Monkwise

columns verhalen fotografie

BLINDGANGER, Hoofdstuk XIX

| Geen reacties

Mensen weten instinctief wat goed voor hen is. Meestal is het angst voor anderen die hen er vanaf houdt hieraan gevolg te geven. Arnold beseft maar al te goed, dat Jenny hem de baas is. In zijn hart voelt hij weinig voor een winterse trip naar Berlijn. Hij gaat erheen met een halfbakken doel en een onbegrepen vrouw.

Het filmpje dat Jenny van Marjan en Arnold maakte, komt nogmaals ter sprake. In besloten kring heeft zij deze getoond aan een aantal mensen uit haar netwerk.
“Ze vonden het heel bijzonder”.
Arnold kan zijn ergernis nauwelijks onderdrukken.
“Ik heb de beelden ongemonteerd gelaten. Iemand zei: het lijkt wel of ik zelf aan de gang ben”.
“Je kent mijn standpunt”.

De functie van porno. Mensen willen denken dat ze daar zelf liggen en staan, over de ander kunnen beschikken als over een stuk speelgoed. Zonder verantwoording af te hoeven leggen. Porno is gekanaliseerde agressie. De kijker verschuilt zich achter het standpunt dat hij niets te maken heeft met de acteurs, ongeacht of die vrijwillig meedoen. Dwang bestaat in eindeloze variaties. Jenny kon beter zeggen dat juist door een zekere intimiteit het filmpje met Arnold pervers is, niet het gebruikelijke rampetampen.

“Ik verbied je hem nog ooit aan iemand te laten zien”.
“Het is toch ook mijn film”.
“Mijn antwoord blijft nee”.
“Je maakt het me moeilijk. En jezelf”.
“Jenny, schei uit”.
Arnold denkt even na.
“Laat mij die film van je kopen. Dan zijn we klaar”.
Hij krijgt de indruk dat Jenny het vooral vermakelijk vindt. Met elke voortzetting van de discussie krijgt hij meer de pest in.
`Wat geef je er dan voor?”
“Wat wil je hebben?”
“Ik zal erover denken”.
“Nadenken leidt tot niets. Geef mij gewoon de film”.
Het onvoorstelbare gebeurt. Jenny haalt bakzeil. Zonder hem iets te laten betalen, overhandigt ze hem een rond filmblik. Arnold heeft zo weinig vertrouwen, dat hij het blik opent om de inhoud te controleren. Eenmaal thuis giet hij er benzine overheen en steekt de zaak op het erf in brand, precies op de plek waar het geld ligt begraven.

Voor een rit van zeven honderd kilometer over asfalt leent een BMW zich bij uitstek. De weg is lang, de weg is recht. Dorpen liggen als vlekken in het verregende landschap. Arnold vraagt of Jenny wil rijden, maar zij zegt ze vergat haar rijbewijs mee te brengen. Zij zit naast hem: de benen opgetrokken om een beetje te slapen. Haar hoofd trilt zachtjes tegen het zijruit. Maar hoe ze ook gaat liggen, altijd ziet ze er weerbaar uit.

Bij de landsgrens staan borden en douaniers. Een slagboom markeert de overgang naar andere wetten, een andere munteenheid en een andere taal.
Duitsland. Verdacht land. Misdadig land. Na de oorlog had Nederland woeste plannen voor annexatie van Duits grondgebied. Nederland was geen overwinnende mogendheid, maar een leeggeroofde delta vol wegkijkende burgers en slappelingen. De Drie van Breda kregen celstraf in plaats van de kogel. Toen waren andere bewezen nazi-beulen al ontsnapt uit de gevangenis.
En toch: alles bijeen valt de schade voor Nederland nog mee. Voor hetzelfde geld was het land allang een Duitse deelstaat onder de naam Niederlande.

Bij Mariënborn, grensovergang tussen Bondsrepubliek en DDR, is het gedaan met de pret. Ze komen tot stilstand voor een complex van betonnen sluizen, slagbomen, prikkeldraad en met karabijnen uitgeruste grenswachters. Hier begint een andere wereld. Het geheel baadt in een onnatuurlijk wit licht, afkomstig van felle lampen, in trossen gemonteerd op hoge palen.
Vanaf een verhoging dreigt een bemande tank. Tientallen auto’s staan in de rij, de motoren afgezet. Voor een visum, slechts geschikt om de corridor naar het vrije deel van Berlijn te passeren, moeten ze hun paspoort tijdelijk inleveren. Iedereen blijft in de auto. Er hing een nare sfeer.
Een aan de rechtbank ontsnapte kerel werpt een kille blik door het opengedraaide venster. Hij vergelijkt de pasfoto met het levende origineel. Jenny moet haar gezicht draaien. Het is alles machtsvertoon. De Koude Oorlog is vóór alles kinderachtig.
Na een uur mogen ze doorrijden, voorzien van op grootvaders wijze gestempelde papieren. Strikte instructies dienen te worden opgevolgd. Ze sukkelen door een agrarisch winterlandschap, een ansichtkaart die nergens meer te koop is. Hier wordt het Westen tot deemoed gedwongen. Voor hen uit pruttelt een wagentje van het merk Trabant. De auto lijkt ontworpen als kermisattractie.

De rit herinnert Arnold aan de schoolgang: de onbestemde vrees om te worden aangesproken op normen die elk moment kunnen veranderen.

Ergens op het platteland tussen uitgestrekte heuvels komen ze tot stilstand. Een militaire jeep verspert de doorgang. Zeker een kwartier gebeurt er niets. Dan verschijnt, over een breedte van enkele honderden meters een zwerm ronkende tanks, in hun kielzog vrachtwagens waarmee je dwars door muren kan rijden. Het trillen van de bodem is tot in de auto voelbaar. De stalen kolossen bonken en steigeren de rijweg over, ploegen aan de overzijde het land kapot, zwarte rookslierten uitbrakend. Het maakt weldegelijk indruk. Na het vrijmaken van de doorgang duurt het nog lang voor de fragiele stroom personenwagens weer op gang komt. Het herinnert Arnold aan zijn omgang met de militaire dienst: duiken en wegwezen.

Het is donker wanneer ze opnieuw de grens bereiken. Ze schuifelen voort naar een betonnen val waaraan wederom geen ontsnappen mogelijk is.
Deze keer behoeven ze geen enkel papier te tonen. Omhoog schoot de slagboom. Luxe wagens springen voorwaarts. Zelfs de auto’s lijken aan te voelen dat ze op vrij terrein zijn gekomen. Ook Arnold kogelt de stad in. Het stratenplan zit in zijn hoofd.

