Che Guevara in de polder, een vertelling

Beemster

1

Dagen van verbijstering en chaos. Met de verhuizing naar het dorp is om te beginnen het uitzicht onherstelbaar bedorven. Aan alle kanten verrijzen nieuwbouwhuizen, hoekig, smakeloos, overdag goeddeels zonder bewoners, afgekaderd door tuintjes met struiken die je overal ziet, zelfs in de parkjes van de gemeente. Weg is het ruime erf waar Herman opgroeide, het omringende bouwland, de sloten, verderop de boomrijen langszij een polderweg, alles geometrisch aangelegd, daarboven de monumentale hemel, hoog en symbool voor de nietigheid van de aarde en zijn bewoners. Aan uitzicht in het nieuwe huis resteert een uitsnede van misschien 5 graden, een taartpuntje als horizon, een vergeten hoek tussen twee woonblokken. Wolken worden versneden en afgekapt door muren en daken, te hoog opgeschoten bomen. Buren vragen zich af wie daar vanuit een venster naar hen staat te kijken. Er is immers niets te zien waar niemand naar kijkt en wat niemand ziet, bestaat niet.

2

Het huis waarin Herman met zijn ouders woont, is nieuw en behoort tot de betere in de buurt. Het betreft een vrijstaande woning met aangebouwde garage, omringd door een tuin van enig aanzien naar dorpse maatstaven. Tot de nieuwe buren, die vanaf de straat diep in het huis kunnen kijken, behoren kantoorlui, leraren, aannemers en een beveiliger van overheidsgebouwen. Het zijn beroepen waar Herman nooit aan heeft gedacht, gelijk het geen moment bij hem is opgekomen dat hij uit zijn oude omgeving, leven en verwachtingen zou worden verwijderd.
We mogen nog van geluk spreken, beweert Moeder zonder dat naar haar mening is gevraagd, de gemeente wilde ons opbergen in een van die krotten naast de secretarie.
Dit klopt ongetwijfeld: aan de in het dorp heersende regentenmentaliteit is het gezin ternauwernood  ontkomen. Vader liet zich genadebrood uitdelen in de vorm van een bescheiden functie als gemeentebode, de laagste die op kantoor te vinden was. Op zijn 45e verjaardag heeft de zelfstandige akkerbouwer besloten een andere weg in te slaan. Er moet vooraf met mensen over gepraat zijn, maar niet met Herman. Wie of wat heeft Vader overtuigd, overgehaald? Zijn nieuwe bazen hebben hem een lijst verplichtingen toebedacht: een uniform dragen, werken in avondtijd, op kantoor koffie rondbrengen aan wie trek krijgt. Het is, alsof op kantoor alles bijeen is geveegd waarover al jaren ergernis bestond. Alleen huisvesting naar eigen wens wist Vader te handhaven. Een huurhuisje pal tegenover de werkplek heeft hij afgewezen. De verkoop van het bedrijf leverde voldoende geld op om een keurig huis te laten bouwen: tot blinde afgunst van menige collega en hoger geplaatste. Die verdomde boer met zijn kasteel.

