Monkwise

columns verhalen fotografie

DEMOCRATIE, EEN LASTIGE VRIEND


Aan de vooravond van een nieuwe tijd dringt de noodzaak tot het nemen van beslissingen zich op. Ieder te vormen kabinet zal ermee te maken krijgen. Forse uitgaven, niet zelden met een lastig te onderbouwen rendement, liggen op tafel en daarmee de vraag wie hiervoor gaan opdraaien. De startfase zal vooral overzichtelijke en politiek behapbare verschuivingen te zien geven. Ingrepen van ingrijpender aard moeten eerst in gemasseerd worden met politiek vertrouwen, ook ingeval hierdoor de uiteindelijke prijs zal stijgen. Vertrouwen is de kern van democratie. Het lijkt me een verstandige strategie van de aanstaande coalitiegenoten. In ieder geval beter dan de botte bijl van Faber en consorten in het vorige kabinet. Zwakte is een soort van kracht, maar er zijn wel voetangels.

In ons land laten politici hun oren geregeld hangen naar het draagvlak, de mening van het electoraat. Dit klinkt logisch, maar de burgerij laat zich graag opjutten door populisten en scherpslijpers. De opgejaagde samenleving loopt vast, waar tempo’s van ontwikkeling niet synchroon verlopen en opportunisme de boventoon voert. Draagvlak is de dagkoers van meningen, verspreid via sociale media en tendentieuze reguliere kanalen. Berichtgeving is nooit waardevrij.
Over de breedte wil geen enkel electoraat ingrijpende verandering inclusief de consequenties. Zelfs de opruiende PVV en linkse woke-clubjes ontlenen hun recht aan Het Recht, ofwel wetboeken, juridische procedures en gerechtelijke uitspraken. Waar om ingrijpende verandering wordt geroepen, is juist de emotie de moeder van onkunde. Wat er van haastige wraakzucht komt, kunnen we dagelijks van de Trump Administration leren.

Op microniveau kwam ik de werking van democratie al eens tegen toen mijn oude woning in de Amsterdamse Jordaan werd gerenoveerd. Het ging om een flinke reeks panden. Een wandbord sprak van STADSHERSTEL. Bijna de hele straat behoorde tot de sociale huursector, maar hier en daar moest iemand worden uitgekocht. Ik bewoonde de eerste etage van een 4 lagen tellend afgeleefd huis. Je kon spreken van revolutiebouw uit begin 20ste eeuw, lange tijd verwaarloosd door bewoners en eigenaren en eindelijk in het vizier gekomen van het stadsbestuur en uitvoerende diensten. Zelf de bouwstenen waren slecht. Het pand van de buren, even hoog en breed, werd aan de gevelzijde sinds jaar en dag gestut met houten steunberen. Het volgende pand was nauwelijks beter. Alle woningen waren slecht geïsoleerd en bovendien brandgevaarlijk. Ik spreek hier van de late jaren 1980.

De woonsituatie leverde al lange tijd terechte klachten op. Reden genoeg om stevig in te grijpen – zou je denken. Een zogeheten bewonersavond bracht enkele opties in beeld: cosmetisch herstel, deelrenovatie en sloop/nieuwbouw. Zo’n volgorde van opties kent altijd een oplopende ordening in de kosten en daarmee in de huurprijs. Dit vormde een belangrijk struikelblok, maar het is ook waar dat mensen gaan hechten aan oude troep. Hun geschiedenis is ermee verknoopt geraakt. Soms zouden bewoners tijdelijk naar een andere woning moeten. Daaraan had ook bijna niemand behoefte. Onbekend bleef hoeveel precies de huur zou stijgen en hoelang je elders moest bivakkeren. Op straat werd gezegd: stadsherstel, dan weet je het wel.

Al had ik weinig geld, juist omgekeerd een fikse studieschuld en al was de arbeidsmarkt slechter dan ooit, ik wilde verder kijken dan de dagkoers en het kortetermijnbelang. Dus doorsneed ik het voorspelbare bewonersgekrakeel over plafondverlaging en een paar tientjes huurverhoging met de opmerking, dat ik wel iets zag in sloop/nieuwbouw: met nieuwbouw kan je variëren qua grootte, indeling en huurprijs. Met een halfslachtige aanpak sta je over 25 jaar voor hetzelfde. Dit laatste argument vloeide voort uit mijn besef, dat de gemeente voorlopig geen ander bod zou doen. Je moest nu voor de toekomst kiezen.
Ik mocht blij zijn, zonder klappen weer thuis te geraken, daar komt het op neer. Vooral mijn naaste buren konden mij wel lynchen, hetgeen ze lieten blijken door in het geniep frituurvet over mijn auto uit te gieten. Zo romantisch was die ouwe trouwe Jordaan niet echt. Alles moest eigenlijk bij het oude blijven, vooral de huur die meestal heel laag was. Voortaan sprak ik binnenskamers van Jordanezengejank: klagen zonder bereidheid je eigen rol te zien, laat staan verder te willen kijken dan de jaren dat je zelf zo’n pand bewoont.

