
Mijn vrouw en ik zitten in de caravan. Het is 2007, maar het zou ook een ander jaar kunnen zijn, eerder of later. Het weer is bedekt, zonder neerslag. Niet dat dit in een caravan veel verschil maakt. Mijn vrouw pent in een schoolschrift. Haar benen zijn opgetrokken en dienen als schrijftafel. Het is mooi, wanneer mensen handmatig een dagboek bijhouden. Het wijst op aandacht, op nadenken voor je iets noteert.
Ik doe niets, een favoriete bezigheid. Voor mij ligt een boek dat ik op mijn zeventiende voor het eerst las, gejat uit een winkel. Deze gewoonte zou ik naderhand perfectioneren tot ik er uiteindelijk mee ophield. Dit is een later exemplaar, gewoon gekocht. Wie vaak verhuist, raakt onderweg immers van alles kwijt. Op de achterkaft staat: The completely uncut edition of James Clavell’s classic KING RAT, in fresh new packaging for a new generation of readers. Het boek mag kennelijk nog steeds rekenen op een publiek.
“Heb je zin om straks mijn reisverslag te lezen?”
Een private en dus gevaarlijke vraag. Ik heb nogal een scherp gevoel voor wat privé is. Nooit zal ik mensen vragen wat ze neerpennen. Ik mag dus denken aan een gunst, maar ben desondanks voorzichtig. Ergens is het een beetje raar om van een ander te lezen wat je meemaakt.
“Wanneer is straks?”
Antwoord blijft uit. Straks is in de toekomst.
Mijn gedachten zeilen af naar een filmscène, misschien een droombeeld. Deze speelt zich af bij een grenspost tussen Oost en West-Duitsland, jaren 1970 van de vorige eeuw. Een grenswacht in uniform verhoort een landgenoot, geplukt uit een auto waarmee hij de grens wilde passeren. Hij bladert in het dagboek van de stakker en snauwt hem toe dat hij op zijn handen moet zitten. Dat is om angstzweet te kunnen meten. Verder ben ik het vergeten. Ik kijk naar mijn vrouw en haar schrijvende hand.
“Die Gedanken sind frei, zeiden agenten van de Oost-Duitse Stasi. Maar wat je opschrijft, gaat een eigen leven leiden en kan je worden nagedragen”.
“Er komen geen Staatsgeheimen in voor”.
“Je weet nooit vooraf waarin de Staat is geïnteresseerd”.
Mijn vrouw knikt en daar blijft het bij. Voorlopig.
Zo was het, overdenk ik de strekking van mijn opmerking: in mijn jonge jaren had ik geen enkele privacy, uitgezonderd bezoek aan het toilet. Alleen in die kleine, onaangename ruimte, kil als een koelcel van een slagerij. Als tiener schreef ik niets op, uit terechte vrees dat het gelezen zou worden. Misschien heb ik daardoor een scherper geheugen ontwikkeld. Hieruit kon ik putten nadat ik het ouderlijk huis had verlaten. Maar wat is verlaten, waar je mentaal gebonden blijft?
Destijds vond ik King Rat een geweldig boek, al weet ik niet precies meer waarom. Hoogstaande literatuur is het bij mijn weten niet. Het zal te maken hebben met identificeren, in dit geval je kunnen voorstellen te zijn opgesloten. Wie kan je vertrouwen? Hoe rollen de dobbelstenen?
Tijd: begin 1945. Plaats: Maleisië, een Japans POW kamp. The King is een Amerikaanse soldaat, relatief pas kort gedetineerd. Het einde van de oorlog is in zicht, maar tegelijk vormt dit voor krijgsgevangenen de meest gevaarlijke tijd. The King valt slecht in de smaak bij de Britse hiërarchie die het kampleven structureert. De Amerikaan is een klasseloze sjacheraar, een overlever. Dit is zeer tegen de zin van de Britse MP commandant Grey, die ook vastzit. Van sociaal lage afkomst, zweert Grey bij regels. Overtreden hiervan komt neer op landverraad. Derde persoon is Marlowe, een jonge Britse luitenant en dus afkomstig uit betere kringen. Marlowe is wegens het klassenverschil niet bij machte een band aan te gaan met The King, maar voelt wel bewondering voor diens overlevingsaanpak.
Buiten op de camping passeert een oudere man. Hij bivakkeert in een eveneens afgeleefde caravan. Hij kijkt op noch om en draagt zonder gene een verse rol toiletpapier: een klassiek, bijna stripmatig beeld. Het is helemaal niet nodig zelf voorzieningen mee te brengen, want het sanitair hier is prima in orde. Tijd om iets te zeggen.