Hotel Marcus is gevestigd in een vooroorlogs pand. Alles is kolossaal: de toegangsdeur, het trapportaal, de lounge. In een openstaande gangkast is ruimte voor een paard met Sinterklaas er bovenop. De beheerder is een ongeschoren chagrijn. Hij wil dadelijk geld zien. Misschien is hij al te vaak in de maling genomen. Hij toont hooguit dertig jaar en ruikt naar drank. Zijn gasten inschrijven vindt hij overbodig.
De auto moet op straat slapen. Arnold staat er vanuit de hotelkamer naar te kijken. Een dure BMW zomaar op straat achterlaten, bevalt hem allerminst.
Om zich er nog maar eens van te overtuigen dat hij de portieren heeft afgesloten, daalt hij de trap af. De beheerder heeft ruzie met een klant. Gewelddadig slaat hij met een honkbalknuppel op de balie, schreeuwt hevig en beveelt zijn gast voor eeuwig te verdwijnen. De aangesprokene is een oudere man met kleverige bewegingen en de bereidheid om oeverloos door te zaniken. Arnold loopt er achterlangs naar buiten.
Op straat kijkt hij om zich heen. Een kwart eeuw na de oorlog is hier nauwelijks meer gedaan dan het ruimen van puin en het afdekken van de oude keienstraten met plakken gegoten asfalt.
Hij opent de kofferklep en inspecteert of alle bagage was meegenomen. Zelfs de plaat die toegang biedt tot het reservewiel gaat omhoog. Het wiel is afwezig.
In plaats hiervan ligt er een zwarte plastic tas zonder opdruk. Hij sjouwt deze het hotel in. Bij de balie is de rust weergekeerd. Er staat of zit niemand. Wel zweeft er een vervelende mensenlucht. Twintig treden telt de geweldige trap van massief hout en metaal, met bovenaan glas in lood: een juweeltje van Jugendstil. De kamerdeur staat op een kier. Jenny heeft vertrouwen in het leven. Ze ziet hem binnenkomen met de tas. Haar mond valt open.
“Arnold!”
“Wat?”
“Geef die aan mij”.
“Heb jij het reservewiel eruit gehaald? Er is toch plek genoeg in de kofferbak?”
Nieuwsgierig is hij eigenlijk nauwelijks. Een domme plastic tas. Wel zoemt ergens onderin zijn bewustzijn het alarm. Hij keert de tas om, zomaar boven de vloer.
Een beeld dat hem zal bijblijven. Jenny doet een stap naar voren en blijft staan. Je kan zeggen: ontredderd en betrapt.
“Je laat mij door de DDR rijden met vijf blikken pornofilm?”
Arnold is stomverbaasd.
“Het is mijn werk. Laat ze dicht”.
Onmiddellijk licht hij het pennenmes uit zijn zak en wrikt aan een deksel.
“Toe nou”.
Het deksel springt weg en rolt een eind over de vloer van eiken planken.
“Zie je wel! Godverdomme!”
“Het zijn maar films. Weet je wat we hiervoor krijgen?”
Hij kijkt door haar heen als wil hij voorkomen dat zijn blik de hare kruist.
“Vijf jaar cel hadden we kunnen krijgen”.
Een vermoeden rijst in hem als cakebeslag in een oven.
“Heb jij de afgelopen tijd vijf verschillende mensen zo gek gekregen om aan een pornofilm mee te werken? Of ligt het anders?”
Jenny begrijpt hem zo ook wel. Ze heeft weinig keus dan toe te geven hoe het zit en te hopen dat Arnold zich voor rede of iets anders vatbaar toont.
“Ja, er is ook een kopie van de film waarop jij staat”.
Ook boosheid kent een grens. Hierna volgt razernij of anders kalmte. Arnold verandert in ijs.
“Je hebt geen recht dit te doen. Je belazert mij met een nepper”.
Ieder ander die hem dit had geflikt, kon op klappen rekenen. Jenny heeft iets dat hem toch op afstand houdt.
“Het is mijn broodwinning. Wordt toch eens wakker, Arnold! Denk je dat ik kan bestaan van wat reclamewerk? En dan nog: ik doe het gewoon graag. Ja, kijk maar alsof de zee in brand staat! Het windt me op, precies zoals het mijn afnemers opwindt”.
“Het is tegen onze afspraak”.
“Dan had je die moeten maken voor ik jullie begon te filmen. Mag ik je eraan herinneren dat jij Marjan meebracht, haar onbeschaamd betastte en haar naderhand afscheepte met een bedrag waar je net een nieuwe spijkerbroek van kan kopen?!”
Argumenten komen als mosterd na de maaltijd. Gedane zaken nemen geen keer en geschonden vertrouwen is moeilijk te herstellen, zo niet onmogelijk.

Arnold zegt niets meer. Hij pakt zijn spullen bijeen, daalt de trap af en stapt in zijn auto. Alles geurt naar Jenny en niemand is verder van hem verwijderd dan juist zij. Het portier slaat dicht. De motor start meteen. Arnold hyperventileert. Vlekken en gezichten vertonen zich voor zijn ogen. Hij trekt op en ziet in een flits dat naast het hotel nog een ander pand staat dat de beschietingen en bombardementen van de oorlog heeft overleefd. Bij de ingang van dit pand staan mannen met kaalgeschoren hoofd, geheel in leer gestoken. Op het bord achter hun rug flakkert een reclame in neon. Blue Boys Club. Daar hebben de tanks en bommenwerpers het pand voor gespaard.

Denken is onmogelijk. Hij rijdt zomaar een eind, koerst door een uitgaansgebied en herkent zichzelf als een blindganger, een verdwaald projectiel dat bij de geringste aanraking kan afgaan.
Hij belandt in een achterbuurt. Vuilnis staat in zakken tegen een raamloze muur opgetast. Op een terrein tussen twee flatblokken wordt fik gestookt. Iemand sleepte een matras aan en wierp dit in de vlammen. Een lichtgevende rode pijl toont de ingang van een gebouw waar iets te beleven is. Arnold brengt zijn auto tot stilstand.
Opgaan in de onderbuik van een ongekende wereldstad: via betonnen trappen bereikt hij een oude fabriekshal en onderliggende gewelven. Een band speelt achterhaalde herrie uit de jaren zestig. Junks hangen bij elkaar. In een hoek wordt gevochten. Aan een bar die uit een ander gebouw afkomstig moet zijn, drinkt hij een biertje. Als je wil betalen, gooi je maar een muntstuk in een kartonnen beker.

