11 juni 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor WINDVEREN

WINDVEREN

Een zomervertelling


Reizen is vinden wat je niet zoekt.

1

De vertrekhal van Luchthaven Schiphol raakt steeds leger. Het is duidelijk, dat de zomeravond ten einde loopt. De laatste toestellen kiezen het luchtruim. Met een nauwelijks onderdrukte geeuw zwaai ik de reisgids heen en weer. Eerder dan op dit moment heb ik er niet in gekeken.
Moet je horen. Hier staat: voor wie zoekt wat bijna nergens meer te vinden is. De onwezenlijke sfeer is met geen pen te beschrijven. Weet jij wat dit betekent?
Wanneer antwoord uitblijft en ik naast me kijk, zijn daar slechts lege stoelen. Elise zal een ommetje maken, nog eens langs de restauratie, de kiosk, een blik werpen in de vertrekhal, rechtsomkeert maken. Onze vlucht heeft vertraging en je moet maar afwachten of we nog wegkomen.
Ik leg de reisgids naast me neer en besluit hem achter te laten.
Geef gewoon informatie: oppervlakte van het land, aantal inwoners, klimaat, taal, geschiedenis, munteenheid, verkeersregels, economie, of ze daarginder de doodstraf nog toepassen.

Het is begin juli 1978 als wij wachten op onze vlucht naar Helsinki. Ik ben 26 jaar, Elise is 21. Wij zijn al jaren samen, studeren beiden, maar aan verschillende instituten. Elise volgt de Pedagogische Academie, een oude roomse opleiding in de zuidelijke Jordaan. Ik zit op een lerarenopleiding voor het middelbaar onderwijs, in de vakken geschiedenis en Nederlands. In oorsprong komen we niet uit Amsterdam, wel uit de regio. Aanpassen aan de mores en het ritme van de hoofdstad verloopt rimpelloos. Amsterdamse opvattingen en humor sijpelen al eeuwen door naar de provincie, in noordelijke richting minstens tot de fictieve grens met West Friesland. Bij studenten verder weg uit het land gaat de opname nogal eens mis: ze ontsporen in afleiding, voelen zich niet thuis, missen de worstenbroodjes van moeder in Tilburg. Meestal is het eerste jaar beslissend.

Ons leven bestaat uit studeren, vrienden over de vloer, films en cafés in het weekeinde. Met wonen hebben we na een eerste jaar van afzien geluk. Onze etage staat in het hart van Amsterdam, op steenworp afstand van het centraal station, weliswaar in onderhuur van een meubelwinkelier in zijn nadagen. Andere studenten moeten een huisjesmelker dulden of bivakkeren in kraakpanden. Er bestaat een Dienst Studentenhuisvesting, maar die is alleen voor universiteitsstudenten. Als Hogeschoolklant zoek je het zelf maar uit. Elise en ik zijn aan elkaar gehecht, maar leven in een eigen universum. Verliefdheid is iets anders dan liefde, of zeg ik dit beter andersom?

De binnenstad is er slecht aan toe, al is dit een vaststelling achteraf. Je vindt immers normaal wat je elke dag aantreft. Wie met de trein vanaf de westzijde binnenkomt, kan onmogelijk wegkijken van de brokkelige treurpanden achter de  Haarlemmer Houttuinen. Vanaf de oostzijde is afbraakbuurt Muiderpoort niet te missen. Het zijn beelden als uit de oorlog. Herstel komt uiterst traag op gang en de bouwkwaliteit is het beperkte resultaat van socialistisch geneuzel, slimme projectontwikkelaars en luie bouwvakkers. In de stad zijn meer dan 50.000 woningzoekenden en de jeugd is het meer dan zat.

Onder de burgerij begint een ongeziene uittocht. Duizenden verruilen de stad voor de aanliggende provincie. In zogenaamde groeikernen worden hele woonwijken uit de grond gestampt. Moderne douches en een eigen achtertuin lokken de al te lang in krotten opgesloten gezinnen. Er bestaat subsidie om van een huurwoning naar een koophuis te gaan: Premie A, B en C. Ten behoeve van de Amsterdamse uitstroom bonken de heimachines in Purmerend, Hoorn en Heerhugowaard. In de hoofdstad worden niet alleen slechte woningen gekraakt, maar ook lege kantoorpanden en een enkele opgedoekte fabriek. Een studiegenoot bewoont een fonkelnieuwe etage naast de Nicolaaskerk, met uitzicht op het Centraal  Station. Het complex behoort aan een speculant, de gezworen vijand van de kraakbeweging. De student heeft wit vinyl  in de woonkamer laten leggen. Hierop staat een piano die via een raam aan de straatzijde naar binnen is getakeld. Ik verdenk hem ervan het pand stiekem in eigendom te hebben en houd het bij een eenmalig bezoek.

In deze biotoop loop en fiets ik elke dag naar het instituut, de bibliotheek, de supermarkt en soms moeilijk vindbare adressen van vrienden. Trams ratelen en kreunen door bredere straten. De voertuigen maken zo’n afgetrapte indruk dat ik maandenlang heb gedacht dat ze gratis vervoer bieden. Trams rijden op ongeregelde tijden, hierin geholpen door opgebroken straten. Altijd wordt wel ergens de riolering vernieuwd, is er kabelbreuk of wil een ophaalbrug niet sluiten. Fietsers zwalken zonder licht of zelfs spatborden door elkaar. Elke dag worden er tientallen gestolen. Bij tramhaltes ligt uitgeslagen glas, uit verveling of frustratie kapot geslagen. Voetgangers zijn zo gewend aan hondenstront, dat ze blindelings tussen de hopen door laveren. Er is een machine ontwikkeld om de drollen op te zuigen, maar het opruimen bevordert de laksheid. De gemeente wordt geminacht, zelfs door ambtenaren die er werken. De burgemeester van de stad is een klein mannetje met een onprettig gezicht. Iedereen kent zijn naam, al is het van de op muren gekalkte kreet Volkspolakkerij. Zijn hoofdtaak, het leiden van de gemeenteraad, is allerminst eenvoudig. Er zijn raadsleden die in haveloze vrijetijdskleding verschijnen en anderen hebben gezopen. Interrupties doorklieven elk initiatief tot besturen. Dit is een stad vol dynamiek. Hier leeft het denkende deel van de natie.

2

We gaan deze zomer de deur uit, maar wat doen we precies? Reizen is een gedevalueerd begrip. Tegenwoordig komt het neer op meegaan met de stroom in de illusie van eigenheid. Niets is wat het lijkt, maar dit maakt de kwestie niet noodzakelijk interessanter. Modern reizen weerspiegelt minder wie je bent dan wie je wilt zijn in de ogen van anderen. Daarom doet of wil bijna iedereen hetzelfde. De massa reist niet, maar gaat met vakantie. Dit woord verwijst naar een periodieke onderbreking van het reguliere leven: werken of opleiding. De commercie houdt van deze groep, omdat aan massale behoeften op geconcentreerde plekken het meeste te verdienen valt. De vakantieganger zoekt vermaak, de reiziger zoekt niets maar vindt van alles.
Op een dag in april 1966 stopt een auto bij het tulpenland van mijn vader. Het is een Amerikaans gezin, waarschijnlijk van een in Duitsland gelegerde militair. De kinderen zijn opgewonden door de kleurenpracht van het bollenveld en willen er rondrennen, tot afschuw van mijn vader. Ik word erbij gehaald, want jij spreekt Engels. De vrouw wil foto’s maken en informeert of ze een bos tulpen mee kunnen krijgen. Vader gebiedt mij te vragen, of ze gek geworden zijn. Aan de middagtafel komt het voorval nog eens langs. Vader zegt: wat denken die toeristen wel?

Na drie jaar studie ben ik gevestigd en bijna zonder dagelijkse vrees te mislukken. Ik zeg bijna, omdat het alternatief me scherp voor ogen staat: uren wachten bij het Arbeidsbureau en een spoorloos dossier bij de Sociale Dienst, lege sollicitatiegesprekken, een baantje zonder toekomst. Ik heb allang ondervonden dat de scheidslijn tussen succes en mislukking flinterdun is. Elise staat veel steviger in het leven. Zij komt rechtstreeks van de middelbare school en uit een gezin zonder noemenswaardige ruzies. Ik baad me graag in haar kalme overtuiging dat alles goed komt. Dit is namelijk nieuw voor me.

Ik wil een scriptie schrijven over de reconquista, een maar liefst 8 eeuwen aanslepend conflict tussen de Christelijke en Islamitische wereld op het Middeleeuwse Iberisch schiereiland. reconquista betekent herovering. Uit dit woord alleen al spreekt de geschiedvervalsing, milder gezegd: de bestaande machtsverhouding. Voor de inval van de Moren in het jaar 711 bestaat Spanje zoals wij het kennen, niet. Het is een door Visigothen onder de voet gelopen wingewest van het Romeinse Rijk. Zij krijgen onderling ruzie en een van hen nodigt de Noord Afrikaanse Arabieren uit om te helpen: nou, vooruit dan maar. Binnen de kortste keren wordt het grootste deel van het gebied Islamitisch en schatplichtig. Vanuit de Pyreneeën en Baskenland begint de uiterst trage omkering die pas in 1492 voltooid wordt. In plaats van te spreken over herovering, kun je beter zeggen: Christelijke Kruistochten op het Iberisch schiereiland.  In hedendaagse orthodox islamitische kringen wordt Spanje nog altijd gerekend tot rechtmatig Islamitisch grondgebied. In 1978 is Spanje een christelijke dictatuur onder een generaal die geen flauwekul verstaat. De Arabieren zijn druk met Israël en nog drukker met elkaar de hersens in te slaan. Een Arabische reconquista is de natte droom van ayatollahs in Saoedi Arabië en niet meer dan dat.

Vanuit ons door eigen inspanning bevorderde evenwicht willen Elise en ik een keer met vakantie, liever nog op reis. De tussenvorm heet rondtrekken. De vriendenkring lost toch op in de zomer: provincialen gaan terug naar hun geboortegrond, stedelingen zoeken vertier in warme landen. Alles bijeen kijk ik niet bijzonder uit naar een onderbreking van het gewone leven. Amsterdam is belangwekkend genoeg en ik ben monomaan in mijn zelfbedachte studieplichten. Elise gebruikt deze term gekscherend, omdat ik mij slecht kan ontspannen en eigenlijk alles beschouw als een opdracht, te volbrengen met strijd.

3

Het wachten op een luchthaven wordt minder bezwaarlijk met uitzicht op het platform. Vanavond staan hier een stuk of vijf vliegtuigen geparkeerd, ontlast en gevoed via een uitschuifbaar gangpad met ronde raampjes. Je moet maar op het idee komen. Onder de vleugels scharrelen voertuigen die je nergens anders ziet: bagagewagens in een soort treintje, een gele tankwagen en een stellage voor het reinigen van cockpitruiten. Even verderop staat onopvallend een militaire truck, een soort van pantserwagen. De laatste jaren zijn in Europa en omstreken meerdere aanslagen en kapingen gepleegd, een specialiteit van Arabieren, van hun erf verjaagd door de Staat Israël. Met collega studenten hierover van gedachten wisselen, verloopt moeizaam. Onze kennis rammelt en het geromantiseerde beeld van de kibboets blijft onverminderd groot. Bouwen aan een nieuw land, onder socialistische condities. Van huis uit weet ik alles van verplicht werken: geef mijn portie maar aan Hondje Fikkie.

Amsterdam is een politiek beladen stad. Na de ludieke jaren zestig met Provo en Kabouter, zijn er nog altijd idealisten. Met name de vrouwenbeweging laat van zich horen. Een verkrachtingszaak bij de rechtbank kan rekenen op protestborden CASTRATION IS THE SOLUTION. In Amsterdam is de muurtekst LIEVER LESBIES door een grappenmaker subtiel veranderd in LIEVER LESBIER. Amsterdamse humor maakt zelfs ideologie draaglijk.
Sinds botsingen met het gezag in het Vondelpark is de kraakbeweging verhard. Bij confrontaties gaat het er hard aan toe met bulldozers, geharnaste agenten en stenen gooiende activisten. Ik ken een paar studiegenoten die in een kraakpand wonen en kom er soms op bezoek. Het is lastig onderscheid te maken tussen noodzaak en mode. Mij heeft het wereldje nooit getrokken. Dit vanwege het collectieve, maar ook door het onvoorspelbare. Van vergaderen en streven naar een gezamenlijk standpunt word ik doodmoe. Consensus komt neer op aanpassen aan de meest wilskrachtige zonder dat je iets in de gaten hebt. Ik wil studeren en niet telkens gestoord worden. Ook heb ik iets tegen de chaos van het kraken: kapotte ruiten, lekke verwarmingsbuizen, doorgebrande lampen, verroeste leidingen, wankele deuren, schimmel in kasten en een rat onder de trap. Kleding zit steevast onder de kattenharen, goedkope balpennen weigeren dienst en fietsbanden worden lek weggezet. Maar mijn sympathie hebben de krakers wel, al is het maar wegens de muziek: frisse punk en aanverwante pokkenherrie, zoals de band The Ex zijn eigen sound noemt.  

Mijn studie is geen gelegenheidskeuze, maar een missie. Ik heb er lang over gedaan een verprutste middelbare school te repareren. Ik heb geen beurs, maar een renteloze lening. Ik maak elke dag schulden. Niets of niemand zal mij voortaan ophouden. Op een doordeweekse dinsdag verspert het studentengilde het trappenhuis van het Instituut. Er hangen protestbanieren: de minister van onderwijs moet zijn plannen bijstellen, zeg maar gerust omgooien. Beperking van het aantal toelatingen in studierichtingen zonder arbeidsperspectief is in de ogen van activisten zonder meer een misdaad tegen de menselijkheid. Ik heb nood aan boeken en word bij de trapopgang gedwongen tot een keuze: toegang tot de bibliotheek in ruil voor schriftelijke solidariteit of opkrassen. Dus vul ik mijn gegevens braaf in, haal een ruime voorraad boeken en streep bij vertrek mijn verklaring door. Je moet bij mij niet met chantage aankomen.

4

Elise keert terug van haar ronde. Ze heeft koffie meegebracht en een Volkskrant voor onderweg. Ze strijkt naast mij neer en vertelt, een zekere Jeroen te hebben ontmoet die op weg is naar Noord Spanje om de laatste 100 kilometer naar Santiago de Compostella te lopen. In ken geen Jeroen, maar ervaar wel lichte wrevel. Onderweg naar Spanje en pas daarginder beginnen met lopen? En dit moet dan doorgaan voor een prestatie? Wat denkt die gast: dat hij bij de kathedraal van Santiago wordt onthaald met bloemen? Door wie? Wat is dit voor zelfoverschatting?
Tien jaar later zal ik persoonlijk vaststellen dat er alleen haveloze bedelaars bij de kathedraal rondhangen. Zij worden gedwongen door een bende die zich toelegt op het leeghalen van toeristen.
De opmerkingen van Elise verontrusten bovendien: heeft zij spijt met mij naar Finland te gaan en waarom dan precies? Ik overweeg de riskante discussie hierover aan te gaan, als mijn lief een plattegrond van Helsinki openvouwt. Deze heeft ze opgehaald aan de balie van Finnair. Ik zal wel weer spoken zien.

Van het platform vertrekt een vliegtuig: een brede tractor duwt het toestel naar achteren, waarna de straalmotoren op gang worden gebracht. Ondanks het massieve glas dat ons scheidt, weerklinkt een daverend lawaai. De activiteit hernieuwt onze hoop op redding. Medereizigers drentelen heen en weer, hijsen hun rugzak om en zetten deze weer neer. Door goed op te letten, leer ik wie met ons zal reizen. We vormen gelukkig een ander slag dan feestgangers voor de Algarve.

Via een uitzendbureau werken Elise en ik enkele weken. Elise in een Buurtcentrum, geen idee wat ze er uitvoert. Ik ben aangesteld als corrector bij De Telegraaf. Met een rode balpen streep ik spelfouten en kromme zinnen aan en vervang deze door betere. De chef biedt mij een vast contract, maar dit sla ik af: ik studeer. Daarbij ben ik me bewust van het feit dat De Telegraaf in mijn kring wordt beschouwd als een uiterst verwerpelijke krant. Wie er desondanks een koopt, bewaart deze onder zijn matras om ontdekking te voorkomen. Deze mening deel ik halfhartig. Ik wil elke krant lezen en begrijp dan weer niet waarom er nauwelijks kritiek is op Randstad. Het opgeklopt joviale sfeertje in de filialen van dit Uitbuitbureau is even weerzinwekkend als de taalkundige spitsvondigheid van de Kattenbakkrant: vogelspotter Guido ziet ze vliegen. Op vrijdagmiddag biedt Randstad steevast een borrel aan zijn galeislaven. Uiteraard is het de bedoeling om ervaringen uit te wisselen en je te hechten aan Randstad: vrolijkheid! lachen! spontaniteit! Helaas bestaan er geen gratis drank en borrelnootjes, al helemaal bij de Familie Randstad.   

