Monkwise

columns verhalen fotografie

DE GOEROE VAN DE KOEKFABRIEK

HOOFDSTUK V

Wanneer het lichaam wraak wil nemen, wordt het ziek of valt het in slaap. Negen maanden lang is Reindert vroeg in de morgen opgestaan, zonder ontbijt naar de stad gereden en vandaar de trein ingedoken om tegen half 8 met het werk te beginnen. Ineens verslaapt hij zich een vol uur. Trillend van schrik stuift hij zijn bed uit, houdt de alleszins functionerende wekker tegen zijn oor en vloekt.
In zijn verbeelding ziet hij collega’s het kantoor betreden, zich afvragen waar Reindert blijft. Een diep gevoel van misselijkheid welt in hem op.
Zonder tot vervolgdaden te komen, posteert hij zich voor het raam, die ene vierkante meter die hem letterlijk een venster biedt naar de wereld. Daglicht is er al volop. Ja, Veemus zal onderhand binnen stampen, rondkijken en vaststellen dat er iemand ontbreekt. Terloops kijkt Reindert naar de boerderij aan de overkant van de straat. Een oude man zit achter het raam. Hij ziet Reindert kijken en kijkt hardnekkig terug alsof het een bokswedstrijd betreft. Reindert wendt zich af en draait zich om.
Ik ben maanden geleden al ontslagen. Het is me alleen nog niet meegedeeld.
Hij ziet neer op zijn schamele bezittingen, het mislukte bestaan, zijn vermoeidheid en het ontbreken van enig perspectief.
Hier ben ik aangespoeld, van de ene naar de andere slaapkamer. Tot niets heb ik het gebracht en tot niets zal ik het brengen. Amen.
Op een comfortabel tijdstip begeeft hij zich alsnog naar het werk. In de trein is het prettig rustig. Er ligt zelfs een achtergelaten dagblad waarmee hij zijn kennis van de actualiteit kan bijspijkeren.
Doorrijden naar Amsterdam. Rondlopen in de binnenstad. Kijken naar de mensen.
Op station Zaandam stapt hij uit en loopt braaf naar het kantoor van de Afdeling Expeditie. Het komt hem voor als werkt hij hier allang niet meer, losgeweekt als hij is van zijn dagelijks werk door de gefnuikte opdracht om lege blikken boven water te krijgen. Bij het betreden van de werktuin zit Veemus op zijn plek te roeren in postzegels.

Zijn stoel wordt bezet door Peter. Reindert wenst de anderen een goedemorgen en posteert zich achter de rug van de oversekste roomse klier, een uitdrukking van motorduivel De Rooy.
“Zo vriend, bevalt de plek een beetje?”
De telefoon op de tafel rinkelt en Peter neemt op. Hij denkt de ander te kunnen negeren.
Dit laat Reindert niet over zijn kant gaan. Hij hangt over zijn ongewilde rivaal heen en klikt het gesprek gewoon weg.
“Ik vroeg je iets. De telefoon kan wachten. Die neem ik straks wel op”.
Peter is overbluft en weet even niets te antwoorden. Het incident trekt de aandacht van Veemus. De chef komt snel overeind en spreekt Reindert aan.
“Nogal laat vandaag. Wat mag de reden zijn?”
Gebruikelijk is, om persoonlijke zaken aan zijn tafel te bespreken. Nu kan iedereen meegenieten.
Ik heb me totaal verslapen.
Dit zegt Reindert niet. Hij laat weten bij de huisarts te zijn geweest, wetende dat hij over de inhoud hiervan geen mededeling behoeft te doen.
“Je had het kunnen melden”.
“Na het bezoek ben ik rechtstreeks doorgegaan. Kennelijk heeft hier een stoelendans plaatsgevonden”.
Onverminderd hinderlijk drukt hij in Peters rug. Veemus zit niet te wachten op een openlijk conflict. Hij weet dat het incident met Reinderts over vergeefse arbeid op de archiefzolder is opgemerkt en bij de afdeling niet lekker ligt.
“Kom maar mee, Peter”.
De chef loopt aanstonds terug naar zijn vaste stek. Reindert zou nu een stap terug kunnen doen, zijn collega ruimte geven. In plaats daarvan buigt zich over Peter en sist in zijn oor.
“Je hebt toestemming, Bello. Wegwezen”.
De rest van de dag voert hij hoegenaamd niets uit.