3

Hoe heeft dit kunnen gebeuren, welke krachten zijn werkzaam geweest? Herman kijkt in verwarring terug op de laatste maanden. Eraan denken, blokkeert zijn gedachten in schaamte en angst, al snel opgewaardeerd tot regelrechte haat. Deze keert zich tegen zijn ouders, de buren, de werkgever van zijn vader, de winkelier van de SRV winkelwagen, de dorpshuizen en de straatstenen: wie in vredesnaam laat zich verlagen van zelfstandige landbouwer tot kantoorslaaf? Vooral dit raakt hem: opgeven van je vrijheid is geen optie, al ben je in de praktijk overgeleverd aan de belastingdienst, zoals Vader het dikwijls benoemde. Karigheid is beter te dragen dan horigheid en schaamte.
De sfeer in huis zakte van meet af onder het vriespunt. Vader probeert zich uit alle macht te handhaven in zijn nieuwe habitat, hij zweeft tussen een stalen verleden en een toekomst van bordpapier. Moeder daarentegen past zich moeiteloos aan, dominant en sluipend, gewend om zich baas in huis te voelen. Binnen een week na de verhuizing kon je per vertrek aangeven in welke mate haar zeggenschap van toepassing is. Woonkamer, hal en keuken voor 100%, net als de ouderlijke slaapkamer op de eerste etage en alle sanitaire voorzieningen. De resterende bovenvertrekken 80%, een voorzichtige schatting: Moeder loopt Hermans kamer binnen zonder kloppen en snuffelt in zijn agenda en cahiers. Alleen de garage ontkomt aan haar totalitair gezag. Hier moet ze delen met Vader, die er zijn auto stalt en zelfs met Herman, vanwege diens brommer, een opzichtig rode Kreidler. Regelmatig klaagt ze dan ook dat deze stinkt of in de weg staat. Moeder zou beter in een klooster gaan wonen.

4

Herman posteert zich voor het raam van zijn slaapkamer, uitzicht over de achtertuin, daarachter de muur van een belendende garage, stevig gehinderd door een dubbel woonhuis, bomen, meer naar links andere woningen, een straat met geparkeerde auto´s, mensen die op de stoep lopen.
Was ik maar dood. Hij bekijkt de sluiting van het venster, in de wetenschap dat dit geen nieuwe inzichten zal brengen. Het raam openen, met gespreide armen voorover neerslaan op de gewassen grindtegels. Dood zal ik niet zijn, maar mogelijk wel invalide, prooi van een tweewielig karretje en een kwijlbak, elke dag onder de verwijtende blikken van Moeder. Na drie weken zal zij bij Vader aandringen op mijn vertrek naar een tehuis. De gemeente gaat hen hierbij helpen.
Met gesloten ogen laat hij beelden van de afgelopen week passeren. Zijn vader, met een duimstok rondkruipend in de verse tuin, alsof met de inkrimping van zijn territorium ook zijn verstand is verschrompeld. In huis tikt de kostverdiener nog elke ochtend met zijn duimnagel tegen de mee verhuisde barometer. Alsof het erop aankomt welk weer het wordt, op kantoor. Moeder is in de woonkamer ineens met viltjes komen aanzetten. Hierop moeten voortaan de theekopjes worden neergezet, om de nieuwe tafel te vrijwaren van krassen of vlekken. Nog erger: zij heeft de werkster de stoelen rond de tafel laten inzepen met teakolie. Je mag niet meer achteroverleunen: daar komen witte vlekken van. Niet op je kleding, maar op de verdomde stoelen. Tegen een der kamerwanden is een hertshoorn in een pot geplaatst. Herman heeft er al eens bleekwater bij gegoten.
Wat een klerezooi. Hij proeft de woorden. Wat een allejezusse takkenbende.
Hij steekt een sigaret aan, blaast rook naar het vers gekalkte plafond, voelt zich draaierig worden en staart andermaal uit het raam. In zijn uitzicht gebeurt niets, terwijl er van alles in de weg staat.

5

Dagen als in bezettingstijd. Geen enkele ochtend meer ontwaken in het dromerige loeien van koeien, de zachte dreun van een tractor, de notie van zinvol werk. In de week starten auto’s in alle vroegte, een klusbedrijf hanteert de drilboor, Vader spoedt zich naar kantoor. Vandaag is gelukkig een zaterdag. Herman is in de morgen voor een paar lesuren naar school geweest. Deze ligt op ruime afstand van het dorp, maar op zijn brommer duurt de rit niet langer dan 20 minuten. Het zijn minuten die hij koestert.  Snelheid als middel om tijdelijk uit de benauwdheid te breken. Tegelijk lijkt het landschap dat hij doorkruist hem vijandig geworden: vuile deserteur. In een polder kun je ver zien. Hermans brein is doortrokken van de geometrie waarmee zijn habitat ooit werd aangelegd. Voortrazend op twee wielen stijgt en zakt de adrenaline in zijn bloed, al naar gelang hij oude plaatsen passeert: ik ben een Indiaan, versmolten met mijn omgeving, er is geen onderscheid.