5

Het idee om naar Finland te gaan, komt zonder twijfel van mij. Normale studenten maken een stedentrip: Parijs, Praag of Rome. Voor een schappelijk bedrag koop je een pasje van Interrail. Hiermee kan je half Europa doorkruisen. Zeker als student geschiedenis kon ik bijna geen absurder keuze maken. Mijn leerboeken staan vol verwijzingen naar centra van beschaving, niet naar rafelranden. Zo heeft de reisfolder toch onbedoeld toch een vraag achtergelaten: waarom naar Finland?
Ten diepste is er weinig meer dan een onberedeneerd verlangen: als jongen van een jaar of 10 zit ik aan de ouderlijke huiskamertafel, gebogen over onze King Atlas. Ik bestudeer de vorm en omvang van Europese landen. Ik oefen mijn topografische kennis, zonder dat er op school naar wordt gevraagd.  Europa wordt in twee stukken gesneden door het IJzeren Gordijn. Achter deze grens is alles bezet door de Russen. Hierover leren we niets, maar Finland is een grijze zone.
Verder heb ik foto’s gezien van de Fins – Russische oorlog in 1940-1941: geheel in witte kleding gehulde Finse soldaten op ski’s zaaien dood en verderf onder de indringers. Na gedane arbeid vluchten ze het naaldwoud in. De taaie weerstand van een gering land tegen een overmacht boeit me. Dat Nederland in mei 1940 heel snel capituleerde voor de Duitsers en het Koningshuis ijlings de wijk nam naar Londen, vervult mij met vervangende schaamte. Mijn vader vindt Wilhelmina geweldig. De propaganda heeft goed gewerkt. Ik vind de voormalige vorstin een gevaarlijk sujet, erop uit om de parlementaire democratie om zeep te helpen. Juliana is een favoriet van mijn moeder, ongetwijfeld wegens haar vorstelijke hang naar het mystieke dat naar godsdienst ruikt. Wel zijn we het in huis eens over Bernhard: een uilskuiken. Een op school uitgedeelde beker met opdruk van Juliana en Bernhard, vindt zelfs bij moeder weinig enthousiasme, zij het om een andere reden dan je zou denken: de beker valt uit de toon bij de andere.

Waar mijn medestudenten naarstig op zoek zijn naar contacten en hoge verwachtingen hebben over drank en seks, ben ik gewend aan een sober en solitair bestaan. Minder dan tien jaar geleden leefde ik nog te midden van weilanden en bouwakkers, wind en water, hoge luchten en nergens buren. Het gedrag van katten en koeien kan ik beter duiden dan dat van mensen.   
Voor geen geld ga ik naar een druivenplantage in Frankrijk. Ik kan nauwkeurig voorspellen wat ons daar te wachten staat: hitte, dorst, een pijnlijke rug en ruwe handen. In de nacht word je belaagd door steekmuggen of lig je in andermans gesnurk. Bovendien zal mijn arbeidsdiscipline verkeerd vallen bij de internationale plukbrigade. Voor de meesten is het werk bijzaak, waar ik getraind ben zoveel mogelijk in zo kort mogelijke tijd te verzetten. Het versiergedrag van gitaar spelende globetrotters boeit mij voor geen meter. De kraakbeweging in Amsterdam is interessanter.
Ik voel angst om Elise kwijt te raken aan een of andere kwezel, iemand die ons leven in de war zal schoppen.
Mijn vrees is niet uit de lucht gegrepen, al moet ik nog een jaar wachten op bevestiging. Dan gaat een vriendin van Elise met haar vriend naar Israël. In de kibboets ontmoet zij een Israëlische soldaat. Ze laat haar Hollandse sukkelaar achter en maakt met de militair een rondreis door het land: Seks in de Sinaï. Einde relatie, thuis in Amsterdam de spullen verdelen, andere kamer zoeken. De soldaat moet nog maanden dienen, dus die zie je nooit meer terug. Er zijn veel manieren om van je partner af te komen.

6

Na de bagagecontrole en de bodycheck (een intimiderende ervaring) betreden we het vliegtuig van een Franse chartermaatschappij. Het is een oude en reeds tamelijk zeldzame Caravelle. Binnen is het onverwacht krap en het ruikt naar zweet. De meeste passagiers zijn al in Parijs aan boord gegaan en tijdens de tussenstop blijven zitten. Het zijn allemaal studenten en rugzaktoeristen in onze leeftijdscategorie.
Elise mag aan het raam zitten, hoewel ik daar met mijn achtergrond meer recht op claim. Zij omklemt mijn hand. Nooit eerder hebben we gevlogen en ook ik voel enige opwinding. Op de startbaan maakt het vliegtuig snelheid: eerst vergelijkbaar met een auto, daarna door alle remmen en zekeringen heen brekend, zich onbeheerst in het luchtruim stortend. Half over Elise’s blonde haren gebogen, tuur ik door de patrijspoort van thermosflessenglas naar het wegschietende landschap, de herkenbare vorm van Noord Holland, de rand van Nederland, almaar hoger klimmend tot we tussen stapelwolken vliegen. Links van het vliegtuig laait de horizon rood op, alsof de zon in het westen zal opkomen. Langzaam ontspant de hand van Elise.
Ik zou haar even kunnen strelen, maar mijn hand is onmachtig.
Op een of andere manier lijkt Elise evenmin gediend van verdere aanraking. Geregeld hangt er een onzichtbare fysieke afweer om ons heen, van verschillende oorsprong en aard, met vergelijkbaar effect.

Korte heftige stoten volgen op het moment dat het vliegtuig een wolkenpartij binnenvalt: turbulentie. De vleugel die we kunnen zien, klappert onrustbarend op en neer. Voor gelovigen is het een moment om te bidden. Ik zak terug in mijn stoel en tast behoedzaam in mijn kledingzakken: geld, paspoort en vouchers, een klein fototoestel, in willekeurige volgorde van onmacht. Storten we neer, dan kan ik probleemloos geïdentificeerd worden. Mijn ouders verwittigen zal nog een hele klus worden: net als wij zijn ze met vakantie en praktisch onbereikbaar. Ik kan hun gedachten op afstand horen: het is altijd wat met die knul, moet dat nu precies tijdens onze vakantie?

Hoe en wanneer begint een relatie? Ondanks het leeftijdsverschil zijn we op hetzelfde moment toe aan een vervolgstudie. Elise komt vers van de middelbare school. Ik heb met jaren achterstand alsnog staatsexamen gedaan. Feitelijk had ik op kantoor moeten zitten tussen mulo klanten wier voornaamste ambitie het is een meisje zwanger te maken. Ik wil hoe dan ook weg uit de provincie en niet alleen omdat het Instituut in Amsterdam staat. Elise gaat mee om samen te zijn, mij niet kwijt te raken. Zonder mij was ze nog een poos thuis blijven wonen. Voor een Pedagogische Academie behoef je niet perse naar de hoofdstad te verkassen. Moest een harde keuze worden gemaakt tussen relatie en opleiding, dan koos ik voor de laatste. Niet omdat ik halfslachtig om Elise geef, maar omdat ik in de provincie volstrekt geen been meer zie: alleen een radicaal besluit volstaat. Na drie jaren samenwonen, is deze prioriteit minder stellig geworden. Ik kan slechts hopen, niet voor het blok te worden gezet.

Blijft de vraag in hoeverre argumenten met de werkelijkheid stroken. De waarheid kent veel gezichten. Ik wil Elise beschermen tegen onnozelaars van het moment, gasten die haar uit evenwicht zullen brengen en dan weer verdwijnen. Elise kan argeloos zijn, zich niet bewust hoe haar signalen door roofdieren worden opgevat. De stad is er vol van en de jacht is dag en nacht geopend. Ik ben nobel noch zonder eigenbelang. Maar wat dan nog?
Misschien kan ik de kwestie van de ultieme keuze tussen Elise en de studie beter andersom stellen. Tot voor kort voelde ik niet zoiets als een toekomst te hebben. Ik verweerde mij slechts en probeerde overeind te blijven. Wat resteert mij wanneer ik de boeken in een hoek smijt?

7

Zodra we op koers liggen, komen hostesses in rode mantelpakjes opdraven met koffie, thee en vacuüm verpakte boterhammen. De dames zijn ineens overal en stralen een en al professionele vriendelijkheid uit. Even plotseling zijn ze weer verdwenen.
Het feit dat we in een Caravelle zitten, fascineert me. De naam is ontleend aan de vrouw van De Gaulle. Het model vliegt al sinds 1959 en was ooit hypermodern met de motoren achteraan tegen de romp en zijn vermogen snel hoogte te winnen. Ik overweeg er iets tegen Elise over te zeggen. Mijn gedachten doen het werk, maar mijn mond blijft gesloten.
Toen ik 14 was, kocht ik van mijn verdiensten op het land een verrekijker. Wij woonden onder een aanvliegroute naar Schiphol. Ik keek graag naar vliegtuigen. Veel andere afleiding was er niet. Geregeld zag ik Caravelles, van de SAS en Finnair. In 1978 is het een vrijwel afgedankt vliegtuig.
De tijd heeft mij ingehaald. Ik kom voor alles te laat.
Ik merk dat ik begin te zweten. Wie zal dit allemaal interesseren? Hoe kan ik iets uitleggen over een voorbij leven dat zo´n intense invloed op mij heeft gehad? Ik zie mezelf liggen tegen de dijkglooiing terzijde van ons huis. Ik speur de lucht af naar vliegtuigen. In een wolk herken ik het gezicht van een vroegere Sovjetleider. Hij bracht de wereld met raketleveranties aan het Cuba van Fidel Castro naar de rand van een kernoorlog.
Had jij vroeger niet iets met vliegtuigen?
Elise lijkt iets van mijn benauwdheid op te vangen. Ik voel me betrapt en onmiddellijk treedt een oud mechanisme in werking: ontwijken, onzin verkopen, liegen.
Ik vraag me af of een volle batterij meer weegt dan een lege.
Einde mededeling. Allang heb ik geleerd om gevoelens op te bergen. Sterker: geregeld sta ik ze mezelf niet eens toe. Ik drink van de koffie, voorzichtig omdat de inhoud van gesloten bekers lang heet blijft. De boterhammen laat ik liggen.

7

Mijn reishonger zal met de jaren een graadmeter voor ontevredenheid worden. Ik wil minder specifiek ergens naartoe dan gewoon weg van mijn werk. De aandrang beweegt mee met het besef in een verkeerd leven te zijn beland. Na mijn studie is er nauwelijks werk te vinden. De kaartenbakken van het Arbeidsbureau zitten vol afgestudeerde leraren. Een vak als geschiedenis moet in toenemende mate wijken voor nuttiger vakken als boekhouden en economie. De tijd van onderzoeken en reflecteren moet maar eens voorbij zijn. Den Haag streeft naar een volk dat geld verdient. Misschien is dit altijd zo geweest, uitgezonderd in de korte episode van homo ludens, precies de periode van mijn bewustwording.

Eerlijk is eerlijk: ik heb de nodige noten op mijn arbeidszang. Langzaamaan ben ik gaan begrijpen dat vooral geschiedenisonderwijs zich leent voor de overdracht van waarden en normen. Tijdens sollicitatiegesprekken ervaar ik op voorhand de druk. Schoolleiders willen weten wat voor vlees ze in de kuip hebben. Ik ben allerminst van plan les te geven aan een christelijke school. De dag verplicht beginnen met een gebed is voor mij onbestaanbaar. Ik spreek dit niet uit openlijk naar mijn ondervragers, maar zend de stelregel in lichaamstaal uit: geloven doe je maar in de kerk. En dan is er nog de lachwekkende situatie, dat ik in de provincie voor veel te links wordt aangezien. Ik, die in het Amsterdamse hartgrondig kan kafferen op de Partij van de Arbeid, Moskou aan de Amstel.
Onderhuids voel ik een brede weerzin tegen de maatschappelijke tredmolen. Voor mijn studie werk ik op kantoor van een levensmiddelenfabriek. Mijn taken verricht ik in de helft van de beschikbare tijd. Daarna ga ik lopen klieren en de draak steken met de chef: dames en heren, vanmiddag gaan we theelichten proeven. Ik heb de lachers op mijn hand, maar de chef loert op kansen die altijd langs komen.

Niet de bestemming maar de reis zal de kern van mijn opleidingsmissie blijken. Tegen het einde van mijn studie stort de arbeidsmarkt in. Afgestudeerde sociologen nemen werk aan als controleur op de tram. Een baan in het onderwijs is me niet gegeven en dus beland ik andermaal op kantoor. Dat ik voortaan reikhalzend uitkijk naar mijn vrije weken en Europa wil doorkruisen met de oude Alfa die ik heb gekocht, benadrukt een diepe overtuiging: werken is een straf. Verlichting blijft uit. Na een jaar of tien zal ik mijn baan dagbesteding noemen en nog weer later dagdetentie.
Elise verlaat mij omdat er geen land met mij is te bezeilen: alle energie gaat naar de uren van dwang en verveling.

Niet toevallig ga ik steevast midden in de zomer op reis, waar ik ook een ander seizoen kan kiezen. De zomer blijft kantelpunt in het kalenderjaar. Ga je in mei van huis, dan kijk je bij thuiskomst aan tegen een gat tot aan de kerstboom en dan moeten de ergste maanden nog komen. Wil je later in het seizoen vertrekken, dan is Europa helemaal klaar met vakantiegangers en maakt de chef bezwaar tegen je afwezigheid. Hij is immers zelf weer terug op de eieren. Teken aan de wand is, dat ik in vakantietijd steevast ziek word. Binnen een week na vertrek ga ik onderuit, om pas na een paar dagen te herstellen.

In 1978 ben ik nog onkundig van deze wrange vooruitzichten. Ik houd van studeren, de discussies op het Instituut en met vrienden in de huiskamer, van de grotendeels eigen tijdsindeling. Soms studeer ik een week dag en nacht, om vervolgens uitgeput dagenlang niets uit te voeren. De voortekenen van toekomstige problemen dienen zich aan. Intussen loopt mijn studieschuld flink op. Verwijzingen naar eigen keuzen in het leven brengen me nogal eens aan het lachen. Argumenten in deze richting dienen om de liberale ideologie te staven: succes heb je in eigen hand. Ik ben evenwel geen rationeel wezen. Ik ben niet veel meer dan een aap die geleerd heeft klok te kijken.

Opklimmen uit je afkomst is een weg met hindernissen. Je moet nieuwe referenties zoeken om je aan vast te houden, je te spiegelen. Maradonna was een geweldige voetballer die met de tijd baadde in luxe en bewondering, in zijn gedrag bleef hij een armoedzaaier, een bijdehante junk die gemakkelijk had kunnen eindigen als kadaver op een vuilnisbelt.
Zelf ben ik als de bananenplukker uit het oerwoud die op een dag wordt hij meegenomen naar een grote stad. De man heeft nog nooit een stad bezocht. Wat op hem de meeste indruk maakt, zijn niet de hemelhoge flats, de luxe winkels of het zwembad met springplank. Laat staan, dat hij zich geneert voor zijn afkomst of onervarenheid. Zijn oog blijft haken aan een man die per fiets een enorme berg bananen vervoert. Als docent op het vwo had ik het nooit gered. Niet om redenen van kennis of vakkundigheid, maar omdat sociale afkomst zich zelden verloochent en elke samenleving in de kern intolerant is.

Wat ik het liefste doe, is op mijn rug liggen in een berg vers gemaaid gras, mijn blik gericht naar de hemel,  het oneindige in afstand en tijd.
Slechts wanneer men alleen is, is men vrij. Arthur Schopenhauer.

8

De stadslichten van Kopenhagen trekken een patroon van trapeziums en lichtspaken. Het doet denken aan de stelling van Pythagoras en de berekening van het getal Pi. Het vliegtuig hangt er schuin boven, toevallig voor ons op de gunstige manier. Sigaretten worden gedoofd en veiligheidsriemen moeten vast. Ik steek een stukje kauwgom tussen mijn tanden tegen de druk in mijn oren. Na een ingewikkeld patroon van bochten rolt het toestel over de landingsbaan.

Het betreft een overstap. Achter ons wordt het vliegtuig leeggemaakt. De bagage wordt verdeeld naar de volgende bestemmingen: Stockholm, Reykjavik en Helsinki. De speaker herhaalt de mededeling in meerdere talen.
Erg verguld met het oponthoud is niemand. Zelfs hoog in de lucht is het inmiddels helemaal donker. De vraag dringt zich op, hoe laat we uiteindelijk in Helsinki zullen aankomen. Waar kunnen we nog overnachten en wat kost een hotel eigenlijk? Staan we straks ergens met dertig man voor de vaste deur?

Een kille nachtwind strijkt over het platform van betonplaten. Voor een hangar staat een ouderwets transportvliegtuig stationair te draaien. De propellers malen stevig rond, waarmee de indruk ontstaat van een gevaarlijk insect. Verbrande kerosine waaiert over ons uit. We klonteren samen voor een gebouw van hout. Helsinki is verder weg dan je denkt.
Eenmaal in de molen, heeft nadenken geen zin meer. Een vrouw met grof postuur plaatst stempels in de paspoorten zonder iemand aan te kijken.: one stamp fits all. Wanneer ze klaar is, zijn er twee groepen ontstaan. De meeste klanten gaan naar Stockholm, de rest naar Helsinki. Voor Reykjavik meldt zich geen enkele passagier.
Has the lugage been transferred?
De vraag wordt gesteld door een meisje in een T-shirt waarop Me Happy  staat. Ze ziet er een beetje ontredderd uit, alsof ze recent haar baan en alle vertrouwen heeft verloren.
De vrouw aan de balie knikt onverschillig. Ze toont de oogopslag van een vermoeide hond. Vervolgens trekt ze het rolluik voor haar cabine met een ratelend geluid dicht. We zijn alleen en op onszelf aangewezen, wij wereldburgers. Voor wie trek heeft, lokt er een verlichte automaat met chocoladerepen en blikjes frisdrank.

9

We wachten in een betegelde hal, meer een soort bushalte. Er hangt een zware geur van kerosine en sigarettenrook. De passagiers vormen allemaal stellen of kleine vriendclubs die bijeen hokken als atomen in een onbekend molecuul. Niemand reist alleen.

Na een klein half uur komt een vliegtuig in beeld. Het draait als een taxi met de neus naar de vertrekhal. Op het staartvlak staat een blauw kruis, het logo van Finnair.
Instinctief weet ieder wat de bedoeling is. De reizigers staan op en mengen dooreen in de ruimte. Het is een spel waarbij iemand de onzichtbare leiding zal nemen en als eerste de buitendeur openen. Die eerste is Elise.