Het gaat van kwaad naar erger. De dag duurt een week, de week een maand. Verwijdering lijkt onomkeerbaar. Reindert doet zijn werk, maar hiermee is ook alles gezegd. Met tafelgesprekken bemoeit hij zich nauwelijks. Deze zijn meestal niet bijzonder interessant, maar soms zit er iets bij.
Zo ontstaat er aan de werktafel van de routeplanners ruzie tussen meneer Moet en meneer De Jong, mannen van vergelijkbare leeftijd. Het onmogelijke toeval wil dat, waar de eerste een oorlogsverleden heeft van ellendige tewerkstelling in Duitsland, de ander juist collaborateur met de nazi’s is geweest. De Jong heeft na de oorlog meerdere jaren vastgezeten, onder meer in het ondergrondse hol Fort Spijkerboor. Hij zal het bont gemaakt hebben, want Nederland deed er veel aan om ex-nazi sympathisanten zo snel mogelijk in vrijheid te stellen. Voor Reindert is het de eerste keer dat hij kennisneemt van de sluimerende controverse.
“Mijn kapotte rug heb ik aan uw vrienden te danken, heer De Jong! Laten we dit even vaststellen. Met Bevrijdingsdag hield voor mij de ellende niet op”.
Moet spreekt iedereen aan met voornaam en jij, behalve de man die naast hem zit en soortgelijk werk doet. Meneer De Jong reageert, al is het met tegenzin. Van hem krijg je de indruk, dat hij zich het liefst in een kast zou verschuilen.
“Richt u zich toch eens op heden en toekomst, collega! Moeten we elkaar levenslang dingen van lang gelden nadragen?”
Het klinkt wanhopig. Veemus aarzelt in te grijpen. Niemand wil zijn vingers branden aan een voormalige collaborateur. De kwabbige lichaamsbouw van de belaagde draagt bovendien bij aan de collectieve tegenzin. Toch waagt Veemus een poging.
“Theetijd, mensen! Begraaf uw ruzies!”
Meneer Moet lijkt werkelijk te kalmeren. Op zachtere toon pruttelt hij door.
“Begraven, jawel. Daar is Nederland goed in. Het nergens over hebben. Theetijd! Duizendmaal dank, Verkade! Uw goedheid is aan ons welbesteed”.

Laat in de middag komt Veemus het personeel ophalen. Eenieder weet dan al, wat er in de kantine aan de gang is: het afscheid van een hoge chef. De man gaat met welverdiend pensioen. Er klinkt muziek door het gebouw. Het zal daar een gezellige boel wezen.
“Allemaal het werk neerleggen! Feliciteren! Haal een kam door je haar! Hop hop!”
In een rij staan ze te wachten om een handje te geven, een Reindert volkomen onbekende veteraan het beste te wensen met zijn pensioen. Ze mogen een gebakje nemen, maar de betere zijn allang door de Veemussen buitgemaakt. Reindert schuifelt braaf mee, onderwijl de tijd in de gaten houdend. Hij voelt er niets voor de trein te missen vanwege deze toneelvoorstelling. Terwijl hij het geroezemoes ondergaat en zelfs enkele woorden wisselt met Jujube, ervaart hij een soort verdovende kalmte in zijn lichaam. Het komt hem voor dat zijn ledematen zwaar aanvoelen, ongeveer zoals wanneer je flink hebt gedronken. Maar Reindert drinkt op kantoor geen alcohol, al zal iedereen tegelijk jarig zijn. Bij de wasbak frist hij zich op, ziet niemand in de hal en vertrekt schielijk met jas en tas.

De volgende morgen ontwaakt hij bijtijds, maar blijft liggen. Alsof het een zaterdag of zondag is, laat hij de tijd verglijden, om pas tegen 10 uur op te staan. Hij kleedt zich aan, vult zijn kleine teflon pan met koud water en zet thee. In de koelkast wachten boterhammen en plakken kaas.
Ik ben een mens, al valt dit nauwelijks te bewijzen.
Naarmate hij langer zit en zijn maag zich vult, keert de angst voor het kantoor terug.
Ik kan me beter ziekmelden en bekijken of het na het weekeinde beter gaat.
Even later daalt hij de trap af om met de telefoon van zijn hospita Verkade te bellen.