Uiteindelijk kwam het tot een beperkte renovatie, tegen ƒ40.000 per woning, ofwel ƒ160.000 per pand. Omdat dit niet genoeg bleek om dak en voorgevel naar behoren te herstellen, alsmede discutabele verbeteringen inpandig door te voeren, werd dit bedrag opgevoerd tot ƒ60.000 per woning. Hier was een extra Raadszitting voor nodig, bijgewoond door joelende buurtbewoners. Voor dat vrijgekomen geld kon je in die dagen complete nieuwbouw plaatsen. Sommigen moesten een poos elders wonen, anderen werden verplicht de oeverloze klus in de eigen woning te ondergaan. Onder deze gelukkigen was ik, terwijl ik had aangegeven dat men bij mij mocht renoveren wat men wilde op voorwaarde dat ik een tijdelijke woning kon betrekken. Helaas. Democratie impliceert ook bureaucratie.
In reactie stond ik niet toe dat er brandwering in de plafonds werd aangebracht, want dan zat ik helemaal in de bouwbende. En ik was niet de enige. Dit kon gebeuren omdat brandwering vrijwillig was. Vrijwillig! Ook zonder deze klus stond er een week lang een betonmolen in mijn woonkamer van 20m2. Bij anderen werden bezittingen gestolen, omdat klussers de deur naar de straat hadden ontwricht.

Het resultaat liet lang op zich wachten, maar was redelijk. Zo werkt democratie: traag en met als resultaat een milde teleurstelling. Want het bleven natuurlijk oude huizen en er was vooral kosmetisch werk verricht. Dit noemden bewoners de Methode Vink, naar een der verantwoordelijke bouwbedrijven. Zo was ik gewoon thuis toen er nieuwe kozijnen en ramen werden geplaatst (alleen in de voorgevel!). Ik sprak de timmerman en vervolgens de aannemer erop aan dat een der ramen scheef was geplaatst. Dit kon je zonder waterpas gemakkelijk vaststellen. Mijn opmerking werd weggewuifd: wat kon ik daarvan weten? Ik liet het uiteindelijk maar zo.

Na anderhalf jaar ontruimde de aannemer de straat. Eindelijk stilte! Normaal was namelijk, dat de herrie op werkdagen begon om 7 uur, een half uur aanhield en dan wegebde. Dit was niet tegen bewoners gericht, maar om het eigen werkvolk wakker te maken. Ik meende dat de overlast hiermee gedaan was, maar een paar maanden later meldde zich een bewonerscommissie. Van het bestaan had ik slechts zijdelings vernomen en tot dan had ik niemand gezien. In dit gezelschap zat onder meer een kleine haaibaai, de zus van Dieuwertje. Ja, die.
De commissie stelde vast dat 1 van mijn ramen in de voorgevel uit het lood stond. Inderdaad, wat een scherpe observatie! Ik refereerde aan mijn klacht hierover, maar deze werd afgedaan als gepasseerd station. Herstel in tweede instantie zou natuurlijk nieuwe troep in mijn woning opleveren, zoveel was zeker. Ik antwoordde listig, dat ik hiervoor toestemming gaf, op voorwaarde dat eveneens iets werd gedaan aan het knoeiwerk achterin de woning. Hier was een flinke scheur in de muur langszij een venster onzichtbaar gemaakt met een deklat. Je voelde de tocht erlangs trekken. Pro forma werd gekeken, waarna zwijgen volgde. Tot een meer kwalitatieve ingreep was de commissie niet te bewegen. Wel werd een beroep gedaan op mij, vanwege de democratische besluitvorming aangaande stadsherstel. Hierop weigerde ik recalcitrant toegang tot de woning om het scheefgeplaatste raam alsnog recht te zetten. De commissie bommelde de oude trap weer af. Mijn vertrouwen was tot nul gedaald. Een half jaar later verliet ik de woning om elders in de stad neer te strijken.

Onlangs, minstens 35 jaar later, liep ik nog eens door mijn oude straat. Het gewraakte raam stond recht! Dit verbaasde mij nogal en dus keek ik eens beter, om vast te stellen dat dit lag aan herstel van alleen de vensterbank. Deze was kennelijk verwijderd en opnieuw ingemetseld. Dus ook het halfbakken werk van destijds was slechts voor het oog hersteld. De bewoners van toen zijn bijna allemaal vertrokken. Men verhuisde naar Hoorn, Lelystad, Almere of het kerkhof. Alleen op zaterdag ontmoeten oudgedienden elkaar bij de slager die een echt zithoekje heeft geplaatst voor dit doel. Ook dit zal een aflopende zaak zijn. De oude panden staan er vrij aardig bij – in stand gehouden met kunst- en vliegwerk, waaraan weer menig bouwsteigertje te pas zal zijn gekomen.

Verderlopend door de straat bedacht ik, dat de hedendaagse vaderlandse politiek voor een vergelijkbaar dilemma staat als de gemeente Amsterdam met haar Stadsherstel. Je kan schaven en schuren aan het bestaande, onderdelen vervangen en oud naast nieuw doen voortduren of drastisch ingrijpen. Dit laatste is in de politiek anno 2026 even onhaalbaar als ongewenst. Het laatste zwabberkabinet en vier kabinetten Rutte hebben veel schade aangericht, maar boden geen opbouw.
Nu al weet ik, welke kant het nieuwe kabinet zal uitgaan. Het wordt natuurlijk weer pappen en nathouden, in de hoop op betere tijden. Principiële keuzen worden zoveel als mogelijk uitgesteld. De zwakte van democratie is tegelijk haar kracht. Andersom is de stelling eveneens verdedigbaar. In handen van rechtlijnige projectontwikkelaars zou Amsterdam aanzienlijk ingrijpender zijn vernield dan onder de taaie praktijk van democratisch gekrakeel is gebeurd. Voor geleidelijkheid moet je alleen wel beschikken over tijd, geduld en geld. Dus wat is wijsheid?

Monk, 28 januari 2026

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Reacties zijn gesloten.