6

In vaste slagorde staan de pannen op de eettafel. Vanaf de scheidingswand tussen kamer en keukentafel, zijn dat de groente (vandaag andijvie), de juspan (met gehaktballen) en de aardappelen (kruimige). De vla wacht nog in de keuken. De onwrikbare opstelling dateert uit het vorige huis en is onverkort overgenomen. Niemand haalt het in zijn hoofd aardappels en groente voor een keer van plek te wisselen. Neven de borden liggen lepels en vorken, sinds kort ook messen, waar eerder nooit met mes en vork werd gegeten. De messen hebben een zwart bakelieten heft. Na een kort gebed in stilte (ieder voor zich) schept Vader zijn bord vol en begint te eten, zwijgend en systematisch; van links naar rechts zal zijn bord leger en leger raken. Een paar jaar geleden heb ik in een driftaanval zo’n keukenmes doormidden geslagen. Nog geregeld zoekt Herman hiervoor bevestiging in de keukenlade, waar inderdaad slechts 5 messen liggen tegen 6 vorken en 6 lepels: ik moet wel heel kwaad zijn geweest. Maar mijn woede is gekanaliseerd, niemand die er iets van bemerkt.

7

In de middag loopt hij een ronde door het dorp, volgens een vaste route, in hetzelfde tempo, met gelijkmatige onverschilligheid voor wie hij tegenkomt. Lopen om te lopen, energie kwijt te raken, drift te doen slijten. Wat zei Moeder onlangs? Wat loop jij raar, er zit een huppeltje in. Herman was te verbouwereerd om haar af te snauwen.
Ter hoogte van de bakker stuit hij op Johan Bruinvis, met wie hij ooit samen naar de hbs ging, een project dat voor de voltallige jaargang van de dorpsschool mislukte. Johan is van de sociale soort, houdt van organiseren en dingen gedaan krijgen. Hij wil onderwijzer worden.
Je moet vanavond naar het Kluphuis komen. Aan de woordklank kun je horen dat Kluphuis met een K en een P wordt geschreven, niet met een C en een B. Verveling wordt tegenwoordig beloond met een eigen hok waar je mag doen wat je wilt. Zoiets heet een jeugdprogramma.
We hebben een politieke manifestatie van de PSP. Film en discussie, een biertje.
Herman is allesbehalve overtuigd, maar knikt. Het alternatief, thuis zitten wachten tot Moeder de tv na het journaal van 8 uur afzet waarmee hij naar zijn kamer wordt verdreven, lokt nog minder.
Het bier kost bijna niets. We hebben budget, al zal het geld binnenkort op zijn.
Het lijkt of Johan hem wil omkopen, maar het is vooral enthousiasme. Aan ieder ander zal hij dezelfde uitnodiging geven. Herman zegt toe. Ik kan nog altijd wegblijven, verhinderd zijn om bijvoorbeeld mijn ouders een gezellige avond bezorgen. De gedachte brengt zowaar een glimlach bij hem teweeg.