Drie werkdagen blijft hij weg. Drie dagen van krantje lezen, fietsen langs de weilanden, in de avond met een paar op afstand geraakte schoolvrienden naar een film en zes glazen pils innemen.
Na het weekeinde is er de vroege trein. Hij kijkt naar de mannen en een enkele vrouw in de coupe. Tegenover hem leest iemand de krant. Op de voorpagina staat een artikel over de moord op een heel gezin. De politie tast in het duister naar het motief.
Ze zullen het ernaar gemaakt hebben. Ik kan mij er alles bij voorstellen.
Op kantoor doet niemand moeilijk over zijn afwezigheid. Veemus informeert zelfs voorzichtig of het wel goed gaat met zijn pupil. Voor hem heeft Reindert enkele postzegels meegebracht, die hij van aanmaningen van rekeningen aan zijn privéadres heeft gescheurd.

Zo nu en dan bezoekt hij het ouderlijk huis. Dit te doen, is een moeilijk te weerstane aandrang, die psychologisch neerkomt op masochisme. Dit onderkent Reindert, na erover te hebben gelezen in een boek van Carl Jung, een opvolger van Freud. Zelfs ingeval hij aan de vaste deur komt, ervaart hij een vorm van geruststelling, alsof hij heeft voldaan aan een ongeschreven plicht tot loyaliteit, of anders is het een absurdistische uiting van behoefte aan veiligheid, wie zal het zeggen.
Ingeval hij zijn ouders thuis aantreft, hoort hij de verhalen aan over wandelingen in de natuur, op zoek naar het burlen van herten in de bronstijd. Reindert heeft weet van de IJzertijd, maar tijden van andere metalen kent hij niet. De Veluwe is een schitterend gebied, mag Reindert weten. Daar zijn de mensen nog vriendelijk en behulpzaam.
Gereformeerd, godvrezend, knotten breiwol in de winkel, jongens met een scheiding in het haar.
Niet altijd blijft het bezoek steken in eenzijdige tevredenheid. Vader ondervindt nog steeds hinder van een chef die hem niet kan uitstaan. Om te zwijgen van de alsmaar stijgende kosten die gemoeid zijn met het aanhouden van een stuk land dat bij de bedrijfsverkoop in bezit is gebleven. Pa Reindert teelt er afwisselend graan en suikerbieten, die op contractbasis worden verkocht aan een fabriek. Reindert hoort het allemaal aan, vertelt bij gebrek aan belangstelling nauwelijks over zijn eigen leven en voelt zijn verwarring en vermoeidheid.
Het bedrijf werd verkocht om te ontkomen aan de lange werkweken. Hier is alvast weinig van terechtgekomen. Vader vlucht naar zijn land, daar komt het op neer.
Nee, van bezoek aan Reindert is nog niets gekomen. Vader heeft het druk en Moeder zal het niet bestaan op eigen gelegenheid te reizen. Op tactvolle wijze doet zij hiervan melding.
“We hebben wel wat beters te doen”.
Met een late bus keert hij terug naar zijn hospita en ligt wakker tot diep in de nacht.

Bijna dagelijks is er de verveling tijdens de middagpauze. Een uur lang ligt al het werk stil. Doorwerken op eigen gelegenheid levert geen vervroegd einde van de werkdag op. Veel collega’s gaan even naar huis, hangen rond in de kantine waar ze kunnen netwerken aan hun veelbelovende toekomst. Jongeren als Reindert zoeken hun vertier op straat, in het bekijken van winkeletalages, of anders wachten ze op kantoor in ledigheid tot de middagarbeid weer aanvangt. Je mag roken tot de klok 1 uur wijst. Dit is vervolgens verboden tot half 4. Meneer Moet houdt dit niet vol. Dagelijks duikt hij tussentijds in de wc om er zijn sjekkie te genieten. Op een dag dringen wespen het kantoor binnen. Zij zoemen rond de TL bakken, een uitnodiging om er met dikke elastieken op te schieten. Je spant ze op een liniaal, richt en hoopt er het beste van. Jan de Rooy krijgt het voor elkaar een lichtbuis kapot te krijgen. De glasflinters spatten eraf, komen neer op de werktafels van de Boekhouding. Reindert prijst zich gelukkig dat hem geen schuld treft.