Hierna is er weer de leegte van een achterbuurt in ruste. De benzinemeter op het dashboard toont een knipperend waarschuwingslampje.
Deze keer parkeert hij bij het treinstation en heeft de tegenwoordigheid van geest om de autoradio mee te nemen. Nergens wordt zo gestolen als bij stations. Hij loopt de hal in en passeert wachtende toeristen met rugzakken. Langs een betegelde wand scharrelen alcoholisten en zwervers. Hebben de Duitsers met de oorlogsnederlaag ook meteen maar de handhaving van de openbare orde ingeleverd?
Het ontdekken van een telefooncel brengt hem op een idee. Hij werpt een muntstuk in de gleuf en draait een lang nummer.
“Trudie?”
“Jezus, weet je hoe laat het is?”
“Wat doe je in mijn huis?”
“De telefoon opnemen. Waar zit je?”
“Berlijn”.
“Bij papa?”
“Nog niet”.
“Waar dan?”
Hij werpt een blik in zijn ziel. In de hel, daar is hij.
“Een hotel. Is alles goed met je?”
Een vuist tikt tegen het glas van de cel.
“Ik heb een konijn in huis gehaald, lief hoor”.
“Dat is goed, Trudie. Morgen bel ik je weer”.
Hij kijkt in een brutaal gezicht met sluik haar. Achter die persoon doemt een tweede grappenmaker op. De heren lijken weinig goeds in de zin te hebben. Arnold drukt de deur met zijn voet op een kier.
“Abhauen!”
Een Hollander in Berlijn.
Onverstaanbare woorden volgen. Een arm wringt zich naar binnen. Kennelijk gaat het om de radio.  Plotseling is er een venijnige vlam in zijn zijde.
De reactie volgt met bliksemkracht. Alle frustraties ballen zich samen in een enkele ontlading. Achteraf kan je niet precies zeggen wat er gebeurt. Arnold ramt de deur wijd open, slaat zijn belager met de radio in het gezicht, schopt de helper en grijpt de eerste opnieuw. Bloedspatten overdekken zijn kleding.
Zijn kracht groeit evenredig zijn woede. De radio wordt uit zijn hand geslagen. Hij omklemt het hoofd met slierthaar en stampt dit met geweld tegen het glas van de cel. Bij de tweede slag breekt het glas. Het lichaam stort de cel binnen. Een Amerikaanse soldaat loopt langs en klapt in zijn handen.
De helper slaat op de vlucht. Arnold zet de achtervolging in. Mensen wijken terug. Ze pakken hun biezen. Een krant dwarrelt omhoog. Buiten, minstens honderd meter van het station, heeft hij succes. Hij schopt een voor hem uit vluchtend been onderuit en stort zich op het vallende lichaam. De ander biedt verzet en schreeuwt luid. Arnold beukt net zo lang tot het stil wordt.
Hij kijkt om zich heen, snikkend en snuivend, misselijk van de inspanning. De leeuw heeft een hyena achterhaald. Andere dieren houden gepast afstand. Er ontstaat een bijna abstracte situatie. Mensen kijken toe, maar doen geen poging tot bemoeien.
Arnold bukt, maakt de jas van zijn prooi los en doorzoekt de zakken. Hij heeft hiermee geen voornemen of doel. Het is onderdeel van een ritueel.
Hij vindt sigaretten, sleutels, een portemonnee en laat alles liggen. Alles, behalve dat ene.

Terug in de BMW. Hij heeft zijn jas uitgetrokken en zit er bovenop. Bloed lekt uit zijn zijde, een beroerde steekwond. Pijn voelt hij nauwelijks, eerder een soort verdovende vermoeidheid. Op zijn schoot ligt een vuurwapen, een matzwart pistool. Arnold weet niets van pistolen. Alleen met een luchtdrukbuks heeft hij wel eens geschoten.
Het dashboard toont een schuldig gat waar eerst de radio heeft gezeten. Hij draait de zijruit helemaal open en laat nachtlucht binnenstromen.

Bij een modern tankstation voorziet hij de auto van benzine. Hij staat in de kille wind en voelt zich heen en weer geslingerd tussen de aandrang om dadelijk naar Nederland terug te gaan en de behoefte om ergens te gaan liggen en de slaap te laten komen.
Bij de Tankstelle behoort een kleine winkel waar je snoepgoed, verpakte sandwiches en drank kan kopen. Arnold plaatst een heupflacon whisky en een verpakking met zes blikken bier op de balie. Een dik meisje met een bril rekent af. Achter haar rug flakkert de beeldbuis van een tv. Een Duitse zanger staat in een ambiance die aan Vegas doet denken. De beelden tonen een plastic decor in een Duitse studio.

Langzaam rijdt hij terug naar Hotel Marcus. De monumentale voordeur geeft moeizaam mee. De portier zetelt achter zijn houten barricade en kijkt nauwelijks op.
Arnold zet de drank op de balie.
“Bier?”
“Immer”.
De portier verplaatst de boel dadelijk naar zijn kant.
“Nicht hier”.
Ze gaan naar een zijkamer, zakken neer op een lederen bank tegenover een uitgeschakelde tv. Er hangt een geur van kerk of oude bibliotheek. Ze steken een sigaret aan, een wezenloze Montana.
“Schwere Nacht?”
“Kann Mann sagen”.
“Sie blüten”.

“Ja”.
“Streit?”
“Streuender Hunde”.
“Ausländer?”
Voor de portier is Arnold geen buitenlander.
“Genau”.
“Wo?”
“Bahnhof”.
“Geld weg?”
“Autoradio”

“Scheiße”.
Arnold laat het bier achter en sleept zich de trap op. Zijn rechterbeen tintelt onheilspellend.