8

Tegen dat het journaal afloopt en een man komt vertellen welk weer er de komende dagen aankomt, stapt hij op. Bij de wasbak op de bovenverdieping poetst hij zijn tanden zonder zichzelf in de spiegel aan te kijken. Leven is gewoon het verrichten van handelingen, de ene na de andere, alsmaar door. Je ontwaakt, begint te bewegen en tegen sluitingstijd ga je naar bed.
In de garage is Vader begonnen een lekke koffiezetter te herstellen. Evenmin als zijn zoon wil hij in de woonkamer blijven plakken. Herman ziet een tube hittebestendige lijm liggen, maar zegt er niets over: dit gaat niet werken, arme vader, stomme ezel.
Hij rolt zijn Kreidler brommer naar buiten, zet de helm met eigenhandig geschilderd doodshoofd op, trapt de machine aan en scheurt de straat uit. Naar het Kluphuis, voormalig klaslokaal op de rand van een ijsbaan. Het is een ritje van niets. Tegen een lantaarnpaal waarvan de lamp in balorigheid is gesneuveld, staan meerdere fietsen.
In dit gebouwtje heb ik wiskundeles gehad. Het is pas twee of drie jaar geleden, maar het voelt aan of ik een bejaarde ben die terugkijkt in verwondering. Ik bracht het er goed vanaf, met goede cijfers, maar wat is goed wanneer je geen idee hebt waarheen te gaan, waartoe je verder zou leven?

9

Het interieur is sinds zijn laatste bezoek nauwelijks veranderd: een kale houten vloer, afgedankt schoolmeubilair, een krijtbord waarop allerhande mededelingen over optredende bandjes en fotootjes van de lang voorbije kermis prijken. Hermans blikken glijden willekeurig rond.
Na mijn vertrek is de school opgeheven. Een tijdperk kwam ten einde: het Mammoetonderwijs deed zijn vrolijke intrede, feestpakketten naar eigen keuze, niemand die nog Frans leert om iets te noemen.
Hij steekt vaag zijn hand op naar bekenden van vroeger, knikt naar anderen, vraagt zich af waarom hij als vreemde eend meteen wordt opgenomen en loopt door naar de achterkant van het lokaal. De wasbak met koudwaterkraan kent hij nog. Zelfs de zeephouder blijkt in orde.
Hij draait zich om en laat zijn blik andermaal langs de wanden dwalen. De ramen zijn geblindeerd zoals in een Kluphuis voor opgeschoten jeugd betaamt, posters decoreren de eigentijdse codes: een meisje in erotisch silhouet tegen de rode avondzon, reclame voor Italiaanse sportwagens in wit en groen en de iconische kop van Che Guevara, Cubaans revolutionair en arts, sigarenroker en avonturier, afgemaakt in Bolivia waar hij problemen zocht met het gezag. Bij de amateuristisch getimmerde bar scoort Herman een biertje, dat hij gratis meekrijgt.

10

De socialisten laten op zich wachten. Om 20.00 uur behoren zij er zijn, maar om half 9 is van hen nog geen spoor te bekennen. Herman betrapt zich erop, dit vervelend te vinden, waar het hem niets zou moeten uitmaken. Bij mijn vader moesten mensen niet proberen een half uur te laat komen. Zo ben ik ook, al denken mensen soms dat ik een lapzwans ben: tijd is tijd en wie te laat komt, kan beter meteen opsodemieteren.
Johan komt even gezellig babbelen. Hij heeft alweer een biertje voor Herman meegebracht. In zijn kielzog scharrelt een jongen, die zijn bewondering uitspreekt over de snelheid van Kreidler. Herman voelt zin om hem een klap te verkopen. Toch zegt de snotneus iets dat tot nadenken stemt: op het politiebureau loop je in de gaten met die brommer, kijk maar liever uit.
Herman knikt. De snelheid waarmee hij geregeld en dan nog overdag langs de politiepost rijdt, is inderdaad een uitnodiging hem staande te houden. Zijn blik blijft rusten op een zwartharig meisje, een Molukse, in oorsprong tenminste iemand uit een verloren kolonie. Het meisje kijkt terug. In een fractie van tijd worden essentiële zaken beslist.
Vanavond dus discussie. Johan plakt aan hem. Jij weet veel van politiek, lijkt me. Het zou leuk zijn om ze van katoen te geven. Wat denk jij?
Herman verstrakt. Hij denkt niets,  behalve dat hij genaaid wordt.

