Monkwise

DE SOLDEERBOUT

Een Vertelling

Tijd bestaat alleen als beleving, als bewustzijn van onze vergankelijkheid. Hoe kan je in de onmetelijkheid van het heelal anders over tijd denken?

vroeg in de herfst van het jaar 1971, een vrijdagmiddag,

De sfeer in het klaslokaal hangt tussen oud gezag en jeugdige balorigheid. Vrijdagmiddag, half drie. De groep zit gebogen over een proefwerk boekhouden, een vak dat de jongens van de mannen scheidt, de vrije vogels van de aanstaande huisvaders. Boekhouden is de kern van de Nederlandse volksziel.

Reindert laat zijn ogen gaan langs de rijen, die alle voor hem uitwaaieren omdat hij achteraan zit. Het lijkt een klas van Bordewijk in het boek Bint. Je kan al zien wie in het leven zal slagen en wie een onzekere weg voor de boeg heeft. Tobias bijvoorbeeld is een netjes geklede waaipaal, onopvallend, toegankelijk en opgenomen in een wereld waar zijn ouders hem voorgaan. Ruzie maken met hem is bijna onmogelijk, puur wegens het ontbreken van een mening. De jongen zit vooraan en doet zijn uiterste best, elke dag opnieuw. Aan de andere kant van het spectrum fladdert Rob, alias De Germaan. Net als Reindert zit hij achteraan, maar dan helemaal tegen de muur. Rob lijkt nergens geschikt voor, of het moet op zuipen aankomen. Hij draagt kleding van modern corduroy, maar verwaarloost zich duidelijk. Reindert kijkt een ogenblik scherper naar de onrust in de klasgenoot die zich uit in ritmische beweginkjes, begeleid door een licht snuiven. Geen domme gast, beslist intelligenter dan Tobias, maar onbestuurbaar. Voor militaire dienst zal hij zonder omhaal worden afgekeurd, een inzicht dat Reindert op voorhand jaloers maakt.

Zijn blik kruist die van Jan Papier, bijnaam van de leraar aan wie je een hekel behoort te hebben wegens zijn starre houding en zijn al even meedogenloos vervelende leerboeken. Offerman (want zo heet hij) heeft zich naar eigen zeggen opgewerkt via avondstudies, samen met een kompaan die ongetwijfeld even adembenemend was. Lang heeft Reindert angst gevoeld, maar op een dag toont hij voor de klas zomaar de houding die een zwakke plek bij Jan Papier blootlegt: onverschilligheid. Sindsdien is zijn vrees verdwenen.
De leraar ziet Reindert kijken en fronst zijn wenkbrauwen tot een vraagteken. Reindert wendt zijn blik evenwel af en overziet de voorliggende opdracht nog eens. Deze handelt over de vraag welke posten in de bedrijfshuishouding als activa en welke als passiva opgegeven moeten worden. Dit leidt tot een proefbalans, die moet worden uitgewerkt tot een eindbalans. Verwarrend is, dat wordt gewerkt met Kruisposten, die in de balans omgekeerd werken. Het antwoord op een volgende vraag vergt het eindeloos omrekenen van valuta: Duitse Marken, Engelse Ponden, Franse Francs. Er bestaan zakrekenmachientjes om dit te doen, maar ze zijn duur en het is verboden ze tijdens het eindexamen te gebruiken. Zo word je gedwongen de nieuwe techniek te negeren en handmatig berekeningen te maken. Met een sterk verhoogde kans op een verkeerde uitkomst en daarmee op een mislukte toets.

De opgaven zeggen Reindert bitter weinig. Opgegroeid in een akkerbouwbedrijf kent hij kooplieden noch financiële constructies. Derhalve kan hij zich onmogelijk voorstellen ooit zelf in het zakenleven te belanden. In een helder ogenblik trekt hij hieruit de uiterste consequentie: ik zit op de verkeerde school. Dit is helemaal geen vreemde gedachte, want de school heet voluit Middelbare Handels Dag School, kortweg MHDS. De opleiding is helemaal geen doel voor Reindert – ze is een opstapje naar de HBS. Hiermee ligt de wereld voor je open, als het ware.
Nadenken over deze vage stip aan de horizon probeert hij zoveel als mogelijk te vermijden: het lijkt wel of ik voorgoed op een middelbare school zit: eerst een jaar HBS, terug naar de MULO, door naar de MHDS en straks nog eens een jaar HBS.
Even voelt hij paniek opkomen: de klas waarin hij zit, is de laatste in zijn soort. Dit geldt straks ook voor de examenklas HBS. In feite zijn de opleidingen al opgeheven en mogen hij en zijn klasgenoten straks het licht uitdoen. Hoe hij de voorliggende boekhoudkundige vragen ook bestudeert, afdoende antwoorden willen niet bij hem opkomen.

komen en gaan

Jan Papier steekt maar eens op: een sigaret van het merk Caballero. Gelijk sommige andere docenten rookt hij wel vaker in de klas, al helemaal wanneer sprake is van twee aaneengesloten lesuren. De leraar Frans rookt gore sprietjes van Egyptische makelij. De man heeft een uitgekiende techniek om zijn vingers juist bijtijds terug te trekken van het laatste stukje smeulende rookwaar. Om die reden wordt hij Peuk genoemd. Leerkracht geschiedenis Vlaps rolt eigentijds shag uit een pakje Samsom. Zo toont hij zijn solidariteit met de jeugd. Naar de mode onder jongeren presenteert hij zich graag als Links, maar het liefst kijkt hij naar meiden. Openhartig vertelt hij, bijna te zijn flauwgevallen wegens een meisje achter de HEMA-kassa: adembenemend! Jan Papier is van een oudere generatie. Als onkreukbare vader van twee opgeschoten jongens, kleedt zich in een confectiepak, laat zich niet uit over politieke voorkeuren en kent geen ziektedagen. Zijn gezicht toont permanente stugheid, maar zijn humeur valt best mee. Boven zijn hoofd groeit een dikke grijsblauwe wolk. Eerst ruik je deze niet. Het duurt een minuut of anderhalf voor uitlopers van de tabaksbrand Reinderts neusgaten bereiken. Kort hierop rinkelt door het hele gebouw de schoolbel.

Bij het verlaten van het klaslokaal stroomt eindelijk verse lucht vanaf de gang binnen. De hersenen ontvangen zuurstof en komen weer op gang. Het antwoord op de laatste vraag van het proefwerk schiet Reindert alsnog te binnen, maar uiteraard is hij te laat.
Het duurt allemaal te lang voor ik mijn eigen gedachten opzij kan zetten.
Hij grist zijn jas van de kapstok en denkt onwillekeurig aan zijn vader. Pa Reindert is zijn leven lang akkerbouwer, maar vindt het op een dag genoeg geweest. Hij is dan al vijfenveertig jaar. Zonder enig gezinsoverleg hangt hij zijn viool aan de wilgen. Have en goed worden verkocht, een nieuwgebouwd huis in het dorp betrokken. Sindsdien verricht vader klerkenwerk in het Gemeentehuis.
Arme papa! Hoe heeft hij het bestaan om op kantoor te belanden! Reindert heeft geen enkele moeite zich zijn vader voor te stellen, ongeacht op welk moment van de dag. Je zou kunnen zeggen dat hij met zijn vader is vergroeid, een jongere versie, maar genetisch gelijk. Een sombere gedachte komt bij hem op: vader stopte ermee omdat ik zo nodig naar de HBS moest en hij alleen zou achterblijven. Maar gevraagd heeft hij niets.

Andere groepen stromen eveneens uit de lokalen. De herrie neemt toe. Reindert snuift aan de haren van Saskia, een meisje uit een latere groep, de derde klas van het nieuwe onderwijstype HAVO. Al dan niet toevallig loopt zij voor hem. Saskia valt op hem, zoveel is zeker. Andersom ligt dit heel wat gecompliceerder. Ze merkt zijn gesnuffel, draait zich half om en lacht lief, toch een beetje minder hongerig dan een paar dagen terug toen ze hem spontaan begon te zoenen. Verlangens worden beter meteen beantwoord, anders komt er niets meer van terecht.  
Even later zit hij met klasgenoten op een bankje van het schoolplein. Het is feitelijk geen plein, maar een brede stoep, grenzend aan een grasveld waarop om onduidelijke redenen nooit iemand rondloopt. Saskia blijft bij haar eigen groepje.
Het gesprek gaat natuurlijk over het proefwerk, maar ook over John Mayall, door tegenstanders smalend Jan Meel genoemd. Er is een nieuwe LP uitgebracht met geweldig gitarenwerk. Reindert luistert met een half oor: wat kan er nog geweldig zijn na Eric Clapton, Peter Green en Mick Taylor? Onwillekeurig gluurt hij naar Saskia. Tenslotte resteert slechts onbehagen: ik heb mijn proefwerk verpest.

Uit gewoonte lacht hij mee met een paar grappen. Shag van het merk Javaanse Jongens is gemaakt van geschoren schaamhaar: vandaar die rotlucht. De stem van De Germaan laat zich horen. Rob wekt hoe dan ook de lach op: door zijn klunzige voorkomen, zijn onvoorspelbare uitspraken, zijn hinnikende geluiden. Vandaag doet hij de houterige bewegingen na van Jan Papier: ik ken geen kladwerk, vrienden!  Een pakje shag gaat rond en bereikt Reindert. Hij geeft het meteen door. Liever rookt hij een Engelse sigaret, maar hij heeft er geen meer: dan maar niks. Hij plaatst zijn schoenen op de schooltas. Nog een enkel lesuur te gaan. Daarna is het klaar en mag iedereen naar huis of de stad in. In het centrum zijn een paar aardige koffiehuizen, waar goede muziek wordt gedraaid. Jongeren van verschillende achtergrond en mogelijkheden komen hier samen, al is het de vraag in hoeverre dit tot echt onderling contact leidt. Een glas thee of melk kost er bijna niks en de baas komt zelden vragen of je nog iets anders belieft.

uitvluchten

Reindert realiseert zich dat hij staart naar de fietsenstalling, een met golfplaten overkapte rij van stalen rekken waarin het voorwiel van een fiets past. De rekken zijn stampvol. De meeste leerlingen komen lopend of met de fiets omdat ze in de buurt wonen. Een bescheiden hoek is ingericht voor de bezitters van een bromfiets. Een deel van de leerlingen komt namelijk van buiten de stad. Vandaag staan er zeven exemplaren: drie van het merk Puch, twee Kreidlers, een Zündapp, een Mobylette en de armoedige Union van de conciërge. Reindert kent alle merken en typen brommers. De rode Kreidler (de andere is grijs) behoort aan hem. Duitse brommers zijn kwalitatief de beste. Onbegrijpelijk is daarom, dat de meiden liever achterop stappen bij iemand met een Puch of aanverwante Tomos.

Hij wordt aangestoten door klasgenoot Simon Simonsma. Reindert kent hem niet erg goed. Simon is een beetje onzichtbaar, haalt onopvallende cijfers, blinkt nergens in uit maar ligt op koers om zijn diploma te halen. Zelfs weet hij, wat hij daarna wil: bij de politie. Hij is de bezitter van de grijze Kreidler onder het afdak, reden om af en toe met hem van gedachten te wisselen.   
Op gedempte toon vraagt Simon: Heb jij interesse in een Mahle 5.2?
Voor anderen zal het geheimtaal zijn, maar Reindert begrijpt onmiddellijk wat Simon bedoelt. Het gaat om een cilinder waarmee je een Kreidler sneller dan toegestaan laat rijden. Het getal verwijst naar het aantal opgewekte pk’s. Je kunt in de stad van alles kopen om je brommer op te voeren, maar met de gemonteerde spullen op straat rijden is verboden. Je kunt ervoor staande worden gehouden en bekeurd. Inbeslagname is ook mogelijk.
En jij wilt bij de politie?
Simon verkneukelt zich: dat Reindert dit heeft onthouden!
Gegarandeerd haal je er 85 mee.
Hoeveel vraag je?
Reindert bezit gewoonlijk weinig geld, maar in de afgelopen tijd heeft hij een paar honderd gulden verdiend bij een fruitbedrijf – werk dat goed bij hem past omdat hij nauwkeurig is en geen tijd van de baas verleutert.
Voor jou 75 gulden.
Ik doe het voor 50.
60 dan.
Als de zuiger erbij zit. Compleet met sluitveer.