Hij klopt. Jenny opent.
“Je bent terug!”
Zwijgend zet hij de whisky neer, tast in zijn gehavende jas en haalt het pistool tevoorschijn.
“Ik heb iets meegebracht om je dood te schieten”.
Jenny zegt niets. Ze staat te staan.
Langzaam strekt hij zijn arm in haar richting.
“Arnold, hou op”.
“Begin maar vast te bidden”.
“Het is geen echte”.
Arnold loopt naar het raam en duwt het zware venster open. Zijn zijde zendt klopsignalen uit. Met zijn hand buiten het raam haalt hij de trekker over. Hij verwacht een rauwe knal en een flinke schok en dat is precies wat gebeurt. Maar de straat is breed, de hemel hoog en Berlijn heeft erger meegemaakt. Het geluid verstomt. De stilte blijft een halve minuut hangen. Arnold haalt zijn arm binnen en legt het wapen op de vensterbank.
“Ik ben gewond. Godverdomme”.
Het lijkt of Jenny zijn gedachten kan lezen. In plaats van het inroepen van een arts voor te stellen, begint ze bijna ongemerkt spullen bijeen te rapen.
“Weet je wat? Ik zal weggaan. Ik neem een ander hotel. Dan ben je van mij verlost”.
Geen slecht voorstel.
“Welja. Rot maar op naar die kunstenmaker waar je films aflevert. Soort zoekt soort”.
Vervuld van pijn gaat hij naar de badcel om zijn handen en gezicht te wassen. De wond in zijn rechterzijde hindert hem bij het lopen. Het wapen laat hij liggen.
Ik moet hier weg. Jenny brengt niets dan ongeluk.
Boven de wasbak knoopt hij zijn broek los. Bloed uit de wond in zijn zijde is tot in zijn onderbroek gelopen. Hij sluit zijn ogen.
Bloed, zweet en pis zijn waarheden waar je niet omheen kunt. De toiletpot is je beste vriend. De wasbak is een goede tweede.
Met een handdoek probeert hij het bloed weg te vegen. Uiteraard ligt nergens in de badkamer verband of iets van dien aard. Een hotel biedt soms een troostende Bijbel in een lade of kastje, maar verder gaat het niet.

“Ik hoop nog steeds dat je tot rede komt”.
Jenny heeft haar spullen terug gelegd. Arnold geeft geen antwoord. Hij schroeft de dop van de meegebrachte fles Canadian en giet een flinke scheut achter zijn kiezen.
“Ik ben altijd redelijk”.
Allemachtig, wat een schoorsteenbrand.
Whisky heeft een prachtige gouden kleur. Als van urine wanneer je koorts hebt. Hij drinkt langzaam. De alcohol bijt in zijn tandvlees, een aparte sensatie.
“Samen uit, samen thuis”.
“Ja, dit is precies de vakantie die ik me had voorgesteld”.
Zelfbeheersing is een kostbare eigenschap. Jammer dat je er veel op moet oefenen. Flinke pijnscheuten helpen ook goed. Arnold heeft weinig keuze dan te gaan zitten. De stoelen liggen vol met spullen, dus alleen het bed blijft over. Of de vloer.
Hij kiest het bed en laat zich achterover zakken. Jenny herneemt terstond de leiding.
“Je gedraagt je als een verwend kind dat boven de wet staat. Wat ben je helemaal? Een inbreker, een dief. Je slaat en trapt mensen wanneer je niet meteen je zin krijgt”.
Arnold wil lachen, maar het doet teveel pijn.
“Je vergeet dat ik gewapend ben. En gewond. Dat is een beroerde combinatie”.
”Je hebt gedronken”.
Dat Jenny gemakkelijk het wapen kan pakken en ermee doen wat ze wil, interesseert hem niet. De tijd vertraagt. De ruzie gaat voort in slow motion. Geen slechte zaak. Ruzies zouden verplicht onder een beperkt tempo van woordenwisseling moeten blijven.
“Ik drink omdat ik dorst heb”.
Jenny lacht schamper. Voor een goed verstaander klinkt het naar eenzaamheid.
“Je zou eens volwassen kunnen worden. Verantwoordelijkheid nemen voor wat je doet”.
“De auto staat op mijn naam. Wanneer die troep gevonden was, word ik meegenomen. Jij niet”.
“Daar gaat het niet om. Jij staat op de film. Jij vergrijpt je aan een meisje. Daarom precies levert de film geld op. Lig er niet wakker van en deel mee in de opbrengst. Zo werkt de wereld, Arnold Zwarthoed”!

Harde woorden. Veel brengen ze niet teweeg. Arnold zit vast in de gemakzuchtige opvatting dat verkrachten pas zo kan worden genoemd ingeval zijn jongeheer een rol vervult. Hij heeft Marjan niet geneukt en meisjes huilen wel vaker. Bovendien is hij onderhand flink in de olie en doodmoe. Wat kan hem Marjan schelen?
De pijn in zijn zijde begint onderhand ondraaglijk te worden. Het lijkt wel of daarbinnen een dier aan hem zit te vreten. Hij schuifelt naar de rand van het tweepersoons bed en gaat moeizaam zitten, zijn rug naar Jenny gekeerd.
“Zal ik een dokter halen?”
Voor het eerst klinkt er enige bezorgdheid door in haar stem.
“Het is midden in de nacht”.
“Dit is Berlijn”.
Op de gang van hotel Marcus verschijnen stemmen. Een man en een vrouw lachen luid. Het klinkt naar uitsloven. Een deur wordt geopend en meteen weer in het slot gesmakt.

“Waarom ga je met mij om, Jenny?”
De vraag valt als een zak aardappels op een plaat beton.
“Dit is niet het moment voor die vraag”.
“Nee”.
“Omdat ik zo gek ben jou leuk te vinden”.
Hij zoekt in zijn kleding naar een sigaret.
“Ik geloof je niet. Je denkt dat ik het geld van die Italiaanse lulhannes heb”.
Kinderen en dronken mensen spreken de waarheid. Jenny negeert zijn woorden.
“Wat heb je precies voor wond?”
“Ik ben gestoken. Met een mes. Door een klootzak. Maar het is hem slecht vergaan”.
Arnold stelt vast dat de drankfles leeg is. Hij schopt deze naar de stalen afvalbak. Fles en mand kegelen een eind de kamer in.
Buiten wordt het ineens heel stil. Al die tijd moet er een machine of auto hebben staan draaien, misschien een taxi. De stilte heeft gewicht.
“Ik wil terug naar Nederland”.
“Dat kan ik me voorstellen”.
“Iris heeft me voor jou gewaarschuwd”.
Arnold wil Jenny kwetsen. Haar onverstoorbaarheid ergert hem aanhoudend.
“Wij waren anders langer vriendinnen dan jij kan weten”.
“Hebben die moffen haar doodgeslagen?”
Een indirecte beschuldiging aan het adres van Jenny. Ze zwijgt.
“Wilde ze niet zeggen waar ze het geld had gelaten waar iedereen ineens achteraan zat?”
“Welja! Ik heb haar vermoord. Nou goed?”
“Hoe dan?” Het heeft niets meer te maken met een gesprek.
“Met een deegrol”. Jenny is het ook zat.
“Nee, met je gebrek aan vriendschap”.
“Krijg de tering”.
“Ga liever een dokter halen”.