We haasten ons over het betonnen platform. Het transportvliegtuig is weggehaald, de gebouwen zijn onverlicht en baden in diepe rust. Het toestel van Finnair is een DC-9 zoals KLM ze bezit. Zowel aan de buitenkant als van binnen oogt het fris en modern. Hier geen wrak dat met de Franse slag in de lucht wordt gehouden, maar een toonbeeld  van Amerikaanse veiligheid en comfort. Deze keer mag ik aan de raamzijde zitten, al is er slechts uitzicht op de nacht. Niemand controleert vouchers of tassen. Het vliegtuig is nauwelijks half vol.

Wil je iets eten?
Elise heeft de boterhammen uit de Caravelle bij zich, ook die van mij.  Ik peuter aan het plastic tot Elise mij het pakje afneemt en met een enkele handbeweging opentrekt. Het brood komt mij voor als tenminste een maand oud. Er zit iets op dat aan kaas doet denken. Ik heb geen trek, maar besef dat de reis nog lang kan duren.
Binnen een paar minuten begint het rijden en zwenken naar de startbaan, gevolgd door stilstand en het brullen van de motoren.
Pratt & Whitney, Connecticut USA, het Amerikaanse Rolls Royce.  
De DC9 maakt nog deel uit van mijn kennis, opgedaan door vanaf het ouderlijk erf te kijken naar overkomende vliegtuigen en mijn waarnemingen te controleren in een boekje. Over tien of vijftien jaar kan ik alleen nog benoemen wat in een museum staat.
Bijna alles wat vliegt, wordt gemaakt in de Verenigde Staten. Toch is het meest spectaculaire vliegtuig ooit van Europese makelij: de Concorde.
De sensatie van ongeremde snelheid herhaalt zich. Naar het noorden toe kleurt de horizon een streep roze, maar het vliegtuig draait weg en zet koers naar het oosten, de nacht tegemoet.

10

Zou jij een vrouw willen zijn?
Elise kan plompverloren vragen stellen. Jammer is, dat zij niet altijd weet waar en wanneer ze effectief op tafel te gooien. We hebben bezoek van een handvol studievrienden in onze Amsterdamse woning. Misschien ontleent ze de vraag aan de plaat van David Bowie op de draaitafel. Het nummer heet Boys keep swinging.
Een vrouw? Ik? Heb je mijn benen al eens goed bekeken?
Ik ben vast geen erg mooie man, maar iets vrouwelijks is aan mij lastig te ontdekken.
Het gaat om de idee.
Dat snap ik natuurlijk ook wel, maar in gezelschap geef je andere antwoorden dan ingeval je alleen bent met je lief. Met gezelschap komt de hypocrisie. De vrienden kijken toe, een beetje lacherig, geholpen door de pilsjes die op tafel staan.
Ik moet er niet aan denken.
Waarom dan niet? Ik zou wel een man willen zijn. Voor een tijdje tenminste.
Elise kan vasthoudend zijn. Ik probeer te doorgronden waar ze op aanstuurt. Ergert zij zich aan ons gesprek dat misschien masculiene trekjes heeft? Onder linkse studenten bestaat evengoed competitie en haantjesgedrag. Het valt niet mee om alsmaar progressief te zijn.
Ik kan me er niets bij voorstellen.
Zou je toch eens moeten doen. Dan zal je zien dat meningen samenhangen met de vraag of je man of vrouw bent.
Meningen wel, maar feiten zijn feiten. Waarom zou ik een vrouw willen zijn?
Dat vraag ik jou.
Aan de eettafel hebben we het onder ons over allerlei onderwerpen. Het kan me weinig schelen om het even over wat mijn mening te geven, maar in de benadering van Elise schuilt iets van agressie, van verongelijkt zijn. De vrienden zwijgen wijselijk.
Waarom wil jij dan soms een man zijn? Wat lijkt je er zo aantrekkelijk aan?
Ik heb een hekel aan man – vrouw twistgesprekken. Op het instituut was onlangs een fel debat over taalgebruik. Een studente uit de groep eiste min of meer dat we voortaan elke zin zouden ombouwen met hij/zij en zijn/haar, om gek van te worden. Een vrouw directeur noemen, was ronduit schandalig. Waarop ik zei: nou, dan nemen we wel een man in haar plaats.
Ik voel mijn ergernis toenemen en besluit wat nauwkeuriger te reageren.
Militaire dienstplicht, kostwinnerschap, prestatiedruk, zit je daar op te wachten? En als je ooit voor een rechtbank mocht belanden, wees dan maar blij een vrouw te zijn. Jullie komen altijd weg met een lagere straf.
Een beetje opgefokt raak ik wel. Ik heb hemel en aarde moeten bewegen om onder militaire dienst uit te komen. Had ik me geschikt, dan hadden Elise en ik onmogelijk hier samen gezeten. Zou Elise dat verzet ook hebben opgebracht? En dan het gezever over bewust ongehuwd moederschap. Gaat Elise straks naar een kliniek? Alleen al van het woord spermadonor word ik niet goed. Welke idioot trekt zich af om zijn kwak in een potje te vegen voor een kliniek? Valt er soms geld mee te verdienen? En waarom zou iemand recht hebben op een kind, dan nog zonder bijbehorende partner?
Elise knikt naar de draaitafel. Het nummer is bijna afgelopen.
Het zijn boys die swingen, hun zin doordrijven. Dat lijkt mij ook wel wat.
De vrienden lachen. Het klinkt alsof Elise in onze relatie alleen het aanrecht kent.
Bowie bedoelt het als parodie, als kritiek, niet als iets om na te streven. Hij is trouwens maar een halve man, heb ik gehoord.
Grappen maken, daar ben ik goed in. Desondanks voel ik me aangestoten.

11

Plaats en tijd: hoog boven de Oostzee, 59◦ NB, 24◦OL. Rechts van het vliegtuig zal Tallinn liggen. Het is midden juli, de langste dag is voorbij, elke week gaan er minuten af van het daglicht. Naar mijn gevoel hoor ik niet hier te zijn, maar in het aardappelveld van mijn vader. Dit bestaat alleen nog in mijn hersenen: feitelijk groeit er tegenwoordig gras. De nieuwe eigenaar van huis en haard laat er zijn paarden lopen. Hij is een drogist uit Haarlem, een fatje dat denkt in geurtjes en flesjes, schaartjes en nagelvijltjes. Zijn vrouw ziet eruit of ze de commissaris van de Koningin op bezoek zal krijgen. Hun kinderen rennen over ons erf en breken af waar ik zo zuinig op ben geweest. Kreeg ik de kans ermee weg te komen, dan schoot ik ze allemaal dood. Lang zal hun verblijf op het platteland niet duren, maar dit brengt de basis van mijn identiteit nog niet terug. Een boer die zijn land en woonstede verkoopt, is wanhopig of niet goed wijs.

Mijn brein kan de teloorgang van mijn thuis niet aan. Dit duurt al jaren en zicht op verbetering blijft uit. Mijn systeem is gebonden aan seizoenen en weersomstandigheden. De rooitijd van vroege aardappelen valt samen met het hoogtepunt van de zomer. Dorpsjongens komen op de fiets om kermisgeld te verdienen. Twee maal daags wordt een vracht de schuur binnen gereden. Het is mooi om een tractor te besturen die drie ton gerooide piepers in veiligheid brengt.
De jongens uit omringende dorpen moeten het steevast afleggen tegen mijn uithoudingsvermogen. Hun eerste werkdag suggereert het tegendeel. Pas na de middagthee loop ik aardig in. Er wordt met krachten gesmeten. De dag erop kraken en kreunen de gasten nog voor de ochtendkoffie. Toch geven ze de stille competitie met het zoontje van de baas niet zomaar op. Het is mij om het even. Wanneer zij binnenkort vertrekken, ben ik nog altijd hier. Ik speel het spel mee en werk net een ietsje harder dan zij. Dit is het begin van de jaarlijkse uitputtingsslag: de seizoensgasten meesleuren in een tempo dat zij onmogelijk kunnen volhouden. Na de middagpauze neem ik een voorsprong die aan misverstand geen ruimte meer laat. Zo nu en dan sta ik op en kijk achterom, mijn handen achteloos in de zakken. Ik verpletter en heers. En nu? Vandaag ben ik een landloze sukkel, gelijk aan mijn vroegere uitdagers, iemand die een baas moet zoeken. Alleen een hond verdient een baas.

In de DC 9 mag niet worden gerookt. Ik moet mijn stijgende bloeddruk met diepe ademhaling onder controle zien te krijgen. Waarom denk ik altijd aan shit die er niet meer toe doet? Naast mij zit Elise een beetje te suffen. Haar vader werkt buitenshuis, als metselaar en tegelzetter. Hij wordt opgehaald met een busje, is de hele dag weg en keert tegen een uur of half vijf weer terug. Zijn humeur is gelijkmatig, zijn bewegingen altijd beheerst. Over het werk praat hij zelden. Elise heeft nooit langer dan een paar weken gewerkt, als oppas en op een kantoor. Voor haar is werk een interessante ervaring, een afleiding waar je naar believen ook weer vanaf kan. Voor mij is het een dwangsysteem, een gevangenis van opdrachten en onduidelijke doelen. Bovenal ergert het me, dat ik niets beters kan verzinnen, geen kans zie te ontsnappen, behalve in studeren dan, voorlopig.

Op het land ben ik iemand. Eigen terrein, het gevoel nuttig te zijn, maar ook vooral: besluiten nemen, je eigen tijd indelen. Alle man van Neerlands stam, voelen zich der vad’ren zonen, willen wij op ’t plekje wonen dat ons tot een erfdeel kwam. Maar het erfdeel van mijn zus en mijzelf is al verkocht nog voor we meerderjarig zijn. Mijn vader erft als jongeling een stukje land en een oud boerderijtje. Met behulp van naoorlogse landbouwsubsidie start hij een tuinbouwbedrijf, koopt zijn broers uit en gaat andere gewassen verbouwen. Hij neemt risico’s en werkt zich een slag in de rondte. Wie kan er iets tegen productie van voedsel voor de bevolking hebben? Wat is daarmee vergeleken een kantoorbaan voor papier verplaatsende muizen, wat het belang van vergaderingen en resultaten die volgende week weer achterhaald worden genoemd? Hoe kun je in zo’n doelloos gekkenhuis functioneren en volhouden dat je iemand bent? Wie dan? Mijn zus en ik zijn vergroeid met een eigen bedrijf, met eigen opvattingen. Wij weten niet beter dan dat dit voor eeuwig is. Op een dag gooit vader huis en haard in de verkoop. Aan alles wat begint, komt een einde. Alleen gevoelens gaan een heel leven mee.

Na de exodus van het land waar behalve vader ook mijn grootvader rondliep, raak ik het spoor bijster. Thuis ruzie, op school slechte cijfers en spijbeluren, daartussen met gevaarlijke snelheid op een opgevoerde brommer. De confrontatie met militaire dienstplicht: tien dagen in een hospitaal in stille hongerstaking. Afgekeurd voor alle vormen van dienstverlening vertrek ik naar huis, weer ruzie, daarna een jaar saaie arbeid op kantoor en nog langer werkloos, met haaruitval en huiduitslag bij de dorpsdokter, rondhangen in de horeca, klusje hier klusje daar, wekenlang in bed met een stapel boeken uit de bibliotheek, sommige gejat uit een winkel. Via een schriftelijke cursus haal ik alsnog een bruikbaar middelbare schooldiploma en meld me bij het Instituut in Amsterdam. Misschien is dit mijn diepste drijfveer: bewijzen dat ik het kan, dat ik niet zal verzuipen als willekeurig vervangbare mongool.

Toch was ik liever gebleven tussen de rechte wegen en sloten, onder de hoge luchten, met werkende handen, eigen gedachten en trots. Wachten in het voorjaar tot de weidevogels terugkeren, het dijkgras aan lengte wint, het land wordt gevlakt voor de zaaimachine. Ik weet het: waarom een post romantische voorstelling van zaken optuigen? Als geen ander weet ik hoe de praktijk van alledag is op een landbouwbedrijf: buffelen en afzien, vaak tegen beter weten in. Mijn hechting is een verslaving, bevochten gevangenschap in een raamwerk van voorgaande generaties. Mijn stamboom toont meer dan drie eeuwen kleitrappers. Wij zijn de Indianen van Noord Holland. Dit opgeven en achterlaten, komt neer op landverraad en zelfmoord. Nou ja, dat laatste kan altijd nog.

Als identiteit bestaat, dan wordt de invloed van landschap en weersomstandigheden onderschat. De taaiste volkeren wonen in de bergen en op ijsvlakten, waar het leven genadeloos is. Je kunt stellen dat ik ben opgebouwd uit geometrische vormen van weilanden en akkers, afgezoomd met sloten en wegen, geaccentueerd door strakke rijen bomen. Mijn identiteit werd vastgelegd op een 17e eeuwse tekentafel naar het ontwerp van een beroemde droogmakerij, waarvan de molens overigens zijn ontworpen door een van mijn voorouders. Pas hierna komt de invulling door het dagelijks leven, de mogelijkheden en verplichtingen, regelmaat en verrassing. De binding aan huis en haard, land en productie is leidend. Mensen komen en gaan, het land blijft. Zonder dit was ik iemand anders geworden. Zonder dit ben ik genoodzaakt ik iemand anders te worden.

In een land met een almaar groeiende bevolking,  ligt de nadruk op de omgang met mensen. Dit bepaalt de mate en wijze van socialisering, het functioneren in wat heet maatschappelijk verkeer. Identiteit wordt hiermee het product van een compromis, de grootste gemene deler. Op school en later bij de baas ontvang je periodiek een cahier met uitgewerkte tekeningen. Deze mag je naar eigen inzicht inkleuren met de bijgeleverde kleurpotloden. De resultaten worden beoordeeld en gerangschikt – door anderen. Vrijheid is evenwel niet het inkleuren binnen aangeleverde lijnen. Vrijheid is zelf een tekening maken. Mijn onmiskenbare eigengereidheid heeft alles te maken met de ervaring van vermorzelen, bedacht en uitgevoerd door anderen.

11

Het lijkt alsof we in het centrum van Helsinki zullen neerstorten, maar het vliegtuig landt keurig op een plak asfalt, om tot stilstand te komen op een donker industrieterrein. De motoren van de DC 9 worden aanstonds uitgeschakeld: langzaam zakt het janken van duizend stofzuigers weg. Ik bemerk, het geluid te hebben gebruikt om muziek te maken. Mijn voeten tikken een ritme op de vloer, in mijn hoofd beukt een basgitaar in staccato. We hebben geen radio of ander geluidsapparaat bij ons. Ik zal de komende dagen vaker zelf muziek maken, in stilte, terwijl ik gewoon een gesprek voer. Muziek is geen afleiding, maar een motor.

De explosie van Britse Beat zal nog lang nagalmen, maar is anno 1978 toch geluwd, afgevlakt. De radio drijft op Dire Straits, Debbie Harry en Fleetwood Mac zonder Peter Green. Thuis draai ik platen van Steve Miller, Dave Edmunds en Johnny Winter, allemaal met hun wortels in de jaren zestig. 
De muziekindustrie, platenbazen, de media, managers en hebberige muzikanten ontdekken de show, de performance, het massale publiek. De mensen kijken naar ABBA en Gary Glitter. Londen en Den Haag hebben de vrije zeezenders opgeruimd, de jeugd gepacificeerd, regie en inkomsten herwonnen, het echte muzikale werk ondergronds gedreven. Kraakzenders melden wat Radio Stad Amsterdam onder politieke druk afzwakt of achterwege laat. Berichten van De Vrije Keyser worden afgewisseld met tweepersoons doodkisten punk: guns for the Afghan rebels! Elise heeft niets met punk. Dit lijkt van geen betekenis, maar er schuilt meer in muzikale voorkeur. Ik beschouw punk als een levensstijl, een mentaliteit. De burgerij aapt de activisten na met een geverfde haardos en een paperclip in een oorlel. Op Koninginnedag staat de meute het Wilhelmus te zingen.

We verlaten het vliegtuig via een moderne harmonica tunnel. In een fel verlichte kale ruimte spuwt een rubber klep koffers en rugzakken op een roterende schijf. Door het draaien komen dezelfde spullen geregeld opnieuw voorbij. Onze tassen zijn er evenwel niet bij en dit feit geldt ook voor een handvol andere reizigers. Wij wachten en wachten.
Ik vertel Elise dat in de oudheid legers elkaar op deze manier voor de gek hielden.
Ze lieten hun soldaten gewoon drie keer door de pas marcheren, alsof het om een overmacht ging.
Maar Elise heeft natuurlijk geen behoefte aan historische uiteenzettingen. Ze is moe en wil naar bed.
Ik vond het wel een beetje eng, vooral omdat we twee keer vlogen.
Dapper meisje: bij het opstijgen in Kopenhagen heeft ze niets laten merken, misschien omdat ze denkt dat van mij geen steun of troost valt te verwachten. Daar zit iets in, mogelijk omdat ik zelf nooit iets van anderen verwacht. Een reden om haar warmte te onthouden, is dit niet.

Waar het op neerkomt, is dat een deel van de bagage zoek is. Een werknemer in het uniform van Finnair komt ons dit meedelen. Mogelijk is er iets misgegaan in Denemarken of eerder in Amsterdam. In dit verband valt me iets te binnen: we hadden duidelijker labels aan de tassen moeten hechten. Altijd wanneer er iets scheef loopt, begrijp ik binnen een seconde waar het probleem zit. Reizen is: moeten berusten in eigen en andermans fouten, in bureaucratie en de gevolgen. Ik ben niet zo goed in aanvaarden en berusten.

12

Na Finland zal ik nog slechts een enkele keer vliegen. Niet omdat ik het vervelend vind. Ik ben juist dol op vliegtuigen, die ik liever vliegmachines noem omdat dit woord meer recht doet aan het staaltje menselijke wilskracht en technisch vernuft. Het is een eersteklas prestatie om een gewicht van tientallen tonnen te laten opstijgen en landen zonder dat de constructie in de lucht uit elkaar valt of te pletter slaat.
Ik heb een hekel aan elke vorm van collectief vervoer vanwege het lange wachten, de chaos en controles, het gekwek en geritsel, de overvloed aan geluiden en geuren, de bestemming waar je wordt uitgebraakt als een lading doorgedraaide kippen. Daar sta je dan.