Simon knikt, met enige tegenzin.
We moeten naar binnen: scheikunde. Rijd straks even mee naar mijn huis.
Zoveel geld heb ik niet bij me.
Dat komt volgende week wel.

Eenmaal weer in de klas, ziet alles er vertrouwd uit. Niets lijkt veranderd. Reindert voelt toch verwarring: heb ik daarnet nou zestig gulden uitgegeven?

Het bezoek aan het ouderlijk huis van Simon is van korte duur. Net voldoende om te zien dat zijn klasgenoot in een rijtjeshuis van een zogenaamde groeikern woont, een kilometer of zes van de school. De woonkamer straalt gemoedelijke gezelligheid uit. Er ligt een stapel moderne grammofoonplaten, helaas in een smaak die Reindert minder aanspreekt: Simon & Garfunkel, Leonard Cohen, America.
Plaatje draaien?
Reindert schudt zijn hoofd. Eigenlijk heeft hij spijt van de aankoop, maar wil hij geen gezichtsverlies lijden. De moeder van Simon komt thuis. Ze zet haar fiets op de tegels van het voortuintje neer en opent de deur. Ze glimlacht breed en begroet de jongens: eindelijk vrijgelaten? Weekend! De bedoeling is, dat ze iets drinken, thee of een lekker pilsje.

Reindert onderkent de vrolijkheid, maar zijn reactie is defensief.
Ik heb weinig tijd. De cilinder?
Samen lopen ze naar het schuurtje, een houten bouwsel in de tuin. Binnen staan fietsen en spullen voor tuinonderhoud door elkaar. Simon diept moeiteloos de cilinder op. Deze toont nieuw, of bijna dan toch.
Reindert vraagt niet naar de herkomst van het onderdeel: alleen bij mezelf zou ik willen weten waar het ding vandaan komt. Evenmin informeert hij naar de reden van verkoop. Het zal hem worst zijn. De cilinder is keurig in orde, net als de zuiger. De afsluitveer is er niet bij. Reindert bespeurt een mogelijkheid om de koop alsnog te doen afketsen, want 60 gulden blijft een bedrag waarvoor je de nodige uren moet werken.
Zonder zuigerveer alsnog 50.
Die krijg je bij betaling. 60 dus
.
Zonder opnieuw in de woning te komen, laat hij Simon achter. Te laat ziet hij dat zijn klasgenoot ook een zus heeft, ouder en best mooi. Dat hij snel weg kan, bevalt hem desondanks.

hulpverlening

Op weg naar huis krijgt hij een lekke band. Dit gebeurt niet plotseling, maar langzamerhand. Het achterwiel lijkt te worden afgeremd en de brommer begint een beetje te zwabberen. Nog een geluk dat het droog weer is, bewolkt maar droog. In de regen tot stilstand komen met een lekke achterband is geen pretje. Tussen een boerderij en een woonhuis komt hij noodgedwongen tot stilstand. Zo gaan die dingen: tien minuten later een lekke band en je bent bijna thuis. Verder lopen, is nauwelijks een optie. De brommer weegt zestig kilo en dan is er die schooltas nog. Evenmin heeft hij gereedschap bij zich om het lek te dichten. Hij zet de motor af en betrapt zich er andermaal op haast te voelen, een drang snel thuis te geraken. Een vreemde gedachte, aangezien daar weinig meer is dan ruzie en vijandigheid. Reindert besluit naar de boerderij te lopen, de brommer meetrekkend. Een boer is gewend zichzelf te redden, dus hier lijkt hem de kans op hulp het grootst.

Hij heeft goed gegokt. De boer is thuis en levert bandenlichters en solutie, speciale lijm om het lek te dichten. Een fietspomp heeft hij ook. Hij kijkt toe hoe Reindert geroutineerd het achterwiel uitneemt, de buitenband eraf haalt en het lek lokaliseert.
Na de reparatie blijft Reindert nog een kwartiertje hangen. Kopje thee, praten over gewassen op het land. Natuurlijk merken de mensen meteen dat hij van buiten komt. Voor hem is het prettig te staan in een schuur, volgestort met vers gerooide uien. Geuren van je jeugd hebben een overweldigende uitwerking. Hij ontspant voelbaar, krijgt zin een overall aan te trekken en te helpen, opgenomen te worden in iets dat groter is dan hijzelf. Gemakkelijk kan hij zich voorstellen dat het bedrijf van zijn ouders is, dus ergens ook van hemzelf. Zou hem een baantje als knecht worden aangeboden, dan was hij binnen twee minuten weg.
Terug in de keuken, wil de boerin weten op welke school hij zit. Reindert geeft onbevangen antwoord, maar voelt dadelijk het ongemak: hier zit een jongen die geen boer wordt. Evenmin kan hij duidelijk maken wat hij te zoeken heeft op de MHDS. Pijnlijk is, dat hij nog eens precies moet toelichten waar die letters voor staan. Het zullen niet alleen boerenmensen zijn die hiervan geen notie hebben. Wat heb je dan aan een diploma van dit type opleiding?
De boer heeft nog een laatste vraag: waarom is je vader met het bedrijf gestopt? Het antwoord komt onmiddellijk en verrast Reindert zelf: ik denk, omdat hij niet alleen met Moeder wil achterblijven.

graftombe

Als gewoonlijk bevindt Reinderts moeder zich in de huiskamer, vastgekoekt op haar stoel aan tafel, omringd door de gangbare attributen: een speciale lamp om te handwerken of kleding te herstellen, een aantekenboekje, de Kerkbode, een half ingevuld kruiswoordraadsel en een theekopje dat afwijkt van alle andere in de kast. Zodra Reindert de huiskamer betreedt, zegt ze zonder opzien: Je bent laat, er is geen thee meer.
Reindert geeft geen antwoord. Hij loopt meteen door naar het venster aan de voorzijde om naar buiten te kijken, alsof hij overweegt via het raam weer te vertrekken, te ontsnappen aan wat hij al eens heeft beschreven als een graftombe.
Zelf theezetten in dit huis is ondenkbaar. Thee wordt gezet om half 4 in de middag, door Moeder of in haar opdracht door Henny, de oudere zus van Reindert. Jongere zus Anita bekleedt een nog lagere positie in dit machtsspel: jij bent voor alles te klein en te kladdig. Moeder weet iedereen te stimuleren. Daarbij ondergraaft zij haar eigen bewering, want Anita wordt goed genoeg bevonden om bijvoorbeeld Moeders haar te wassen, bepaald een intieme handeling.

De theepot blijft lang warm onder een zelfgemaakte muts van patchwork, maar eenmaal lauw of leeg is het klaar. Frisdrank uit de koelkast nemen, is verboden, koude melk pakken evenmin de bedoeling. Waarom? Vreest Moeder dat iemand en passant een plak kaas zal meepakken? Reindert heeft dit lang gedacht , maar langzamerhand is hij tot een ander inzicht gekomen. Moeder verdraagt geen onzekerheid. Dwangmatig probeert zij ieder om haar heen te dirigeren en te manipuleren. Naar haar omgeving vertaalt zich dit in vergaande onverdraagzaamheid: verboden, controle, correcties en een constante stroom van afwijzing. Veel schiet hij niet op met deze inzichten. Ze veranderen niets aan de situatie van alledag. Feitelijk verkeert Reindert in een permanente staat van halfbegrepen ergernis, woede en onmacht.

In de huiskamer hangt een loden stilte, die wordt versterkt door een muffe geur. Een bezoeker zou kunnen vermoeden dat in een bovenkamer een zieke ligt, iemand die bij de eerste de beste vleug frisse lucht zal overlijden. Moeder houdt ramen en zelfs het luchtrooster in de muur graag de hele dag dicht. Daarentegen staat de glazen deur naar de hal de hele dag open. Wie de logica hierin verstaat, mag het zeggen.
Zonder een woord te hebben gesproken, verlaat Reindert de woonkamer om de trap naar zijn kamer te bestijgen. Hij gunt het Moeder niet, dat hij water uit de keukenkraan zal drinken. Wat hem ontgaat, is dat dit Moeder niet eens zou opvallen. Eigenlijk interesseert niets haar, behalve wat haar wereld raakt of dreigt te raken.

Zijn bed staat erbij zoals hij het in de morgen heeft achtergelaten. Hieruit mag niet worden afgeleid dat Moeder hier de hele dag afwezig is. Dit heeft Reindert enkele malen uitgezocht door een hoofdhaar tussen sponning en gesloten deur te plaatsen. Bij terugkeer lag de haar op de grond, soms ver van de deur.
Besluiteloos zet hij zich aan zijn kleine houten bureau, jaren eerder bij elkaar gespaard met landwerk voor Vader: het was de eerste keer dat ik naar de HBS ging en moeder had al genoeg uitgaven aan mij.
Zodra hij zijn schooltas opent, ontstijgt een geur van vuilnis de boeken. Het gaat om meerdere plastic zakjes met halve en hele boterhammen, in verschillende stadia van bederf, verzuimd om eerder op te ruimen. Elke schooldag smeert Moeder boterhammen voor haar kinderen. Zo kan zij bepalen welk en hoeveel beleg wordt genomen. Er zit nogal eens iets bij wat Reindert niet lust. Of hij heeft al een halve HEMA worst in de stad naar binnen gewerkt, waardoor het brood onaangeroerd blijft. Hoe Henny en Anita dit oplossen, weet Reindert niet.
Wat te doen? Er zit weinig anders op dan de trap weer af te dalen, naar de garage te gaan en hier snel en geruisloos een vuilniszak van de rol te scheuren, deze onder zijn kleding te steken en (trager, achtelozer) mee naar zijn kamer te smokkelen. Dergelijke handelingen zijn onderhand routine, zozeer dat Reindert niet eens begrijpt hoe uitzonderlijk dit is.
Terug in zijn kamer stort hij het afval in de vuilzak. Deze moet onopgemerkt in de vuilbak verdwijnen, maar die staat in de garage en je moet een geschikt moment kiezen. Wanneer hij nu opnieuw gaat, zal Moeder beslist overeind komen van haar stoel en haar nieuwsgierige hoofd om de hoek van de garagedeur steken: wat ben je toch aan het heen en weer rennen…

Voor hem prijkt de cilinder die een hogere snelheid van zijn brommer aankondigt. Hoeveel schoonheid schuilt er in schijnbaar eenvoudige voorwerpen! Reindert houdt van technische onderdelen. Zelfs van een nieuwe buitenband of een verchroomde uitlaat kan hij genieten. Onwillekeurig probeert hij, of de zuiger past en de juiste merknaam is gestanst: dit zou beter op de vensterbank staan dan die domme cyclamen. Maar zelfs de cilinder in zijn eigen kamer achterlaten, is onverstandig.. Elk bezit en elke aanschaf moet hij immers verantwoorden. Moeder is geen domme vrouw. Ze zal aanstonds begrijpen, waar de cilinder toe dient en Vader porren er iets aan te doen, ofwel het ding in beslag te nemen. Kreeg Moeder de kans, dan moest er onder het huis een diepe kelder worden gebouwd om alle ingevorderde spullen op te slaan. En als strafplek. In het oude huis wordt Anita als kleuter opgesloten wanneer ze iets heeft mispeuterd. Bij Reindert heeft ze dit nooit geprobeerd, bevreesd als ze is voor diens drift. Hij zou in staat zijn geweest de hele inventaris aan gort te slaan en dan moet Moeder bij haar man uitleggen waarom hij daar opgesloten zat. Pa Reindert buigt mee als rubber, maar er zijn grenzen.
Verbergen van de cilinder, gaat alweer het beste in de garage, bijvoorbeeld onder de werkbank. Voorlopig besluit Reindert in zijn kamer te blijven. Zonder concreet voornemen kijkt hij uit het raam. Tussen twee achterliggende huizen door schemert een strook weilanden, daarboven de hoge lucht: wat moet ik met boekhouden en handelsrekenen?

