Een hardnekkig deuntje speelt door zijn hoofd.
Love the one you’re with. Love the one you’re with.
“Probeer je mij te versieren?”
De deur gaat open. Een man in maatpak zet zich aan de bar. Ongeduldig trommelt hij met een muntstuk op het blad. Arnold kijkt zijn kant uit.
“We zijn even bezig, ja”.
“Ik heb haast”.
“Dan moet je eerder komen”.
Het is een test. Als Antina blijft staan, dan deugt ze. Loopt ze weg, dan is alles over en uit. Ze blijft staan.
“In ieder geval”.
Hij is door de onderbreking uit balans gebracht.
“Het lijkt me een feest om met jou te werken”.
Meer zit er voor het moment niet in. Het onheil dat hijzelf heeft opgeroepen, is afgewend. Het zweet staat op zijn rug.

Hij eet. Een broodje warm vlees met tomaat en sla. Een tweede met oude kaas en komkommer. Nog een glas melk erbij. Tot slot een cola met ijswielen.
De maag is de thermometer van het humeur. Naarmate Arnold meer voedsel naar binnen werkt, voelt hij zich prettiger en lomer, meer bereid de wereld te nemen zoals deze zich aandient. Hij kijkt naar Antina en zou het liefste een half uur blijven zitten om al haar bewegingen te volgen.
Zijn oog valt op de telefoon waarmee hij eerder heeft gebeld met de makelaar over het boerenhuis dat hij inmiddels het zijne mag noemen, wanneer je de juridische finesses overslaat. Hij staat op, werpt een muntstuk in het kastje en draait een nummer. Aha!
Meteen komt hij ter zake. Hij vraagt zijn vader niet eens hoe het gaat of waar hij zich bevindt.
“U kunt beter thuiskomen. Er zijn problemen”.
“Met die van de straat geplukte auto? Dat los ik wel op”.
Pa Zwarthoed is beter op de hoogte dan Arnold denkt.
“Dat ook, maar ik wil het over de boekhouding hebben”.
Aan de andere kant valt een gaatje van stilte.
“Bent u er nog? Ik zei dus boekhouding. Importwagens zonder papieren”.
“Niet door de telefoon, jongen. Ik ben vanavond thuis. Hoe gaat het met je?”
Arnold gooit de hoorn erop. Hij ziet Anita kijken. Wonderlijk, hoe snel vrouwen kunnen switchen. Ze lacht met een andere klant en ziet Arnold niet meer staan.
Zonder naar de rekening te vragen, legt hij een tientje neer en verlaat de zaak. De straat is nat, al schijnt de zon. Hij weet niet beters te bedenken dan terug te keren naar de garage.

Tegen vijf uur arriveer eindelijk Pa Zwarthoed. Een goed gekozen moment, want het personeel mag gewoonlijk om half zes naar huis. Zo kan de baas zich nog juist laten bijpraten. In de garage hangt een dichte walm van uitlaatgassen.
De mannen groepen rond hun werkgever in de werkplaats. Het gaat met enige tegenzin, want er wordt al gedacht aan een avondje lekker hangen voor de beeldbuis.
“Gaat het, mannen? Wil jij de deur even open zetten?”
Pa Zwarthoed loopt rond, het personeel aan een onzichtbaar touw achter zich aantrekkend. Hij stelt korte vragen en deelt een paar papieren uit.
“Waarom is deze auto nog niet klaar?”
Er is dit en dat. Arnolds vader veegt alle argumenten weg met een handbeweging. “Zorg dat het ding er vandaag nog uit gaat. Gesnapt, vandaag!”
Hier staat een bedrijfsleider. Iemand die geen tegenspraak duldt. Geen werknemer zal het wagen voortijdig te vertrekken, al wordt het half negen in de avond.
“In het kantoor?”
Pa Zwarthoed lacht. Orde op zaken stellen, is voor hem de normaalste zaak van de wereld. Toch loopt hij mee.
“Zullen we zitten?”
Arnold neemt het initiatief en is van plan het te houden.
“De boekhouding dus. Met name deze stapel”.
Hij haalt papieren uit de onderste lade van het bureau en kwakt die neer.
“Wat is ermee?”
Er is geknoeid. Er klopt niets van. Het komt over als incidenten, maar”.
“Zo, daar moet ik dan eens naar kijken”.
Het klinkt naar uitstel en liegen.
“Mijn indruk is, dat hier auto’s van onduidelijke herkomst arriveren. De motor gaat eruit. Niet omdat er wat aan mankeert, maar om er een andere chassisbalk in te lassen. De balken komen van de sloop. Zit ik er ver naast?”
Hij kijkt zijn vader aan zonder hem echt te zien.
“Zoiets heet omkatten en je kunt er de gevangenis voor indraaien.”
Een vader wordt ontmaskerd door zijn zoon.