Zoals veel opgroeiende jongens(maar niet in mijn omgeving) van eind jaren 50 heb ik het verlangen piloot te worden. Dit idee vloeit ongetwijfeld voort uit de belangstelling die mijn vader heeft voor vliegtuigen. Hij leeft in de opwinding van de Melbourne Race, de vluchten van de Uiver PH-AJU 44 in de jaren dertig. Met de oorlog komen de eskaders Amerikaanse en Engelse bommenwerpers. Een Lancaster zonder brandstof maakt een noodlanding op niet meer dan honderd meter van ons land. Stel je even voor: een intacte Britse bommenwerper met de neus naar je toegekeerd. Mijn toekomstige vader is 17 jaar en kan de verleiding niet weerstaan. Hij loopt erheen. De Duitse soldaat die het vliegtuig bewaakt, verveelt zich. Hij staat de hele dag in een lege polder en denkt aan zu Hause. Hij knikt toestemmend: ga maar even kijken. Mijn vader klimt in de bommenwerper. Hij kijkt zijn ogen uit, snuift de geuren op, wordt zich allicht bewust dat de oorlog echt bestaat.
Het moet een hoogtepunt in zijn leven zijn. Toch zal hij er nooit iets over zeggen: ik hoor het van zijn broer als vader al 15 jaar dood is. Nooit zal hij nog in een normaal vliegtuig stappen. Wel neemt hij me een keer mee naar Luchthaven Schiphol. We kijken langdurig vanaf de balustrade en eten een ijsje. Op het platform start een aftandse Constellation van Olympic Airways. De vlammen slaan uit de motoren. Eigenaar is tycoon Onasis, de latere echtgenoot van opera diva Maria Callas. Vader kijkt naar het viermotorige propellervliegtuig en zegt: ik zou voor geen goud instappen.

13

We vormen een select groepje pechvogels. De meeste reizigers komen uit België en zijn opgestapt in Brussel. De Caravelle dient als boemel, voorbestemd om problemen te genereren: has the lugage been transferred, yes of course not.
Het verwondert mij, hoelang het duurt eer deze onvermijdelijke conclusie bij iedereen binnenkomt. Zelfs de formele mededeling laat hoop en twijfel sluimeren. Tot een half uur na intreden van de status quo zijn twee reisgenoten in vaste overtuiging dat alles nog te elfder ure goed komt.
Morgenochtend zullen de vermiste spullen ineens voor onze neus staan.
Ik snuif van ongenoegen en drift. Wat schiet je ermee op, jezelf voor de gek te houden?
Het komt omdat we een studentenvlucht hebben. You pay peanuts you get monkeys.
Ik spreek op afgemeten toon om aan het uitbraak van positivisme een einde te maken.
Het is middernacht, we staan op een donkere luchthaven en er is bagage zoek.
Ik vat de situatie nog maar even samen. Antwoord of protest blijft uit. Met toenemende ergernis denk ik aan alles waar ik door halfbakken werk last van ondervind: onze studiefinanciering komt pas na maanden op gang waardoor we ongeveer uit bedelen moeten. Tentamens worden op het laatste moment uitgesteld. In het studiegebouw buffelen twee maanden lang drilboren wegens een verbouwing. De sleutel van de kopieermachine is steevast zoek. Erg flexibel ben ik niet, maar je wordt er toch ook gek van? Elise bemerkt de vrieskou die van mij afstraalt.
We zijn niet de enigen, dat kan gunstig zijn.
Maar ik ben nijdig en onwrikbaar, hoe de anderen er ook over mogen denken.
Dit gaat dagen duren.

Onverwacht wordt het rolluik van de balie weer omhoog gehesen. De inmiddels bekende vrouw van Finnair neemt plaats op haar plek. Zelfs ik voel even hoop opkomen. De vrouw toont evenwel geen enkele emotie: ze heeft een klus en voert deze uit. Er komen formulieren tevoorschijn, afkomstig van Department Lost and Found. Deze moeten door ieder worden ingevuld en ondertekend. Het is zaak, je onmiddellijk en precies te realiseren welke spullen je kwijt bent. Elise is snel van begrip en stelt voor om de lijst ruim te bemeten. Wie zal weten welke camera of sieraden je hebt meegebracht? Die worden immers het eerste gejat. Wat kan een verzekeraar uitrichten tegen de schriftelijke verklaring van een luchtvaartmaatschappij, waarin de problemen worden erkend? Toch vullen we niet meer in dan we kwijt zijn: zo zijn we niet opgevoed. Wat mij betreft: ik wil wel frauderen, maar alleen voor forse bedragen, niet voor kruimels. Tot een oplossing leidt het formulier voorlopig niet, maar ik kalmeer wel.

14

Een opgetrommelde bus van Finnair rijdt ons naar de stad en stopt bruusk voor een hotel: Intercontinental.  De service is ten einde. Het hotel is zo duur dat de receptie de hele nacht open is.
De scheiding der geesten neemt een aanvang.
Voor zo’n enkele keer moet het maar.
Een stel uit Brugge dat alleen de tentstokskes mist, groet ons droogjes en loopt naar het hotel waar je omgerekend 160 gulden voor een kamer betaalt. Dit is een bedrag waar wij een hele week van leven.
Vijf mensen resteren. Eerder dacht ik dat er alleen stellen waren, maar in ons troepje nachtbrakers bevindt zich een alleen reizende jongeman, type troubadour van de voorbije hippietijd. Ik ken ze van de opleiding, zij het van studierichtingen als huishoudkunde of dramatische vormgeving, vakken die geen enkel aanzien hebben. Ik krijg een zeldzame aanval van initiatief.
Laten we een taxi zoeken. Er zullen toch meer hotels in de stad zijn dan dit paleis. 
Eigenlijk hoop ik op nieuw geharrewar, waardoor iedereen een eigen kant uitgaat. 
Helaas valt mijn idee in goede aarde. Terzijde van het hotel vinden we zelfs een taxi met draaiende motor. De chauffeur heeft ons opgemerkt zoals een wolf een groepje schapen taxeert. Langzaam rijdt hij ons tegemoet. Het zijruit zakt tot ongeveer de helft.
To a nice and cheap hotel.
Het Rotterdamse stel leeft in een luchtbel. Wanneer er iets nog open is, zal het zeker niet leuk en betaalbaar zijn. De chauffeur haalt zijn schouders op en schakelt de geldmeter in.

Een auto rijdt hoe dan ook ergens heen. We komen langs brede straten en de chauffeur remt bij zowat elke kruising sterk af: OK, hotel!
Niemand heeft zin om uit te stappen en verder dan tot een wantrouwend spieden door de ruiten komt het niet. We vormen een troepje besluiteloze pubers. We zijn moe en willen liggen, de ogen sluiten en morgen ontwaken met het vooruitzicht van zon en zee. Mama heeft al thee gezet en een eitje gekookt. De fluïde sfeer maakt me een beetje balorig.
Helsinki! Dochter van de Baltische Zee. De stad zal uw stoutste dromen overtreffen.
Mijn ironie valt uit de toon. Het is geen tijd voor geintjes. Voor een onverlicht gebouw komt de auto abrupt tot stilstand. De chauffeur lijkt vastbesloten geen meter meer te rijden. Elise snapt waar het op neer komt.
Ik geloof dat we eruit moeten.
Ze haalt twee Finse bankbiljetten tevoorschijn en berekent snel wat zij van iedereen krijgt. Tot het zover is, houdt ze de biljetten vast en kan de chauffeur ieder van ons aanspreken. De anderen moeten niet denken dat zij gratis ontsnappen. Ik zie hoe zij in hun kleding tasten, een beurs openen, zoeken naar Hollandse guldens of anderszins. Niemand dan Elise bedacht om vooraf geld te wisselen. Ik kijk toe en voel diepe warmte voor mijn lief.

15

Het aangeduide gebouw blijkt werkelijk slaapruimte te bevatten. Maar er is onvoldoende plek voor ieder van ons in de herberg. Elise trekt haar conclusies. Ze klinkt kribbig, mogelijk omdat de uitvreters het beste wegkomen.
Het loopt onderhand tegen de ochtend. Ik vind het niet langer de moeite een hotel te nemen.
Een terechte conclusie. De laatste bedden zullen niet de beste zijn, eerder onmogelijke plekken naast de plee of een bezemkast. De Rotterdammers voelen zich geroepen ons de hand te drukken.  Ze lijken opgelucht dat wij geen strijd willen voeren om een paar matrassen. Helaas blijft de troubadour bij ons staan.

Onze klittende vriend heeft zich inmiddels uitvoerig aan Elise voorgesteld als Ramón, student aan de sociale academie, richting cultureel werk. Wat een leuke gast! Hier wordt de geitenwollen sokken generatie opgeleid. In zijn vrije tijd schildert meneer portretten, naar een techniek die nat in nat wordt genoemd.
En maar lullen en maar lullen en maar lullen.
Het loopt tegen half 4 en binnen een uur zal de zon op deze noordelijke plek weer opkomen. Dat we de komende dag geradbraakt zullen zijn, ontgaat me voorlopig. Mijn meest directe zorg is, hoe we de hippie kwijt raken. Zal ik hem eens een paar flinke tikken verkopen? Om de mogelijkheden te peilen, begin ik een praatje met het derde wiel aan onze wagen. 
Wat ga jij na je studie doen, Ramón?
De voornaam noemen, heeft een magische uitwerking. Het suggereert vriendschappelijke omgang, betrokkenheid. Dat uitgerekend ik hem een belangstellende vraag stel, heeft de lastpak niet voorzien. Hij haalt diep adem en kijkt me aan om na te gaan of hij in de maling wordt genomen.
Ik denk aan buurtwerk, iets waarin ik voor mensen het verschil kan maken. Ik wil trouwens ook graag kinderen. Op termijn dan, ha ha!

Zijn opmerking over kinderen is op z’n minst verdacht: Elise wil kinderen, desnoods zonder mij. Het lijkt of Ramón dit heeft geroken. Ik vermijd uit alle macht naar Elise te kijken. Wat heeft ze hem onderhand allemaal verteld? Wie zit hier eigenlijk wie te zieken?
En jij dan? Leraar zeker? Jij gaat de klas vertellen hoe piramides worden gebouwd?
Ik begin nu echt de tering aan deze kabouter te krijgen. Het zal me niet verbazen of hij denkt dat hij straks degene is die met Elise gaat rondtrekken. In mijn studiekring loopt ook zo’n gast, getapt bij de vrouwtjes, in de studie leunend op de groepjes waarin we werken, even onzichtbaar als aanwezig, een parasiet met honing aan zijn kont.
Ik word bankier. Of anders wapenhandelaar. Big Box, weet je wel. Money makes the world go round. Thuis houd ik statistieken bij van de Dow Jones.

Ramón snuift en kijkt weg. Het is duidelijk dat hij me niet gelooft. Mijn hersens werken op volle toeren om de volgende zet voor te bereiden: in hoeverre kan een studie geschiedenis samengaan met een baan in het bankwezen? Kan ik aankomen met historische onthullingen over de crash van 1929, of het geknoei van Den Uyl dat de Arabische olieboycot en de Autoloze Zondag inleidde?
Ik ruik gevaar: het zal er nog van komen dat Ramón in een psychologisch schaakspel blijk zal geven slimmer te zijn dan mij lief is. Ik lach huichelachtig tegen hem. Ik wil hem pacificeren en tegelijk verder provoceren.
Maar geen nood. Eigenlijk ben ik net als jij een sociale jongen. Niet te beroerd om op zaterdag een dakloze een gulden te geven. En hem te vragen wanneer hij aan het werk denkt te gaan.

Onder een portiek blijven we staan. De straat is vochtig, al valt er geen regen en is het stukje hemel dat zichtbaar is tussen de huizenblokken zelfs helder. Ramón haalt een stapel boterhammen tevoorschijn, welke ik aanstonds herken als afkomstig uit het Franse vliegtuig. Kennelijk heeft hij verpakkingen van andere passagiers meegepakt. Hij biedt niets aan, dus hoef ik niets af te slaan.
Weet je, ik heb nooit meer dan 100 gulden bij me. Cheques al helemaal niet, nergens voor nodig.
Een stuk brood verdwijnt in zijn mond. Hij praat met volle bakkes.
De wereld staat open voor iedereen, weet je. Als je maar vertrouwen in de mensen toont. Dat is verreweg het belangrijkste.
Elise houdt zich afzijdig. Ik voel aan haar houding dat zij zich ergert, vooral aan mijn vijandige houding. Ik hoor haar denken.
Hou toch op, die jongen bedoelt het toch goed. En hij is ook maar alleen.
Om escalatie te voorkomen, slik ik mijn antwoorden verder in. Misschien kan ik deze zwerfkat ergens onverhoeds voor een tram smijten.

16

Na de eerste stadsbussen, een vuilniswagen, twee in hun jas gedoken politieagenten en een klas joelende schoolkinderen, lopen we met z’n drieën naar Travela, het Finse reisbureau. De stemming is bepaald slecht. De vrouw achter de balie roert in haar ochtendkoffie. Zij glimlacht achterdochtig, alsof ze op voorhand aanvoelt hoe de vork in de steel steekt.
Why leaving when arrived only yesterday? We have a lot of things of great value and pleasure!
Zij kan niet weten, dat Elise en ik sinds anderhalf uur terug naar Nederland willen en wel meteen. Van de ene opmerking kwam namelijk de andere; het ging van kwaad naar erger. Laat staan dat de vrouw kan begrijpen waarom het onderwerp van onze ruzie, de globetrotter Ramón, om ons heen blijft hangen alsof ook hij naar Schiphol terug wil. Het is trouwens de vraag wat hij überhaupt wil. Elise heeft dermate de pest in, dat ze vasthoudend doorvraagt.
What about another plane?
De vrouw spreidt geduldig haar handen. Het lijkt of zij ons tegen onszelf wil beschermen.
The next one is in two weeks.
De eerstvolgende studentenvlucht, bedoelt ze. Reguliere vluchten zijn er genoeg, maar die kosten het drievoudige van onze tickets.
Vanaf anderhalve meter aanschouw ik het tafereel met een steen in mijn maag. Aan zelfreflectie of relativering lijd ik deze morgen niet. Steeds meer raak ik overtuigd dat je de verdomde klier alleen kwijtspeelt door fysiek geweld in te zetten, hem gewoon van je af te trappen. Tegelijk stoor ik me aan de obstinaat humanistische houding van Elise: was will das Weib? Op een of andere manier pakt het zo uit, dat alleen ik verantwoordelijk lijk voor de situatie. Misschien zijn we inderdaad beter af door terug te gaan, thuis de draad weer op te pakken. Waarom moest ik ook zo nodig de deur uit? Ik voel het moment naderen waarop mijn hersens blokkeren, waarmee de bereidheid toeneemt tot het nemen van drastische stappen richting Elise.
Waarom ga je niet alleen met die gehaktbal op stap, als hij zo geweldig is?
De baliedame heeft natuurlijk gelijk. We moeten afkoelen en ons bezinnen.

17

Alsof het probleem ons alle drie aangaat, besluiten we de situatie te overdenken bij een ontbijt in het treinstation, gevestigd aan de Kaivokatu. Het gebouw doet denken aan een kerk, de accommodatie is keurig, de gasten komen en gaan, de prijzen zijn laag en de koffie ruikt naar uitslaande brand. Aan een tafel verderop zitten vier bouwvakkers met een pul bier voor de neus: Helsinki, Parel van de Oostzee.
Elise zit naast mij. Ramón schuift tegenover ons aan tafel. Elise trekt haar tasje op schoot en gaat zich opmaken, gewoon hier in het station. Ik heb geen idee waar de situatie gaat eindigen, maar elke minuut telt. Plotseling kom ik op een idee, het zit gewoon in de binnenzak van mijn jas.
Ik wil je trouwens iets vragen, Ramón. Nu je hier nog bent. Zou jij een foto van ons willen maken?
Niemand weet hoeveel zelfbeheersing ik opbreng. Ik haal het cameraatje tevoorschijn, draai het objectief naar buiten en stel lichtsterkte en diafragma in.
Gewoon op het knopje drukken, een kind kan de was doen.
Ik schuif tegen Elise aan en sla mijn rechterarm nadrukkelijk om haar heen.
Zijn we niet een plaatje?
Ik zeg dit op precies de juiste toon tussen intiem en openbaar.
Plotseling staat het manneke op. Hij negeert de aangereikte camera en loopt gewoon weg, zelfs zonder Elise te groeten. Ik kijk hem na tot hij helemaal buiten is.
Heb je nou je zin? Godsamme, wat kan jij vervelend zijn!
Elise mag vanaf nu zeggen of schelden wat zij wil. Mij deert het niet meer. Mijn probleem is opgelost en het liefst zou ik keihard lachen. Ik kom overeind en loop naar de glazen toog. Hierin liggen naast bleke worstjes ook croissants alsof we in Frankrijk zijn. Ik bestel er vier plus een pot thee.

18

Hotel Academica is saai als de straat waaraan ons verblijf is gevestigd.  De kamer valt enigszins tegen, voor wie geen studentenhotel is gewend.  Onze eenpersoons bedden staan een meter van elkaar. Onder de omstandigheden is dit overigens maar het beste. We zijn niet bepaald in knuffelstemming. In het studieseizoen wonen hier Finse studenten die van heinde en ver komen. De buurt is uitermate rustig. Er staat zelfs een Handelsschool, een opleiding waar ik warme herinneringen aan koester. De directeur sprak na afloop van een ondergewaardeerd diploma. Ja, daarvoor gingen we graag jarenlang naar school. Voor nu laten we ons achterover zakken op de bedden en vallen eindelijk in slaap. Het is midden op de dag.