Het volgen van een technische opleiding heeft hij nooit echt overwogen. Hiervoor moet je een bepaalde grens oversteken, een reserve achter je laten, openstaan voor iets onbekends. Technische opleidingen staan bij Moeder niet hoog aangeschreven. Ongelikt stelt zij: met je handen werken, is voor ezels. Waarna ze zich aan haar breimachine zet.
Dat uitspraken niet alleen beledigend maar ook onzinnig kunnen zijn, komt niet bij haar op. In zekere zin toont Moeder een soort eerlijkheid die neerkomt op ongeremdheid. Ze zegt wat ze denkt. Haar voordeel is, dat ze niet wordt tegengesproken. Vader zwijgt liever om gehannes te voorkomen en de anderen zijn ondergeschikt. Dit geldt al ten tijde dat het bedrijf nog bestaat: vast en los personeel heeft zonder uitzondering een hekel aan Moeder, maar niemand spreekt dit ooit uit.

machtsverhoudingen

Het nieuwe huis is vrijstaand, gebouwd voor het gezin, omringd door een aangelegde tuin. Menig collega van Vader is jaloers, uitzichtloos gebonden aan een bescheiden loonschaal, met een voor decennia vastgelegde hypotheek en andere vaste lasten. Vader heeft het huis betaald uit zijn achterzak. Dat dit in termen van Belastingheffing onverstandig was, boeit hem niet: betaald is betaald. Het huis valt een beetje uit de toon in de straat omdat er gele in plaats van rode bakstenen zijn gebruikt. Tijdens de bouw heeft Reindert deze keuze met tegenzin vastgesteld. Tegen vader zegt hij onbarmhartig ze nogal Christelijk te vinden, ofwel oersaai. Naar deze plek is het gezin gekomen na de verkoop van het bedrijf. Wie van zijn ouders de drijvende kracht achter dit besluit was, blijft onbeslist. Feit is, dat moeder het huis eens te meer heeft geclaimd als Mijn Huis. Openlijk spreekt zij haar teleurstelling uit over de 4 bescheiden slaapkamers op de bovenetage: jullie gaan met een paar jaar het huis uit, dan zit ik met die rotkamertjes. Jullie, dat zijn Henny, Anita en Reindert. Henny is de oudere zus van Reindert, twintig jaar en in haar laatste jaar van de Pedagogische Academie, beter bekend als de Kweekschool. Anita is beginnend scholiere aan het atheneum in een nabije provinciestad, veel te jong om het nest te verlaten. Er was ook een poes, maar die is kort na de verhuizing weggelopen en nooit meer gezien.

In tegenstelling tot de woonvertrekken, heeft Pa Reindert wel zeggenschap over de aangebouwde garage. Hier staan zijn auto en de meeverhuisde werkbank met gereedschap. Evenwel staat eveneens de wasmachine van Moeder hier. Deze had ook een plek op de bovenverdieping kunnen vinden, maar hier is Moeder tegen: dan moet ik elke keer slepen met die lakens om ze buiten op te hangen. De wasautomaat dient te allen tijde vrij te blijven, dat wil zeggen: er mag geen fiets of tas tegen worden geplaatst. Dit lukt niet altijd. Henny, Anita en Reindert hebben allemaal een fiets en dan is er nog de brommer van Reindert. Moeder zou dit stinkding liever verbannen, maar ze weet heel goed dat Reindert zich hevig zal verzetten en het is de vraag of Pa Reindert haar hierin zal steunen. Dus blijft het bij geregeld mopperen en zaniken.

gekweekte puber

Reindert stapelt zijn schoolboeken op: had ik maar een fotografisch geheugen. Het moet geweldig zijn om alle vervelende boeken slechts een enkele keer door te nemen en alles voorgoed op te slaan en te kunnen reproduceren. Afgezien van boekhouden en handelsrekenen presteert hij best redelijk op school, maar het ontbreekt hem aan een doel, of dit ligt te ver in de toekomst. Waar het op neerkomt, is dat Reindert een HBS-diploma moet halen, een oud idee van Moeder. Theoretisch kan dit verwezenlijkt worden via de MHDS, in hetzelfde gebouw, met dezelfde docenten. Wat Reindert met een diploma HBS zou moeten doen, staat buiten zijn denkwereld. Studeren in de stad? Wat zou hij moeten studeren? Waar kan je wonen? Ondanks zijn voortgaande leeftijd is hij feitelijk een lastige puber, te lang onmondig gehouden om zelfstandig te kunnen leven. In termen van denken over de toekomst, is hij weinig meer dan een kind. Even centraal als onbegrijpelijk wordt hij beheerst door een enkele gedachte: ik wil naar huis. Hiermee wordt niet het nieuwe, maar het oude en verkochte huis bedoeld en dan nog feitelijk niet eens concreet het huis, maar eerder het erf, het vrije uitzicht, de schuur, de wolken in de lucht. Reindert voelt zich een buitenkind dat in de gevangenis is gegooid.

Een beetje besluiteloos schakelt hij zijn bandrecorder in. Een kostbaar bezit, zonder overleg aangeschaft van geld, verdiend bij een lokale fruitteler. Natuurlijk leverde dit weer de nodige protesten op, alsmede waarschuwingen en dreigementen. Reindert heeft vilein gedemonstreerd dat je met de bijgeleverde microfoon gesprekken kunt opnemen en afspelen. Meer dan door haar protest, leek Moeder te schrikken van haar eigen stem. De recorder in beslag nemen is mislukt, maar het geluidsniveau waarop Reindert muziek luistert in zijn hol is aan strikte maxima gebonden. Soms schakelt Moeder gewoon de elektriciteit op de bovenverdieping uit. Dit kan via de stoppenkast in de hal en het bespaart Moeder als een dwaas in het trapgat naar boven te roepen. In een poging ruzie te mijden, neemt Reindert van een schoolmaat een hoofdtelefoon over. Helaas toont het ding al snel gebreken. Sindsdien ligt het werkloos op de vloer.
Reindert op zijn beurt pest Moeder met het weldegelijk hoorbaar afspelen van kerkmuziek, de soort klanken waar Moeder een adoratie voor koestert. Dit stelt haar voor een dilemma: kerkmuziek tegengaan, is ingaan tegen het geloof.  Reindert buit dit even feilloos als moedeloos uit.
Ooit heeft hij Moeder laten luisteren naar Black Bird, een allerliefst liedje. Moeder zei niets, maar keek naar de recorder alsof er elk moment een ratelslang uit kon ontsnappen: ook goed, dan maar afdalen in de hel.
Vanmiddag beluistert hij het eerste album van Black Sabbath. De band heeft een pact met de duivel gesloten en is sindsdien gebonden aan het kerkhof.

Na afloop daalt hij andermaal de trap af om te vernemen dat Vader pas om een uur of half zeven thuis zal komen. Pa Reindert moet eerst de door hemzelf vermenigvuldigde Raadsstukken uitventen in de polder. Zijn chef heeft er een handje van, de stukken tot op het laatste moment vast te houden. Zogezegd om nog iets te kunnen toevoegen, maar in werkelijkheid om zijn knecht te treiteren en hem een late avond te bezorgen. In de sollicitatieprocedure speelde de chef geen rol en dat zal Pa Reindert weten: ik had die boer nooit aangenomen. Zo gaat dat in een Gemeentehuis en je bent gewaarschuwd er te willen werken.
Reindert beseft dat er nog volop tijd is om aan zijn brommer te werken. Het is verstandig de cilinder zo snel mogelijk te wisselen, want voor je het weet plaatst Moeder het Onbekende Voorwerp voor de neus van haar afgepeigerde man: je zoon heeft iets uit te leggen… Tegelijk realiseert hij zich dat de zuigerveer nog ontbreekt. Deze is speciaal en niet zomaar door een gewone te vervangen.
Wat valt er nog meer te doen? Vast staat, dat de koplamp van zijn brommer al een tijdje geen licht meer geeft. Vervangen van de gloeilamp heeft niets opgeleverd. In zomertijd heb je geen verlichting nodig, maar nu de dagen korter worden, mag er eens iets aan gebeuren.
Hij besluit meteen de vuilzak met broodresten op te ruimen. Je kunt de trap geruisloos afsluipen. Dan is de afstand naar de garage een kwestie van meters.

Met de cilinder onder zijn trui daalt hij de trap af, stapt de garage in en klikt de tl-verlichting aan. De ruimte heeft weliswaar twee vensters, maar deze zijn smal en horizontaal geplaatst op een hoogte waar je er nauwelijks doorheen kan kijken. Bovendien heeft Moeder er vitrage opgehangen. Zo kunnen buren en dieven nog moeilijker naar binnen kijken. Vandaag is er volop ruimte, want Vader moet de Raadsstukken rondbrengen met zijn eigen wagen en deze is dus weg. Bovendien ontbreken de fietsen van Henny en Anita.
Geduldig demonteert hij de koplamp. Zoals bij eerder onderzoek is aan het binnenwerk niets bijzonders te zien. Op goed geluk trekt hij een paar stekkertjes los en herplaatst ze: vocht of roest kan elektrisch contact hinderen. Een spanningszoeker is nuttiger om storingen op te sporen, maar om deze te kunnen gebruiken, moet de brommer aangetrapt worden. Reindert heeft geen zin dit in de buitenlucht te doen. Het gereedschap ligt op de werkbank. Enige mogelijkheid is, de grote garagedeur te openen om de uitlaatgassen af te voeren en tegelijk uit het zicht te blijven.
Helaas: binnen twee minuten verschijnt Moeder in de deurpost. Demonstratief knijpt zij haar neus dicht en informeert geërgerd wat er aan de hand is: kan je dat niet ergens anders doen? Reindert heeft zijn nijdig antwoord klaar, een sneer naar de verhuizing, over het verlies van erf en schuur. Op het laatste moment houdt hij zich in: Blijf dan ook gewoon binnen.

Toch zet hij de motor af en staart een paar minuten voor zich uit. Tenslotte besluit hij de complete ontsteking van het blok te slopen en mee naar zijn kamer te nemen. Wellicht kan je met een batterij het circuit ook doormeten.
Moeder is evenwel nog niet klaar. Ze wil weten waarom Reindert de garagedeur omhoog laat: zo staat ons hele hebben en houden te koop.
Wat te antwoorden: dat overal wel eens de garagedeur open staat, dat het niemand een bal kan schelen wat voor troep er bij een ander staat, dat hij eventueel de deur naar de hal en daarmee naar de woonkamer wil openzetten?
Hij kijkt naar de wasmachine en voelt drift: ik zou haar in de centrifuge moeten stampen.
Alsnog zegt hij: dat krijg je ervan wanneer je in een dorp te gaan wonen. De buren weten al wat we morgenavond eten.
Moeder snapt de teneur van de uitlating niet helemaal: Dat kunnen ze helemaal niet weten. Ik zou die rommel maar vlug opruimen.
Reindert voelt zijn zelfbeheersing wegvloeien. Hij doet alsof hij zich plotseling iets herinnert. Op lijzige toon zegt hij: dat is waar ook. Ik droomde dat vader op kantoor een jonge vrouw had ontmoet: Hij bracht haar mee om te laten zien hoe we wonen.
Moeder wijst naar haar voorhoofd en trekt zich terug. Reindert grijnst tevreden: Zou ze er wel eens bij stilstaan: dat Vader wil scheiden? Tegelijk beseft hij de onzin van deze gedachte: Vader is een angsthaas. Hij bewaakt alleen zijn eigen territorium: het geld en de auto.
Hij pakt een draadtang en ziet hoe beide helften gelijk op gaan in hun beweging: vastklemmen en loslaten: ze zijn aan elkaar gewaagd.

En kijk: daar is Anita. Ze zeggen elkaar gedag en daar blijft het bij. In dit huis leeft ieder voor zich, met minimaal onderling contact. Anita weet niets van Reinderts leven buiten de deur en andersom geldt hetzelfde. Hier woont geen gezin, maar een verzameling bloedverwanten.

de soldeerbout

De raamventilator in de keuken maalt geuren naar buiten. Ze dringen ook tot de bovenliggende kamer van Reindert door: gebakken aardappelen! Kennelijk is er een restant gekookte aardappelen in de koelkast gevonden. Ze komen Henny allang de neus uit. Reindert denkt hier even over na en besluit: Morgen = boodschappendag. De koelkast moet leeg. Vanuit zijn kamer hoort hij de stem van zijn oudere zus. Ze staat erbij er kijkt ernaar. Hoe dan ook eindig je in de werkelijkheid van Moeder. Reindert zoekt in zijn geheugenmachine: er komen straks sperziebonen op tafel. Moeder heeft een flinke pan dood gekookt voor het middageten. Voor de kinderen die rond het middaguur niet thuis zijn, worden ze nog eens lekker opgewarmd. Hij besluit zich te verheugen op de bijbehorende gehaktbal.

