Een Ontwaking

| Geen reacties


Het geluid moest hem hebben aangeraakt. Herman werd langzaam wakker, maar niet helemaal. Naarmate hij meer ontdooide, leek het bovendien zozeer af te zwakken dat hij twijfelde echt iets gehoord te hebben.
Op dezelfde manier week een onbestemd lichamelijk onbehagen naarmate hij won aan bewustzijn. Het was te diffuus om er conclusies uit te trekken.

Het geluid localiseren was als zoeken naar een zwarte kat in een donkere kelder. Herman begon het te verbinden met gedachten en voorstellingen over wat de oorsprong kon zijn: een verre vrachtwagen, een nachtelijk vliegtuig, een fabriek op grote afstand, een gerucht dat wordt meegevoerd met een tijdelijk veranderde windrichting. De mens kan moeilijk uit de voeten met iets dat hij niet kan duiden. Onwillekeurig opende hij een ooglid. Er was geen licht en de notie van geluid had hem eveneens verlaten. Er was helemaal niets.

Slaap overmande zijn lichaam, maar zijn geest bleef waakzaam. Een ogenblik meende hij het te weten: paardenhoeven hadden door een naburig weiland geroffeld. De oren luisteren naar wat ze kennen en niet naar wat ze werkelijk opvangen. Tegelijk verwierp hij de gedachte. Er liepen geen paarden in de omgeving en als ze er waren, waarom zouden ze dan in het donker gaan draven? Alsof met deze verwerping iets was opgelost, zakte hij dieper weg.

Het geluid keerde evenwel terug en bleef aanhouden toen Herman deze keer vollediger ontwaakte. Het klonk als het eentonige suizen van een gemaal. Ook kon je denken aan een vrachtschip dat de ringvaart doorkliefde achter de dijk waaraan hij woonde. Maar het gemaal was minstens een kilometer verderop en in de nacht werd niet gevaren. Herman voelde stijfheid in zijn kaken. Zijn gedachten bleven onsamenhangend. Hij viel opnieuw in slaap.

Uren later en zonder aanwijsbare reden werd hij weer wakker. Hij moest onaangenaam hebben gedroomd, want er resteerde een gevoel van machteloosheid. Hij opende zijn ogen en was blind inzoverre hij niets onderscheidde in het duister. Hij draaide zich om, trok een knie tot aan zijn kin. Zijn lichaam voelde geschonden aan, ongeveer of hij klappen had gekregen. Ook had hij het te warm. Zo lag hij onbepaalde tijd. De slaap drong zich op. Ergens in huis klonk een tik: geen gering kraakje of vreemde fluister, maar een duidelijke tik. Gevolgd door stilte. Even later meende hij licht te zien. Het leek op een explosie of weerlicht in de verte. Over zijn netvlies schoten heldere vlekken. Daarna werd het zwart. Zijn ademhaling voelde zwaar aan.

Licht reist sneller dan geluid. Of het ook sneller is dan de schakelingen in een brein, valt te bezien. Mogelijk is het zo, dat elektriciteit de drager is van het licht. Het universum is vol verrassingen voor de mens die alles moet ontdekken.

Herman opende zijn ogen en zag hoe licht de slaapkamer binnendrong. Het was geen straal of bundel, maar een troebele reflectie die trilde. Het drong tot hem door dat vanaf de noordzijde een auto naderde. Van geluid was geen sprake, nog niet. De lichtvlek won aan helderheid. Nu begon wat hij De Trek Van De Bizons was gaan noemen.
Tussen de lampen van het naderende voertuig en het behang waarop het licht vastliep, bevond zich een rij bomen langs de dijkweg. De stammen en kruinen werden geprojecteerd als schaduwen. In de weg zaten bochten. Eerst bewoog de massa van schaduwen naar links. Na een seconde of tien vertraagde deze film en kwam tot stilstand. Vervolgens schoot het vrij plotseling de andere kant uit. Het fenomeen leek op een kudde bizons, voortgejaagd door iets ongehoords.

Deze keer ging het anders. Het licht viel plotseling weg. Duisternis vulde de slaapkamer. Geluiden bleven uit. Herman luisterde nauwgezet. Het was meer dan luisteren: hij stelde zijn zintuigen open. Langzaam werd hij zich gewaar van zijn hartslag. Vooral tegen de achterkant van zijn ogen was het merkbaar en bijna pijnlijk. Hij sloeg de deken een stukje terug en haalde heel langzaam en diep adem. De kille nachtlucht en zijn fysieke oververhitting streden zonder tot een winnaar te komen. Zo in de schoot van duisternis, op een aardbol die de zon de rug had toegekeerd in een van zijn oneindige wentelingen, ontspande hij zich. Vanuit de put naast het huis klonken heel zacht spetterende belletjes, een eindeloze feestgang van waterdruppels. Hij begreep dat het regende, maar kon niet zeggen hoelang dit al het geval moest zijn.

Met het schaduwspel op de binnenmuur was een verhaal ontstaan dat hij voor zich hield. Het was geen bewust bedenksel, laat staan een leugen. Eerder leek het, dat de geschiedenis uit zichzelf tot hem was gekomen en telkens bevestiging zocht. Op de plek waar hij woonde, hadden zich ooit moerassen uitgestrekt. Het ging om ondoordringbare plakken veen, onderbroken door kleine en grotere waterstromen, begroeid met de bomen en struiken die door dichte mist aan het zicht werden onttrokken. Niemand van buitenaf waagde zich hier. De enige bouwsels waren simpele schuilhutten. Als de mensen vlees nodig hadden, dreven ze een bison in het water en sloegen hem dood.
Niemand had hem dit verteld, maar hij wist zeker dat het zo was gegaan. Je hieraan over te geven, voelde aan als het terugvloeien naar een oneindig oude bron waaruit je was voortgekomen, door de generaties heen, een proces waarin je tenslotte zelf ook bron wordt. Er ging een geruststelling van uit, misschien een notie van onsterfelijkheid.
Herman liet deze gedachten toe, tot een bepaald punt. Dit was prettiger om bij in slaap te vallen dan bijvoorbeeld door ritmisch te knarsen met je tanden. Hiervoor had hij al eens een uitbrander gekregen.