Na drie jaar samenwonen weet ik van Elise nog steeds niet zeker wanneer zij naïef is of een spel speelt. Provinciale goedhartigheid kan omslaan in een uitgekookte opmerking of een onverwachte blijk van inzicht. We hebben gegeten in een soort mensa. Het adres is ons gegeven door Travela. Voorzichtigheidshalve doe ik de bestelling in het Engels. In veel Europese landen kun je beter niet de verdenking op je laden, Duitser te zijn. De Nederlandse taal klinkt verdacht veel naar die van onze oosterburen. We krijgen groentesoep, daarna patat met gehaktballetjes in Zigeunersaus. De kok die ook bedient, benoemt de saus uitdrukkelijk. Hij ziet aanstonds dat we buitenlanders zijn. Duitsers worden in Finland evenwel juist gewaardeerd. Dat is vanwege de oorlogvoering tegen de Russen. Wanneer de man ons toetje gaat halen, zegt Elise er iets over.
We kunnen gewoon in onze taal praten. Hou dus op maar met je Engels. Wanneer we alweer buiten staan, bedenk ik dat de kok misschien heeft gedacht dat we Denen zijn.

Terug in onze kamer draai ik aan de knoppen van wat een ingebouwde radio blijkt. Een tweetal  zenders kan goed worden ontvangen, de rest van het geluid bestaat uit fluitsignalen. Ze herinneren me aan een jaar of tien eerder, mijn eerste transistorradio, stiekem beluisterd in bed onder de dekens: de opkomende vloed aan Britse beat, steriel voorgelezen Nachrichten van Duitse zenders, onbegrijpelijke discussies in het Pools. En heel veel gepiep en gefluit. Het zal me nauwelijks verbazen of Radio Oranje duikt plotseling op met een hartverwarmende toespraak van Koningin Wilhelmina. Zij zal ons aansporen vol te houden tegen de verachtelijke bezetter. Na afloop gaat zij dineren met het oorlogskabinet. Mijn linker oor drukt tegen het radiootje, niet groter dan een pak hagelslag, mijn rechter oorschelp steekt als een schotelantenne boven de dekens om geluiden van het huis in de gaten te houden. Moeder kan geniepig de trap besluipen, mijn slaapkamer binnenvallen, de radio ontdekken en in beslag nemen: hoe kom jij hieraan?! Dan ben ik hem definitief kwijt.

Denken aan mijn ouderlijk huis genereert onveranderlijk woede, bijproduct van onmachtig verzet tegen controle, vernedering en negatie. Moeder verdelgt wat haar niet bevalt. Elk initiatief wordt al snel een afmattende en deprimerende ervaring. Tegen Elise zwijg ik erover hoeveel moeite ik heb moeten doen om het bijna automatisch geworden liegen af te leren. Ik verzin de smoezen waar je bij staat. Geen woord zeg ik over mijn maniakale neiging om een jampot na gebruik precies zo terug te plaatsen als ik hem heb aangetroffen. Moeders ogen en oren zijn overal. Elise zal menen dat dit slechts nare herinneringen zijn, onverwerkte frustraties. Of nog erger: een zelf geconstrueerde kapstok om mijn gepruts aan op te hangen, zeg maar een besluit om verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Maar ik loop vooruit: in 1978 zijn Elise noch ik in staat om op deze manier de werkelijkheid te fileren, laat staan diepere oorzaken te doorgronden.

Dat ik Elise vaak in het ongewisse laat, heeft minstens twee redenen. Ik begrijp vaak zelf niet precies hoe mijn frustraties in elkaar steken en ik onderschat de uitwerking ervan op mijn doen en denken. Het vergt nog jaren voor ik kan inzien hoe mijn hele systeem is aangevreten door frustratie en ingehouden razernij. Ik ben gewend elke dag een pokerface op te zetten en drie stappen vooruit te denken.

Ik zet de radio uit, pak de Zweedse krant die ik op het station heb gevonden en doe alsof ik lees. Na enkele minuten is dit ook het geval, tegen wil en dank.   
Zweeds is gemakkelijker dan ik heb verwacht. De taal kent veel Duitse leenwoorden. Het is daarmee des te meer een wonder dat het Fins nog bestaat. Finland is 600 jaar lang een Zweedse provincie. Zelfs het woord Finland is Zweeds. Finnen zeggen Suomi. Beide woorden betekenen Veenland, wat op armoede wijst. De Finnen konden hun onbegrijpelijke taal bewaren omdat er in het land weinig te halen viel. Hout uit de bossen hadden ze in Rusland en Zweden genoeg. Taal is een bouwsteen voor identiteit. Met een eigen taal kun je ook makkelijker verzet bieden aan indringers: zonder strijd geen identiteit. Ik moet eens uitzoeken, of in het middeleeuwse Spanje verschillende talen werden gesproken en hoe dit inwerkte op de Reconquista. Ergens in mijn handbagage zit een pen om de gedachte op te schrijven, maar ik maak geen aanstalten te gaan zoeken.

19

Dagen verstrijken zonder dat de vermiste bagage boven water komt. Met de andere gestrande reizigers hebben we het contact verloren. Wat heb je er aan, te weten hoe het hen vergaat? Telexberichten, het meest moderne dat de reiswereld van 1978 te bieden heeft, worden naar alle windstreken verzonden. Ik wil mij inbeelden, dat op meerdere luchthavens beambten met een lijst in de hand speuren naar onze tent en de rest. Een oude kantoorgrap is, een uitzendkracht rondvraag te laten doen naar de Map met Zoekgeraakte Stukken. Ik heb geen idee van de chaos en massaliteit van een luchthaven. Bij de terminal van Finnair schuiven we ieder 300 Finse Marken naar ons toe, de standaard vergoeding voor bewezen ongemak. De bagageverzekering kunnen we pas aanspreken, wanneer we allang terug in Amsterdam zijn.

Samen lopen we door de stad die al iets gewoons begint te krijgen. Vanaf een rotspartij kijken we uit over de Finse Golf en we doorkruisen een park met spuitende fonteinen. In Finland is overal water. Het blauwe kruis in de vlag zal er naar verwijzen. Op een groot grasveld, geschoren als een Engelse tennisbaan, voetballen een paar jongens. Ze doen balorig en de bal rolt in mijn richting. Ik heb al jaren geen bal geraakt, maar reageer onmiddellijk. De bal krult over de jongens heen, net buiten hun bereik. Ze vinden het leuk en rennen om hem te achterhalen.

Ik groei op met een voetbal. Het liefste wil ik die van de HEMA: een rubber bal in midden formaat. Liever zonder eten naar bed, dan geen voetbal. Ik ben geen lid van een vereniging. De meest nabije is van de katholieken. Daar kan ik als kind van hervormde ouders onmogelijk heen. In het dorp van mijn school is een neutrale club. Hiervoor moet ik telkens 12 kilometer fietsen en ik zal moeten spelen op zaterdag, de gangbare werkdag op ons land. Bovendien zijn vooral dorpsjongens lid. Zij gaan ook op andere tijden met elkaar om. En dan is er de contributie, de nodige sportkleding en na afloop van de training of wedstrijd wil iedereen een patatje. Hoe kom ik aan geld hiervoor? Ik zou een handboek kunnen samenstellen van redenen waarom iets niet kan.

Misschien is het vooral gewoon gemakzucht van mijn ouders geen aandacht aan sport of vrijetijdsbesteding te geven. Zelf komen ze ook nergens. Mijn beschikbaarheid voor werk op het land van vader is wel makkelijk en ook moeder besteedt graag klusjes uit. Vooral mijn zus is in huis de klos: afwassen, stofzuigen, ramen lappen, schoenen poetsen, uitgehaalde breiwol oprollen, planten water geven, de was ophangen. Dan heeft ze al een dag landwerk achter zich. Dagelijks haal ik verse melk bij de buren en schil de aardappelen. In tegenstelling tot mijn zus ben ik een meester in tijdrekken en bovendien Oostindisch Doof, dat is alleen horen wat je aanstaat. Al met al komt van voetballen bij een club niets terecht.  

Moeder is jaloers op de hulp die vader van ons kinderen krijgt. Ze kan niet uitstaan dat mijn zus en ik zonder gezanik met vader meelopen om te werken. Zelf moet ze ieder klusje bij ons afdwingen, met manipulatie en dreigementen. Ze drentelt onophoudelijk om je heen om te zien of alles wel volgens haar richtlijnen gebeurt. Nooit zal ze begrijpen waarom wij het haar moeilijk maken en vader niet. Haar verongelijkte houding verbetert de zaak al evenmin.
Tussen de bedrijven door jaag ik op het ouderlijk erf mijn voetbal eindeloos tegen de grote schuur.  Op zondagmiddag speel ik de competitie na: GVAV – DOS, Feyenoord – Ajax. Alles van Ajax, alles van het Nederlands elftal. Zo kan ik mijn energie kwijt, mijn opwinding over bepaalde uitslagen, mijn vrees voor ontdekking van een gering vergrijp: ik heb met jou nog een appeltje te schillen, dat komt straks als je vader thuis is. Ik leer mezelf om de bal met precisie te richten op een denkbeeldig punt, uit te halen en onmiddellijk over te schakelen naar de rol van keeper. Ik moet de door mijzelf getrapte ballen tegenhouden: fanatiek en partijdig. Ik voetbal zoals ik ben: defensief en uitgekookt. Op de dag van de verhuizing vervalt dit ritueel, plotseling en definitief. Iemand had mij die dag moeten zeggen: vanaf nu kun je normaal doen.

In het centrum van Helsinki bekijken we winkels en overheidsgebouwen. We zitten in cafés die doen denken aan een kantine voor fabriekspersoneel. We halen stokbrood, een pak melk en een blok kaas met een dansende koe op de verpakking. In de hotelkamer kunnen we languit op bed rusten. Ik denk ongetwijfeld aan seks, maar het komt er niet van. Ik kijk veel naar het behang, waar ik allerlei voorstellingen in ontdek: een bijeenkomst van vossenkoppen, een trein over de IJsselbrug, insecten die elkaar beloeren. Op een avond stroomt blues van Finse bodem uit de radio. De namen van de musici klinken naar brokken ijs uit de vriezer. Ik heb vernomen, dat je bij lange na niet tot de Russische grens kunt geraken: een brede strook is militair niemandsland.  

20

Elise staat plotseling stil. Dit doet ze wel vaker: inhouden alsof de volgende stap de afgrond betekent. Ik weet waarom jij naar Finland wilde. Niet om ergens heen te gaan, maar om weg te komen.
Een constatering. We lopen weer verder. Ergens voel ik me betrapt. Ik praat niet graag over mijn beweegredenen, met niemand. Ik simuleer alsof ik tijd nodig zal hebben over de kwestie na te denken. Afleiden is ook een strategie. Van uitstel komt afstel. Ik heb desondanks een bijdehand antwoord.
Als dat zo was, hadden we ook wel naar Zuid Frankrijk kunnen gaan.
In een ongekend ruim opgezet warenhuis kopen we ondergoed en T-shirts, een tafelmes en een opener voor een blik makreel uit de poolzee. Maku tchostajana  staat op de zijkant: smaakversterker. Er zal een liter jus d’orange aan te pas komen om de suolaa, de zoute troep omlaag te spoelen.

Na vijf dagen heb ik me dan eens geschoren. Niet dat mijn baardgroei aanleiding geeft tot een dagelijkse exercitie, maar nu wordt het echt tijd. Het elektrische apparaat zit bij de zoekgeraakte spullen, dus koop ik een plastic houder met een mesje. Zo scheert mijn vader zich, inclusief de kleine wondjes die hij dept met plukjes watten. Het is een beeld dat levenslang in mij voortleeft. Vader zit aan tafel, zet een kleine spiegel schuin overeind, zeept zich in met een kwast en begint zich te scheren.
Scheerzeep verzuim ik te kopen, maar met douche gel kom je een heel eind. In de spiegel bekijk ik het resultaat.
Beter dan de pluizige rafeltronie van Ramón. Zou hij al in het ziekenhuis liggen?

Elise komt terug van de telefoon in de hal van het gebouw.
De bagage is terecht!
De schat is opgetogen. Soms zie je het kind in een volwassene, soms de volwassene in een kind. Ik weet niet goed wat te vinden van de mededeling: wat betekent het precies?
Elise registreert mijn aarzeling, maar laat zich niet uit het veld slaan.
De rugzakken zijn gevonden en opengemaakt in Athene. Een deel van de tent mankeert. Bij Travela verkopen ze lichtgewicht tentjes.
Met bagageverlies is het als met huisbrand. Wanneer niet alles naar de Filistijnen is, begint het touwtrekken om de waarde van wat verloren is. Van mij had alles voorgoed mogen verdwijnen. Dit verschaft duidelijkheid en een betere vergoeding. Aan de andere kant zie ik er naar uit, Helsinki te verlaten en eindelijk het land in te trekken. We gaan meteen de stad in om spijkers met koppen te slaan. Voor het station blijf ik staan.
Zullen we morgen de trein naar de poolcirkel nemen?
Net als de evenaar heeft de poolcirkel een magische klank. Er is helemaal niets, behalve betekenis.

21

We breken op. Met geplastificeerde spoorpasjes, reserveringen en de nieuwe lichtgewicht tent stappen we in de langeafstandstrein naar Oulu, hoog in het noorden. De opgehaalde rugzakken passen precies op de plank boven ons rechthoekige venster. Tussen onze voeten ligt, nog nieuw in het canvas, Attlettikkaa. De restanten van de oude tent laten we maar achter in de hotelkamer.
We zitten tegenover twee Engelse Monty Pythons die elkaar aftroeven over de Ieren, de Belgen van Groot Brittannië: Irish garbage drivers are rubbish. Zijn maat weet een betere: A dead Irishman makes a last request on his tombstone: Let me out!
Zodra de trein zich in beweging zet, installeer ik me om een dutje te doen of tenminste me af te sluiten voor conversatie. Wat zei Ramón op zeker moment ook alweer?
Ik rij niet graag achteruit in een trein. Het is dan net of je steeds naar het verleden kijkt, niet naar wat komen gaat.
Ik schud mijn hoofd heel langzaam heen en weer. Alles aan die gast ergert me, al zou hij me een biljet van honderd gulden geven. Wat antwoord ik, of gaat dat weer ergens anders over?
Kunnen we stellen, dat jij een beetje achteloos rondtrekt?
Met diepe en regelmatige ademhaling probeer ik nare gedachten van me af te schudden. Ik open mijn ogen en zeg tegen de Britten:
If train stops, please wake me up. Me Irish, not speak English well.
Naast me ritselt papier. Elise slaat een krant open, geleend van de lolbroeken. Het zijn geruststellende geluiden. Ze maken, dat ik voor de zoveelste keer afdwaal naar mijn ouders.
Vader maakt honderden dia’s die we in de herfst zullen bekijken. Hij stelt de projector op, rolt het scherm uit en strijkt de ergste vouwen glad. In elke dia zijn desondanks horizontale strepen te zien. Mijn moeder haalt thee uit de keuken. Dit duurt langer dan strikt nodig. Ze heeft de pest in, omdat haar boek met ingeplakte foto’s op bewondering moet wachten.
In deze stemming zal de avond verlopen.
Ik open mijn ogen en tast omzichtig in mijn kleding. De camera zit ongebruikt in een binnenzak.

Mijn vermogen tot onthouden, is beperkt en selectief. Stel je ook eens voor, wat het betekent ingeval je alles wat zich voordoet, moet onthouden en beschikbaar stellen voor heropening. We zouden constant leven in een almaar aanzwellend Pakhuis Malle Pietje.
We rijden via Lathi en Mikkeli naar Kuopio. Dit feit zal ik na thuiskomst vaststellen aan de hand van een landkaart. Waarom registreer ik het ene en verdwijnt het andere? Enkele dagen zijn we onderweg, van de ene trein naar de volgende, tussendoor rondkijken en lopen, veel lopen. De rugzak snijdt richels van pijn in mijn schouders en rug. Elise is uiteindelijk taaier dan ik. Er komt geen klacht van haar lippen over afstand of gewicht. Op zeker moment staan we boven aan een springschans. Natuurlijk ligt er geen sneeuw in de zomer. Mogelijk juist hierdoor is de diepte fysiek tastbaar. In de sneeuw verliezen afstanden hun betekenis. Ik moet er niet aan denken omlaag te suizen, de sprong te wagen. Ik zal te pletter vallen als een gelanceerd varken, morsdood. Naast de schans staat een kleinere houten constructie voor beginnelingen, kinderen en prutsers, mensen zoals ik, die een gewone huisladder hoog genoeg vinden.

De provinciestad Mikkeli bezit een zeer groene en schone camping. Op gepaste afstand van ons tentje houdt een groepje mannen krijgsraad. Een uur lang wordt vlees gekeerd op een zelfgemaakte BBQ. Een fles drank gaat regelmatig rond. Joost mag weten wat erin zit maar, gelet op de kleine slokken, zal het alcoholpercentage aanzienlijk zijn. Er wordt veel naar de grond gestaard en gezwegen. Na afloop drukt ieder zich tegen de anderen aan en vertrekt in de eigen auto.  
Ik herken de manier van doen van ons eigen platteland in vroeger dagen. De dorpssmid beoordeelde zwijgend de beschadigde voorvork van mijn brommer. We stonden in zijn half duistere werkplaats, de wanden volgehangen met gereedschap waarmee nog de kurassen van ridders waren gerepareerd. Hij demonteerde het voorwiel, zette een lasbril op en ontstak de blauwe vlam. Ik wachtte en hoorde het gas suizen. Er viel niets te zeggen. Ik rookte een sigaret en keek rond. De smid schroefde de boel weer in elkaar en drukte er een paar keer krachtig op om de vering te controleren. Tenslotte keek hij me aan: dat is dan twintig gulden

Een kennis van mij word na drie dagen Zeeland ziek van de stilte. Elke dag hetzelfde weidse uitzicht, wind in de bomen, een koppel weidevogels dat over vliegt. Hij kan elke hectische situatie hanteren, maar het ontbreken van bakens om de tijd in te delen, vliegt hem naar de keel.