Voorovergebogen bestudeert hij de ontsteking van zijn brommer, een listig samenspel van contactpunten, een koperen spoel, een collector en dunne kabels. Het hannesen met een batterij levert niets op. Controle leert dat de batterij is uitgeput. Moeder bewaart uitgewerkte batterijen, dan weet ze welke er gekocht moeten worden. Een volle zal in de zaklamp zitten, maar die wordt bewaard in de ouderlijke slaapkamer: terra prohibita. Reindert kent geen Latijn, maar sommige termen heeft hij ergens opgepikt, bruikbaar als ze hem voorkomen. Het huis voelt voor hem aan als een kolk van magnetische velden, ongrijpbare maar dwingende krachten. De ouderlijke slaapkamer betreden, is ondenkbaar.
Met een vergrootglas controleert hij systematisch de verbindingen in het mechaniek. Ineens begint zijn hart sneller te kloppen: gevonden, wat ben ik toch verdomde goed! Een der contacten zit duidelijk los. Om zich voor de vondst te belonen, klopt hij een sigaret uit een verkreukeld doosje, gevonden tussen de beschimmelde boterhammen van zijn schooltas: Craven A, de superieure Engelse sigaret. Alleen al naar het doosje kijken, is prettig. Inhaleren, bijna duizelig worden, de rook in een kolom naar het plafond jagen: I’m in heaven.

Om te solderen, heb je het volgende nodig: een in hout of kunststof gevatte elektrische soldeerbout, een stukje lood en een flesje speciale vloeistof. Omdat Vader nog onlangs iets soldeerde, is alles voorradig. Reindert repareert het defect zorgvuldig. Juist is hij klaar, als hij vanuit de keuken wordt gesommeerd aan tafel te verschijnen.
Heb je me niet gehoord?! Altijd klinkt het naar rancune en achterstelling. Reindert daalt de trap af, negeert de snauw, loopt door naar de huiskamer en begroet Vader die aan de gedekte tafel zit.
Zware dag gehad? Reindert heeft ergens wel belangstelling, maar de aanblik van zijn uitgebluste vader brengt ook weerzin. Eigenlijk zou hij gewoon even willen praten zonder te moeten letten op elk woord dat hij uitspreekt. Vader klinkt opgewekter dan je zou denken, na zo’n lange werkdag:
Nee hoor, ik kon in de polder met verschillende mensen een praatje maken.
Verdere uitleg blijft achterwege. Vader gaat er kennelijk vanuit dat zijn zoon precies weet waarmee hij de dag heeft gevuld. Reindert knikt, bijna welwillend. Deels begrijpt hij zijn vader: mensen = akkerbouwers, mensen die we van vroeger kennen. Vroeger = alles tot een half jaar geleden. Hij neemt plaats aan de tafel, zich bewust van het feit dat de rugleuning van de houten stoel een beetje plakkerig kan zijn, gevolg van het gebruik van teakolie. Boven de tafel brandt een lamp en de radio in de woonkamer staat aan voor de nieuwsberichten: alsof we nog thuis zijn, in het andere huis. Anita verschijnt met een pan gebakken piepers. Deze verdeelt ze over de borden van Henny, Reindert en haarzelf. Met de lege pan verdwijnt ze weer in de keuken. Reindert wacht af op wat gaat komen: de tafel moet vrij blijven voor de broodmaaltijd van onze ouders.
Boeren eten warm tussen 12 en 13 uur. Brood is voor de avond. Deze gewoonte is meegebracht van het bedrijf. Zo gebeurt het 4 x in de week dat de kinderen ’s avonds een opgewarmde prak op hun bord krijgen en de ouders alweer aan het brood zitten. Met name Vader is niet van dit systeem af te brengen.
Anita brengt de sperziebonen: goed geraden. Het valt Reindert op, dat zijn jongere zus een bril draagt. Dit fenomeen is nieuw voor hem, maar hij vraagt niets. Met aandacht volgt hij de bekende geluiden uit de keuken: gerommel met broodbeleg, kopjes, bestek, alles voor de broodmaaltijd van Vader en Moeder. Door goed te luisteren, kan je als het ware door de scheidingswand heen kijken. Op het laatste moment stapt Henny de woonkamer binnen. Ze kan meteen aanschuiven. Reindert ziet dat zijn zus soepel mijdt om de rugleuning van haar stoel aan te raken: we zijn zo getraind, dat we niet eens meer merken dat we gestoord zijn. Hij sluit zijn ogen, wachtend op de attributen van de broodmaaltijd van hun ouders: boterhammen, kaas, ham, een pot jam, twee bekers koude melk, smakelijk eten.
Slaap je, Reindert? Anita grijnst. Haar broer is lastig te doorgronden.
Nee, ik bid alvast. Moeder trekt een gezicht, maar haar aandacht wordt naar buiten getrokken. Hier passeert een voetganger, een man die zijn hond uitlaat. Moeder komt als het ware iets omhoog van haar stoel en volgt zijn bewegingen nauwgezet: zie je dat? Die man heeft al een jaar kanker, maar loopt nog altijd rond!
Reindert werpt haar een starre blik toe: misschien is hij wel een zombie! Trekt hij een beetje met zijn rechterbeen?
Pa Reindert glimlacht, Henny en Anita trekken grimassen. Maar niemand lacht voluit. De maaltijd kan eindelijk beginnen.

Na het verplichte collectieve moment van stilte om de Here te dienen, steekt Henny enthousiast van wal over de school waar zij stageloopt. De leerlingen zijn kleine wonderen, al zitten er ook weer sufkopjes bij, geboren ezels in feite. Reindert knikt instemmend: Nooit zal je een klas treffen met allemaal bollebozen. Maar domme kinderen kunnen ook lief zijn.
Met een stalen gezicht weerstaat hij de wantrouwende blik van Moeder en perst er nog een laatste zin uit: niet iedereen kan naar de HBS en dat is maar goed ook.
Hij neemt zijn bestek ter hand en snijdt de gehaktbal (sinds de verhuizing een hele) aan. Zich bewust afsluitend voor de anderen vermaalt hij zijn eten en denkt na over het werk dat hem nog wacht. Zonder parate brommer zit je in het dorp opgesloten. Hier doorheen sijpelen nare gevoelens over het afgelegde proefwerk. Wat kan je zeggen? Hij kan slechts hopen dat hem niets wordt gevraagd. De reacties zijn immers voorspelbaar, je zou ze vooraf kunnen uitschrijven, er misschien zelfs een tv programma van maken: WAT DENKT MOEDER.

Plotseling valt de radio stil. Eigenlijk gebeurt er juist niets, maar ieder concludeert meteen dat de elektriciteit is uitgevallen. Wat kan dit weer zijn?
O jee, straks bederft alles in de vriezer! Moeder legt haar eetgerei neer, alsof de vriezer op slag waardeloos wordt. Wat hierin wordt bewaard, kan alleen zij weten, want niemand mag er zomaar eens in kijken.
Pa Reindert staat op en knipt een paar wandschakelaars op en neer. Geen effect, geen licht, geen stroom.
Het regent, zei hij tamelijk absurd, verdorie, het regent!
Bedoeld wordt, dat hij na het eten nog even naar zijn land had gewild en dat deze kans nu verkeken is. Dat krijg je met een baas die elke vrijdag je werktijd met twee uren weet op te rekken. Hij werpt een lange blik uit het raam: eerst maar eten.

De opmerking doet bij Reindert een alarmbel afgaan.
De soldeerbout! Kortsluiting!
Om het gereedschap na gebruik snel te laten afkoelen, heeft hij het buiten zijn venster gehangen. Maar heeft hij ook het netsnoer afgekoppeld?
Hij probeert zijn stem zo onverschillig mogelijk te laten klinken: Ik kijk wel even boven.
Ja, het zal die radio van jou wel zijn, bijt Moeder hem toe, of je bandrecorder.
Van een soldeerbout in een slaapkamer weet zij niets en dat is maar goed ook.
Reindert snauwt terug.
Natuurlijk, mijn spullen vreten zoveel stroom dat de stoppen er zelfs met terugwerkende kracht van doorslaan.
Het liefste had hij het tafelkleed met alle borden en bestek van de eettafel getrokken, of zijn moeder zonder verder commentaar doodgeschoten.

Hij zendt een woedende blik naar Vader, die hem in onbegrip aanstaart. Niemand aan tafel eet nog. Ruzie komt vaker voor en je weet nooit hoe het uitpakt. Tijd om op te staan en de huiskamer te verlaten. In het passeren, ruikt hij de goedkope parfum van moeder: verdomd, ze is vandaag naar de kapper geweest.  Geluidloos bestormt hij de trap, knipt uitsloverig met schakelaars om de indruk te wekken dat hij de boel controleert en sluipt zijn kamer binnen. Hier volgen handelingen die getuigen van grote efficiëntie: soldeerbout loskoppelen en binnenhalen, raam sluiten, vensterbank droogvegen. Dit alles geruisloos en binnen 10 seconden. Hij verbergt het nog lauwwarme gereedschap onder zijn kleding en roetsjt de trap af. Eenmaal beneden, opent hij de meterkast en zet de aardlekschakelaar terug. Kennis is macht.

Ja, we hebben weer stroom! Het klinkt een beetje lachwekkend, zo vanachter de deur in de woonkamer. Reindert stapt de garage binnen, legt de soldeerbout op de werkbank en trekt er een lege aardappelzak over alsof alles hier allang ligt. Via de keuken keert hij terug, maar niet voordat hij nog even geniepig de koffiezetter inschakelt: de ideale verdachte. Pa Reindert heeft het apparaat nog onlangs uit elkaar gehaald wegens oververhitting of lekkage. Elke seconde zal het ding warmer worden, de waarschijnlijke oorzaak afleiden van Reinderts kamer naar de keuken. Hij kijkt naar zijn handen en denkt: ik word net zo gek als Moeder, dat is een kwestie van tijd.
Zwetend zet hij de koffiezetter weer af. Te laat, want daar is Moeder: Wat sta jij daar nou te doen?
Reindert hoeft zijn moeder niet te zien om precies te weten waar zij staat, in welke houding, met brillenglazen die schitteren in het licht. Hij heeft zijn antwoord klaar.
De koffiezetter is een beetje warm.
Het zijn woorden die een gevaarlijke suggestie bevat: Vader heeft het apparaat halfbakken gerepareerd. Moeder loopt naar het apparaat om zelf de schakelaar een paar keer te proberen. Ook voelt zij aan de zijkant van de pot: hij is wel een beetje warm, ja.

haat is een rivier

De maaltijd wordt hervat. Reindert voelt zoveel stress, dat hij zichzelf afvraagt of ok na afloop van de maaltijd wordt gebeden. Dergelijke verwarring voelt hij vaker en over verschillende zaken: is iets nou zo, of beeld ik het me in? Hij besluit dat alleen voorafgaande aan de maaltijd de Here wordt aangeroepen en dit klopt. Zodra de borden leeg zijn, staat Pa Reindert zonder plichtplegingen op en begeeft zich naar de zithoek. Nu bezoek aan zijn land wegvalt, zal hij de krant ter hand nemen en ermee neerstrijken op de vloer. Hier kan hij de bladen helemaal uitvouwen.
Henny raapt gebruikt servies en bestek bijeen om de tafel af te ruimen en Anita slaagt erin de woonkamer onopgemerkt te verlaten. Reindert hoort haar lichte voetstap bij traptrede nummer 9, want hier kraakt het hout. Hoe zal een meisje van 13 jaar de vrijdagavond doorbrengen met een moeder die geen tv wil toestaan, een vader die genoeg heeft aan de krant, met schoolboeken die je de hele week al ziet? Reindert schudt zijn hoofd als om de nare gedachten letterlijk van zich af te werpen: hoe laat is het onderhand?

Redenen zijn lastig te onderscheiden van argumenten, sociaal wenselijke antwoorden van overtuiging. Reindert doet er alles aan zijn brommer rijklaar te houden. Dit mag wijzen op orde en verantwoording, maar zijn gedrag vloeit ten diepste voort uit die ene wens: ieder moment weg kunnen. Moeders drang, het huis voor haarzelf te reserveren, werkt naar twee kanten. Reindert voelt zich ongewenst en wil het liefst stantepede vertrekken. Praktische bezwaren weerhouden hem: inkomen, een ander verblijfsadres. Dit maakt hij tenminste zichzelf graag wijs. De waarheid is rouwer: in een leven van afhankelijkheid en correctie zal hij in paniek raken ingeval de situatie drastisch verandert. Elke dag op eieren lopen is een vaardigheid geworden. Wat, als je daar niets meer aan hebt?
Dwangmatig pompt een repeterende gedachte door zijn hoofd: mijn brommer is niet bedrijfsklaar. In de nabije omgeving kent hij geen enkel acceptabel café. Een bioscoop is alleen in de stad van zijn school. In dit dorp kan je alleen bij de fanfare, bij korfbal, de Hervormde Zangvereniging of jezelf verdrinken in de ringvaart. Reindert is een fort met opgetrokken ophaalbrug. Hij wil geen schoolmakkers over de vloer, geen vrienden in het dorp.