Nachtartsen bestaan natuurlijk, maar ze bezoeken liever geen buitenlander in een hotel. De patiënt is meestal in kennelijke staat, of het betreft een crimineel in de schaduw. Ze kunnen terecht in een polikliniek of een ambulance laten aanrukken.
Een taxi brengt hen. In de wachtkamer zit niemand. De arts maakt de wond schoon en adviseert Arnold  een paar dagen rust te houden. Vitale organen zijn gespaard. Bij de balie krijgen ze een doos vol medicijnen en verband mee. Er moet contant worden afgerekend.

“Wanneer ga je die rommel wegbrengen?”
Na een etmaal in het hotelbed voelt Arnold zich al een beetje beter. Dat zijn film verhandeld wordt, kan hem bij nader inzien minder schelen. In zijn onderbewuste groeit het voornemen tot compensatie: Jenny dumpen.
“Binnenkort. Je hoeft niet mee”.
“Waar wacht je dan op?”
“Tot je een beetje opgeknapt bent”.
“En dan?”
“Na afloop gaan we meteen terug naar Nederland”.
Hij proeft de betekenis van haar woorden. Het lijkt of ze aan zijn capitulatie wilde meewerken, hem als een kleuter bij zijn moeder afleveren.
“Ik ga mee naar die kunstenmaker. Onze man in Berlijn, schakel tussen oost en west”.
“Hij maakt heel goede kunst. Bewaar je minachting voor anderen”.
“Hij laat pornofilms door de DDR smokkelen. Het kan hem niet schelen of er een meisje op voorkomt dat een paar maanden later wordt vermoord”.
Een verwijzing naar Iris en een terechtwijzing.
Jenny verstrakt, maar Arnold is haar voor. Een vreemde gedachte komt bij hem op.
“Heeft die kunstmaker iets te maken met de overval waar je vader en jij geld bij wonnen en weer verloren?”
Het lijkt hem een intelligente vraag.
Jenny snauwt hem af. Gelijk Vincent heeft ze geen trek om naar de veronderstellingen van een vrijgestelde te luisteren.
“Ik zal je wat vertellen, Arnold. Het is duidelijk dat de dood van Iris je dwars zit. Weet je waarom zij niet meer leeft? Het is namelijk ook jouw schuld”.
Ze wacht drie seconden. Het blijft stil.
“Denk even terug aan wat ik vertelde over de overval, hier in Berlijn. Ik zei al dat wij geld zijn kwijtgeraakt. Het was de opbrengst van films en andere zaken waaraan hier behoefte is.
“Andere zaken? Drugs, wapens?”
“Mag ik even verder? Je zit stampvol vooroordelen en wantrouwen”.
“Van anderen weet ik het niet en ik wil dat ook niet weten. Geld uit leveranties wordt verzameld en moet uiteindelijk West-Berlijn uit. Je kan het moeilijk bijschrijven op een bankrekening”.
Afgemat doet hij er verder zwijgen toe. Het is al lastig de volgorde van het verhaal te volgen. Pino wordt aangewezen om de buit naar Nederland te transporteren. Hij past goed in een groep haveloze hippies die met een nachttrein van vakantie terugkeren. Wie zal een vieze rugzaktoerist doorlichten op terugtocht naar een land waar alles te koop is?
“En Iris?”
Zij zou hem opvangen in De Tsarina en vandaar Barry bellen om het geld naar de Studio te brengen.
“Wist Vincent ervan? Zit hij ook in jullie leuke groepje? Ik zag hem in zijn gele Karmann met je vader, Pino en nog een ander.”
Jenny neemt even de tijd. Ze lijkt te zoeken waar ze de draad het beste kan oppakken.
“Iris was niet op haar plek. Daarom kwam Pino met de rugzak naar de Ragebol. Iris was zijn komst gewoon vergeten”.
Zo gaan de zaken wanneer je werkt met amateurs. Iemand vergeet een afspraak en de melk kookt over.
“Iris en Pino reden op jouw brommer alsnog naar De Tsarina. Iris had immers een sleutel omdat ze soms achter de bar staat. Stond”.
Arnold mag pijn lijden en half zat zijn, hij let weldegelijk op.
“Ze hebben mijn brommer gestolen”.
“Wij hebben gedacht dat jij die gewoon had afgestaan. Jou kennende, gaat zoiets niet gratis”.
“Ja, prachtig. Verder, voor ik onderuit ga”.
Pino wilde meteen zijn geld, al was dat niet de afspraak. Daarom pakte hij het zelf en verdween. Toen Iris wegging, heeft ze jou gezien. Ze is vertrokken door het achterraam in het café”.
Arnold probeert de film voor zich te halen. Hij herinnert zich vaag, licht te hebben gezien in De Tsarina voor hij om het gebouw heenliep, krakend door het grint. Uit eigen beweging vult hij de geschiedenis aan.
“Je vader zou de rugzak ophalen, maar hij zat ergens te zuipen, nietwaar? Daarom donderde hij de trap af”.
“Mijn vader was helemaal niet dronken. Jij hebt hem de trap afgeschopt”.
Drift. Altijd maar weer het gebrek aan zelfbeheersing. Arnold moet zwijgen, maar hij laat zich verleiden. Waarmee hij Jenny natuurlijk in de kaart speelde.
“Je vader was zat als een aap. Hij zong uit volle borst en riep onderaan de trap Joehoe, is there anybody? Hij probeerde de trap te beklimmen, maar verloor zijn evenwicht. Ik heb hem niet aangeraakt”.
Jenny reageert onmiddellijk en overspeelt haar hand. Ze denkt Arnold schaakmat te hebben gezet.
“Dus jij was weldegelijk op de bovenverdieping. Je bent gewoon over mijn vader heengestapt en deed niets om hem te helpen. Waarom? Omdat je een rugzak vol geld meesleepte en als een haas wilde verdwijnen. Iris heeft je zien wegrijden”.