Hij voelde een lichte schok door zijn lichaam gaan. Zijn moeder stootte de deur van zijn kamer open, riep iets naar binnen over opstaan en een andere trui aantrekken en was alweer weg. Herman opende zijn ogen, zag dat het daglicht al flink was binnengeraakt en probeerde zich te bewegen. Vergeefs. Hij probeerde het nog eens, met vergelijkbaar resultaat. Nog half gevangen in een droom die zich met tegenzin terugtrok, voelde hij angst opkomen. Misschien was het kinderverlamming, of dreigde een hartstilstand. Iedere mens, jong of oud, voelt instinctief de kracht van bedreiging.

Even later geraakte hij uit bed, om meteen tegen de vloer te slaan. Het leek of zijn benen het hadden begeven en van geen betekenis meer waren. Van de val voelde hij overigens niets. Misselijkheid golfde in hem op. Als een dier kroop hij over de vloer, botste tegen zijn bed of iets anders, hijgde en bulkte en sloeg zijn handen voor de mond in een vergeefse poging het braken tegen te houden. Tegen de tijd dat hij weer bij zinnen kwam, stampten er benen om hem heen, naar links en rechts. Hij kreeg een teiltje onder zijn gezicht geduwd, opende als op bevel opnieuw zijn mond en kermde luidkeels. Zo ging het een poos door, of misschien duurde het alles bijeen maar enkele minuten. Het stonk geweldig allemaal, maar allengs voelde hij zich iets beter.
Zo belandde hij opnieuw tussen de lakens. Zijn moeder belde naar school. Herman hoorde hoe dit gebeurde vanuit de hal waar de telefoon tegen de muur hing. Griep had hij en zijn moeder vroeg boos of hij het braken niet had zien aankomen. Roerloos lag hij, uren achtereen, de deur van zijn kamer stond op een kier.

Telkens viel hij in slaap, of raakte minstens in een staat van verminderd bewustzijn, een sluimering, een gloed van diepe warmte die hem deed zweten als een otter. Af en toe ving hij geluiden op zonder te begrijpen: een tik uit het huis, een vaag ronken van buiten. Wat deed het er ook toe: hij kon overal zijn, in de klas waar hij al drie weken geen fout in een dictee had gemaakt, of in de keuken onder zijn bed om verplicht de aardappels te schillen, in dit leven of een vorig dan wel toekomstig. Tijd is de uitdrukking van menselijke angst voor de dood. Eindeloos duurde de dag. Het druipen van de dakgoot in de regenput ontging hem op den duur, net als het feit dat dit ophield.

Geuren van avondeten bereikten zijn neus. Hij overwoog uit bed te komen en de deur te sluiten, maar bleef onmachtig liggen. Voor wie geen trek heeft in eten, stinkt elke gekookte maaltijd. Geluiden kwamen en gingen, het daglicht verloor kracht. Hermans moeder kwam nog eens langs, zette een vers kopje thee neer en nam zijn temperatuur. Gesproken werd er nauwelijks. De andere gezinsleden bleven weg, maar Herman miste hen niet. Liever lag hij gewoon te liggen, in een soort gewichtloosheid. Hij dronk nauwelijks en behoefde evenmin naar de wc. Na etenstijd was er nog een periode een zwak bonken waarneembaar. Het lichaam luistert niet alleen met de oren. Ook dit hield weer op en nog later gingen de lichten in huis uit voor de nacht.

Ergens in de diepte van het duister ontwaakte hij. Meteen voelde hij dat het ergste voorbij was, dat zijn lichaam het had gewonnen van de griep. Het was of hij onder vele meters water had gelegen en nu naar de oppervlakte kwam. Snuivend haalde hij adem. Zonder elektrisch licht te ontsteken, stond hij op. Onvast ter been, gluurde hij langs het gordijn naar buiten. in de grauwe nacht onderscheidde hij de schuur, de sloten om het erf en een hek in het weiland van de buren. Tenslotte verliet hij zijn kamer en daalde behoedzaam de trap af. In de ruimte van de wc was een kleine wastafel met een nog kleinere spiegel erboven. Herman nam geen moeite te kijken. Het was hier toch te donker om zijn gezicht te kunnen zien. Hij plaste zittend en voelde overal spierpijn. Het klapraam in de buitenmuur liet zwakke geluiden van windvlagen toe. Onder de dakpannen of in de goot fluisterde iets. Tegen de wc deur verscheen een rechthoekige lichtvlek ter grootte van het raampje. Verticale strepen en wollige vlekken vulden het beeld. Het licht werd scherper. De schaduwen trokken naar links en vrij plotseling omgekeerd naar rechts. Herman keek, maar zonder veel belangstelling. Onmogelijk kon hij er een kudde bizons in ontdekken. Het waren gewoon schaduwen van boomstammen en takken, de begroeiing langs de dijkweg. Even later passeerde een auto. Hij trok de wc door en hoopte dat niemand in huis wakker werd.

Monk
27 januari 2013
(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.