Hij laat zijn blikken glijden over het lelijke meubilair, tweedehands aangeschaft op Vaders eerste vrije zaterdag in gemeentelijke dienst: eikenhout en appelgroene bekleding. Iemand in het dorp ging verhuizen of was overleden. De hele meuk werd ineens het huis binnengedragen. Alleen de tafelstoelen komen van een ander adres. Voor die ene keer is dit naar wens van Vader: zijn hang naar de sfeer van ooit, toen hijzelf nog thuis woonde, omringd door zwaar meubilair en een klok die elk half uur gebiedend slaat. Niemand ontsnapt aan zijn verleden.
Een merkwaardige gedachte komt bij Reindert op: het is niet 1970, maar 1940. Straks breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Wij vallen uiteen in meelopers, een nazi en een dwarsligger.
Zijn dwanggedachten worden onderbroken door de toezichthouder.
Wat sta jij daar te staan? Heb je niets zinnigs te doen?
Moeder kijkt haar zoon vijandig aan, met samengeknepen ogen. Zij is een kleine, ietwat magere vrouw, een slang met een tong die om de haverklap naar buiten glipt om gevaren en kansen op te vangen, de aanval te openen.
Reindert grijpt naar zijn hoofd, alsof Moeder hem op een briljant idee heeft gebracht: natuurlijk, dat is het!
Zonder antwoord te geven, draait hij zich om en neemt plaats op een der fauteuils in de woonkamer, zijn rug naar Moeder en de keuken. Op hetzelfde ogenblik zet Vader de tv aan. Het journaal is in aantocht.

water vindt altijd een weg

In het vorige huis is geen tv. Moeder houdt dit met succes tegen. Aan argumenten ontbreekt het haar niet: domme programma’s, tijdverlies, onrust, gezelligheid verdwenen, ontduiken huiswerk, in de huiskamer rondhangen, hoge aanschafkosten, tweede antenne (naast die voor de radio) op het dak nodig. Om haar beweringen te versterken en de status quo te handhaven, wappert Moeder afwerend met haar handen langszij de oren. Bij toenemende druk gaat ze stampvoeten. Een buitenstaander zal denken dat ze zwakzinnig is.
Dat Vader graag eens in de avond naar een voetbalwedstrijd wil kijken, er geen nieuwsbeelden binnenkomen, de kinderen op school over geen uitzending kunnen meepraten, het zal moeder worst zijn. Zij ziet het liefste dat man en kroost na de maaltijd (wel helpen met de afwas) opkrassen naar hun eigen vertrekken waarmee zij de woonkamer weer voor zichzelf heeft.
En zo kijken Pa Reindert & Zoon geregeld naar de verrichtingen van Ajax en Fijenoord op de Europese speelvelden bij grootvader, een oom, een buurman, de werkman en een andere werkman. Moeder vindt dit belachelijk maar stilletjes ook prima: als het in huis maar naar haar wensen gaat.
Onder druk van zijn nieuwe werkkring bij de Gemeente, arriveert op een dag dan toch een tv-toestel. Het krijgt een bestreden plek in de nieuwe tweedehands wandkast. Het apparaat staat op een uitschuifbare plank. Een oom monteert de benodigde antenne op het dak. De FM-antenne voor radio-ontvangst wordt verplaatst naar de zolder. Na afloop van het kijken, kan de tv terug in de kast worden geschoven, af te sluiten met een deurtje. Dat iedereen maar weet waar hij je aan toe bent. Bediening door Henny of Reindert is uit den boze: jullie blijven er met je vingers vanaf. Aan Anita wordt een dergelijke oekaze niet eens opgelegd: jij bent sowieso te klein en te kladdig.
Al tijdens een avondlijk programma doet moeder er alles aan om het kijken te frustreren: heen en weer lopen, rommelen met servies, de breimachine op tafel plaatsen en met veel geluid heen en weer rossen, zuchten, op de klok kijken, informeren naar huiswerk, om gek van te worden. Vader ondergaat het allemaal, de ene keer chagrijniger dan de andere. Reindert verdenkt hem ervan, soms helemaal niet af te reizen naar zijn landje om daar te werken, maar te vluchten naar mensen van vroeger om daar wat te praten en tv te kijken.

vrijdagavond

Na afloop van de nieuwsuitzending klungelt Reindert in de garage, die prettig ruikt naar de auto van Vader: een mengsel van brandstof en rubber, stof en sigarenrook. Zo rook het vroeger in de schuur, wanneer Reindert er een balletje ging trappen of Vader hielp met het sorteren van aardappelen.
Tegen 9 uur is hij alsnog klaar met het herplaatsen en afstellen van de ontsteking van zijn brommer. De beschermkappen worden gemonteerd, de buddyseat afgeveegd. Gereedschap belandt min of meer waar het hoort, op en boven de werkbank van Vader. Hij durft zijn Stalen Ros niet opnieuw in de garage te starten, om voorspelbaar gedoe met Moeder (en daarmee ook van Vader) te voorkomen. Hij moet er maar vanuit gaan goed werk te hebben geleverd. Zal hij maar even gezellig een kopje thee met de anderen meedrinken in de woonkamer? Hij kijkt op zijn horloge en begrijpt dat theetijd voorbij is, dat er voor de tweede keer vandaag nog slechts lauwe thee in de pot zat zitten of helemaal niets. Om zijn brommer alsnog te testen, besluit hij af te zakken naar het Buurthuis, een nieuwbakken honk voor de dorpsjeugd aan de rand van het dorp. In de hal hangt zijn jas en daar verschijnt ook meteen Moeder.
Ga je nou de deur nog uit? Morgen vroeg moet je weer naar school!
Moeder herinnert hem aan iets dat hij zelf ook wel weet. Op zaterdagmorgen zijn er nog lessen in gymnastiek en scheikunde, vakken waar Reindert het belang niet van inziet. Eerst zit je 20 kilometer stram op een brommer, daarna mag je rondjes rennen voor de conditie.
Het zal wel nachtwerk worden, antwoordt hij dreigend, de kater doet wat des katers is.
Deze laatste woorden zijn bedoeld om moeder op te fokken, haar eraan te herinneren dat hij wel eens een meisje zou kunnen vinden, haar zwanger maken, het leventje van Moeder overhoop stoten.  
Alsof iemand jou zou willen, met je haardos en je armoedige kleding.
Woord en wederwoord zijn beproefd.
Geef me dan eens iets nieuws. Met die zelfgemaakte broeken loop ik voor joker.
De woorden zijn puur bedoeld om te kwetsen.
Wees blij dat je nog een broek hebt. Van het geld dat je buiten de deur verdient, kan je ook zelf kleding kopen.
Zo kan het uren doorgaan. Reindert haalt zijn schouders op en maakt rechtsomkeert.
Weet je wel, dat je een beetje raar loopt? Het lijkt of er iets aan je benen mankeert.

In het Buurthuis brandt licht. Tegen een zinloos hek klonteren een stuk of wat fietsen. Een paar brommers staan op hun standaard. Reindert steekt een Engelse sigaret aan, opent de deur en stapt naar binnen. Hier ruikt het naar brand. Muziek van The Free klettert uit speakers die aan het plafond zijn geschroefd.
Met enige tegenzin herkent hij klasgenoten van ooit. Het zijn aardige jongens en meiden, bovendien alleszins bereid hem in hun midden op te nemen, onkundig van de veranderingen die het leven van Reindert overspoelen. Zelfs geeft hij schele Hessel een hand, omreden dat deze wordt geflankeerd door een Indonesische schone: verdomd, daar hebben we Maudy…. Reindert wordt terug in de tijd geworpen, de nadagen van zijn verblijf aan de MULO in het dorp: examenklas, van pispaal naar klassenheld, roken op verboden plaatsen, een grote mond tegen de directeur. In die dagen zit Maudy een klas onder de zijne. Vrouwen kijken omhoog, niet omlaag. Reindert zag het meisje wel, maar was met andere zaken bezig.

Dag Maudy, wat een verrassing! Indringend bekijkt hij haar. Aanstonds is Hessel lucht voor hem, al blijft de jongen hardnekkig staan. De begroeting draait uit op een halve omhelzing, genoeg om te kunnen vaststellen dat zij een opwindend parfum heeft opgedaan: voor wie heb je dit opgedaan, Maudy, voor wie dan toch? Reindert ervaart een soort balorigheid. Van het starre ongemak thuis naar dit enigszins losgeslagen gezelschap is nogal een omslag. Bij de bar zet hij zijn clownsoptreden voort, alsof hij hier elke week binnenvalt. Hij beseft dat anderen op een of andere manier naar hem opkijken: dat is Reindert die doorleert in de stad.
Met gemeentelijke subsidie zijn twee kratten bier ingeslagen. De Vroede Vaderen gaan mee met de tijd.
Er is bier, stel ik vast. Een prettig vooruitzicht.
Drinkend uit het gratis flesje, aanschouwt hij het gezelschap. De meeste zijn dorpsgenoten, bekend van eerdere schoolgang, aangevuld met misschien broers en zussen die hij vergeten is of die nooit de MULO hebben gehaald: zelfs dat niet: Reindert is zich nauwelijks bewust van de arrogantie in zijn gedachte. Hij weet zich onafhankelijk van hen, slechts gebonden door een verleden maar niet door een toekomst. Onwillekeurig denkt hij terug aan voorbije tijden, de maanden voor het examen. Anderen werden met de week nerveuzer, Reindert niet. Eerder voelde hij minachting en wrok, de overtuiging dat hij zou moeten thuiskomen met een HBS-diploma, in plaats van een tweederangs boterbriefje van de MULO. Voorzichtig snuift hij de patchoeli geuren op van Maudy en besluit om zich eens grondig in haar te verdiepen: met Saskia kan het toch niks worden. Een tweede flesje bier is hiervoor een geschikt begin.

Opstaan is een kwestie van training. Anderen vinden het onmenselijk, op zaterdag om 7 uur uit bed te komen. Reinderts klok is ingesteld op het verleden, waarin hij zo vaak klokke 6 op het land van Vader aan de dagtaak begint. Net als Henny overigens. Dan zitten ze gedrieën aan de keukentafel met een boterham en een glas opgewarmde melk. Moeder blijft liggen. Zo bezien is 7 uur een luxe. Wanneer Reindert zich de beelden herinnert, is dit in de tegenwoordige tijd. Het zou hem niets verbazen, op een morgen te ontwaken in het oude huis, alles zoals het altijd is geweest.
Hij smijt een handvol boeken in zijn tas, eet een boterham bij het aanrecht en voelt zich redelijk goed. Zijn gedachten glijden terug naar de vorige avond. Na het tweede biertje in het buurthuis schakelde hij wijselijk over op cola en water. Hoe eenvoudig was het, Maudy los te weken van die rare gast, te dom om op zijn benen te staan. Na sluitingstijd bracht hij haar naar huis, weliswaar zonder vervolgafspraak maar wel met een gestolen kus. En de wetenschap waar ze woont.

Rijden op een mooie brommer is elk uur van de dag een feest. Het motorgeluid, het beschaafde snerpen van de uitlaat, blinkende spaken in het wentelende voorwiel, de rijzende en dalende naald van de snelheidsmeting. En dan is er het vooruitzicht om de nieuwe cilinder te monteren! Zou Simon misschien een dikke carburateur op de plank hebben liggen? Alles bijeengenomen wacht hem een spannende ochtend, te beginnen met een rit van een kilometer of twintig over goeddeels kaarsrechte polderwegen. Onderweg valt hem in, dat hij evengoed vandaag al het geld voor de cilinder kon meebrengen.

zaterdagmorgen

Bij het busstation in de stad pikt hij klasgenoot Floris op. Floris komt van ergens benoorden de stad. Ze veroorloven zich, eerst koffie te drinken in de restauratie: weet een docent veel hoe laat de bus aankomt. Floris heeft een paar literatuurboeken bij zich die hij zonder voorwaarden aan Reindert uitleent. Zo worden kennissen tot vrienden. Vooralsnog blijft het contact beperkt tot de uren van schoolgang. Reindert kan zich verheugen op een weekeinde met Wolkers en Hermans: lekker lezen op je bed, in je eigen kamer, je eigen domein.