Kan je een dode verraden? Ja en nee. Dood is dood en daarmee houdt alles betreffende die persoon op. Je kan wel verraad plegen aan je eigen opvattingen en leugens uitspreken die de reputatie van de overledene schaden. Arnold kan toegeven of ontkennen. Door dit laatste te doen, toont hij bereidheid zijn vroegere lief de schuld te geven van liegen en haar eigen ondergang. Het staat hem tegen, maar hij had zich allang vastgebeten in het idee dat hij recht heeft op het geld. In een flits overziet hij mogelijke gevolgen van een bekentenis. Het kan ervan komen dat hij zijn huis moet verkopen om criminelen af te betalen. De windvaan van zijn intuïtie wijst hem in de richting van ontkennen.
“Ik heb jullie geld niet. Iris zal het hebben beweerd omdat jullie dreigden haar dood te slaan. Waarvan akte”.
De toevoeging komt spontaan bij hem op, omdat hij denkt aan Mr. Slagveer en zijn jargon.
Jenny wil haar verhaal afmaken. Misschien omdat de situatie haar o ver de handen loopt.
“Het geld is niet allemaal van ons. Dat is precies het probleem! Het grootste deel behoort aan de Duitsers die jou hebben gevonden. Je belde me op het moment dat zij over de vloer waren. Wat kon ik doen? Ze hebben mij evengoed geslagen en bedreigd”.
Jenny begint te huilen. Niet eerder heeft Arnold ook maar een zweem van een traan bij haar gezien. Zijn hart blijft hard. Misschien is er teveel gebeurd, of anders vreest hij weg te zinken in opeenstapelende problemen.
“Ik weet niet wat Iris heeft gezien. Ik heb haar in ieder geval niet gezien. Pino wel, maar dat was nog voor ik De Tsarina bereikte. Natuurlijk heb ik mijn brommer daar weggehaald. En ik heb gekeken of de grapjas die hem had gestolen nog in het café was.
“Heeft Iris je binnengelaten?”
De vraag stond hem tegen.
“Ik zei dat ik Iris niet heb gezien. Het achterraam stond op een kier. Binnen trof ik evenmin iemand aan. Je vader arriveerde toen ik wilde vertrekken”.
Jenny begint te schreeuwen. Een nieuw fenomeen, waaruit vooral blijkt dat ze slecht luistert.
“Wat heb je met het geld gedaan? Weet je wel hoeveel het is!?”
“Je zit op een verkeerd spoor, Jenny. De politie heeft mijn huis omgekeerd. Net als de Moffen die bij jullie waren. Ze hebben de wanden en deuren uit mijn huis geslagen. En niks aangetroffen”.
Hij verzwijgt dat Iris geld moet hebben gepakt. Om haar verslaving een tijdje te bekostigen. Het geweten vraag kleine offers, net als de roomse kerk. Daarna kan je weer verder.
“Ik kan je alleen maar aanraden te kappen met je Duitse contacten. Verkoop mijn film, als dat helpt”.
Het huilen begint nu onbeheersbare vormen aan te nemen.
“Snap het dan! Het gaat om een half miljoen Duitse Marken! Als dat geld niet bovenwater komt, ben ik de Studio kwijt! Dan ben ik alles kwijt! En Barry net zo goed. Ze zullen ons huis afpakken. Moet ik in een kraakpand gaan wonen?”
“Waarom komen die Moffen bij jullie terecht? Ze hadden toch dezelfde imbeciel als transporteur?”
“Omdat Pino mijn idee was”.
“Ze zijn er wel akkoord mee gegaan. Dan zijn ze gewoon ook verantwoordelijk”.
Je kan de hele dag doorredeneren en aan het einde op nul uitkomen. De kwestie is natuurlijk dat bij problemen, criminelen veranderen in hyena’s, bereid hun eigen soortgenoten te verslinden.

Het zijn kleine dingen die een mens tot beslissingen brengen. Arnold denkt onwillekeurig aan de protserige Breitling om de harige pols van Barry, uiting van ongeneeslijke decadentie. Barry, die precies moet hebben geweten dat de Duitsers Arnold in elkaar zouden slaan, maar zijn mond hield en er maar het beste van hoopte.
Hij moet even op adem komen. Zijn lichaam voelt aan of het uiteenvalt. Is het zachtheid, in de kelder van zijn karakter? Of weet hij instinctief dat je vliegen beter vangt met stroop dan met azijn?
“Je bent een geweldige vrouw, Jenny. Kap met je vader en de Studio. Doe aangifte dat je wordt bedreigd door dat Moffentuig. Verhuis en ga wat anders doen. Maak schoon schip!”
Het liefst zou hij nog verder doordraven, zijn diensten aanbieden, samenwonen. Mannen troosten niet door een arm om de ander te leggen, maar door oplossingen aan te dragen. Vermoeidheid en de notie dat Jenny nog niet diep genoeg is gezonken om echt te veranderen, weerhouden hem. Er schiet hem iets te binnen.
“De Hollander die met de Duitsers mee was, zei dat je niets met het geld kan aanvangen. De nummers zijn bekend bij de politie en de Banken”.

Medicijnen en whisky vormen een onvoorstelbare combinatie. Bovendien heeft de arts enkele roze pilletjes achtergelaten. Om beter te kunnen slapen. Omdat zijn drank op is, laat Arnold de receptie van het hotel een nieuwe fles brengen. Het spul komt uit Polen en heeft een naam om je tong op te breken.

Op de derde dag van hun verblijf stouwt Jenny de filmblikken in een sporttas met het logo van Hertha BSC, een stedelijke voetbalclub die bijna failliet is. Het aankleden gaat Arnold moeizaam af. Zijn benen voelen aan als blokken hout. In bed liggen is gemakkelijker.
“Fijn dat je meegaat”.
Hij geeft de portier van Hotel Marcus een hand. Samen steken ze ten afscheid een Craven op. De Myon klikt monter. Mensen beseffen zelden dat de dure spullen die zij aanschaffen, langer meegaan dan zij zelf.
“Nach Hause?”
“Noch nicht”.
“Rache nehmen?”

Arnold maakte een gebaar langs de hals.
”Toll”.