Een paar dagen later verloopt het anders op kantoor. Peter, de beschermeling van Veemus, voegt zich bij de anderen terwijl de middagpauze pas is begonnen.
“Geen plek aan tafel bij de chef?”
Reindert kan het niet laten. Peter voelt nattigheid.
“Vast wel, maar ik wil niet elke dag”.
“Dat is toch geen houding?”
Reindert imiteert Veemus en maakt er de bekende gebaren bij. Wat kan Peter zeggen?
“Het ging onlangs over jou. Je mag weten, dat Jan ontevreden is”.
Jan. Dat betreft niet Jan de Rooy, maar Jan Veemus, de chef. Het ergert Reindert, dat snotneus Peter zaken hoort waarover hijzelf in het ongewisse wordt gelaten. De ander voelt precies aan waar de schoen wringt.
“Wanneer je zoiets wilt voorkomen, kan je er beter af en toe eens bij blijven”.
Reindert gaat er niet op in. Vervuld van drift, besluit hij Peter anders aan te pakken.
“Kom eens kijken! We beschikken sinds vandaag over een nieuw kantoorartikel. Je kan er een telefoonboek mee doorsnijden”.
Peter is jong en voelt zich volwassen, zo met vrouw en kindje in een door Veemus geregelde tussenwoning, 6 x zo groot als het hok waarin Reindert zijn dagen slijt. Tevredenheid kent geen tijd. Nieuwsgierig en misschien omdat Slijtweg, Jujube en De Rooy erbij zijn, loopt hij mee.
Reindert heeft een snijmachine ontdekt. Deze bestaat uit een zwaar platform van gietijzer, aan de zijkant voorzien van een rond gebogen mes. Hieraan zit een handvat, waarmee je het mes op en neer kan bewegen.
Reindert neemt een stapel weggegooide vellen papier, legt ze op het blok en snijdt ze soepel doormidden. Ook een dikke stapel bezwijkt feilloos onder het mes.
“Voel je de mogelijkheden Peter, de angst wanneer je aan je onderarm denkt?”
Peter snapt de uitdaging weliswaar, maar gelooft de mogelijke gevolgen niet.
“Je zou niet durven”.
“Degene die niet durft, ben jij”.
De anderen kijken lacherig toe. Niemand gelooft dat Reindert iets zal uithalen.
“Belachelijk. Kijk, ik leg gewoon mijn pols op het blok. Nou goed?”
Peter heeft de zin nog niet uitgesproken, of Reindert drukt het mes razendsnel neer, om pas te stoppen wanneer Peter alsnog zijn hand wil terugtrekken. Helaas voor hem zit het polshorloge in de weg.
“Telefoonboeken of de hand van een goede collega, het is een mes om het even”.
Reindert drukt het metaal zover neer, dat het er veel van weg heeft dat de hand wordt afgekapt. Peter toont paniek.
“Doe normaal, man. Hou op!”
Reindert kent een lang verleden van landarbeid. Hij is veel sterker.
“Je kan best verder met 1 hand. Het staat zelfs wel interessant”.
“Niet doen. Help!!”
Maar niemand steekt een vinger uit. Peter mag de favoriet zijn van de chef, voor gelijkwaardige collega’s is hij een soort bedrijfsrat. Hij mag best een beetje zweten.
“Luister goed. Wanneer ik hoor dat je bij Veemus onzin over mij staat te verkopen, neem ik je te grazen. En weet, dat niemand hier iets heeft gezien”.
De anderen wenden zich af. Het gaat alleen tussen Reindert en Peter.

De hele middag verwacht Reindert bij de chef te worden geroepen. Peter zal in tranen zijn uitgebarsten: die langharige hufter maakt me helemaal kapot! Er gebeurt evenwel niets en ook de volgende dagen gaan voorbij in rust en vrede. Er bestaat geen Peter die hem de das omdoet. Dit gebeurt evengoed, maar dan door eigen toedoen.