Het sportveld ligt aan de andere kant van de stad en behoort tot het complex van een bekende voetbalvereniging. Bij aankomst is het sporten nog nauwelijks begonnen. Het gras op het sportveld glinstert een beetje van ochtenddauw. Reindert heeft stramme benen van de zit op de brommer, maar dit verhindert hem niet om aan het hardlopen mee te doen. Twee jaar na de aftocht van de boerderij beschikt hij nog altijd over een redelijke conditie. Op de afstand van 1500 meter behoort hij tot de besten van de klas.
Na anderhalf uur sporten is het gedaan. Reindert neemt Floris weer achterop, nu naar het schoolgebouw waar nog een uurtje scheikunde wacht.

Het gebouw toont stil. De HAVO kent geen lessen op zaterdag. De Mammoetwet van 1968 kort het curriculum in, pretpakketten met talenpracticum worden aangeboden, moeilijke vakken afgeschreven, vroegtijdige selectie gemeden: iedereen kan studeren. MHDS en de aansluitende HBS lopen op de laatste benen. Tot verdriet en gramschap van de oudere docentengarde: ze doen alsof HAVO vergelijkbaar is met de HBS! Het zijn de kreunende geluiden van dinosauriërs, die pas jaren later verstaan zullen worden en dan nog slechts ten halve. Reindert zou beter de HAVO volgen, maar de HAVO loopt achterop.

Mevrouw Vouten is veel te aardig voor zo’n kluit opgeschoten jongelui. Het vak scheikunde staat bovendien haaks op de hoofdlijn: handelsvakken en talen. Bij ontbreken van urgentie begint de balorigheid. Reindert heeft alle gelegenheid om klasgenoot Jan aan te horen, een dikzak die hem weinig sympathiek is. Jan wil na zijn opleiding daadwerkelijk in de handel – een weerzinwekkend voornemen. Daarbij stottert hij nogal en kraamt praatjes uit waar Reindert weinig behoefte aan heeft. Kortom: hij beschouwt zijn klasgenoot enigszins als een idioot.
Jan legt uit wat er aan de hand is met zijn MoMoMobylette, een brommertje dat alles heeft om een hekel aan techniek te krijgen.
Of Reindert na de les even kan meekomen om een reparatie uit te voeren. Reindert doet alsof hij nadenkt: wat moet ik thuis doen nu ik de missende zuigerveer nog niet heb? In zijn hart wil hij zelfs Jan helpen, maar iemand die aan import/export denkt, moet maar ervaren dat alleen de zon voor niets opgaat.
Het gaat je geld kosten. Kennis is macht, weet je wel.
Jan vindt het prima. Tientje?
Twintig en eventuele onderdelen zijn voor jouw rekening. Bovendien moet jij die zelf halen. Reindert bedenkt, dat hij geen brood bij zich heeft.

Zaterdagmiddag, van uitstel en afstel

Het repareren van kapotte brommers duurt altijd langer dan je vooraf inschat. Daarbij werkt Reindert degelijk en niet met de Franse Slag zoals verwende klasgenoten. Twee volle uren is hij bezig. Hij laat Jan een kabel halen en nieuwe remblokken. De wachttijd benut hij om in de keuken een boterham met kaas te beleggen en rond te neuzen in de kamer van Jan. Boeken en platen staan er, de gebruikelijke rommel op de vloer. Een gitaar met klankkast trekt zijn aandacht: 6 snaren, alle van verschillende toonhoogte. Reindert strijkt er zijn vingers over. Het valt hem in, dat gitaarspelen nog niet zo eenvoudig zal zijn. Zo te staan in de kamer van een klasgenoot die zeker geen vriend is, voelt een beetje raar, bijna alsof hij inbreekt: Jans’ moeder valt ineens binnen. Ze ziet mij staan en begint te schreeuwen.
Terug in de keuken drinkt hij vruchtensap uit een fles. Jan laat op zich wachten. Uit verveling betreedt Reindert de woonkamer, een pakhuis van burgerlijkheid. Tegen de wanden rijzen lompe kasten op, de zithoek toont pluche en eikenhout. Een Rotterdamse Staander tikt plechtig, maar zelfs Reindert kan zien dat het een nepper is, een beroerde reproductie. Hier wonen en je huiswerk maken, weten dat je de handel in wilt. Wat mag dat betekenen? Een marktkraam vol lelijke schoenen, broeksriemen en spijkerbroeken? De hele dag aan de telefoon in een kantoor dat aardappelen exporteert naar Malta? Wat weet Jan dat Reindert een raadsel is? Zal docent Offermans zich wel eens afvragen waartoe de kennis die hij overdraagt, uiteindelijk leidt? Hoopt de man dat zijn leerlingen levensvreugde zullen putten uit het correct invullen van zoiets als een saldibalans? Alles bijeen deprimeert de woonkamer nogal.

Terug in de kamer van Jan, bekijkt hij nog eens de gitaar. Jan heeft toegegeven dat hij niet kan spelen. Wel is hij van plan dit ergens in de toekomst te leren. Het nutteloze bezit van de gitaar irriteert Reindert ergens, zonder dat hij het instrument begeert. Bezit suggereert iets, maar wat precies? Dat je kan uitgroeien tot een soort Jimi Hendrix? Laat me niet lachen.
Een gitaar mee naar huis brengen, is voor Reindert onvoorstelbaar. Het enige instrument dat bij Moeder genade vindt, is het Hammondorgel. Henny heeft er sinds kort een. Het staat nota bene pontificaal in de woonkamer. Reindert vindt het een verschrikking: Tegen Henny zegt hij spottend: je kan ermee optreden als missionaris. Erg ver naast de gedachte zit hij niet eens. Henny krijgt thuis les krijgt van de organist van de Kerk. Dit bevalt Moeder des te meer; zo rekent zij zichzelf een beetje tot de notabelen in het dorp. Buiten de deur komt ze nauwelijks. Zelfs boodschappen haalt ze het liefste in de wagen van de SRV die twee maal in de week voor de deur stopt. Moeder bestaat vooral in haar eigen verbeelding.

Tegen drie uur staat hij op straat met twee briefjes van 10 gulden en het vermoeden dat Jan vooral om aandacht en vriendschap verlegen is. Een aanbod om eens samen ’s avonds de stad in te trekken, heeft Reindert aangehoord maar niet beantwoord.
Een beetje vermoeid trapt hij zijn eigen brommer aan en rijdt naar huis. Hier is niemand, maar toegang ligt verscholen onder een tegel. Een eigen sleutel van het huis krijgt hij niet, Henny trouwens evenmin: het is hier geen hotel!

Maudy revisited

Dag Reindert!
Hij schrikt zich wezenloos en kijkt om. Daar staat Maudy, zijn lief van de vorige avond. Ze laat een klein wit hondje uit. Deze aanblik bevalt Reindert minder, maar hij doet zijn best dit niet te laten blijken. Met honden heeft hij niets. Nieuwsgierig komt het beestje aan zijn broekspijpen snuffelen.
Kom je net thuis?
Maudy wil maar wat graag mee naar binnen.
Nee, ik ga net weg. Benzine tanken.
Hij leest de vraag op haar gezicht.
Vanavond moet ik naar een afspraak in de stad. Iets over studiekeuze.
Wie leeft in een huishouden van leugens en controle vertoont hetzelfde gedrag buiten de deur. Voorlichting over onderwijs op zaterdagavond? Maudy is gewoon een aardig meisje dat beter verdient. Reindert staat min of meer te wachten tot ze opstapt. Meer voor de show dan omdat hij werkelijk benzine wil tanken, rijdt hij even later zelf ook weg. Bij gebrek aan een beter idee, gaat hij inderdaad de brandstof bijvullen.  

Vanuit het ouderlijk huis belt hij Floris die hem boeken heeft geleend. Ze spreken voor dezelfde avond af in een café, een paar honderd meter van het schoolgebouw in de stad. Reindert legt de telefoon neer en realiseert zich, dat hij met Simon had moeten meegaan om de cilinder af te rekenen en de missende zuigerveer mee te krijgen. De avond is een prima gelegenheid eens flink te jakkeren: in plaats daarvan sta ik die troep van Jan te repareren. Tot etenstijd gaat hij op bed liggen lezen. Dit lukt niet erg. Zijn verlangens dwalen af naar Maudy. Na de hand aan zichzelf te hebben geslagen, valt uiteindelijk in slaap.

zaterdagavond

Zou je wel weggaan? Er wordt gewaarschuwd voor mist.
Reindert knikt. Waarom doet Moeder aanhoudend dit soort mededelingen: thuisblijven, huiswerk maken, piepers schillen en afwassen? Aan de ene kant kijkt ze iedereen het huis uit, aan de andere kant probeert ze iedereen te ketenen. Reindert begrijpt er weinig van.
Juist daarom, het wordt levensgevaarlijk.
Moeder schudt het hoofd. Ze strijkt neer op haar vaste stek aan de eettafel. Reindert besluit nog wat te blijven, zijn moeder zo mogelijk op de kast te jagen.
Weet u wel dat deze stoelen met verkeerde olie zijn ingezeept? Daarom plakken de rugleuningen aan je kleding.
Mensen met rigide opvattingen zijn voorspelbaar.
Ze plakken omdat jij zweet. Als je er lang tegen aan zit, slaan ze wit uit. Je bederft de meubels.
Stoelen zijn er voor de mensen. Ik leef niet om een stoel van dienst te zijn.
Jij dient helemaal niets of niemand. Je rijdt je nog eens dood op die brommer.

Een oud stokpaard wordt weer eens van stal gehaald.
Wat zou dat? Jezelf doodrijden lijkt me een recht.
Je bent niet goed snik.
Dat heeft een genetische voorgeschiedenis.

Zo kan je oneindig doorgaan. Reindert staat op en voelt demonstratief aan de rugleuning van zijn stoel.
O, nee! Het is weer zover: zweet!
Bij het weggaan kruist zijn blik die van Vader. De man zit op de vloer de krant te lezen.
Tot morgenochtend. Of anders in het mortuarium.
Twee zielen, één gedachte.

Van het ene naar de andere gelegenheid gaat het. Anders dan op platteland kent ieder café in de stad een eigen publiek. Reindert treft Floris in Café Bruine Beer. Hier zijn ook een paar klasgenoten. Ze komen uit een nabijgelegen kunstenaarsdorp, dat zich minder onderscheidt door een bloeiende kunstkring dan door forse bankrekeningen. In de klas valt het nauwelijks op, maar hierbuiten blijken netwerkjes te bestaan van hen die nieuwe kleding kopen wanneer ze er zin in hebben. Floris past zich hierop beter aan, al komt ook hij van een boerderij. Reindert loopt er een inderdaad beetje armoedig bij. Nieuwe mode is hem vreemd. Hoe dan ook stroomt het bier uit de tap. Langzamerhand raakt ieder een beetje aangeschoten. Het vriendenclubje is beslist welwillend, maar ergens voelt Reindert een glazen scheidingswand. Zijn klasgenoten staan wel erg gemakkelijk in het leven. Zelfs de aan ieders horizon opdoemende militaire dienstplicht brengt hen niet van de wijs: het is de vraag of het zo’n vaart zal lopen. Reindert weet op voorhand dat hij zal worden goedgekeurd en vervolgens in conflict zal komen met een of andere korporaal die hem in het gareel wil tremmen. Dit scenario ziet hij al glashelder voor zich. Liever praat hij met Floris over de boeken die hem zijn uitgeleend.

Tegen de tijd dat Floris aangeeft naar huis te willen wegens de laatste bus, vindt ook Reindert het welletjes. Eigenlijk valt het uitgaansleven hem een beetje tegen. Het is meer een idee van vrijheid-blijheid, dan dat er in de praktijk iets bijzonders van terecht komt. Liever was hij op zijn oude erf met de schuur en het uitzicht, de geit die het gras kort houdt en de kat op schoot. In de stad geef je geld uit, je raakt aangeschoten en gaat blut naar huis. Nou ja, praten over boeken kon voorheen met niemand, dat is waar.

zaterdagnacht, de crash

Buiten de stad is het behoorlijk donker. Straatlantaarns staan gaandeweg verder uit elkaar. Het voeren van eigen verlichting is beslist gewenst. Alleen: de koplamp van de Kreidler werkt niet. Reindert klikt de schakelaar vergeefs nog eens heen en weer. Hij vervloekt zichzelf: je moet nooit iets aannemen, maar testen! Hier in de nacht kan hij niets controleren of herstellen. Gereedschap ligt in de garage. Zijn ogen wennen snel aan de nieuwe omstandigheden, maar wat als je wordt staande gehouden door toevallig de enige politiewagen die het platteland doorkruist? Veel keuze is er niet. Reindert hervat de terugtocht. Je kan moeilijk helemaal naar huis gaan lopen en voor de politie zal het geen verschil maken wanneer ze hem opmerken. De mannen zullen weinig te doen hebben en hem zeker aanspreken. Om zijn verblijf op de weg zo kort mogelijk te houden, besluit hij er flink de vaart in te zetten.