Vanuit de werkplaats klinkt muziek. Ben Cramer heeft een slappe hit met Veronica Vrij. Boven een kadaver hangt altijd een aasgier. Het is lastig om het gesprek weer op gang te brengen. Soms lijkt het of alleen in lichaamstaal de communicatie verder gaat.
Pa Zwarthoed kijkt weg. Hij veegt langs zijn gezicht.
“Potverdorie, Arnold”.
Er zijn momenten waarop je alles kunt zeggen tegen wie je wilt. Arnold snuift en komt half overeind.
“Wie weten ervan, pap? Dat is van groot belang”.

De klok tikt naar zes uur. In de garage wordt gebuffeld. De opdracht is duidelijk, net als de gevolgen wanneer gefaald wordt. Reclame voor Javaanse Jongens, een gore shag, vliegt de ether in. De nieuwslezer begint aan de dagelijkse lijst met rampen.
“We moeten iets doen”.
We.
“Johan werkt bij hem thuis, niet hier”.
Johan, de chef. Johan, de meest brutale van het stel, de man met de gouden handjes.
“Onzin. Ik heb zelf gezien dat het gewoon hier gebeurt”.
Het lijkt even of Arnold de baas is. Zijn vader is het noorden kwijt.
“Stuur hem de laan uit”.
“Dat kan toch helemaal niet! Hij maakt me kapot!”
Arnold voelt die typische kilte opkomen wanneer je keihard moet beslissen.
Speciaal aan Johan begon hij steeds meer een hekel te krijgen.
“Geef iedereen morgenochtend vrijaf. Zeg dat het is, omdat ze hun best hebben gedaan, maakt niet uit. Wij gebruiken de vrijkomende tijd om bewijzen op te ruimen”.
“Moet ik een complete auto dumpen?”
Pa Zwarthoed doelt op een keurige 4-deurs Opel in de showroom. Hij weet dus weldegelijk hoe het zit.
“Wilt u de bak in voor een overjarige Opel? Weg met het ding! Bel de sloperij van de chassisbalken. Zij hebben er evengoed belang bij niet ontdekt te worden”.
“Je bezorgt mij een hartverzakking”.

Het wordt een lange nacht. Vader en zoon blinderen de ramen die je vanuit de straat kan zien. Lappen zwarte folie werken uitstekend. Ze slepen met portieren en motorkappen, assen en versnellingsbakken. Het helpt geweldig dat Arnold de boekhouding al had uitgezocht. Bij controle kunnen lacunes worden aangetroffen, maar minder gemakkelijk harde bewijzen. Ze drinken zwarte koffie met een scheut cognac. De besmette Opel wordt met de hand naar buiten gerold.
Om half zeven in de ochtend arriveert een vrachtwagen met kraan. De Opel wordt op eigen kracht weggereden. Drie kerels in overalls takelen de handel in de laadbak. Gesproken wordt er nauwelijks. Pa Zwarthoed staat in de openstaande deur. Om zeven uur vertrekt de vrachtwagen. Het dorp slaapt nog grotendeels. De Zwarthoeden halen de blindering weg, sluiten af en gaan naar het ouderlijk huis. Hier wacht de Rotterdamse Staander, een klok als een monument.

Harde muziek tettert Arnold uit bed. Het is half twaalf in de morgen. De huishoudster is bezig in de woonkamer en wordt bijgestaan door Trudie. De twee kunnen het prima vinden. Ze hebben er de radio bij aangezet.
Zonder te groeten smeert Arnold een boterham en eet deze staande bij de koelkast op. Drie lange teugen melk erachteraan en hij kan er weer tegen.
“Goedemorgen!” De huishoudster heeft hem ontdekt.
“Ja”.
Het voelt of hij in dit huis al een beetje te gast is.
“Blijf je eten vanmiddag? Ik heb paprika’s meegebracht. We gaan chili maken”.
Chili con carne. Wat mag dat zijn? De aankondiging klinkt als een voorstel tot het aanrichten van een bloedbad. Arnold is allerminst in de stemming.
“Geen tijd. Ik moet weg”.
Hij loopt terug naar zijn kamer. Wat mee te nemen naar zijn nieuwe huis? Hij kiest het schaalmodel van de bommenwerper en de bandrecorder. Van de zolder haalt hij een kartonnen doos voor de vele geluidstapes. Vervuld van ongerichte gedachten verlaat hij de woning.