11

Om kwart over 9 betreden twee tanige mannen in spijkerpak eindelijk het gebouw. Geen twijfel mogelijk: de socialisten zijn gearriveerd. Er weerklinkt een kort gejuich als een van de heren verklaart dat ze wegens de ligging van het gebouwtje nogal hebben moeten zoeken. Steeds maar weer zijn ze uitgekomen bij de Kerkhoflaan. Onbedoelde humor is ook geschikt om mee te lachen.
Dit, terwijl we een hekel hebben aan autorijden. De toevoeging bevalt Herman matig. Liever dan op een brommer zou hij zich verplaatsen in een geblindeerde Mercedes. De mannen laten zich Keesjan en CeePee noemen. Het is twijfelachtig of ze in de burgerlijke stand ook zo staan vermeld.
Stoelen worden bijeen geplaatst en de platenspeler afgezet. De bezoekers installeren een draagbare projector met deksel luidspreker en ritsen een projectiescherm uit een koker. Ze zijn het kennelijk gewend in sobere omstandigheden te moeten werken.
We willen een korte film tonen over een Zuid Amerikaans land. De langste man (Keesjan) probeert de beeldmachine op te starten. Helaas moeten eerst elektrische snoeren uit de knoop gehaald worden om het stopcontact te kunnen bereiken. Herman komt erbij staan, steekt geen vinger uit, maar zegt wel: je kunt een snoer voortaan beter oprollen. Bij de balie weet hij een derde bier te bemachtigen. Deze keer moet hij twee kwartjes betalen.

12

De film begint onder luid geroep dat het stil moet worden. Dit initiatief komt niet van de partijmannen; de geluiden stijgen uit het publiek dat ongemerkt is aangegroeid tot een man of 20.
Het elektrisch licht gaat uit. Een ogenblik is het volslagen donker. Dan volgen bevende beelden in zwart wit, ze schuiven van links naar rechts. De meeste revoluties beginnen links en eindigen rechts.
Sinds de staatsgreep is Peru een dictatuur, licht CeePee toe. Zijn maat is erbij gaan zitten en rolt een sigaret. De macht is in handen van een rijke elite en voor de boerenbevolking is weinig hoop.
Herman schiet in de lach, het gebeurt gewoon.
Wil je iets zeggen?
Jawel. Dat zegt mijn vader ook altijd: dat er voor boeren weinig hoop is. Daarom werkt hij nu voor de gemeente.

Het lachen in de zaal houdt zolang aan dat de film moet worden stilgezet.
Laten we even serieus blijven en eerst de film afkijken. Daarna kunnen we verder praten.
De projector ratelt, maar beeld blijft uit. Het gewone licht, oude tl buizen uit de schooltijd, moet aan. Licht aan, licht uit. Zo stond ik vaak in de grote schuur als ik er ging voetballen. Ik probeerde te bewijzen dat elektriciteit tijd nodig heeft om van de schakelaar tot bij de lamp te komen.
Herman sluit zijn ogen. In de consternatie is het Molukse meisje ongemerkt naast hem neergestreken. Voorzichtig als een roofdier snuift hij haar geur op: muskus. Er is nog niets gebeurd, de twee kennen elkaar niet eens bij naam, maar je kunt met zekerheid voorzeggen wat er staat te gebeuren.
Wat een heerlijk geurtje heb je op! Mag ik even echt ruiken?