De trein doorkruist bossen en kale vlakten bestrooid met kleine en grote keien uit voorbije IJstijden. Hier en daar glinstert water. Het is landschap zoals je voorstelt op een andere planeet, een plek waar tijd een andere betekenis heeft. De mens is het enige zoogdier dat zich vastklampt aan kalender en klok. Hij beseft dat zijn bestaan van beperkte duur is. Ingeval de aarde opwarmt of juist afkoelt, denkt hij aanstonds dat het einde der tijden in aantocht is. Laat in het Jura tijdvak is de waterstand wereldwijd acht meter hoger dan vandaag. Op de Zuidpool groeien varens als in een oerwoud. Om je dit voor te stellen, moet je buiten je eigen jaren en die van de hele mensheid treden.
Hetzelfde geldt voor ruimte. Worden radiosignalen uit het heelal geregistreerd, dan denken we onmiddellijk aan groene mannetjes, liefst met goede bedoelingen. Alles draait om ons. Het geloof aan een Schepper is ongetwijfeld een gevolg van ons narcisme. God schiep de mens naar zijn evenbeeld. Het is precies andersom: God is een humeurige en alziende Sinterklaas. Kosmische processen van ongekende schaal worden in ons brein gekrompen tot pathetische dienstbaarheid. Heer, ontferm U over ons.
Het landschap in het Finse merendistrict ligt er onverstoorbaar bij. Kilometer na kilometer natuur bewijst de schaal van ontoereikend tijdsbesef. Ik voel me prima in deze oneindige, schijnbaar eentonige film.

In de trein fileer ik een vers gerookte makreel. In Nederland is dit ongetwijfeld reden voor protest of een boete, maar Finnen kijken er nauwelijks van op. Ze drinken openlijk wodka, halen gebraden kippen te voorschijn en laten hun kinderen op de vloer spelen met een zak Deense Lego. Sommigen knikken je vriendelijk toe, Elise nadrukkelijker dan mij, want hormonen zijn overal de baas. Ik kijk veelvuldig naar buiten en denk aan de Russen, die hun inval van dit land moesten bekopen met een uitzichtloze partizanenoorlog. Vanuit de witte hel kwam de kogel die door een hoofd sloeg. Welk hoofd zou het eerstvolgende zijn?

De enige manier om een land definitief succesvol in te lijven, is de hele bevolking uit te roeien. De Europeanen in Amerika geraken een eind met de Indianen en dit was soms niet eens opzettelijk. Alleen al op de Caraïben is binnen een halve eeuw 80% van de oorspronkelijke bewoners dood. Het Romeinse Rijk dient Hitler tot voorbeeld in zijn streven naar het Duizendjarig Rijk. West Europese landen moeten het Herrenras dienen, maar de bevolking mag blijven leven als bakermat van een grootse beschaving.  Naar het oosten is een ander verhaal.  Lebensraum is nazitaal voor uitroeien. Maar de nazi’s overschatten zichzelf, zijn militair te zwak en aanbidden een idioot als leider. Van zijn perverse voornemens komt slechts terecht dat hij de Joden decimeert. De wereld veroordeelt hem hiervoor, maar in het voorstellingsvermogen van de mens blijft het verlangen naar stam en ras aanwezig.

22

Oulu aan de Botnische Golf is onverwacht aangenaam. Maar zelfs deze Hoofdstad van het Noorden is geen spektakel van bouwkunst en cultuur. Eerder is het een enclave in de omringende natuur. Van oorsprong is het een haven voor de uitvoer van teer. De welvaart van ooit hangt nog in de straten. De mooiste plek lijkt het strand, maar wanneer we hier aankomen, vinden we voornamelijk de aangespoelde inhoud van Zweedse vuilniszakken. Afgelegen huizen zijn tegen een dichtbegroeide bosrand geprikt. De stilte is immens.
Zes maanden per jaar zitten de mensen hier rond de kachel. Een half jaar. Elk jaar. Buiten is het stervenskoud en donker. De Finnen eten kool en stokvis. Dit is gedroogde kabeljauw, door cynische koks ook wel kabeltouw genoemd. Wil je eten, dan week en kook je de vis in melk.  In de keuken hangt urenlang een penetrante lucht. De kinderen zitten aan tafel en vinden het lekker. Na afloop wordt voorgelezen uit de Bijbel, door Luther zelf gecorrigeerd. Je bent er mooi klaar mee.

Rond het plein Kauppatori verrijzen oude pakhuizen. Van de toeristeninformatie leer ik dat de voornaamste winkelstraat in de winter over de hele lengte wordt verwarmd. De gedachte voert me terug naar de jaren rond 1960. Elke winter ligt er sneeuw. In opdracht van moeder haal ik boodschappen in het oude dorp aan de overkant van de dijk. De kromme Rechtestraat toont gele sneeuwrichels alsof er buitenshuis geplast wordt. Mijn vingers zijn zo koud dat de winkeliers mij helpen met afrekenen. Waarom heb ik dit onthouden? Waarom intrigeert het mij? Het is niet vanwege de inspanning die ik moet doen, maar om de dwang, de notie te moeten voldoen aan moeders rancune. Zoals om het afgepaste geld dat ze meegeeft: soms is het te weinig en dan kan ik nogmaals op en neer om de rest van de rekening te betalen.

In een café met een jukebox drinken we Italiaanse koffie. Ik zie dat Elise nodig naar de kapper moet. Thuis in Amsterdam, wereldhoofdstad van de verwilderde haargroei, zou mij dit niet opvallen. Hier zie ik het wel. Misschien past een mens zich aan nog voor iemand in de omgeving een mond heeft open gedaan. Op de terugweg naar het treinstation passeren we een kapsalon, maar ik loop er zwijgend langs. Elise is gevoelig voor opmerkingen van persoonlijke aard, hoe goed ook bedoeld. En wie ben ik om het woord kapper in de mond te nemen, waar mijn manen wapperen als die van de bassist van een rockband.

23

Er zijn veel argumenten om geschiedenis te studeren. Geschiedenis is het vakgebied van de eeuwigdurende discussie. Wie zijn verleden niet kent, staat onbeholpen in het heden en heeft geen benul van een toekomst. Misschien scheelt het, dat ik me over mensen weinig illusies maak. In mijn ogen zijn ze goed noch slecht. Domheid en gemakzucht zijn leidend. Mensen zijn vooral opportunisten, gemakkelijk aan te sturen met materiële voordeeltjes en onbewezen redeneringen. De Reconquista toont gelijkenis met onze eigen Tachtigjarige Oorlog. Christenen sluiten bondgenootschappen met moslims, drijven er handel mee en vechten elkaar de tent uit. Hollanders en Zeeuwen leveren slag met Spaanse galjoenen, maar verkopen hen even gemakkelijk hun superieure musketten. Deze worden tot in Midden Amerika aangetroffen. Religieuze verschillen worden opgevoerd als rechtvaardiging van dood en verderf. Daar zorgen de bisschoppen en ayatollah’s wel voor.

Een moderne fase van de onmin tussen de Westerse en Islamitische wereld gaat in met Arabische aanslagen en kapingen. Fysiek geweld uit het schijnbare niets wekt altijd dolle angst. Achter dit fysieke geweld ligt het gemakshalve vergeten systeemgeweld van het Westen. De Arabische wereld is in stukken gezaagd door koloniale mogendheden, vooral door Engeland en Frankrijk. Hier bovenop komt de stichting van de Staat Israël, gevoed met scheepsladingen overlevenden van de Holocaust. De Joden weten dat ze nergens veilig zijn of zelfs maar welkom. Hun terugkeer uit de kampen wordt in veel thuislanden openlijk betreurd. In Amsterdam wachten blauwe enveloppen van de Belastingdienst. De Palestijnse ontheemden roepen Allah aan en schieten hun wapens leeg. Alles heeft oorzaken en gevolgen. Alles werkt oeverloos door.

Onderweg kijk ik geregeld op de landkaart van Finland. Zes eeuwen lang is het land een Zweedse provincie, zij het met sterke Russische wortels. In 1809 wordt het een hertogdom en smelt alsnog samen met de oosterburen. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog roept het de onafhankelijkheid uit. Op de Bolsjewieken zit hier niemand te wachten. In 1941 komen de Russen terug, maar hun soldaten gaan massaal tussen zes planken naar huis. Het gaat er zo hard aan toe, dat de Russen na 1945 niet nog eens een landoorlog aandurven. In 1978 voel je nog altijd de dualiteit in het land: de drang naar westerse moderniteit versus het besef van de moloch in het oosten. Ooit zal de grens weer veranderen, al weet nog niemand hoe en waarom.

De trein sleurt ons door het landschap. We komen langs woongebieden, zien mooie brede lanen voorbij schieten en duiken voor een seconde in een doodlopende steeg. Schuurtjes rijgen aaneen, auto’s passeren elkaar in verschillende richting. Alles wat we zien is een seconde later geschiedenis. Lichaam en geest hebben hun eigen tempo van reizen. In gedachten kunnen we ons verplaatsen in tijd en afstand, naar verleden en zelfs toekomst, maar het is een fantasie, geen realiteit. We suggereren te begrijpen, maar zitten gewoon in een trein die bij gelegenheid achteruit rijdt.

24

Daglicht van de noordelijke zomer vertroebelt in de late avond tot grijze soep, alsof ergens een gigantische bosbrand is uitgebroken. Zo ook op de camping van Oulu, een eind op streek naar de poolcirkel. Om aan de insectenhel te ontkomen, zijn we onze Attletiikka ingevlucht. In het windstille bos zweeft een megapopulatie muggen en ze steken allemaal. Uit frustratie blaas ik sigarettenrook door het luikje van gaas. Behoefte aan slaap drukt op me, maar het licht werkt tegen.

Mijn biologische klok is al op jonge leeftijd afgesteld. Voor het raam van de slaapkamer hangen lichte gordijnen. Vroeg daglicht breekt er gemakkelijk door. Uiterlijk om 7 uur moet ik opstaan. De school begint om 8.15 uur en ligt op 20 fietsminuten, de tussenstop bij grootvader of soms een schoolvriendje niet meegerekend. Voor die tijd moet ik melk halen bij de buurman, veehouder met een paar dozijn koeien. Dit doe ik lopend met de voetbal: 20 minuten. Ontbijt vraagt nog eens een kwartier. Jas aan, schoenveters strikken, tas met boterhammen mee. Dit alles gaat zonder haast, maar wel met ijzeren regelmaat en discipline. We eten op vaste tijden: het middagmaal om 12 uur, het avondeten klokke 6. Koffie is er om 10 uur in de morgen, thee om half 4. De avond kent een vaste bedtijd, langzaam oplopend met de leeftijd, afgeremd ingeval je de volgende dag op het land moet werken. Omdat ik graag in bed lees en er geen lamp aan mag, controleert moeder geregeld of ik het gordijn in mijn slaapkamer helemaal gesloten laat. In het besef dat ik haar op de trap zal horen en dan bliksemsnel maatregelen neem, heeft zij haar tactiek aangepast. Moeder observeert mijn venster vanaf het erf. Ingeval zij op grond van haar vermoedens alsnog mijn kamer binnenvalt, treft ze mij desondanks in zogenaamd diepe slaap. Ik kan voor dood in bed liggen, mijn ademhaling vertragen, de boel besodemieteren. We spelen een serieus spelletje en ik ben er verdomd goed in.

Achter mij ligt Elise in haar slaapzak. Deze is berekend op zwoele zomernachten, maar ongeschikt voor de sterke afkoeling in het hoge noorden. Om het onderstuk van de slaapzak heeft ze plastic zakken gewikkeld. Elise is jarig en we drinken een fles Black Velvet leeg, in de taxfree gekocht en sindsdien meegesleept als handbagage. Je kunt nuttelozer zaken bij je hebben.
Ik sterf het af en ben bijna dronken.
Ik weet het en heb alvast een pannetje klaargezet, mocht het tot braken komen. Dit is om meerdere redenen niet te hopen: het is raadzaam de tent gesloten te houden en in het pannetje wordt nu en dan eten opgewarmd. Door het muggengaas heb ik zicht op een groepje Finnen, een familie zo te zien. De man en zijn opgeschoten zoon roosteren worsten op een vuurtje. Zo nu en dan delen ze uit aan de anderen die er voorzichtig hun tanden inzetten en stukken afbijten. Het hele groepje zit aan de kant waarheen de rook trekt, uiteraard vanwege de muggen.
Moeten we echt helemaal naar de poolcirkel?
Een vraag die timide klinkt, maar in de kern een besluit inhoudt. Elise is de situatie zat en verlangt naar meer bewoonde oorden. Mijn zwijgen is reden om haar woorden kracht bij te zetten.
Je schijnt te denken dat ze daarginder een touwtje om de aarde hebben gespannen. Je neemt een aanloop en springt erover. En wat dan nog?
Ik verwacht evenmin een verrassing daarginder. Het bereiken van de poolcirkel is een symbool, zoals je door Neptunus ritueel de oren gewassen krijgt ingeval je voor het eerst met een schip de evenaar passeert. Ik heb de vraag voorvoeld.
Joulupukki, de Kerstman woont bij Rovaniemi op de Poolcirkel. Hij heeft een 100 meter diepe grot waar het speelgoed voor de kinderen wordt gemaakt. Wil je hem niet spreken?
Elise geeft op haar beurt geen antwoord. Ik heb met verwijzing naar de Kerstman een beetje mijn eigen graf gegraven. Haast is geboden om de stemming goed te houden.
Ik heb geen verjaardagscadeautje voor je meegebracht. Het spijt me.
Dat ik zelf weinig om cadeautjes geef, is geen excuus.

25

Elise gaat voor een paar uur in haar eentje op stap. Ik kijk toe hoe zij haar schoenen en het rode zomerjack aantrekt. Halfslachtig probeert ze mij tot meegaan te bewegen. Ik heb weinig reden op de camping te blijven hangen, maar de onderlinge stemming weerhoudt me.
Dan zoek je het maar uit. Als je liever aan je ballen blijf krabben.
Door het nachtelijk zweten in mijn nylon slaapzak krijg ik onweerstaanbare jeuk. Mijn nagels zijn scherp tot mijn eigen nadeel. Ik kijk Elise na tot ze uit beeld verdwijnt. Bij de ingang van de camping stopt geregeld een busje, waarmee je naar de stad kunt.

In de beschutting van de tent smeer ik mijn kinderbijslag in met een vette handcrème. Aanraking van de edele delen leidt onvermijdelijk tot verlangen naar seks. Tussen Elise en mij verloopt dit niet zonder strubbelingen. Gemakzuchtig als ik kan zijn, wijt ik dit graag aan het feminisme, meer precies de gevoeligheid van Elise hiervoor. De studentenwereld is per definitief links, gericht op aanwijzen van wat niet deugt. Op straat in Amsterdam marcheert een groep vrouwen, al zie ik hier en daar ook een man, een gedoemde geitenwollen sok. Hij mag ook mee roepen: Ah bah! Ah bah! Abortus!  De vrouwen willen baas in eigen buik zijn en gelijk hebben ze. Ben je ongewenst zwanger, dan moet je de foetus kunnen laten wegnemen en wel in een behoorlijke kliniek en dus niet op achterop de brommer over een parcours van losliggende straatstenen.
In het christelijk moralistische Nederland wordt abortus botweg tegengewerkt, voorgesteld als de gemakzuchtige wens van vrouwen om van zwangerschap af te komen, de verantwoordelijkheid voor het kindje te ontlopen. Liever dan mededogen te tonen, helpen ze de vrouw in nood aan een schuldcomplex. Tot zover ga ik helemaal mee in de protesten.

Waar het aankomt op mijn persoonlijke sfeer, reageer ik een stuk primitiever. Elise heeft enorme hekel aan het slikken van anticonceptie ofwel de pil. Ze dringt aan op het gebruik van condooms, maar na twee pogingen weiger ik deze verder te gebruiken. Niet alleen wordt elk verlangen hiermee om zeep geholpen, er zit ook een kant aan die je bijna mechanisch kunt noemen. Seks hebben, wordt een klusje, helemaal waar ook nog zaaddodende pasta moet worden aangebracht. Mijn bewering, dat ik best de pil zou willen slikken ingeval er zoiets bestond, is natuurlijk gratuite: er bestaat geen mannenpil. De patstelling zal aanhouden zolang onze relatie duurt. Al die tijd vergalt wrok over de mannenmaatschappij minstens een deel van het plezier dat seks zou moeten brengen.

Na een uur arriveert een touringcar in helder wit en oranje. Op de zijkant staat Destination Tours, samen met het logo van opengevouwen handen. Ik lig voor de tent in het zonnetje en stel vast dat een legertje gemengde leeftijd enkele legergroene tenten van eenzelfde model formeert tot een nederzetting. Een lange kerel met een baard geeft aanwijzingen. De stemming daarginder is opperbest. Aanvankelijk denk ik aan een zomerkamp voor jongeren, maar er zijn ook volwassenen, een enkele zelfs met grijs haar. Met matige belangstelling kijk ik toe en blijf gewoon liggen. Ik sukkel zelfs in slaap, of zeil af naar een gewoonlijk afgesloten laag van bewustzijn. Dromen zijn geen onbegrijpelijk filter voor de werkelijkheid; ze halen het filter juist weg. 
Elise zal me verlaten.
Het zal nog jaren voor dit gebeurt. De beslissing om de ander te verlaten, valt lang voor de uitvoering. De oorzaak is meestal emotionele verwaarlozing, gebrek aan aandacht en respect.   