Hij levert de spullen af in zijn eigen woning en rijdt meteen door naar de stad. Bij het naderen van de Kanaalbrug voelt hij zijn ingewanden samentrekken. Staat daar een politiewagen? Het kost hem moeite een angstaanval onder bedwang te krijgen.
Komt u even mee naar het Bureau! U begrijpt wel waar het over gaat.
Bij de brug staat geen politie maar een verkeersregelaar en de Kade toont de gangbare rij autobussen. Aan de overzijde van het water ligt een schip met betonplaten voor de bouw. De autoradio meldt dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger onderhandelingen voert met de leiders van Noord Vietnam. De gevechten in het verre land gaan intussen gewoon door.

Voor de vorm belt hij aan bij het oude huis van Iris. Het huis is doof. Als een dief schirt hij de steeg in. Iemand moet hebben opgeruimd, want hij behoeft nergens over heen te klimmen. Zelfs het vele glas is verdwenen. Arnold haalt diep adem, opent de achterdeur en begint de trappen te beklimmen. Het huis stinkt onverminderd naar oude urine en verlatenheid. Geen enkel teken van menselijk leven bereikt zijn oren. Hij bereikt de derde etage. De deur van de woning staat op een kier.

Hier woont niemand meer. Arnold voelt hoe het zweet op zijn rug staat. Minstens een minuut duurt het nahijgen van de klim. Hij betreedt de woning en werpt een blik uit het venster, naar die wirwar van rode pannendaken en de verre schoorsteenpijp van de vuilverbranding. Meubels en huishoudelijke spullen zijn verdwenen. Keukendeurtjes in de keuken staan wijd open. Hij loopt meteen door naar de achterkamer. Hier staat het frame van een bed. Het bed van Iris.
Ik heb nog geen bed in mijn nieuwe huis.
Met geweld wrikt hij de metalen delen van het bed uiteen. Het zijn twee schotten op hoge poten. Hierop rusten de dragers, buizen van twee meter lengte. Het spiraal is rechthoekig en zwaar. Het is hem aanstonds duidelijk, dat voor transport van deze spullen hulp nodig is en een karretje achter een auto. Hij verlaat de woning en klost de trappen af.

“Hé, Gerben”. Gelukkig is de oude schoolmakker thuis.
“Hoi. Binnen?”
“We gaan wat eten. En ik heb je machtige torso even nodig”.
Ze schuiven binnen bij Visjan, een snackbar die je op afstand kan ruiken. Arnold kijkt recht in de bak met frituur.
Ik ben niet geschikt voor de garage. Ik ga wat anders doen.
Onderschat wordt hoe verstandige gedachten in verband staan met zoiets eenvoudigs als eten. Hieraan denken kan al voldoende zijn, want het brein wordt immers geprogrammeerd op basis van associatie. Mensen die slecht eten, belanden in een schijnwereld, een milde hel bovendien.
“Scholletje?”
“Neem jij maar. Voor mij een broodje garnalen”.
Het kan eraf. Arnold heeft een bankrekening geopend op naam van Gerben. Hierop heeft hij een fors bedrag gestort. Alleen, Gerben kan hier niet bij, zelfs niet kijken wat daar gaande is. Slechts Arnold zelf heeft toegang. Het systeem van de katvanger. In ruil krijgt Gerben elke maand de huur van zijn woning in baar geld toegeschoven.

Ze nemen de tijd. Arnold heeft even geen behoefte zich in de garage te laten zien. Vanuit de snackbar belt hij om een bestelwagen te huren. Het is tamelijk vlakbij. Samen rijden ze naar het huis van Iris en sjouwen de stalen delen de trappen af. Gerben is hier nooit geweest. Hij zegt niets over de stank in het pand. Na de sjouwpartij neemt hij afscheid. Het wordt tijd voor zijn middagdutje. Afgekeurd voor alle arbeid kan hij elke middag even lekker rusten, een mooi vooruitzicht. Bevredigend is het allerminst.

Arnold rijdt de huurauto naar zijn huis. Vergeefs probeert hij achteruit in de schuur te draaien. Wat hij ook probeert, het mislukt gewoon. Het lijkt of de schuurdeur een elektromagnetisch schild bevat. Hij geeft het op en doet de rest met de hand. Voorlopig belanden de delen van het bed bij een achtergelaten hooipers en een stapel kachelhout. Per omgaande brengt hij de huurauto weer terug. De rest van de dag doet hij niets. Over de definitie en het begrijpen van nietsdoen, bestaan al eeuwenlang misverstanden. Onder druk van het arbeidsethos ontstaan gezegden als ledigheid is des duivels oorkussen. De handjes moeten wapperen. Echte beslissingen worden evenwel uitgebroed in rust en reflectie.