Jenny navigeert de auto naar een armoedige buurt. Samen staan ze in de lift van de onooglijk naoorlogs flatgebouw. De kunstschilder is een gedrongen man met een nors gezicht en hoekige bewegingen, omgeven door een persistente geur van knoflook en tandbederf. Hij werkt voornamelijk in zwart en wit, met hier en daar een veeg rood. Hij spreekt op een precieze, in zichzelf gekeerde manier. Aan bezoek heeft hij het land. Hij is een eiland, net als West Berlijn.
Arnold zit op de vensterbank. Zijn kaken malen op een tablet Stimorol. Hij voelt het gewicht van het pistool in zijn jaszak.
De flat van de schilder staat in een verschrikking van afbraak en verval, de pishoek van de vrije wereld. Bewoond door illegalen en losgeslagen jongeren, protestzangers en gevluchte Oostblokkers. Het doet denken aan de benedenstad in Arnolds gewone leven, maar dan oneindig uitvergroot. Je kan naar het dak om Die Mauer te bekijken: een lint van ondermijnde kaalslag achter een muur van betonplaten. Vanuit wachttorens aan de oostkant wordt opzichtig door verrekijkers getuurd. Af en toe beweegt daar een gestalte. Een paar stappen links, een paar stappen rechts.
Hier zie je geen Hollandse communisten en sociaaldemocraten. Zij bedenken de maakbare samenleving liever in Amsterdamse dranklokalen en houden het bij culturele en sportieve uitwisselingen met het regiem in een gezellige ambiance.
Over kunst wil de schilder niet praten. Wel over krachtsport waaraan hij elke dag een paar uur doet. Het lijkt hem te plezieren dit breed uit te meten.
“Zeg, wat vindt u hiervan?”
Als terloops haalt Arnold het vuurwapen uit zijn zak. Het is zijn manier om te zeggen dat het gesprek hem verveelt.
Jenny valt stil. Ze is te overrompeld om iets te zeggen. Maar de schilder toont gelijk enthousiasme.
“Kijk eens aan! Een Heckler & Koch! Mag ik eens kijken? Allemachtig! Een wapen met18 kogels!”
Terwijl Jenny toekijkt, worden Arnold en de schilder bijna vrienden. Een borrel is al snel geschonken.
“Sta jij ook op een film?”
De kunstenaar knikt naar de filmblikken.
“Helaas. Het is eens maar nooit weer”.
“Jammer. Je hebt een goed lijf. Dat zie ik als schilder meteen. Wat vraag je voor het pistool?”
Overwegingen vliegen heen en weer in zijn hersenpan. Meenemen naar huis is eenvoudigweg te riskant. Afgeven aan zijn vader is evenmin een optie. Pa Zwarthoed ziet hem aankomen met een vuurwapen.
“U krijgt het van mij. Gratis. Maar ik wil eerst brandspiritus om mijn afdrukken weg te vegen”.
Bij het verlaten van het atelier spuugt Arnold zijn kauwgom in een stortkoker.

Over de hele aardbol produceren beschavingen voedsel, kleding en onderdak, medische zorg, wapens, speelgoed, transportmiddelen. Ze boren mijnschachten tot drie kilometer diep en vliegen rond andere planeten. En ze maken kunst. De verschillen, teweeg gebracht door plaats en tijd, betekenen niets, gemeten naar tijd en ruimte.

Jenny heeft besloten dat het beter is om een dag later te vertrekken.
”Vanwege de veiling. Nu we hier toch zijn”.
“Goed. Dan kan ik mijn vader opzoeken”.
Jenny lacht, maar niet van harte.
“Je kan hem bellen. Maar we kunnen hem ook verrassen. Ik wed dat je vader ook bij de veiling aanwezig is. Birgit komt daar immers ook”.
Ze boeken een ander hotel. Het ligt aan de rand van de stad, dichtbij de uitvalsweg naar het echte Westen. Het gebouw is nieuw, comfortabel en sfeerloos.
Hij begeleidt Jenny naar een Bank waar ze het geld, ontvangen van de kunstenaar, inlevert. Het zo te doen, is niet de gewoonte, maar Jenny lijkt liever het risico te nemen dan zich opnieuw aan een fysiek geldtransport te wagen.

De veiling vindt plaats in een sporthal. De ruimte is rondom voorzien van fineerhouten lambriseringen. Aan de hoge, kale plafonds hangen TL balken in kooien van staaldraad.
Jenny haalt alleen de catalogus, geen bordje dat je bij biedingen dient op te steken. Ze nemen plaats op kantinestoelen langszij een gangpad.
Arnold staart voor zich uit en vraagt zich af hoe Jenny zo gemakkelijk kan omschakelen.
Alsof zij Arnolds gedachten kan lezen, kijkt ze op.
“Ik wil alleen kijken wat er wordt aangeboden”.
“Je wilt je moeder zien”.
Het publiek van antiquairs en welgestelde burgers begint binnen te stromen. Er wordt door dubbelfocus brillen gestudeerd op kwaliteit. Er hangt een sfeer van kennis en snobisme.

“Dag jongen”. Naast zijn stoel staat Pa Zwarthoed.
“Pap!” Het klinkt te luid. Mensen kijken om. Gelachen wordt er niet. Duitse humor is van een andere soort dan Nederlandse.
Verrast staat hij op. Jenny knikt koeltjes naar Arnolds vader.
“We gaan naar achteren”.
Ze drijven de zaal uit. Het inpandige café is sleets en vrijwel leeg. De klanten zitten immers bij de veiling. Wederwaardigheden worden uitgewisseld. Koffie kom in stenen kopjes. De pot wordt op tafel gelaten voor zelfbediening.
“Waar is Birgit?”
“Thuis. Ze wist dat Jenny zou komen en daar heeft ze geen zin in”.
“Wat is er toch tussen die twee?”
Pa Zwarthoed aarzelt.
“Laat maar. Het gaat me niet aan”.
Ze drinken koffie en zwijgen een paar minuten. Een beeld dat vertrouwd aanvoelt.
“Ik heb een idee. Een voorstel”.
Arnold merkt dat hij bij het zoeken naar woorden begint te zweten.
“Zeg het eens”.
“We kunnen een autobedrijf beginnen op de plek waar ik woon. Het ligt dichtbij de stad en ik heb ruimte zat”.
Nooit lukt het mensen helemaal te doorgronden. Zelfs opgroeien bij je ouders is geen garantie voor ultieme kennis. Pa Zwarthoed geeft een antwoord dat Arnold verrast.
“En uitstekend plan. Al zeg ik het zelf. Om je de waarheid te zeggen: ik had het mij hier anders voorgesteld. Ik kan nu niet ingaan op details. Houd het wel nog even voor je, want ik kan niet zomaar opstappen”.
Een kind kan zijn vader wel omhelzen. En andersom.

Jenny en Arnold eten in het hotel. De kaart toont geen verrassingen, het personeel is professioneel en afstandelijk, er is privacy maar geen intimiteit. In de hotelkamer hangt een tv toestel aan een zwartmetalen muurbeugel. Het is zwaar en zal met keilbouten vastzitten. Je kan het nieuws bekijken, een showprogramma erger dan in Nederland en een keuzefilm die je vooraf moet doorgeven.
“Misschien een film van jou?”
“Leuk hoor”.
Het bed is groot en perfect. De lakens en slopen zijn fris en onberispelijk.
“Jenny, gaat het wel met je?”
“Ik wilde dat wij goed konden opschieten”.
Aan elke dag komt een einde, hoelang je de avond ook rekt. Arnold voelt de wond nog altijd, vooral wanneer hij bukt of draait. Hij drinkt geen alcohol meer. Morgen wordt een lange dag van terugrijden. Voor hij in bed stapt, werpt hij nog een blik naar buiten. De vakantie is een fiasco, maar het bezoek heeft  een belangrijk resultaat gebracht: uitzicht op hereniging met zijn vader en het samen opzetten van een  bedrijf. Tegelijk kan hij zich juist hier weinig bij voorstellen. Tegen het licht van een zinloos geplaatste lantaarnpaal dreint ragfijne neerslag.