“Ik praat nooit met iemand wanneer ik op het toilet zit. Daar heb ik een enorme hekel aan”.
“Hm. Dat vraagt toch ook niemand?”
“Zou je denken. Was het maar waar”.
Ik ken werkelijk een collega die door de pleedeur heen blijft praten. Ongewild nam ik er een keer kennis van op kantoor. Niet de inhoud van het gesprek boeide mij, maar wel het gegeven dat er mensen bestaan die zoiets doen. En dat de aangesproken collega niet wegliep, maar bleef staan om zijn collega aan te horen.
“In Amerikaanse speelfilms gaan mannen vaak samen naar de plee”, open ik mijn mond weer, “ze doen er zaken of steken elkaar overhoop”.
Dit laatste voeg ik toe, omdat ik merk dat mijn vrouw niet goed luistert.
“Ze rammen andere mannen een mes tussen de ribben, delen nog een paar trappen uit en wassen daarna soms hun handen. Een vorm van beschaving”.
“Je meent het, je kijkt naar verkeerde films”.
Dit zal waar zijn: ik kijk graag naar gewelddadige films van meestal Amerikaanse makelij. Het zal prettig zijn te denken dat er simpele oplossingen bestaan voor ingewikkelde problemen.
Ik zak terug in de tijd, een fenomeen waarmee ik een vreemde verhouding heb. Wat is tijd helemaal? Waarom doen hele weken er niet toe en een paar specifieke minuten juist wel?
“Mijn moeder had een goed gevoel voor privacy, vooral die van haarzelf. Geen enkele kast in huis kon je onaangekondigd opentrekken. Dat heeft ze trouwens nog steeds. En er staat godverdomme niets in dat een ander kan interesseren”.
Mijn vrouw zucht. Het zal zijn omdat ik vaak over Moeder spreek en zelden iets positiefs te melden heb.
“Dan hoef je er dus ook niet in te kijken”.
Logica betekent niets in het leven. Driften en angsten maken de dienst uit. Redeneringen dienen om onze dierlijke instincten te duiden. We geloven iets omdat we het zeggen. En we zeggen iets omdat we het geloven, niet omdat het gecontroleerd is.
“En dat wil ik nou juist wel. In die kasten kijken. Er uitgebreid voor staan en af en toe een afkeurend geluid maken. Niet om wat ik zie, want er is niets, dat zei ik al. Maar om Moeder te ergeren, om haar de controle over die verdomde kasten te ontnemen”.
Het antwoord dat volgt, kon ik zelf bedenken.
“Het zijn haar eigen kasten”.
Het vervelende aan voortgaande tijd is, dat het belang van situaties verzandt, uitdraait op achterhaalde rancune, kanker in je brein. Je zou delen van je geheugen moeten kunnen wissen.
“Ja, intussen wel. Maar wat zolang we een gezin vormden”?
“Je bent daar al minstens dertig jaar weg”.
Op de camping wordt een auto gestart. Zin om te kijken, heb ik niet. Wat kan het mij schelen?
“Dertig jaar of een week. Ik voel nooit verandering optreden, laat staan verzachting”.
Mijn vrouw onderbreekt haar bezigheid een ogenblik.
“Ik wil nog wat schrijven. Dan heb je straks meer te lezen”.
Ik zwijg. Je mond houden, daar ben ik mee opgevoed. Overal je mond over houden. Alleen antwoorden op een gestelde vraag was aan de orde. Wat kan een snotneus te melden hebben?
“Wat schrijf je dan?”
“Wat we hebben meegemaakt”.
Mijn blik zal verwondering uitdrukken. Hebben we iets meegemaakt?
“Zoals ik het zie”.
”Wie schrijft, die blijft aan de gang”.
Mensen denken vaak dat ik verlegen ben of tenminste gereserveerd. Weinigen komen op het idee, dat ik me liever buiten andermans zaken houd omdat ik graag zie dat het andersom ook gebeurt. Ik hoef niet alles te weten.
Vermoedelijk identificeer ik mezelf als 17 jarige vooral met Marlowe: observant, tikje arrogant en moeilijk te vatten. Voor de starre Grey voel ik in ieder geval geen sympathie. Het verbaast me dat hij niet in het geniep wordt vermoord. Zoiets kwam in de Vietnamoorlog onder Amerikaanse militairen weldegelijk voor. Dan wilden eenvoudige manschappen af van een commandant die hen de bush indreef om rebellen te zoeken, een tocht die gemakkelijk kon eindigen in een zinloze dood. The King is mij te veel een vrijbuiter, een opportunist. Dit staat haaks op mijn eigen opvoeding. Lezen over andere mensen verschaft inzicht over wie je zelf bent en wilt zijn.