Om 9.10 uur komt hij de kantoortuin binnen, zijn hoofd vol slaap en vage emoties vanwege een goeddeels vergeten nachtmerrie. Veemus wacht ongeduldig tot de laatkomer hem goedemorgen wenst.
“Waar kom jij vandaan?”
Van de Bahama’s, de Mongoolse Hooglanden. Nou goed, idioot?
Hij zwijgt. Zelfs liegen, is te veel gevraagd. Wat kan je zeggen?
“Je bent zowat twee uur te laat!”
Veemus loopt mee naar Reinderts bureau en smijt een grote stapel klachtenbriefjes voor hem neer.
“Ik geef je belangrijk werk en jij bent vervolgens onbereikbaar!”
Reindert reageert onmiddellijk.
“Drie dagen naar de archiefzolder sturen en mijn werk kan de plee in”.
Veemus is verbijsterd over zoveel brutaliteit.
“Dat lag toch niet in mijn handen?! Dergelijke opdrachten komen van boven”.
“Jij gaf de opdracht. Van wat daarboven is, weet ik niets”.
Veemus schudt woedend het hoofd. Uit gewoonte heeft hij meteen hoog van de toren geblazen en staat nu ergens voor paal.
“Dit heeft gevolgen, jongeman!”
De chef trekt zich terug, in hoekige bewegingen. Bijna botst hij op een jongedame die eveneens pas juist binnenkomt. Tegen haar kan hij niet uitvallen: ze werkt onder een andere chef.
Daar liggen de klachten weer, het dagelijks gejammer van de middenstand. Zoutjes en beschuitbollen zijn verwisseld voor ontbijtkoeken en suikerkoekjes, de beroemde Nizza.
Een uurtje telefoneren en formulieren aanpassen, dan is alles weer opgelost.
Reindert negeert de besmuikte blikken van de anderen, mijdt de aanblik van meneer Moet die ongetwijfeld zal hoofdschudden zoals alleen hij dat kan en roert in de papieren.
De fouten zijn hier gemaakt, op deze afdeling of anders bij de inpakkers, de chauffeurs. Niemand wil het uitzoeken. Zo blijf je aan de gang.

Een half uur later wordt hij gesommeerd zich te melden bij ene Heer Tropf. Hij is niet de directe chef van Veemus, maar Hoofd Personeelszaken. Het bericht bereikt hem telefonisch, als een geheimzinnige mededeling.
Zo verging het Joseph K. in Het Proces. Zijn toekomst was ongewis, maar op voorhand onaangenaam.
Langzaam staat hij op. Veemus is op de hoogte. Als een schaduw begeleidt hij Reindert, de kantoortuin uit, door de gang, een trap op, linksom, rechtsom. Hij spreekt zijn ondergeschikte toe als een arrestant.
“Wacht hier”.
Tropf zit achter een armetierig bureau en maakt een onverschillige indruk. In aanwezigheid van een chefje als Veemus behoeft hij niets op te houden.
“Vertel het eens!”
Reindert weet niet wat te antwoorden.
“Je was vanmorgen bij de dokter?”
“Heb ik dat gezegd? Ik ben gewoon oververmoeid”.
Veemus danst als een opgefokte aap op en neer.
“U hoort het. Niets dan onwil en eigenwijsheid. De jongen neemt van niemand iets aan!”
“Je was niet bij de huisarts?”
Reindert zucht omstandig. Ergens weet hij al dat de zaak verloren is en alles wat hij zegt tegen hem zal worden gebruikt.
“Ik zal u iets zeggen. Ik ga bijtijds naar bed en gebruik een wekker om op te staan. Desondanks ben ik zo moe dat ik er dwars doorheen slaap”.
Zo, het is maar gezegd en het is niets dan de waarheid.
“Heb je het hier niet naar je zin?”
Reindert denkt even na. Of je het ergens naar de zin hebt, speelt bij hem zelden een rol.
“Dat is van geen belang. Ik werk omdat ik geld moet verdienen”.
De waarheid is de slechtste dienst die een jonge werknemer zich kan bewijzen. Reindert voelt dit instinctief aan en haalt nog eens een oude koe uit de sloot.
“Onlangs werkte ik meerdere dagen achtereen aan een speciale opdracht. Ik neem mijn werk serieus. Nog voor ik een rapport heb kunnen inleveren, word ik weggehaald. Zonder te informeren naar wat ik te weten ben gekomen, zegt de chef tegen mij: je werk kan de prullenbak in. Er is juist een nieuw contract afgesloten. Om half 11 gebak in de kantine! Daar heb ik moeite mee, zogezegd”.
Veemus blaast als een kat.
“Daar gaan we weer. Er komt geen einde aan! Ik heb het hem al drie keer uitgelegd”.
Reindert haalt zijn schouders op. Nerveus schiet hij in de lach.
“Het is nu eenmaal niet anders”.
Veemus klapt in zijn handen van opwinding als heeft hij een naheffing van de Belastingdienst ontvangen.
“Ziet u nou? Geen land mee te bezeilen”.
Tropf mag zijn gedachten hebben, hij heeft de taak om querulanten te weren. Hij weet genoeg en belt om assistentie. Een vrouw komt bijna onmiddellijk binnen, alsof ze bij de deur heeft staan wachten. Ze heeft bovendien de juiste formulieren bij zich.
“Lid van een vakbond?”
Een vileine vraag die Reindert pas naderhand naar waarde weet te schatten. Als zoon van een vrije akkerbouwer heeft hij geen kennis van vakbonden en voelt evenmin sympathie met het werkvolk waartoe hij nu ook behoort.