13

Paraderende militairen en brandende gebouwen in Lima, tanks op de pof gekocht in het buitenland. Velasco Alvarado, aan de macht gekomen via een militaire staatsgreep in 1968, jaar van wereldwijde opstanden. President van de Revolutionaire Overheid.  In het zaaltje maken vreemde namen en verre oorden geen indruk: wat malen Hollandse plattelandsjongeren om bloedvergieten ver van huis?
Aangenaam: Herman. Hoe mag ik jou noemen? Hij fluistert in haar warme oorschelp.
Maudy. Zeg maar Maud.
Zijn arm glijdt als een cobra om haar schouders. In zijn hoofd stampt een oud liedje van de Small Faces: sorry, she’s mine. Maar zover is het nog niet en het is de vraag of dit aan hem is.
Ik blijf je Maudy noemen. Zo gemakzuchtig ben ik niet dat ik een mooie naam zou afkorten.
Alweer gaat het licht aan. De mannen overleggen kort, bijna fluisterend. CeePee staat op van zijn stoel. Het maakt weinig uit of hij zit of staat.
Excuus vrienden. Dit zijn beelden uit Chili, niet uit Peru. Ik stel voor dat we gewoon verder kijken. De situatie in beide landen lijkt nogal op elkaar. Ook in Chili worden mensen die hervormingen willen, verjaagd en soms gedood.
Stilte in de zaal. Herman voelt dat iets in het verhaal wringt. Is het nu een linkse of een rechtse opstand, een staatsgreep, wat is het? Liever trekt hij Maudy voorzichtig naar zich toe: in haar opgaan, overstappen naar een nieuw leven, met haar meereizen en vergeten waar ik vandaan kom.
Toch wil hij ook iets gewoons zeggen, de indruk wekken dat de film hem interesseert.
Ik dacht dat die lui van de PSP pacifisten zijn. Deze film gaat alleen maar over geweld.

14

De voorstelling gaat verder. Veel aanwezigen vinden het wel prettig, zo in het halfdonker. Je hoort dat her en der de kat geknepen wordt. De projector zoemt in geruststellende regelmaat. Ging het met revoluties ook maar op die manier.
Een dorp in de Andes. Keesjan doceert over beginselen van arbeid en kapitaal. Hij kan het niet laten. Herman luistert zonder belangstelling, begrijpt dat Chili een tamelijk koud land is, wegens de hoogte. Maudy buigt zich naar hem toe en maakt een verlate opmerking die hem verrast.
Ze zijn niet van de PSP maar van de CPN, het zijn communisten.
Het duurt even voor Herman zijn gedachten opnieuw heeft geordend. CPN? Waarom had Johan het dan over de PSP? Er zit zoveel klankverschil tussen beide woorden dat hij het onmogelijk verkeerd kan hebben verstaan.  
Men heeft hier een commune opgezet waaraan ook vrouwen deelnemen.
De stem komt deze keer uit het plastic luidsprekerdeksel. Drie vrouwen verschijnen in beeld. Hun gezichten  staan op onweer, ze schreeuwen en gesticuleren. De luidsprekerstem vat dit gekrakeel samen: De vrouwen  beklagen zich over corruptie. Op de markt zijn zij steeds meer geld kwijt.
Het is een uitnodiging om de clown te gaan uithangen. Herman verheft zijn stem.
Op de markt is je gulden een daalder waard!
Half hoopt hij, door de gastsprekers te worden berispt of beter nog: eruit gesmeten. De warmte van het meisje maakt hem ongemakkelijk week en toegankelijk, hij voelt het tot in zijn blaas.
Maudy, ik ben zo terug. Denk ik. Wie zal het zeggen.
Herman komt overeind, werkt zich voorlangs anderen. In aanvang is hij van plan naar de wc te gaan, maar onderweg bedenkt hij dat dit er een beetje raar kan uitzien. Daarom loopt hij naar de bar en trekt twee pijpjes bier uit een krat. Wie gaat hem dit verbieden? Thuis mag hij nog geen pak melk uit de koelkast nemen zonder toestemming. Niemand reageert.
Hee kijk, je moeder zit erbij!
Kennelijk toont de film een grappig moment. Gelach neemt de overhand, maar niet zonder protest.
Let op! Daar heb je de politiek commissaris, een voorman uit de guerrilla beweging. Ik zie trouwens, dat het toch een film over Peru is.
De flesopener zit met een touwtje vast aan de bar.
Terugkeren op je stoel, een flesje overhandigen aan Maudy. Ze schuift gezellig tegen hem aan.
Wat lief! Wel een beetje brutaal..
Nog vijf minuten
, eist CeePee geërgerd over de interrupties, zolang kunnen we het toch wel volhouden! Uit de zaal komt het antwoord: Nou, dadelijk ga ik huilen.