Na een laatste bocht bereikt hij het fietspad. Dit voert tien kilometer kaarsrecht naar het oosten. Parallel liggen een rijbaan voor autoverkeer en een brede sloot. Dit is de polder, product van een 17e -eeuwse tekentafel. Het land ligt 4 meter onder de zeespiegel. Boven de sloten vormen zich misflarden, traag voortkruipende Witte Wieven.
Mist: omtrekken vervagen, het onderscheid tussen land en lucht vervalt, een parallelle wereld doemt op. Tijd is verbonden met waarneming. Waar het concrete wegvalt, wordt ook tijd fluïde.
Al snel voelt Reindert de natte neerslag op zijn gezicht en handen. Voordeel is, dat hij snel ontnuchtert. Hij draait de gaskraan helemaal open en hoopt er maar het beste van. Veel verkeer op het fietspad is er niet. Na het inhalen van twee fietsers, komt hij niemand meer tegen. Vermoeidheid van de dag en aansluitende avond mengen zich met alcohol en lang onderdrukte gevoelens: hier het water inrijden, bekneld raken, wachten op het einde.
Hij schrikt een beetje van deze gedachte, maar is wel gefascineerd: midden in de nacht komt de politie bij mijn ouders aan de deur. Goedenavond, bent u die en die, dan hebben wij een nare mededeling voor u.
Fantaseren is spelen met angst en afkeer. Moeiteloos ziet Reindert voor zich hoe zijn slaperige vader zich aankleedt. Vanuit haar bed roept Moeder hem vragen toe: wat moeten die mensen? Zij heeft volstrekt geen zin om op te staan. Daarna zit het gezelschap alsnog in de woonkamer, aan de tafel waar Moeder op haar vaste stek neerstrijkt: ik heb het hem vanavond nog gezegd, jij rijdt je vandaag of morgen nog eens dood!
Het zal verongelijkt klinken. De agenten denken dat dit komt omdat Moeder van de kaart is. Henny komt ook de trap af en gaat zonder opdracht hiertoe een potje thee zetten. Anita is ook wakker, maar durft de trap niet af te dalen: heeft mijn broer zich doodgereden? Tegen Vader zegt één van de verbouwereerde agenten: maar uw zoon is helemaal niet dood, hij was getuige van een ernstig ongeluk!
Het huilen van de motor tussen zijn voeten heeft een kalmerende uitwerking. Verbrandingsmotoren lopen beter als de buitenlucht kil en vochtig is. Reinderts gedachten dwalen af naar de laatste ontmoeting met Maudy. Hoe kon hij haar wegsturen? Ik wil geen stamgast van het Buurthuis worden.
Ergens lijkt hem het beste, dat zij geruisloos uit zijn leven verdwijnt. Het vooruitzicht aan iemand vast te zitten, beangstigt hem. Daarbij: wie hij ook mee naar huis zal brengen, de ongelukkige wordt uitgeleverd aan onbeschaamde vragen. Bovendien kan Moeder staren alsof zij een zeldzaam reptiel moet determineren.

de klap

In een reflex ontwijkt hij iets op het fietspad. Hier staat iets of misschien ook niet. Een seconde heeft hij nodig om zich af te vragen wat hij heeft gezien: het onderstel van een kinderwagen?  Hij stuurt de brommer de berm in om te keren, zijn waarneming te controleren. Op hetzelfde moment raast vanuit tegenovergestelde richting een schim langs hem. Het is een windvlaag van lawaai. Onmiddellijk hierop weerklinkt een geweldige slag en een schreeuw die door merg en been gaat.
Geschrokken schakelt Reindert zijn brommer uit. Hij staat in het donker en onderkent dat hij geen licht heeft gezien. Het doet onwerkelijk aan: ben ik nou dronken of gewoon gek? Hij stapt af, schudt zijn hoofd en wrijft zijn ogen. Reed daar iemand zonder licht, net als hijzelf?
De natuur is onverbiddelijk. Hevige drang dient zich aan. Het bier van de afgelopen avond wreekt zich. Reindert trekt de Kreidler op de standaard, stapt een beetje houterig af en ritst zijn broek open. Achter zijn rug zal iemand liggen, gewond of overleden. Een beroerde zaak, maar eerst moet er geplast worden. Wel een halve minuut staat hij in stilte en eenzaamheid. Het duurt even voor de blaas helemaal leeg is. Na gedane arbeid begint hij terug te lopen. Het is niet absoluut donker; vooral de nevel maakt dat hij moeilijk contouren onderscheidt. In zijn jaszak vindt hij een aansteker, een goedkope van plastic. Met het stelschroefje aan de bovenkant kan je de vlam flink vergroten.

Midden op het fietspad stuit hij op een vreemde constructie van metaal, voorzien van kleine wielen, inderdaad het onderstel van een kinderwagen of speelgoedkar. Ernaast, half eronder, ligt een tas van canvas. Deze is opengebarsten en toont de gereedschapswinkel van Ali Baba. Zich bijlichtend, ziet Reindert schroevendraaiers, een breekijzer en een handvol sieraden. Het is hem vreemd te moede. Wat mag dit allemaal voorstellen? Even komt de gedachte bij hem op, iets weg te nemen, dit naderhand aan Maudy te schenken. Tegelijk voelt hij aandrang te vluchten, in de hoop ongezien te verdwijnen. Wie kan weten dat hij hier is geweest?  
Dat gaat natuurlijk niet. Enkele meters verder ligt ongetwijfeld een lichaam op het asfalt. Reindert raakt niets aan en loopt behoedzaam verder. Bijlichten kan slechts in korte momenten, want het klepje van de aansteker wordt snel heter dan zijn vingers verdragen. Over de verkeersweg passeert een auto, op de voet gevolgd door een tweede. Ondanks de mistflarden, rijden de wagens heel hard: hoe later het uur, hoe schoner het volk. Aan het tafereel op het fietspad schenken de passanten geen aandacht.

Op het fietspad ligt het lichaam van een jonge man. Hij draagt een helm en zijn gezicht is gekeerd naar de aarde. Wat te doen? Reindert weet niets van Eerste Hulp, laat staan dat ooit bij hem is opgekomen dat dergelijke kennis van pas kan komen. Daarbij is hij voorzichtig, want hij vermoedt dat het om een inbreker gaat. Wie rijdt er ‘s nachts rond met een breekijzer? Hij hurkt neer en schudt lichtjes aan de schouder onder hem: Hee, kun je mij horen? Reactie blijft uit. Wel is er een staccato kreunen, het grommen van een kwaaie hond. Reindert komt overeind. Zijn ogen zoeken naar de gecrashte brommer, maar ontdekken niets.

Niemand weet vooraf hoe hij reageert op een calamiteit. Pas wanneer het zover is, leer je jezelf kennen. Reindert versleept het lichaam naar de berm. De eerste de beste passant op fiets of brommer zal er immers dwars overheen rijden en zo blijf je aan de gang. Met een voet schopt hij het verwrongen onderstel met wielen aan de kant. Omdat hij de gecrashte brommer niet vindt, besluit hij hulp te gaan zoeken. Eigenlijk vertoont hij een vorm van mechanisch gedrag, nauwelijks gestuurd door overwegingen. Ergens in hem zal een programma zijn opgeslagen: hoe te handelen bij een verkeersongeval. Hij veegt zijn door nevel nat geworden gezicht af aan een mouw en loopt terug naar zijn Kreidler. Vanuit tegenovergestelde kant nadert een auto met slechts een enkele koplamp. Reindert gebaart met zijn armen, maar de auto rijdt door. De bestuurder claxonneert zelfs uitsloverig. Er zit weinig anders op dan zelf op pad te gaan. Eenmaal op zijn brommer is er opnieuw de aandrang om te vluchten, naar huis te gaan en onder de dekens te verdwijnen: waarom heb ik altijd dat gesodemieter? Bestaat er zoiets als een geweten, een ingebouwde drang om sociaal te handelen? Voor hetzelfde geld lag ik daar in de berm, hoeveel kan het helemaal gescheeld hebben? Een moreel superieur klinkende bewering. Maar echte drijfveren blijven liever verborgen en onbegrepen.

Meningen en overwegingen mogen strijden wat ze willen, uiteindelijk gaat het om de feiten, om wat je doet of nalaat. Reindert speurt naar een lichtbron, een huis om alarm te slaan. Nauwelijks honderd meter verder is het zover. Een rechthoekig venster toont lamplicht. In de weerschijn ervan is zelfs de poort naar het erf zichtbaar. Deze komt hem bekend voor: op dit adres heeft hij gistermiddag zijn lekke band geplakt.

samenzweerders

Waar in het donker de tijd een statische eeuwigheid is, geraakt ze nu in een versnelling. De boer ligt niet in bed, zoals het uur alleszins rechtvaardigt, maar zit aan de keukentafel. Door het verlichte venster ziet Reindert, dat hij bezig is met een oude radio. De inhoud ligt verspreid op tafel. Zijn knokkels tikken op het raam.
Natuurlijk herkent de man Reindert. Dit bevordert zijn hulpvaardigheid nogal. Een paar woorden volstaan om hem in beweging te krijgen, maar niet nadat hij nadrukkelijk heeft gevraagd: je weet het toch wel zeker, vriend? 
Aan een wand in de keuken hangt de telefoon, precies zo’n zwarte doos als bij Reindert thuis: weet jij het nummer van de politie?
Zodra je afhankelijk wordt van iemand, begint het hannesen. Hoezo zal Reindert het nummer van de politie kennen? Via een uit bed gebelde buurman wordt dit alsnog achterhaald: vertel maar zelf wat je hebt gezien. Het duurt lang voor wordt opgenomen. Reindert krijgt een juffrouw te spreken, waar hij een echte agent verwacht. Voor het juiste adres moet hij de boer roepen die in het klompenhok iets aan zijn voeten trekt. De telefoniste vertrouwt het niet helemaal: mag ik die man even spreken? Reindert voelt zich weggezet: wie heeft hier eigenlijk gezien wat er gebeurde? Zodra hij de telefoon heeft afgestaan, neemt hij zich voor de vrouw verder niet meer te willen spreken. Zijn blikken gaan over de spullen op tafel: radiolampen, glas met geprinte zenderindeling, een bruine plaat waarop metalen houders zijn gemonteerd: bakeliet! Hij kan het zelfs ruiken. Er ligt ook een soldeerbout, een moderne van groen plastic.
Lijdzaam wacht hij tot de boer klaar is met telefoneren. De man toont een beetje onrustig, alsof hij zich realiseert dat er een probleem is dat alleen maar zal uitgroeien. Hij ziet Reindert naar de tafel kijken en zegt: in de late uurtjes repareer ik radio’s. Alleen beginnen mijn handen een beetje beverig te worden, dat is lastig met solderen.
Reindert knikt ongeduldig. Op straat ligt iemand die hulp nodig heeft.
Ik heb vanmiddag nog gesoldeerd. Toen kregen we kortsluiting.
Voorzien van een zaklamp met uitgeputte batterijen lopen ze eindelijk naar buiten. De boer legt uit: dat de lamp beter zal gaan branden naarmate ze opwarmt in je handen. Reindert trekt ongezien een gezicht: Jezus Christus. Er passeert geen enkele auto of ander voertuig.  

De getroffene ligt erbij zoals Reindert hem heeft neergelegd.
Heb je hem zo gevonden?
De vraag geeft Reindert een waarschuwing: dit zal de politie straks ook vragen. Hij neemt zich voor om zo weinig als mogelijk te weten. Zelfs de boer behoeft niet alles te horen. Zoals hij dit thuis gewoon is, beantwoordt hij lastige vragen met een soort van spiegel: die gast zal niet uit zichzelf naar hier zijn gekropen.
De boer voelt aan de hals van het slachtoffer en probeert het lichaam om te draaien.
Wat sta je daar, jongen? Help eens een handje!
Het zwakke lamplicht toont een wit en slap gezicht. Nergens is bloed te zien. De boer houdt de rug van zijn hand onder de neus van de jongen: Ik denk dat hij dood is.