Ik sluit mijn ogen, ontspan mijn dichtgeknepen handen en laat me terugzakken in de kussens van de caravan. Ik luister naar buitengeluiden. Wind beroert de loofbomen en struiken. Vage bonkgeluiden uit een nabije caravan dringen door en houden weer op. Daarginder wordt de liefde bedreven. Midden op de dag. Waar je zin in kan hebben.
Hitsig zijn en zonder nadenken een kind verwekken, was een idee dat mij al op jonge leeftijd schrik aanjoeg. Te blijven hangen aan zomaar een meisje. Menigeen raakte zwanger op een dorpskermis. Gelukkig ben ik nooit in die val getrapt. Een combinatie van inzicht en afkeer. Trots voel ik niet. Het is vooral opluchting.
Ik open mijn ogen. Heb ik echt niets beters te doen dan nagaan hoe ik hier aan ben ontsnapt?
“Aan wie denk je?”
Vrouwen denken vaak aan relaties. De mijne heeft heus wel in de gaten wat in de caravan van de buren gebeurt. Ze probeert mijn gedachten te raden. Mannen kunnen een leven lang allerhande zaken uitvoeren waarvan hun vrouw nooit iets zal bemerken. Behalve wanneer die zaken met relaties te maken hebben.
“Ik denk niet aan iemand uit het verleden. Niet eens aan een vrouw”.
Nu heb ik helemaal haar aandacht.
“Ik denk aan de toekomst. Ik sta positief in het leven”.
“Oh, dat.”
Het klinkt als gerustgesteld. Vertrouwen is de beste, zo niet de enige goede basis tussen mensen. Scheidingen, gevolg van uit verveling voortkomende experimenten, zijn vaak gedoemd, maar daarom nog niet onwerkelijk. Om een vrouw te behouden, moet een man altijd iets van gevaar blijven uitzenden. Gevaar en ongenaakbaarheid zijn broers uit hetzelfde rattennest.
Ik wend mijn blik af en kijk naar niets, me ervan bewust dat een teveel toelaten van gedachten leidt tot depressiviteit. Destijds had ik geen geld om naar een kermis te gaan, drankjes te bestellen voor een tijdelijke vriendin. Ik geraakte nauwelijks in de gelegenheid om domme dingen te doen. Armoede houdt de mensen netjes, maar maakt ook vreesachtig. Leven is balanceren en onderweg steeds aanpassen.
Mijn vrouw slaat een bladzijde van haar schrift om. Ik houd er wel van, zo’n aan twee zijden met een vuile balpen volgeschreven pagina. De inkt en het harde drukken op de pen geven het papier geschiedenis, een bestaansreden. Geen computer die ertegen op kan. Zelf schrijf ik nog nauwelijks met de hand. De computer als tekstverwerker is wat mij betreft een fantastische vinding. Ik ben dan ook iemand die aanhoudend aan teksten sleutelt. Voor mij is een eindversie iets waarmee ik uiteindelijk maar ben gestopt.
“Arbeid is een moordenaar”.
Ik moet natuurlijk weer aan kantoor denken. Waar heb je anders vakantie voor?
“Zonder baan zat je niet hier”.
Hier, dat is op een camping vol groen gras en nette struiken, opgetrokken tegen een eeuwenoude wal, bedoeld om Spaanse of Franse troepen buiten te houden. Zeeuws-Vlaanderen, Retranchement, op de bezette zuidoever van de Schelde. De bestaansreden van de camping ligt ten diepste in militaire strategie om de haven van Antwerpen in de tang te kunnen nemen.
“Dat valt te bezien”.
“Ja. Pipo de Clown en Mammaloe”.
Mijn gedachten moeten van hot naar her. Ik heb een uitgesproken hekel aan de naam Pipo, al weet mijn vrouw dit niet. Een eerdere vriendin noemde mij ooit zo. Omdat je grappig bent, legde zij uit nadat ik er een stevige aanmerking over maakte.
“En toch is arbeid een smerige val. Je krijgt er huidschimmel van”.
“Houd er dan mee op”.
Het schoolschrift wordt dichtgeslagen en op het kampeertafeltje gelegd.
“Stop ermee en bedenk iets waarmee we rijk worden”.
Nederig zwijgen is mijn deel. Op kantoor werk ik onder mijn niveau, maar ik ben onbekwaam om iets beters te bedenken. Een sprong in het diepe is mij te stressvol, te gecompliceerd.
The King bedenkt weldegelijk iets dat buiten de kaders valt. Hij begint een rattenfokkerij! Altijd en overal is immers afval, troep en ratten vreten alles wat los en vast zit. Hij snapt wel, dat niemand van de hooghartige Britten ratten wil eten, dus slacht hij de beesten en schrijft het vlees toe aan een ander dier, een Maleise kanchil, een soort mini hertje. Het is een enorm succes.