Uit het tentenkamp klinkt applaus. Met een schok wordt de werking van mijn zintuigen hersteld. Ik hoor een trommel en getokkel van een banjo. Ik open mijn ogen en word me bewust van een jonge vrouw die, alleen en een stukje achter de reisbus, boven een plastic teil handdoeken staat uit te wringen. Er is altijd iemand die voor het echte werk opdraait.
Ik kom overeind, rek mijn spieren als een kat en slenter in haar richting. Ik ben nieuwsgierig, maar tegelijk bereid onmiddellijk de aftocht te blazen. Eigenlijk geloof ik niet helemaal wat ik doe.
Hoi!
Ik spreek de vrouw aan, maar in eerste instantie blijft een reactie uit. Nog maar eens proberen.
Hallo!
Het handwerk kost haar duidelijk moeite. Badlakens kun je beter samen uitwringen. Haar zwarte haren glijden met een ruk naar links wanneer ze opkijkt. Ze klinkt afwezig.
Can I help you?
Ze is misschien begin 30 en heeft een gebit als een achterbuurt. Ze laat het uitgewrongen textiel in het gras vallen. Van klussen die te zwaar zijn en die je toch moet doen, weet ik alles. Met 13 jaar lig ik in het ziekenhuis met een liesbreuk, opgedaan in de rode bieten oogst: slepen met kisten van 25 kilo.
Are you OK? You want me to help you with the towels?
De vrouw werpt de laatste handdoek van zich af. Ze kijkt opnieuw naar me, nu met een brede glimlach.
You know something, I’m happy to tell: Jesus loves you!
Verstijfd blijf ik staan en kijk onwillekeurig om me heen. Op Jezus heb ik even niet gerekend. Ben ik bij een sekte beland? Je hoort soms van bijeenkomsten op de Veluwe voor gezinnen waar polio normaal gevonden wordt. Meisjes met blije gezichten zingen een psalm. Jaren later staat de groepsleider voor de rechter wegens losse handjes. Ik antwoord met een traagheid alsof ik eerst alle woorden in een dictionaire moet opzoeken.
Jesus is dead.
Geen reactie. Ik had de Bijbel uit het hotel mee moeten brengen en doen alsof ik eruit voorlees. Met tegenzin schiet me te binnen dat Ramón een Bijbel bij zich had, een kleintje weliswaar. De stoïcijnse houding van de vrouw begint een beetje op mijn zenuwen te werken. Ik roep met eveneens luide stem, iets dat helemaal niet bij me past.
I love Black Sabbath. How about you?
Ter illustratie spreid ik mijn armen, als een gekruisigde. Dat de band zijn naam niet uit duivelse inspiratie aannam, maar gewoon omdat een gat in de markt werd vermoed, weet bijna niemand.
De vrouw diept een groot formaat pollepel uit de teil, als heeft ze van het wasgoed bouillon getrokken die geproefd moet worden.
Jesus is everywhere! And he really cares!
Bijna dreigend zwaait ze met de pollepel in mijn richting.
Ik blijf staan, aarzel of ik nog iets moet zeggen. Het is lang geleden dat er Jehova’s of soortgelijke dwaallichten bij me aanbelden. In Amsterdam zie je ze weinig. Onwillekeurig vraag ik me af hoe het zal zijn seks met deze vrouw te hebben. Haar gehavende gebit is geen uitnodiging, maar ik sta al weken droog en het luieren in de zon maakt me hitsig.
Dan valt mijn oog op de touringcar. Geplakt tegen de zijkant staat de grote kerel met de baard, zijn armen over elkaar geslagen. Het is duidelijk dat hij ons gadeslaat. Ik wijs de vrouw op zijn aanwezigheid.
You’re right, the Lord has arrived.

26

De boemel naar Kemi wordt getrokken door een diesel locomotief. Een elektrische bovenleiding is op deze breedtegraad geen optie wegens zware sneeuwval in de winter. De locomotief schakelt als een vrachtwagen en stinkt nogal. De rijtuigen zijn ouderwets gelambriseerd met echt hout. Zitplaatsen zijn keihard. Je krijgt een indruk hoe reizen in de jaren 50 eraan toeging. De weg naar de poolcirkel gaat niet over rozen.
In de trein ligt een achtergelaten Finse krant. Een Roemeense generaal loopt over naar het westen. Ik herken het onvertaalde woord Securitate. De man lacht breed, tevreden met zijn geslaagde ontsnapping. Begrijpt hij niet, dat hij tot in lengte van jaren achtervolgd zal worden door Roemeens tuig met messen en giftige injectienaalden? Helemaal achterin de krant, bij de rubriek voor radio en tv, treedt bredere herkenning op. Tv lijkt in heel Europa nergens naar.
Een ulkonäkö rond Boney M., By the rivers of Babylon. Daarna een episodi van All in the family, met Archie en Edith Bunker. Op het andere net een cowboyfilm met Terence Hill en Bud Spencer. Bij nader inzicht blijkt de krant drie weken oud. Iemand heeft er een boterham met aardbeienjam op gegeten. Pagina’s plakken aan elkaar en wekken de indruk van een bloedig misdrijf.

Eenmaal op het station ben ik onpasselijk van de dieseldampen. Het vooruitzicht nog een kilometer of drie te moeten lopen naar de camping schrikt me af, te meer daar meerdere rugzaksjouwers deze tocht beginnen. Ik heb geen zin straks met 15 onbekenden bij de receptie te staan.
We nemen een taxi en ervaren ineens de luxe van Mercedes. De chauffeur spreekt een soort Engels. Hij knikt dat de kwestie hem volkomen duidelijk is. Hij vraagt zelfs of we nog andere leiriläiset willen meenemen om de individuele prijs te kunnen drukken. Waar kom je zo’n man tegen?
Zonder Elise een kans te geven een of andere troubadour met een tas van 100 kilo bij ons uit te nodigen, wuif ik dit voorstel resoluut van de hand: rijden, wegwezen hier!

Eenmaal in het zachte leder, voel ik de spierpijn van de treinreis pas ten volle. Als het zo doorgaat, eindigt deze reis met een hernia. Elise vergaat het weinig beter. De koude tentbodem in de nacht is funest voor je rug. Met een zeker leedvermaak wijs ik op sjokkende kampeerders langs de weg.
Kijk hoe soepel wij erlangs glijden. Wij hebben straks de eerste keus als het gaat om een mooie plek.
Elise protesteert niet tegen mijn soms als asociaal omschreven opstelling. Ik zie dat zij zich overgeeft aan het genot van een soepele zetel. Bij het afscheid geef ik de chauffeur een flinke fooi. Geld komen we sowieso tekort deze vakantie. Daar behoeft een goede taxichauffeur niet onder te lijden.

27

Pas achteraf kun je het leven naar waarde schatten. 1978 is het laatste volle jaar dat we op onze plek in de Amsterdamse binnenstad wonen. De etage op de eerste verdieping is krap bemeten, slechts twee kamers met een apart keukentje, alles bijeen misschien 40 m2. Gezellig is het wel, met dank aan de meubels van de huurbaas: gordijnen van velours, een oude kolenkachel, een bankje met plek voor drie. Het is een 18e eeuws huis, met een tastbare woongeschiedenis. De binnenwanden zijn betengeld. Tegen het ruwe metselwerk zijn latten getimmerd, bespannen met linnen, overtrokken  door generaties behang. Hierachter wonen muizen. Wanneer ik in de nacht of vroege ochtend studeer, hoor ik ze op en neer roetsjen met hun scherpe nageltjes. Eenvoudige schuifdeuren geven toegang tot de slaapkamer met ons bed, in de breedte ondersteund door metalen buizen die ik heb laten lassen om doorzakken tegen te gaan. Hier staat ook de boekenkast, aangevoerd per bakfiets van het Waterlooplein. De kast blijft ook na intensief reinigen een penetrante lucht van Chinese maaltijden uitzenden. Ik schilder het kreng, maar zelfs dit is niet afdoende.
De separate keuken is in slechte staat. We knappen het plafond op door er laminaat tegen te kitten. Wat ik niet kan weten, is dat dit plafond meer dan veertig jaar bewoning zal doorstaan.

Vanuit de woning hebben we zicht op de winkelstraat. Het gaat slecht met de middenstand. Veel winkels zijn achterhaald: ik weet een etalage waarin een nieuwe petroleumbrander staat alsof het 1958 is. Op een nacht vliegt de snackbar in brand en twee weken later een volle afvalcontainer op 25 meter van ons bed. De brandweer schoffelt enkele auto’s opzij die fout geparkeerd staan en de doorgang belemmeren. Aan de overzijde van de straat woont een oud echtpaar. De man heeft Parkinson. We groeten elkaar bij gelegenheid en dan wacht ik keurig tot buurman het voor hem inspannende heffen van zijn hand heeft volbracht. Op zekere dag blijven de gordijnen gesloten. In de namiddag komt een lijkwagen voorrijden. Elise en ik vragen ons af, hoe je een doodkist op waardige wijze de smalle trap afkrijgt. De gordijnen gaan weer open, maar blijven een maand later opnieuw dicht. Bij de slager vernemen we, dat nu de vrouw is overleden. Ik zal nooit weten wie deze mensen waren.
De afgeleefde woning wordt betrokken door een alleenstaande gast met een woeste haardos. Hij studeert al 10 jaar psychologie en klust bij in het distributiecentrum van Boek & Plaat. In zijn vrije uren trakteert hij het pand op een drumsolo. Hij vraagt me langs te komen, maar hier komt het niet van. Drie maanden later is ook hij verdwenen.

28

In het dennenbos van Kemi moet je maar zien hoe een tent op te zetten. De bodem is van leem, bezaaid met keien die erboven uit steken alsof we op een verwaarloosd kerkhof staan. Een trechter van muggen hangt permanent boven ieder van ons. De bijna onzichtbare hittysiä komen daar nog overheen. Aanvankelijk sla ik een aantal van de lastposten dood, maar de overmacht wordt me snel duidelijk. Ter plekke besluiten we, onderhand genoeg naar het noorden te zijn opgerukt. Het blijft warm weer, dus aan de poolcirkel zal ons niets dan de muggenhel wachten. Misschien hebben onze studievrienden gelijk: lekker in een airco gekoelde autobus naar Barcelona, aanhangen tegen een onbekende meid uit Bilthoven die denkt dat dit allemaal zo hoort. Bij het campingwinkeltje halen we kleffe broodjes en een blik knakworst. Veel verder reiken de culinaire mogelijkheden niet.

Kijk, Nederlanders!
Elise heeft het goed gezien. Zodra onze tent redelijk staat, vluchten we het open veld op. Naast een half afgebouwde barak staat hun Citroen 2cv, de bekende Lelijke Eend. De Finse benaming kan Ruma Ankka zijn, maar misschien gaat dit over een kwakende bastaard eend met gele poten. Wil je Fins leren, dan begin je het beste wanneer je nog helemaal geen idioom bezit. Het is buitengewoon hoe een kind wijs wordt uit het klankenspectrum van zijn omgeving. Om dit als volwassene te presteren, is ronduit onbegrijpelijk.
We kunnen gewoon aanschuiven. Elise is blij met landgenoten van onze leeftijd. Je doet nieuwtjes op, hoort de eigen taal, ervaart vertrouwdheid.  Ik steek een sigaret aan en kijk toe. Eigenlijk rook ik niet meer, maar het is er weer van gekomen.
Wat moet ik nu weer naar huis schrijven?
De stem behoort toe aan een jongeman met een sikje. Hij klinkt eerder hulpeloos dan opstandig.
Kunnen we niet een paar dagen overslaan?
Wie zich afhankelijk opstelt, nodigt anderen uit. Beslissingen worden genomen, zelfs ingeval er niets wordt besloten. Ik heb de jongen nog nauwelijks gezien, of ik voel balorigheid. In gedachten snauw ik hem aanstonds een antwoord toe.
Overslaan?! Wat zeg je daar! Een paar dagen?! En je arme ouders, denk eens aan hen!
Op bijval behoeft hij niet te rekenen.
Je kunt er een tekening bij maken. Dat is weer eens wat anders.
De vriendin van de jongen heeft het allemaal in haar hoofd. Sommige vrouwen zijn vastbesloten de partner te modelleren. Probleemloos accepteren dat de ander geen zin heeft tijd te verdoen aan het schrijven van kattebelletjes is hen niet gegeven.

De Nederlanders komen uit Nijmegen, zijn werkzaam in de verpleging en volgen cursussen. Dit verklaart dat er een auto kon worden aangeschaft, weliswaar een 2CV. Ik bezit rijbewijs noch auto, maar mijn dromen gaan over Jaguar en Alfa Romeo, niet over een verdomde Eend. Toch benijd ik hen, omdat zij hun eigen gang kunnen gaan, stoppen waar het uitkomt, onderweg een ijsje eten, je verrekijker pakken om een eland te volgen.

Het gesprek over contact met ouders sleept zich voort, terwijl de stapel leuke kaarten slechts langzaam slinkt. Elise doet haar best de stemming erin te houden. Onvermoeibaar stelt ze vragen en probeert hoe dan ook te blijven plakken. Zij schenkt zoveel thee uit de pot rond, dat er voor mij niets over blijft. Ik zet een ketel vers water op de brander van de camping, minder omdat ik thee wil dan om te demonstreren dat ik ben overgeslagen. De vlam is zwak, het gas komt uit een tank waarop Russische letters staan. Terwijl ik staande wacht, heb ik tijd om over mijn eigen ouders na te denken.
Het is goed mogelijk dat ze op minder dan honderd kilometer van hier zijn. Vader maakt dia’s van bloemen en kevers. Dit doet hij met zijn Nikon 55mm 3.5 ai, een macro lens van ongekende scherpte. Hij kruipt rond op zijn knieën om dichter bij het onderwerp te komen. Moeder heeft een meer algemene belangstelling maar staat steevast te veraf van elk onderwerp. Zij maakt geen dia’s, maar foto’s in zwart-wit, die ze zelf afdrukt en naderhand inplakt. Moeder zit graag aan tafel. Ze zal er een leven mee vullen.

29

Ik concentreer me op het verrichten van concrete handelingen. De theepot vullen met kokend water, heen en weer marcheren naar onze tent om een extra kopje te halen, omdat er een kapot valt op de tegels onder de campingtafel. Buiten mijn schuld. Ik bied geen sigaretten aan. Tijdens mijn vroegere rokersleven heb ik er honderden uitgedeeld en nu houdt het even op. De Nederlanders draaien trouwens uit Nijmegen meegebrachte shag van Jacobs, een product dat uit afgeschoren schaamhaar zal bestaan: de geur is penetrant. Wanneer ik dan toch ga zitten en er een stilte valt, steek ik kalm een verhaal af.
Daarnet sprak ik een Oostenrijker. Op de zijkant van zijn caravan staat Nordkapp – Wien.
Mensen horen liever snel de clou, maar daar trek ik me niets van aan.
Ik vraag die mensen: Sind Sie schon am Nordkapp gewesen? De Wener antwoordt: doch, doch en wijst naar het rendiergewei op het dak van zijn auto. Aangezien ik geen verstand heb van geweien, vraag ik wat dat ding zu bedeuten hat.
De anderen luisteren nauwelijks. Misschien moet ik op dezelfde toon beweren dat de man zijn jongeheer tevoorschijn haalde, of op het dak van de auto een tas aantrof met 180.000 Amerikaanse dollars. Mijn oog valt op Elise. Ze ziet er een beetje wanhopig uit. Ik krijg veel zin een harde klap op het tafelblad te geven: Alarm! die gast heeft een opgegraven landmijn in zijn kofferbak!
Voor zelfbeheersing verdien ik een medaille. Ik hervat mijn exercitie.
Die man zegt: ja, das ist ein Souvenir, das hat mich – of mir, dat wil ik in het midden laten, nur zehn Marken gekostet. Met een tangetje prutst hij het gewei van het dak, omdat hij een eind gaat wandelen en bang is voor diefstal. Ich fürchte Dieben, zegt hij. Zo rijdt hij door half Europa! Elke dag een gewei op en af je autodak, helemaal tot aan zijn huis in Wenen.
Alsof ik een dag met honderd kilo op mijn rug heb gelopen, zwijg ik. De nieuwe vrienden uit Nijmegen lachen plichtmatig. Een beetje besmuikt beginnen ze aan het adresseren van de enveloppen en het plakken van zegels, postmerkkejä.

30

De trein rijdt en rijdt. Elise dommelt in haar verstelbare stoel. Af en toe diept ze een tijdschrift op, een echte Libelle, gekregen van de gasten uit Nijmegen, Havana aan de Waal.
Het vliegtuig waarin ik zit, bestaat alleen in mijn droom. Het zeilt tussen stapelwolken die de gezichten aannemen van collega studenten die er de brui aan hebben gegeven en dat zijn er nogal wat.
De trein maakt stotende bewegingen. Kennelijk wordt een wissel gepasseerd of we zijn finaal van het spoor geraakt. Ik voel me allerminst in orde. Het kan vermoeidheid zijn, of gebrek aan behoorlijke maaltijden.
Het bonken van stalen wielen op de rails zou geruststellend kunnen zijn. Ik ervaar het eerder als het tikken van een klok met teruglopende wijzers. Elke seconde dat er niets gebeurt, is meegenomen. Niet dat ik een concrete gebeurtenis heb te vrezen. Er komt ongetwijfeld geen gek met een mes, geen doorgesnoven junk die geld eist. Evenmin ligt er een blok beton op de spoorwegovergang. Mijn vrees is vager en dreigender: de beslissende mededeling door een arts of de plotselinge aandrang van een brug af te springen in een rivier die mij zal meesleuren. Ooit komt er een dergelijk moment.
Met 14 jaar overweeg ik meermaals me van kant te maken, misschien gevolg van een onaangename gebeurtenis, een aaneenschakeling van situaties, de ervaring van uitzichtloosheid zonder te weten wat de oplossing zou kunnen zijn. Ik heb me vaak afgevraagd of dit aandachttrekkerij was, de bekende kreet om hulp. Ik vermoed, dat impulsiviteit past in een levensgang van onbestemde angst. Het is een instinct, een uitweg. Het is de notie dat je er alleen voor staat en dat je daarmee ook kunt doen wat in je opkomt, aan niemand verantwoording behoeft af te leggen.