15

Aan alles komt een einde, zelfs aan socialistische films waar de jeugd veel van kan opsteken. Het helse licht van de tl balken aan het plafond blijft na afloop achterwege. Er blijkt een heuse schemerlamp te bestaan, mogelijk door iemand van huis meegebracht. De film is afgelopen. De meeste aanwezigen hebben geen notie waar Peru ligt, of Chili, wat maakt het uit. De mannen proberen er de moed in te houden. Ze zien zichzelf als zendelingen, brengers van een boodschap waaraan het land behoefte heeft.
Maar jullie kennen zonder twijfel Che Guevara!  De poster hangt aan de wand en kan niemand zijn ontgaan. Helaas. Verder dan Cuba en Fidel Castro komt het niet. Jonge mensen weten bitter weinig van wat hen voorging, of het moet al heel erg zijn geweest. Onwetendheid is tegelijk de redding en de ondergang van de wereld. Hermans gedachten dwalen af, het lijkt erop dat zijn hersenen zich inspannen om de avond te verpesten, hem elke vreugde te willen ontzeggen nog voor deze op gang komt.
Mijn vader stopte ermee, zoals grootvader deed, de boerderij ingeruild voor een aanleunwoning , elke dinsdag met andere bejaarden op de brink stenen werpen naar de blok hout. Mijn overgrootvader ging failliet en werd op de bokkenwagen naar een bouwval in dit verdomde dorp gereden. Wat kan er van mij terechtkomen? Ik kan niet eens mislukken omdat er niets is om mee de mist in te gaan. Mij resteert niets dan een avondje zeiken over een dooie revolutionair.

16

Toch steekt hij zijn hand op en trekt de aandacht van CeePee, die het zaaltje gebaart minder kabaal te maken: Een vraag. Zeg het maar!
Herman haalt diep adem. Hij is niet gewend te spreken in een groep, de aandacht te trekken. Eerder is hij een meester in wegduiken, onzichtbaar worden.
Wat vinden jullie erger: een linkse of een rechtse dictatuur?

