Herinneringen aan dode paarden

| Geen reacties

Het nieuwe millennium is net begonnen.
Meneer E. heeft een hoekwinkeltje in de S-buurt. Leuk wijkje, maar een beetje vervallen en dus onderwerp van stadsherstel. De man verkoopt  schotelantennes en aanverwante zaken om woningen te voorzien van een verbinding met exotische taalgebieden. Daar is veel vraag naar, want multiculti is in de mode en de Hollandse tv is geen feest voor een allochtoon. De schotels volgen de sprietantennes op, die decennia lang de daken van de stad opvrolijkten. Vooral spreeuwen waren er gek op, maar de antennes werden verboden en hun eigenaren desnoods beboet door de gemeente. Een poos werden ook schotels bestreden,  maar het heeft geen zin aanschrijvingen te sturen als de politieke machthebbers stemmen ophalen uit Schotelcity.

Meneer E. krijgt een aanzegging zijn pand tijdelijk te ontruimen. Als de boel is opgeknapt, mag hij terugkeren. Voor te maken kosten bestaat een interessante tegemoetkoming. De regeling heet Verordening. En met deze Verordening begint het gelazer.

We bevinden ons in een soap waarin een ondernemer en de lokale overheid met elkaar bakkeleien.  Het zal zodanig ingewikkeld en zinloos worden, dat je naderhand niet meer weet hoe het is begonnen noch waarover het precies gaat.
Wat overzichtelijk en tamelijk eenvoudig lijkt, groeit uit tot een monster van onbegrip en afkeer, tot aanzetten de aanvrager het bos in te sturen en van zijn kant tot pogingen te frauderen. Waar behandeling van de aanvraag normaliter door slechts een paar mensen wordt behandeld, mengen zich gaandeweg zoveel personen in het gekrakeel, dat je ergens onderweg een kennismakingsrondje  zou moeten houden om te inventariseren wie
zich ook alweer met wat bezig houdt. Van inhoudelijk dwaalt de zaak af naar ego en territorium. Juristen en advocaten krijgen een vuistdik dossier voor hun kiezen. Een rechter beslist zonder veel kennis van zaken. Achterhoede gevechten woekeren als moerasbranden.

Bij mijn aantreden in het Amsterdamse nam ik de aanvraag van heer E. over van mijn voorganger. Na korte bestudering van de Verordening begreep ik dat de aanvraag de verkeerde was. Toen ik de functie acht jaar later verliet, was de zaak bijna afgehandeld. Tussen heer E. en mij is nooit een verkeerd woord gevallen. Desondanks zou ik nooit bij hem een antenne hebben gekocht.
Bij ons afscheid nodigde hij me uit samen een keer te gaan eten. Een prima voorstel, maar ik heb zijn meegebrachte advocaat laten uitleggen dat dit onmogelijk kon doorgaan. Wat ik er niet bij zei, was dat ik van een andere meneer al eens een soortgelijke uitnodiging had ontvangen. Hier was ik evenmin op ingegaan en dat was maar goed ook. Want die andere meneer moest ik naderhand alle hoeken van de Verordening  laten zien om totale plundering van de gemeentekas te voorkomen.

Natuurlijk waren er meer zaken van treurnis. Ik denk aan de poelier aan de O-straat van wie de winkel eveneens werd gerenoveerd.  De eerste keer dat ik hem sprak, toonde hij niet alleen zijn schamele toko maar ook een ondergelegen keldergewelf. Hier sliep hij en leefde zijn leven. Onderzoek naar de levensvatbaarheid van zijn onderneming leverde een negatief advies op. Na het nodige heen en weer gehannes kreeg hij alsnog voor elkaar dat zijn aanvraag werd behandeld. Tegen die tijd waren de laatste kippenbouten allang de koeling uit en reed de man op een taxi voor zijn brood. Ik heb niet naar zijn vergunning hiervoor gevraagd, uit vrees nog diepere problemen aan te boren. Want zo gaat het: de werkelijkheid is altijd erger.
Drie jaar later kreeg de man zijn geld, dat door de samenleving was opgebracht. Trots als een pauw was hij en toen ik kwam kijken, kreeg ik  prompt een grote tas vol etenswaren mee. Deze leverde ik per ommegaande in bij mijn werk, want het verschil tussen dankzegging en smeergeld mag menige Prins der Nederlanden zijn ontgaan: ik heb er een rigide kijk op.