Ergens voel ik zin opkomen om ruzie te maken. Frustraties liggen aan dit verschijnsel altijd ten grondslag. Je neerleggen bij je lot, is een gave waar ik weinig mee heb.
“Door te werken, daar elke werkdag op te draven, raak ik in toenemende mate impotent”.
Ik maak er maar een grap van. Een breed gebaar laat ik juist bijtijds achterwege. Drama komt neer op doorzichtige manipulatie. Antwoord komt eerder en beslister dan ik had gedacht.
“Die heb ik eerder gehoord. In een ander leven. Een man moet minstens drie keer in de week klaarkomen. Anders krijgt hij pijn aan zijn ballen. Mijn ex ging er uit eigen beweging mee naar de dokter!”
We lachen erom. Ik heb haar ex wel eens gezien, oppervlakkig nota van hem genomen. Hij leek me nogal vlak en buigzaam, een opportunist.
“En wat zei dokter?”
Hoe graag was ik bij dit gesprek aanwezig geweest.
“Die gaf hem gelijk. De patiënt heeft altijd gelijk”.
“Was je er bij? Toen dokter dat zei?”
Nee, natuurlijk niet. Joost mag weten wat haar ex van dokter gedaan wilde krijgen. Of het kwam helemaal niet aan de orde, maar diende om mijn vrouw schuldgevoel aan te praten, hem gelegenheid te bieden zijn frustraties weg te neuken. Hoe vaak gaat seks over macht?
“Je vriend wist precies waarmee je te raken was”.
“Maar ik geloofde er niets van”.
De oudere man komt terug van zijn toiletgang, het restant van de wc-rol onder de arm. Nog steeds kijkt hij strak naar de grond. Op de zijruit van de caravan spetteren regendruppels. Ik kijk hem na en zak ik terug in mijn peinzen over werk, collega’s, chefs, het sluiks opgetuigde management, wisselende wethouders die na hun ontslag terugkomen als beleidsambtenaar, je raakt er nooit van verlost. Zou ik hun gezichten uit mijn geheugen kunnen wissen waar ze langer dan een maand uit het zicht blijven?
Faces and names they all look the same. Een song van Lou Reed. Wanneer je iemand niet meer ziet, bevriezen naam en gezicht in de tijd. Veroudering van de huid, uitval van tanden, of een mankement aan het brein, blijven buiten beeld. Het is als het rondmalen van trappers op een fiets waarvan het achterwiel het wegdek niet raakt. Je geraakt nergens meer.
Moeiteloos herinner ik me dwaze gesprekken en redeneringen. Geleuter en peptalk, de rimram van een functie waaraan wordt gehecht. Een collega die de inkeping van een beschuitje heel praktisch vindt, een andere die haar echtgenoot door de telefoon toebijt dat hij werk moet zoeken. Een vrouw ziet haar vriend in een café zitten met een andere vrouw. Ze confronteert hem, maar hij antwoordt: bedenk eens hoe moeilijk dit voor mij is! Ging het allemaal precies zo? Ook in gesprekken is het geheugen gedoemd te falen. Het dient niet als een kluis van waarheid, maar tot brandstof voor nieuwe redeneringen en voorstelling van zaken. Er is niet veel anders dan chaos.
We zwijgen. Buiten gebeurt niets. Campinggasten doen een middagdutje, of zijn allang de hort op.
Mijn brein belandt alweer in de tredmolen. Uit alle macht probeer ik analytisch te denken.
Arbeid is een sluipmoordenaar, omdat je achteraf moet vaststellen dat juist de tijd is verdwenen. Tijd = geld, roepen de kapitalisten, maar het is veel erger. Zonder tijd is er niets meer, alleen nog de dood.
Wie meent, dat het leven een bepaalde zin heeft en er na de dood iets anders wacht, moet wel gek zijn. Of wanhopig en bereid onzin te geloven, om niet gek te worden.
“Ik wil je vakantieverslag graag lezen”.
Het klinkt een beetje plompverloren, als een antwoord dat een kwartier eerder veel beter had geklonken.
Op zeker moment wordt in King Rat het gevangenkamp bevrijd. Japan is verslagen, de oorlog ten einde. The King, de levenskunstenaar, verliest op slag zijn aanzien. Niemand heeft hem nog nodig. Uitgerekend commandant Grey komt hem evenwel bedanken. Pure haat tegen de Amerikaan is wat hem in het kamp overeind hield. De opgesloten kweekratten worden aan hun lot overgelaten. Gedreven door honger werpen zij zich op elkaar.
Monk, 28 april 2026
Foto: Monk