17

Om het vertrek van de zich tot communist ontpoppende socialisten te bevorderen en lekker met Maudy te kunnen dansen op muziek uit de pick-up, helpt Herman de mannen met de snoeren en het scherm. Keesjan is baas over het materiaal. Herman bekijkt zijn gelooide gezicht, te vroeg verouderd door bovenmatige tabaksconsumptie. Hij spreekt hem toe, zoals je een kind kennis bijbrengt.
Che Guevara? Na Cuba kwam Bolivia. Niemand daarginder wilde hem, hoogstens om hun kwalen en zweren te tonen, of hij er iets aan kon doen. Hij was immers arts. Ze hebben Che verraden en vermoord. Weet je dat zijn handen werden afgehakt om met de vingerafdrukken een premie te kunnen opstrijken? Met die handen sjouwden ze dagenlang door het oerwoud.
Veel mensen zijn blij met een kroket, een bloem, een gebaar van erkentelijkheid en vriendschap. Communisten veren op bij gebleken kennis van de Heilige Zaak.
Jij weet er dus wel van! Waarom zei je daarnet niets? Nu kunnen wij er niets meer mee.
Het klinkt verwijtend, zelfs een beetje verbolgen. Herman slaat meteen terug.
Je beweert in feite dat ik de verkeerde vragen stel. Maar ik begrijp nog steeds niet waarom jullie een linkse dictator goedpraten. En wat is er verheven aan het proletariaat? Weet je wel hoe dom de meeste mensen zijn?
Tegelijk houdt hij oog op Maudy. Ze praat met Johan en nog iemand die Herman kent van lang geleden, een sukkelaar die op school met moeite leerde lezen. Soms is het of half vergeten gezichten zich opnieuw in je hoofd moeten zetten om ze te kunnen herkennen. Net als lang niet meer gebruikte namen.
Niet alles kan in deze setting, vriend. Mensen zijn niet dom, hoogstens onontwikkeld. Waarom kom je niet een keer naar een bijeenkomst van onze partij? Daar krijg je de echt belangrijke zaken te horen.
Naar een vergadering van de CPN? Herman is de zoon van een vrije boer, gedegradeerd, maar toch. Zijn oorlog gaat niet tegen Kerk of Kapitaal, maar tegen zijn ouders, schoolmeesters, duffe dorpsgeest, tegen zichzelf.
De kleine man roept naar het uiteenvallende publiek, een verzoek om stilte.
Luister even. Wij komen helemaal uit Amsterdam en krijgen geen cent subsidie voor dit werk.
De jongelui begrijpen hem wel en scanderen voor de grap: CeePee, CPN! CeePee, CPN!
Ieder werpt een muntstuk in de pet die rondgaat. Ze zijn allemaal toegankelijk en vreedzaam, liever lui dan moe.

18

Tegen middernacht verlaat Herman met het laatste groepje het Kluphuis. De langspeelplaten zijn allemaal gedraaid, er is gedanst, de kratjes bier zijn leeggedronken en evengoed is niemand zat.
Johan heeft de kwestie over PSP en CPN uitgelegd: ik dacht dat je anders niet zou komen.
Het blijven raadselachtige woorden.
Maudy duikt op aan Hermans zijde, juist voordat hij zijn brommer wil bestijgen, de stilte verscheuren met de huilende cilinder.
Ik ben je heus niet vergeten hoor. Breng je me naar huis?
Hij is in de war, voor even toch. Dan schiet hem een vraag te binnen.
Wat zag ik daarstraks: drink je sherry? Was het witte wijn?
Ten diepste wil hij van haar af. Of met haar meegaan, samen in haar bedje kruipen en nooit meer thuiskomen. Elk compromis hiertussen is twijfelachtig en vervelend.

19

In gedachten staat hij al voor de woning van zijn ouders, het  valt te bezien of zij eraan hebben gedacht de sleutel onder de dakpan te leggen. Dan ben ik verplicht aan te bellen als een bedelaar. Een eigen sleutel is onbespreekbaar, want die zal ik maar verliezen. Je moet gewoon op tijd thuiskomen. Hij voelt dat hij transpireert.
Wijn? Dat is er niet. Het is whisky. Johan heeft een geheime fles onder de balie.
Ze heeft hem wel gehoord. De schat klimt bijna tegen hem op, heft haar gezicht en glimlacht gelukzalig. Het wordt de hoogste tijd zijn nieuwe vlam te omarmen, te kussen zoals geliefden doen, met verstrengelde tongen en hete gedachten.
Ze is een oud liefje van Johan. Terwijl ik werkte op het land van Vader, zat Johan met zijn vingers aan de meisjes. Ik ben voor alles te laat. Ik ben een indringer, een gevaarlijke parasiet.

20

De tongkus duurt ellenlang. De anderen vertrekken zonder afscheid. In de nachtelijke koude kruipt Maudy dicht tegen hem aan, achterop de brommer. Ze slaat haar stevige armen om zijn middel. De machine start feilloos. De machine is de enige met toekomst.

Monk,  maart 2020
naar aantekeningen uit 1980
Foto: Monk

Print Friendly, PDF & Email

Reacties gesloten.