Om negen uur in de avond stapt hij De Pilaren binnen en groet het personeel. Bij binnenkomst in een keurig etablissement het personeel groeten, is een gewoonte die door Nederlanders dikwijls wordt verzaakt. Wij zijn een lomp volk.
Jenny zit aan een tafel bij het venster, met uitzicht op de ruïne van een voormalige kerk op een zeer groen grasveldje.
“Koffie?”
“Lekker”.
Ze zitten een minuut tegenover elkaar te zwijgen, goeddeels langs elkaar heen kijkend.
Arnold is kalm.
“Hoe gaat het met je huis?”
“Het is bewoonbaar. En dat gebeurt dan ook”.
Haar houding bevalt hem in zekere zin. Jenny kan goed zonder hem en dit gegeven verschaft gelijkwaardigheid. Dat ook onverschilligheid of berekening redenen kunnen zijn om afstand te houden, is een andere zaak.
“Wat kijk je?”
“Je bent adembenemend”.
Ze smelt. Jenny is een vrouw die hard kan zijn, gewend aan het doordrijven van haar wil. Eén enkel vriendelijk woord of gebaar toont ineens een heel andere vrouw.
“Dank je! Wat ben je hoffelijk vandaag”.
Hij schudt zijn hoofd, bijna onmerkbaar, alsof zijn gedachten zich alweer elders bevinden.
“Jenny, zullen wij eens wat zaken bespreken?”
De ober brengt koffie. Zijn hand zet de kopjes neer. Hij wisselt de asbak voor een schone en trekt zich terug. Goede obers zijn mensen die handelen en tegelijk lucht zijn.
“Als je dat wilt. Goed”.
“We moeten elkaar kunnen vertrouwen”.
“Ja”.
“We kunnen nog stoppen”.
“Waarmee?”
“Met ons”.
“Nee”.
“Waarom niet?”
“Omdat”.
Ze werpt een blik uit het venster. Hij lijkt of bloed naar haar wangen stijgt.
“Ik ben geen speelgoed”.
Het klinkt, of ze hoer had willen zeggen. Ongemerkt neemt ze het initiatief van hem over.
“Arnold, je bent ergens aan begonnen”.
Het is zijn beurt om een poosje zijn mond te houden. Waar hoor je dergelijke geluiden nog? De mensen gaan maar relaties aan en verbreken die wanneer het niet meer bevalt. Dat Arnold hieraan zelf meedoet, vergeet hij liever. Tekortkomingen  zie je altijd het eerst bij een ander. Daarbij kan je het uitleggen als een vorm van vergeving. Hij staat op, liep om de tafel en geeft Jenny een kus.
Ze bestelt een fles wijn en een plankje kaas. De ober komt een kaars aansteken. De zaken moeten maar even wachten.
Elkaar vertrouwen. Natuurlijk. Nobele woorden, goede bedoelingen. Maar geen oplossing voor uiteenlopende belangen, vooringenomenheden, angsten of ontbrekende stukken uit puzzels.
Elke relatie begint met verlangen, passie en seks. Er is hooguit een vermoeden van gezamenlijke belangstellingsvelden. Pas later, veel later, komen waardering en inzicht. En daarmee de liefde. Soms.

Anderhalf uur blijven ze in De Pilaren. Het opzoeken van andere kroegen en daarmee het ingaan van nieuwe ronden in het aloude paringsritueel, mag vandaag worden overgeslagen.
“Zin om mijn huis te zien?”
Het is al te donker voor bezichtiging van de buitenkant. Tot een rondleiding binnen komt het evenmin. Ze belanden meteen in de slaapkamer. Het nieuwe matras is nog verpakt in plastic en ligt op de vloer.
“Heb je geen echt bed?”
“Alles op z’n tijd”.
Ze nemen kussens van het bankstel en kruipen onder een laken. Het is warm, al dagen lang.
“Zeg Arnold, ik loop al de hele avond rond met een naar gevoel”.
Hij sluit zijn ogen. Moet het altijd weer ingewikkeld?
“Wat is er dan?”
“Heb je niets gehoord?”
“Waarover? Ik heb gewerkt”.
“Iris is dood”.
Wat kan je zeggen? Arnold is met stomheid geslagen. De menselijke geest is niet toegerust om het hele beeldmateriaal dat van iemand is opgeslagen, om te gooien naar het tegendeel: de dood.
“Ze schijnt een overdosis te hebben genomen”.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.



De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.