De winters op het continent zijn hard. Wanneer ze instappen, is de auto bedekt onder een laagje sneeuw.  De motor start onmiddellijk: een BMW schrift niet terug voor een beetje winter.
Ze doorkruisen een buitenwijk en bereiken al snel de grens. De Oost-Duitse dienders blijven liever binnen. Toch duurt het drie kwartier voor ze verder kunnen. In de derde versnelling sukkelen ze door de DDR, in een waas van gore neerslag. De wissers trekken strepen.
Operatie Barbarossa, de Terugtocht.
De motor van de auto gromt monotoon. Arnold werpt af en toe een zijdelingse blik op Jenny. Daar zit de vrouw die hem heeft overgehaald mee te gaan naar Berlijn. Ongevraagd stopte ze porno in zijn kofferbak. Hij vraagt zich af of ze dit al vaker deed en bij wie. Het kan nauwelijks toeval zijn dat zij haar rijbewijs thuisliet. In geval van nood, is de bestuurder als eerste aansprakelijk. Feitelijk borrelen er aanhoudend vragen bij hem op. Het komt niet bij hem op te denken dat hij heeft ingestemd met het bezoek. Bij de kunstenaar heeft hij toegelaten dat zij ook zijn film verkocht. Zijn zelfbeklag komt neer op gejammer van een verwend kind, dit heeft Jenny goed gezien. Niets is moeilijker dan mensen hun gedrag laten inzien, daarna hen tot verandering te bewegen.

Hij spant zich in om zijn achterdocht niet te doen uitgroeien tot een vaste waarde in zijn houding naar de vrouw die naast hem zit en waarmee hij in hetzelfde bed ligt.
Ze spreken weinig. Arnold hangt onderuit achter het stuur en voelt zich uitgeput. De pijn in zijn zijde is helemaal terug. Op Jenny is hij verliefd geworden. Of is het slechts inbeelding, een spiegelbeeld? Heeft hij zich vooral met haar ingelaten om strijd te kunnen voeren, zijn krachten te meten met de enige vrouw van formaat die zijn pad kruiste? Kan de situatie tot normale verhoudingen worden teruggebracht? Wie van hen beiden wenst dit eigenlijk nog?

In deze navelstreng tussen de Berlijner enclave en het West-Europese moederland stuurt hij zijn auto de vluchtstrook op. Deze bestaat uit een serie rijplaten van beton, gemarkeerd door een enkele lantaarnpaal.
“Wat is er?”
“Zou je mijn Cravens willen pakken? Ze liggen in de kofferbak, in mijn jas”.
“Ik heb ook sigaretten. Je mag hier niet stoppen”.
“Doe het nou even”.
Jenny heeft weinig zin de warmte van de auto te verlaten, dan nog voor sigaretten. Toch stapt ze uit. Demonstratief hard slaat ze het portier dicht.
Onmiddellijk vergrendelt Arnold de auto en schakelt naar de eerste versnelling. Hij laat de auto een stukje optrekken, tien of vijftien meter. Vervolgens remt hij en draait het zijraam op een kier.
Daar is ze alweer.
“Zeg, ben je helemaal gek!”
Haar gezicht is achter glas. Nog maar eens twintig meter rijden. Haar hand slaat op het dak. Auto’s passeren in een stoot van luchtdruk. Er wordt geclaxonneerd.
“Doe open, verdomme!”
“Jenny, het wordt tijd om afscheid te nemen”.
Ze weet natuurlijk waarover het gaat. Iedere schuldige weet altijd waarover het gaat.
“We staan in Oost Duitsland, idioot!”
“Er stopt straks wel een mooie Skoda. Dan kan je ongetwijfeld meerijden”.
Een nauwelijks te beheersen slappe lach maakt zich van hem meester. Hij draait het raam helemaal open en werpt haar handtas naar buiten. De tas is ongewoon zwaar.
“Je kan ook onder een lantaarnpaal gaan staan en je linkerbeen optrekken”.
Zijn lachlust wordt verdrongen door razernij.
“Samen op vakantie naar Berlijn! Godverdomme! Een ideetje van Barry! Mij mijn eigen pornofilm laten vervoeren! Mij onder druk zetten over geld dat je zelf hebt zoekgemaakt. Flikker op! Blijf maar in Rusland wonen!”
“Laat me in de auto, dan praten we erover”.
Daar staan ze, ingesloten door verlatenheid. De weg toont leeg. Wegens de snelheidsbeperking en een inhaalverbod wordt gereden in golven van verkeer. Natte sneeuw jaagt in een hoek van 45 graden langs de koplampen. Arnold maalt het zijruit een eind omhoog.
“Ik wil nergens meer over praten. Het moet maar eens afgelopen zijn”.
Haar vingers proberen de kier boven het glas binnen te dringen. Vergeefs. Het wordt onderhand kouder in de auto.
“Ik geef je aan bij de politie! En ik stuur die film naar je vader!”
”Ja, je zal er wel een hebben bewaard. Zo ben jij”.
Nu is hij helemaal klaar met Jenny.
“Het is nog achtentwintig kilometer tot de grens”.
Hij pompt met het gaspedaal, doet zijn richtingaanwijzer uit. Jenny moet wel denken dat hij haar achterlaat in de nacht.
“Wacht! Wacht!”
Arnold remt nog maar eens.
Jenny verschijnt weer aan het venster.
“Doe die deur open! Ik laat naar de grens bellen. Ze zullen je aanhouden en vastzetten!”
De auto trekt weer dertig meter op. Arnold moet zich half omdraaien om Jenny te zien. De wond in zijn zijde steekt alsof het mes er nog in zit. Seconden lang gebeurt er niets.
“En nu uitstappen!”
In het zijruit verschijnt zijn spiegelbeeld. Daarachter bevindt zich een tweede laag van de werkelijkheid: Jenny met een pistool. De gedachte wordt onmiddellijk een conclusie. Het kan niet anders, of dit is het wapen dat hij aan de schilder heeft gegeven.
Metaal stoot tegen glas. Arnold begrijpt alles. De vuilak heeft natuurlijk begrepen dat Arnold hun louche handeltje wil bederven. Of het is allemaal nog erger.
Ineens is alles aanwezig. Ineens is alles hetzelfde als niets.
Een lichtflits verblindt zijn ogen. Er volgt een oorverdovende dreun. Zijn hoofd incasseert een mokerslag.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.



De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.