Jarenlang is hij naar school geweest, zelfs met Nederlands Recht in zijn pakket. Arbeidsrecht kwam nooit aan de orde. Na een dreigement over juridische problemen, tekent Reindert de ontslagbrief, het einde van zijn contract bij wederzijds goedvinden.
Hij mag blijven tot het einde van de maand. Naast de chef loopt hij terug naar zijn werkplek. Veemus lijkt meer aangeslagen dan zijn ontslagen ondergeschikte.
“Had er eerder wat over gezegd. Met de bedrijfsarts hadden we wellicht tot een oplossing kunnen komen”.
Reindert voelt onverschilligheid. Nu hij de zak heeft gekregen, kan hij zeggen wat hij wil.
“Je kunt je beter richten op je nieuwe puppie”.
“Wat mag dat nu weer betekenen?”
“Reindert houdt de pas in.
“Je weet heel goed wie ik bedoel. Peter is de ideale slaaf”.

Het kantoor zwijgt. De mensen weten hoe de vlag erbij hangt. Tegen dat de middagpauze aanvangt, voelt Reindert zich desondanks wat beter.
Alles heeft zich in mijn verbeelding afgespeeld. Ik was in diepe slaap verzonken.
De gezichten van zijn collega’s spreken andere taal. Het ontslag van Reindert is het gespreksonderwerp van de dag. Nooit eerder is hier iemand de deur gewezen omdat hij zich heeft verslapen.
Dat is ook niet het geval. Het komt door mijn haardracht, kleding, houding, dingen die ik zeg.
Reindert reageert nauwelijks op alle veronderstellingen van collega’s en hun horrorverhalen over andere mensen, al dan niet in het verre verleden, in een andere werkkring. Zijn blik kruist die van meneer De Jong. Het scheelt weinig of hij geeft de man een knipoog.
Daar is Veemus alweer. Hij schuift een stoel naast die van Reindert, wacht een moment en kijkt op zijn horloge.
“Hoe dan ook, we mogen niet als vijanden uiteengaan”.
Reindert luistert nauwgezet. Hij bespeurt een parfum of lotion bij de chef.
Als het aan mij lag, liet ik je nog vanmiddag achter de fabriek doodschieten.
“Je begrijpt wel, dat iemand je werk gaat overnemen”.
Reindert zucht. Wat kan hij doen om Veemus zo snel mogelijk te laten ophoepelen?
“Om goed in het werk te komen, zal Peter op jouw plek moeten zitten”.
Reindert draait zich een halve slag, kijkt Veemus aan en blaft terug.
“Die Peter van jou ruikt elke maandagmorgen naar alcohol uit zijn roomse bek. Ik werk hem niet in en zolang ik hier ben, blijft hij weg van mijn stoel”.
Veemus geeft zijn missie op. Hij heeft niets meer te melden en loopt weg. De stoel die hij heeft bijgetrokken, blijft de rest van de dag staan.

Naar huis in de trein. Het is heel druk, zodanig dat Reindert moet staan. Leunend tegen een chromen paal kijkt hij naar buiten en ziet het landschap langs glijden. Langzaam begint de werkelijkheid tot hem door te dringen.
Geen werk, geen geld, geen woning, geen eten. Hoe ben ik hierin beland?

Print Friendly, PDF & Email

Reacties zijn gesloten.