Ik laveerde tussen collega’s en chefs. Daarboven zetelde de wethouder, formeel portefeuillehouder. Soms moest je hem of haar op papier benaderen als lid van het dagelijks bestuur. Dit was om de collegialiteit, de gezamenlijkheid en de transparantie van het college te benadrukken. De praktijk was anders. Toen ik eens uit eigen beweging informatie, bedoeld voor de ene wethouder, deelde met de andere leden van het bestuur, kreeg ik de kous ongenadig op de kop. Met als gevolg dat ik nadien nooit meer informatie uit eigen beweging rondstuurde, ongeacht hoe urgent de kwestie mij voorkwam.

De wethouder vertrok en werd opgevolgd door een andere amateur. Deze had bepaald de pest aan ondernemers en verfoeide de Verordening. Bij elke aanvraag die ik hem voorlegde, probeerde hij de boel tegen te werken en te traineren, alsmaar dezelfde oneigenlijke argumenten aanvoerend, dat zijn argumenten die niet in de Verordening staan. Ik liet hem weten dat het hem vrij stond de Verordening te laten veranderen en produceerde zelfs een uitgewerkt plan om mijn eigen doodkist te timmeren. Je kon de Verordening namelijk ook gewoon opheffen. Vergeefs: de man begreep dat zijn afkeer van ondernemers in de Raad onvoldoende weerklank zou vinden en hij bleef zich dientengevolge beperken tot kankeren en frustreren.

Wie denkt dat mijn directe baas mij liet staan, heeft gelijk en ongelijk tegelijk. De chef was begripvol, maar wilde evenmin zijn eigen loopbaan verstoren. De waarheid kent vele gezichten. De lucht was vol goede bedoelingen en beloften, maar ik leerde inzien dat het paard waaraan ik trok, van het type Ome Loeks en dus morsdood was.

En dan was er de zaak van kunstenaar K. De man zetelde op de eerste etage van wat misschien een school was geweest. Ook hij moest verkassen wegens noodzakelijk herstel van het gebouw.
Volgens de Verordening kwam hij voor vergoeding niet in aanmerking. Dat kwam omdat hij niet in een winkelgebied woonde. Zelfs niet in de buurt ervan. De Verordening diende om winkelgebieden tegen verpaupering te behoeden. Hoe dan ook:  K. kwam niet in aanmerking. Er was geen speld tussen te krijgen.
De zittende wethouder, pardon portefeuillehouder en zich allang geen lid van het dagelijks bestuur meer noemend, vond het deze keer juist alleszins nodig om K. te helpen. Met geld van de Verordening natuurlijk, wat dus niet kon. Om afhandeling te bespoedigen, deed hij op eigen gezag en naar verluid in een café  toezeggingen aan K. Mij gaf hij opdracht de aanvraag van K. positief te beoordelen. Ik deed mijn best op een waterdichte redenering, lachte bij voorbaat achter mijn hand en liet een jurist het verhaal afkeuren. Had die jongen ook een leuke dag. Het resultaat stuurde ik per bode naar de wethouder.
Het gezever en nutteloos heen en weer geschuif van schaakstukken duurde dermate lang, dat ik de wethouder liet weten geen bemoeienis meer met de zaak te willen hebben. Ieder moment verwachtte ik wegens dit driftige besluit op het matje te worden geroepen, maar er gebeurde niets. Even overwoog ik zelfs K. in het geniep te adviseren naar de rechter te stappen. Alleen al op grond van zware overschrijding van iedere termijn van beslissing zou de man vergoeding toegewezen krijgen. Het bleef bij overwegen, want ook K. kon van mij onderhand de boom in.

Monk

30 november 2011

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.