Nasleep

Wachten is een beleving en duurt voor Reindert daarom altijd lang. Gelegenheden te over: de bus blijft buiten beeld, je moet dom geklets aanhoren terwijl je weg wilt, de kassarol in de supermarkt blijft hangen op het moment van afrekenen. Het duurt allemaal een eeuwigheid en het frustreert hem. Ook nu ervaart Reindert een gevoel van bewustzijnsvernauwing. Hij voorziet met groeiende zekerheid gedoe met de politie: hoe zit dat vriend, wat heb jij ermee te maken Tegelijk is hij nieuwsgierig en kan hij niet wachten tot de hulptroepen komen opdraven, er daadwerkelijk iets gebeurt aan de sukkelaar in de berm: zou hij echt dood zijn?
De boer benut de tijd door het wrak van het onderstel te bekijken. Hij lijkt afwegingen te maken.
Heb je die brommer al gevonden?
Ik heb niet gezocht. Heeft u een paardendeken of zoiets? Hij zal onderkoeld raken.

Een auto nadert en vertraagt. De bestuurder lijkt de situatie te beoordelen. Vervolgens geeft hij vol gas en verdwijnt. De boer lacht een beetje schamper: onderkoeld, wat is dat nu weer? Hij negeert de vraag naar de deken en richt zich weer tot Reindert.
Zeg eens, heb je veel gedronken? Als dat zo is, kan je beter verdwijnen. De politie zal vragen stellen. Ik kan zeggen dat ik de jongen zelf heb gevonden. Ik hoorde de klap en ben gaan kijken.
Reindert aarzelt. Wat, als de politie over een paar dagen alsnog voor de deur staat en hij mag uitleggen waarom hij is weggereden? Op school steekt hij weinig op van het Wetboek van Koophandel, maar uit het Wetboek van Strafrecht herinnert hij zich duidelijk dat je de plaats van een ongeval niet zomaar mag verlaten. Aan een opleiding MHDS heb je iets en het brein laat zich niet voorschrijven wat het onthoudt of vergeet.
Het gaat prima. Ik wacht wel.
Er verstrijken seconden die overgaan in minuten. Klinken in de verte sirenes? Zwaailichten zijn niet te zien. De boer denkt nog eens na.
Voor alle duidelijkheid: het onderstel komt van mijn erf. Godverdomme. Hoe het hier is beland, weet ik niet, maar ik heb liever niet dat de politie het weet. Jij hebt dat ding nooit gezien. Begrijpen we elkaar?
Zonder omhaal slingert hij het wrak in de naastgelegen sloot: zo, daar zijn we vanaf! Inderdaad weerklinkt steeds duidelijker de janktoon van een sirene. Even later is blauw licht te zien. Het circus kan beginnen.

Ze moeten achteruit voor de instanties. De plaats van het ongeluk wordt niet echt afgezet, maar desondanks worden ze steeds verder teruggedrongen van de plek waar Reindert eerder alleen met het slachtoffer stond. Mededelingen worden niet gedaan en de ambulance schermt het zicht af. Met continu zwaailicht staat de wagen dwars op het fietspad. Over de rijweg passeert sporadisch een auto. Ze mogen erlangs, maar alleen stapvoets. Sommige automobilisten draaien hun raampje omlaag om beter te kunnen kijken. Gaandeweg verzamelen zich toch wat mensen. Waarschijnlijk zijn het buurtbewoners die willen weten wat er gaande is. Ze komen zomaar uit het donker en klonteren bij elkaar. Hier en daar gloeit een sigaret. De mist lijkt dunner te worden, waardoor contouren van huizen en de nabijgelegen boerderij opdoemen. Nachtelijk duister is relatief.
De gecrashte brommer blijkt ondersteboven in de sloot te liggen. Het voorwiel steekt uit boven het water. Een duiker gaat erin om het rijwiel te onderzoeken, misschien om na te gaan of er nog iemand ligt. De brommer blijft waar hij is, wat Reindert nogal bevreemdt: is het zo’n klus om dat ding even op de wal te trekken? Het onderstel wordt niet gevonden. De duiker blijft er enkele meters van weg.

de confrontatie

Twee agenten lopen met hen mee naar de boerderij. Aan de keukentafel zit inmiddels de boerin. Voor haar staat een glas melk. Ze toont tegenzin om de bezoekers te ontvangen. De radiospullen zijn weggehaald. Bij de gootsteen gaat zij de discussie met haar man aan: waarom breng je die student weer mee? Reindert doet of hij niets hoort. Die student, dat is hij natuurlijk.
Eenmaal aan tafel bijeen, moet hij vertellen: wie, wat, waarom, waarvandaan, hoe laat. Of het slachtoffer al op de grond lag toen hij aankwam of dat dit later gebeurde. Reindert profiteert razendsnel van deze suggestie. Natuurlijk, ingeval hij iets later aankwam, kan hij moeilijk iets met het feitelijke ongeluk te maken hebben!
Ik zag iets liggen, ik was er bijna zelf overheen geduikeld.
Hij bemerkt, dat ze hem en passant beoordelen op eventuele dronkenschap of erger: betrokkenheid. Niemand vraagt of hij het lichaam heeft verplaatst.
Ken je die jongen? Nee? Jullie reden niet samen? Heb je de tas op straat zien liggen? Is die van jou of van hem? Waar zijn je eigen spullen? Heb je een verzekeringsbewijs bij je? Heb je enig idee waarom die jongen ten val is gekomen?
Reindert wisselt een blik met de boer en ontkent verder iets te weten. Erg spraakzaam is hij niet, zich realiserend dat elk woord tegen je kan worden gebruikt. Tot zijn verwondering wordt zijn zwijgzaamheid in het gezelschap toegeschreven aan de schrik: het is allemaal nogal wat. Zelfs de boerin draait bij. Ze zet een pot koffie voor de ongenode gasten.
Dat Reindert eerder verkeersdoden heeft gezien, houdt hij voor zich. Recht voor het huis waar hij eerder woont, wordt op een middag een verdronken man opgevist. Jaren eerder liggen twee jongens dood op straat wanneer hij van het dorp naar huis fietste. Met hun door kermisbier benevelde brein zijn ze op een stilstaande truck gebotst. In beide gevallen staat Reindert er met zijn neus bovenop. De beelden zijn vers, alsof de ongelukken gisteren plaatsvonden.
Nieuwe vragen worden afgevuurd: Wat doe je zo laat op straat? Heb je gedronken? Waar ben je gisteravond geweest?
Het woord gisteravond klinkt vreemd, maar is technisch correct. De klok wijst half twee in de nacht, de nieuwe dag is anderhalf uur oud.
Weten je ouders waar je bent? Wat is je woonadres? Zullen wij je thuisbrengen?
Reindert heeft spijt de suggestie van de boer te hebben genegeerd: er tussenuit knijpen, verdwijnen in nacht en nevel. Het lijkt bij vlagen of hij hier zit als verdachte.
Je moet maandag langskomen op het bureau om een verklaring af te leggen. Dan kunnen we meteen uitsluiten dat jij iets met die tas te maken hebt.
Reindert voelt al waarop wordt aangestuurd: mijn vingerafdrukken.
Vooral de jonge agent is uitgekookt. Hij vraagt of Reindert een beetje verstand heeft van techniek. Eigenlijk vist hij naar de kans dat Reindert zijn eigen brommer heeft opgevoerd. Natuurlijk heeft hij deze gezien. Hij staat immers pal onder het raam, in het licht van de keuken. Reindert voelt zijn ongemak toenemen. Nu kan uitkomen dat de koplamp niet werkt. Een kwade geest kan beweren, dat hij zonder licht de ander wellicht heeft verschrikt en doen verongelukken. Naar waarheid verklaart hij, nog op school te zitten, de MHDS, een opleiding voor handelskennis en boekhouden. De impliciete mededeling is: ik weet niks van techniek. Ergens geneert hij zich de truc te gebruiken om de agent af te wimpelen, hem de indruk te geven dat hij een kwezel is, een pennenlikker, veel te onhandig om een brommer op te voeren. De jonge diender spreekt nu zelfs uit, dat het ongeluk opzettelijk kan zijn veroorzaakt: ruzie tussen inbrekers, bijvoorbeeld. Of iemand heeft met een stuk ijzer of hout geworpen. In de nacht gebeurt van alles dat het daglicht niet verdraagt. Hij werpt Reindert een peilende blik toe. Het is evenwel de oudere agent die opstaat om de Kreidler te bekijken. Hij scharrelt naar buiten en blijft nogal lang weg. Wanneer hij weer binnenkomt, gaat hij zitten en rapporteert bondig: geen schade, niet opgevoerd.
Zijn ondergeschikte is minder overtuigd: hoe kunt u dat weten, niet opgevoerd?
Ervaring. Er zit geen snelle cilinder op, want dan is de bocht van de uitlaat dikker. De carburateur is 10 millimeter. Een zwaardere steekt boven de schutkap uit.
Hier spreekt een kenner en meer: iemand die de machtsverhouding wil herstellen. De jongere agent houdt tenminste eindelijk zijn mond. Reindert voelt zijn hart bonken. Hoe weinig heeft het gescheeld of hij had de nieuwe cilinder van zijn klasgenoot al gemonteerd!  Om over zijn voornemen tot een 17 millimeter carburateur te zwijgen. Ook op het vlak van de drank berekent hij zijn kansen: met elk kwartier dat hij hier langer zit, daalt het gehalte alcohol in zijn bloed. Niemand heeft geopperd hem hierop te controleren. Een geluk dat hij na het afstappen eerst uitgebreid zijn blaas heeft geleegd. Anders immers had hij nu beslist naar de wc gemoeten, wat weer nieuwe vragen kan opwerpen.
Wil je nog koffie, jongen?
Moeder de vrouw gooit het restant in de pot liever niet weg.
Nee, dank u wel. Ik wil naar huis.  
Zullen we je ouders even bellen?
Reindert schiet in de lach. Denken de mensen echt dat zijn ouders op een nachtelijk telefoontje zitten te wachten? En wat valt er alles bijeen te vertellen?
Mijn ouders liggen in bed…
Verder komt zijn verweer niet. Er is nieuws via de portofoon van de oudste agent. Ieder in de keuken kan verstaan wat wordt meegedeeld: de jongeman leeft en ligt in het ziekenhuis. Gelukkig droeg hij een helm.
Reindert voelt andermaal blikken op zich rusten. Misschien willen de agenten beoordelen of hij schrikt, bang is om alsnog door de mand te vallen nu zijn verklaring bij het slachtoffer nagetrokken zal worden. Of ze willen weten waar zijn helm is. Helmplicht is nog niet van kracht, maar wel in de maak en de meeste bromfietsers dragen ze al. Reindert vertrekt geen spier en staat op: dan ga ik maar eens.
Hij wisselt een blik met de boer: als je het mij lastig maakt, word ik ook vervelend.

macht der techniek

Eenmaal buiten, voelt hij zich uitgeput. Het liefste zou hij in de boerenschuur op de voorraad gerooide uien gaan liggen slapen, omstuwd door de hem vertrouwde geur van vers gerooide uien.
De nevel is opgelost, met dank aan opgestoken wind. Op de plek van het ongeval staan nog altijd auto’s. Een takelwagen is gearriveerd om het wrak van de brommer uit de sloot te hijsen. Reindert weet zich bekeken vanuit de keuken: ik kan beter maken dat ik wegkom. Hij besluit via sluipwegen naar huis te rijden, de agenten minder kans te geven hem achterop te rijden en alsnog naar het Bureau te dirigeren. Misschien is het in zekere zin handig, dat de koplamp defect is: in de nacht ben je onvindbaar. Hij pakt het stuur vast en keert de brommer naar de poort.
De boer komt in de deuropening staan. Reindert keert zich naar hem en zegt: van mij horen ze niks.
De ander knikt: blijf maar een tijdje weg.
Het klinkt onvriendelijk, maar zo is de boodschap niet bedoeld.  
Reindert trapt de brommer aan en geeft ritueel een tik op de koplamp.
En zie: plotseling is daar een volle lichtbundel!

Monk
januari 2016 / juni 2022

(Foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Reacties zijn gesloten.