Ik zie ineens Elise thuis, in Amsterdam. Zij hangt op de bank en leest een pamflet dat is uitgegeven door een feministisch clubje. Op de kaft staat met grote letters BOM: Bewust Ongehuwde Moeder.
Elise leest geconcentreerd, onderwijl knagend op haar vingernagels.
Vrouwen die een kind willen, zijn beter af zonder man, luidt de verfrissende boodschap. Er staan ook een paar lesbiennes in het blad die zich voor de foto in vormloze tuinpakken hebben gehesen. Zo zijn ze minder geschikt als lustobject, de ultieme gruwel van de lesbo’s in de stad.

Gerbrand heeft een lesbische buurvrouw, de dikke Renee. Al de eerste keer dat ik het trappenhuis naar zijn zolderkamer aan de Zeeburgerdijk beklim, maak ik kennis met haar. Haar kont is massief. Ze kan me gemakkelijk verpletteren.
Je moest eens weten wat ik op straat allemaal naar mijn hoofd geslingerd krijg!
Van Elise hoor ik dergelijke zaken nooit. Naar Elise wordt gefloten.
Wat roepen ze dan?
Renee negeert mijn gevaarlijke vraag. Ze heeft een boormachine nodig en lijkt teleurgesteld dat Gerbrand er geen heeft. Kennelijk komt het idee niet bij haar op er zelf een te kopen. Renee zucht en hangt onderuit in de enige leunstoel die de zolderkamer rijk is.
We moeten van haar eens goed nadenken over male domination in de maatschappij. Wie moet er altijd met het wasgoed naar de wasserette: de man of de vrouw? Daar heeft ze een punt, maar ik kijk wel uit haar gelijk te geven. Ze zal een volledige bekentenis afdwingen en mij daarna castreren ten overstaan van haar zusters in het nieuwe Vrouwencafé Saarein, op steenworp afstand van Elise’s opleidingsgebouw.
Daar heb jij toch geen last van? Je woont zonder manspersoon, heb ik begrepen.
Ik gloei bijna van trots, dat ik dit in onbruik geraakte woord heb gevonden: manspersoon. Zelfs Gerbrand onderkent mijn kleine taalkundige triomf en grijnst zoals alleen hij dit kan: zonder iemand te kwetsen.
Nee, natuurlijk niet! Waar zou ik een man voor nodig kunnen hebben!
Om een boormachine van te lenen, toch?
Renee kan er gelukkig om lachen. We draaien een sjekkie van haar pakje Samson, zo is ze ook wel weer. Het is niet alles Schmerz und Leidenschaft. Op de wc controleer ik of mijn zaakje nog intact is. Haar man vijandige gedram draineert elk restje testosteron.

Een half jaar later ontmoet ik haar opnieuw. We helpen beiden met het kraken van een woning in de binnenstad. Tegenwoordig is de plek een A-locatie zoals het heet. Het betreft een etage op de eerste verdieping, gelegen tegenover een chique hotel. Renee heeft een bakfiets meegebracht. Dit lijkt handig, maar een van de banden is lek. De bakfiets trapt loodzwaar. Mijn voorstel, liever een bestelauto te huren, wordt weggehoond. Gemotoriseerd verkeer is voor burgers en kapitalisten. Op gemoraliseer zit ik niet te wachten en daarom ik laat haar ploeteren.
De kraak verloopt rustig. Je zou bijna denken dat we eigenaar van het pand zijn en kunnen doen wat we willen. Na afloop zitten we bijeen. Er is volop bier en bij gebrek aan een toilet pissen wij mannen in de wasbak. Vanachter het raam zwaaien we naar hotelgasten aan de overzijde van de straat. Renee heeft goed nieuws: ze gaat werken in een tehuis voor gehandicapten in Ierland! Daarginder pakken ze het veel humaner aan dan in Nederland. Ik begrijp dat er ook iets van religie meespeelt. Het zal wel. Er staat een hek om het terrein van de stichting. Of dit dient om mensen buiten of binnen te houden, blijft in het ongewisse. Zaak is dat Renee voorgoed zal verdwijnen. Om dit te vieren, bied ik haar spontaan een sigaret aan, een echte Craven A, corktipped, gekocht van werkgeld.

We kijken maar weer eens uit het treinvenster. Uitgebreide tuinbouwgebieden glijden voorbij. Dit is de bakermat van de Finse sperziebonen, aardappelen en goudrenet appels. Hier zullen ook wel kinderen de hele dag in touw zijn om hun ouders te helpen: komende winter kun je nog lang genoeg niksen. We naderen Turku, havenstad aan de zuidwest kust, meer Zweeds dan Fins. Wegens geldgebrek blijven we zitten. De kamer in Hotel Academica en vervangende aankopen hebben onze middelen flink aangesproken. De essentie van het land heb ik naar mijn indruk toch al gemist; dat krijg je met compromissen. De poolcirkel blijft buiten bereik, net als de uitgestorven gebieden langs de grens met Rusland. Hier zijn natuurlijk goede redenen voor, maar redenen verliezen hun waarde, feiten niet. Een paar uur later rolt de trein Helsinki binnen. Het stratenplan komt ons bekend voor.

31

We komen ertoe, de Dom van Nicolaas I te bezichtigen. Je moet toch ergens zijn geweest. Het witte gebouw met z’n groene koepel domineert de binnenstad en doet meer denken aan een moskee dan aan een Lutherse kerk. Toch heet de bouwmeester toepasselijk Engel. Je moet steile stenen trappen op om er te komen. Hier hokken studenten en toeristen gezellig samen in het zonnetje. Het voorliggende plein is meer geschikt voor een militaire parade: iets met gepavoiseerde paarden en bronzen kanonnen. Het interieur van de Dom is sober en een beetje kil: luisteren, zingen, bidden. De sfeer doet denken aan een ziekenhuis. Elise is van huis uit gewend aan uitbundige Roomse kerken en vindt dit maar niets. Mij bevalt het wel: toeters en bellen passen niet bij een nederige opstelling ten aanzien van de Heer, al bestaat Hij net zo min als Joulupukki de Kerstman. Na afloop eten we een broodje in het park, uitzicht op fonteinen. Ons is evenwel weinig rust gegund, want er zwalken alcoholisten rond. Op niet meer dan enkele meters afstand zakt een man onderuit tegen een lantaarnpaal, dronken of dood. Ik wil nergens bij betrokken raken en trek Elise mee.

Wat kan mij een kapseizende alcoholist schelen? In Amsterdam beland ik enkele jaren later in een vergelijkbare situatie. Tijdens de pauze van het werk maak ik een ommetje. Het is februari en rond het vriespunt. Voor de lang gerekte etalage van een winkel in stereo apparatuur ligt een man op de grond. Hij is zeer onverzorgd en heeft gebraakt. Uit het blauw aangelopen gezicht steekt het onderstuk van zijn kunstgebit. Er blijven nog een paar mensen staan. Iemand schudt een beetje aan de man, maar er komt geen respons. De eigenaar van de winkel heeft in de gaten wat er aan de hand is, maar blijft binnen. Ik zie dat hij de telefoon opneemt en gaat bellen. Ik zou de man op de straat moeten helpen, misschien mond op mond beademing moeten toepassen. Dit nalaten kan zijn dood betekenen, al is het mogelijk al zover. Ik weet dat ik misschien verantwoordelijk ben, maar ik doe niets en het interesseert me geen bal. Ik heb niets met mensen die zich met alcohol of drugs in de vernieling helpen en daarvan zijn er vele in Amsterdam. Op het werk zwijg ik over het voorval. Over de afloop verneem ik niets meer.

32

Na een nachtje op de drukke stadscamping lopen we naar Travela, het studentenreisbureau. Ik verzoek Elise buiten te wachten, want elk toeziend oog kan ik missen als kiespijn. De vrouw van een paar weken terug is vervangen door een man, een dikke met doorlopende wenkbrauwen. Ik leg de retourtickets op de balie en houd me van de domme. We zijn te vroeg of te laat voor de vlucht naar Schiphol, net hoe je het bekijkt. De uitleg van de man zou ik zelf kunnen oplepelen, alsof ik hem moet inwerken. Geen nood: we krijgen het voorstel om de tickets in te wisselen voor een terugreis per schip en trein. Er behoeft niets te worden bijbetaald en evenmin krijgen we iets terug. De lautta ofwel veerboot is eigendom van SILJA en ligt al in de haven. Vanaf 5 uur in de middag mag je aan boord. Afvaart naar Stockholm in de avond. De tocht duurt de hele nacht. Ik heb in een krant gelezen dat voor de Zweedse scherenkust een Russische onderzeeboot is gesignaleerd. Stel je voor dat het hommeles wordt: op sommige plekken is de Oostzee meer dan 200 meter diep. Ik haal mijn schouders op.  Een vliegtuig kan neerstorten, een schip zinken. Ik loop naar buiten om Elise het goede nieuws te vertellen.

Achter mij wordt de glazen deur van Travela in het slot gedraaid. Het lijkt alsof de balieman het welletjes vindt voor vandaag. Altijd die lastige studenten. Eenmaal buiten, staat Elise prompt voor me. Ze maakt een opgewonden indruk.
Weet je wie ik daarnet heb gesproken?
Kennen wij beiden iemand die uitgerekend in Helsinki opduikt? In een flits laat ik studenten en docenten de revue passeren. De mensen willen het Pantheon zien, een schilderscursus in een boomgaard volgen, zuipen op muziek van Barbara Streisand.  Dat is hier allemaal niet. Zelfs overweeg ik even dat mijn ouders zijn gearriveerd. Ze komen de Dom bekijken om foto’s van het plafond te maken. Ik haal mijn schouders op.
Ramón! Hij vaart vannacht ook naar Zweden. Straks kunnen we samen eten, dat is gezelliger.
Mijn gezicht zal een encyclopedie van stompzinnigheid uitstralen. Het zal toch niet waar wezen dat die halve zool weer in beeld is? Heb ik hem misschien bij de Domkerk over het hoofd gezien?
Geintje! Eindelijk heb ik jou eens te pakken!
Een halve minuut later kan ik er wel mee lachen. Maar het is vooral opluchting die mij beweegt.

33

De haven van Helsinki is integraal onderdeel van de stad en ligt dus niet kilometers verderop tussen betondozen van industrie en overslag. Het schip ligt vlakbij aangemeerd. De zijwind is spierwit en torent hoog boven ons uit.
Straks open buffet. Eindelijk eten tot we vol zitten. Een fles wijn op tafel. Voor noodgevallen heb ik altijd een paar tientjes in de voering van mijn jas.
Het laatste halfuur van ons bezoek aan Finland zitten we samen op een dukdalf, de ruggen tegen elkaar gedrukt. Anderen hebben mazzel met een bankje, maar de meesten moeten staan, van het ene been op het andere. Om precies 17 uur opent een luik in de zijwand, waarna een loopbrug naar buiten schuift, traag en zoekend als een reptiel. Tijd om aan boord te gaan. Ik voel in mijn jas naar de vouchers en stuit op de camera. Nog altijd zou ik een foto kunnen maken, maar ik heb er geen zin in.

Op het schip kun je geld wisselen: van Fins naar Zweeds of andersom, Duitse Marken zijn er volop en zelfs Nederlandse guldens. Op een bord achter de balie staan de koersen genoteerd. We overhandigen ons restkapitaal aan Finse Marken en delen de opbrengst. Een cabine voor de nacht hebben we niet. Je ligt er met vreemden en het vooruitzicht diep in de buik van een schip te zijn opgesloten, staat me tegen. Als ik toch moet verdrinken, dan liever in open zee en bij mijn volle verstand. Evenmin beschikken we over een ligstoel, die je bij Travela voor een schappelijke prijs kon huren. Eenmaal aan boord, valt er niets meer te boeken. We moeten maar zien hoe we de nacht doorkomen. Om precies 18 uur lopen we het restaurant in om te eten: een uitstekend buffet voor hongerige studenten.

Beiden zijn we voor het eerst op een groot schip. Het is een leuke ervaring om trappen op en af te lopen, vanaf de brug neer te kijken op stad en kade. De motoren draaien lang voor het schip echt van wal gaat. Trillingen trekken door de stalen wanden en vloeren. Je voelt de kracht van de machines en evengoed weet je dat op volle zee ieder schip kwetsbaar is: een simpele aanvaring of een sufferd die verzuimt de laaddeuren goed te sluiten en je gaat naar de diepte. Na het diner gaan we opnieuw aan dek, nu om een taxfree flesje Koskenkorva te legen. De zon zakt eerder weg dan een paar dagen terug in Kemi. Vanuit het zuiden kruipt de herfst omhoog tegen het noordelijk halfrond.

Je kunt naar believen neerstrijken op stoelen die voor overdag zijn bedoeld. Erg comfortabel zijn ze niet en de nacht gaat lang duren. Het afslaan van een slaapzetel is een domme bezuiniging.
Alsof we er werken, lopen we geregeld het halve schip af, langs gokhallen en bars, een batterij toiletten, afgesloten deuren waarachter de cabines met echte bedden zijn. Tien minuten bekijken we de kookplek van een restaurant waar een paar broodmagere vrouwen korsten van de pannen bikken. Langzaam valt de nacht. De kust verdwijnt uit beeld. Slechts de schuimbaan achter het schip resteert als bewijs van onze voortgang. Van Helsinki naar Stockholm in dit tempo neemt 16 uren.
Van een verlaten maar gereserveerde slaapstoel confisqueer ik een Herald Tribune. Er staat een artikel in over de ramp op een kampeerterrein bij het Spaanse Tarragona. Hier is een tankwagen met 40.000 liter vloeibaar propyleengas op een camping gestort en ontploft. Er zijn 216 dode kampeerders, waaronder 10 Nederlanders. Vanaf de foto’s kun je de hel bijna ruiken.
Ik leg de krant naast me om hierover na te denken. In mijn verbeelding zie ik al nauwkeurig hoe het ons was vergaan.
We komen laat aan op de camping. Ons tentje is van weinig belang voor de campingbaas die liever caravans en campers afrekent. Na veel zuchten en rollen met de ogen gunt hij ons een armetierig plekje.
Waar? Uiteraard precies waar de tankwagen zal neerkomen.
Het zweet breekt me uit en ik besluit over de kwestie mijn mond te houden.

34

Slaap is een geheimzinnig en machtig fenomeen. Wat is slaap precies? Waarom is het nodig? Om het brein rust te geven, het mentale evenwicht te herstellen? Ik droom elke nacht, dus werkt mijn brein continu. Ingeval dromen dient om gebeurtenissen te verwerken, lijkt het brein achter te lopen op de actualiteit: komt eerst de instinctieve reactie en pas daarna het overzicht? Waarom dringen er beelden en taal door tot in mijn bewustzijn van de dag? Slapen we, aangedreven door het economisch ritme, te lang achtereen waardoor het brein zich ergens onderweg gaat vervelen en een film gaat draaien, die we deels ook nog onthouden? Verzet tegen de aandrang in slaap te vallen, haalt weinig uit. Naarmate er uren verstrijken, functioneer je almaar slechter, word je stekelig en is er steeds minder dat je iets kan schelen.

Tot middernacht verloopt vrij gemakkelijk: er is veel te zien op een groot schip. Verder vind je altijd wel iets te lezen of iemand om een praatje mee te maken. Langzaamaan zoeken mensen hun verblijf op en wil je zelf onder de wol, desnoods naast de machinekamer. Deuren gaan open en dicht, tot niemand resteert. Een man in uniform vergrendelt de fruitautomaten. Bars sluiten, hoewel niet allemaal. We bestellen koffie en blijven zitten tot we door personeel worden weggekeken. Even later breekt een tomeloos lawaai achter de toog los: een machine verpulvert blokken ijs tot handzaam gruis. Elise geeft het tenslotte op. Naar voorbeeld van anderen zonder aanvaardbaar nachtverblijf stapt ze in haar slaapzak en rolt tussen een stoel en de zijwand. De Herald Tribune dient om het harde kunstlicht uit haar gezicht weg te houden.

De sfeer op het schip vertroebelt. Het gonzen van de motoren werkt aanvankelijk geruststellend, vervolgens hypnotiserend en tenslotte slopend. Oordoppen zijn een oplossing, maar ik wil niet dat we beroofd worden of erger. Per slot kan iedere gek vlak bij je komen. Ik ga bij Elise zitten en wacht. Kijken naar je lief die slaapt. Thuis doe ik zoiets nooit, terwijl het elke nacht zou kunnen. Ik zak onderuit voor zover dit kan zonder mijn rug te mollen en loer rond: ik ben een waakhond en je zal beter niet met mij sollen.

Verreweg de meeste mensen zijn nu in hun cabine, of hangen in hun verstelbare slaapzetel. Anderen liggen her en der tussen gewone stoelen en onder tafels. Personeel laat zich niet zien. Het lijkt of een besmettelijke ziekte om zich heen grijpt. Ik steek nog maar eens een sigaret aan en staar door een patrijspoort naar de nacht op zee. Werken aan mijn bureau in Amsterdam lijkt ineens heel ver weg, in afstand en in tijd. Misschien zal ik beter een scriptie over Finland schrijven: hoe landschap en klimaat de identiteit bepalen. Dit is waarschijnlijk meer een onderwerp voor psychologie of sociologie. Misschien kan ik als tegenhanger van de Finse vechtmentaliteit die van Nederland onder Duitse bezetting plaatsen: gericht op ambtelijk overleg en meebuigen, denken aan de portemonnee, vertrouwend op de Prins in een Engels bordeel.
Terwijl ik dit denk, roep ik mezelf tot de orde: het onderwerp reconquista is nu eenmaal gekozen, boeken hierover zijn aangeschaft en deels gelezen, aantekeningen gemaakt. Ik moet opletten niet af te drijven, me te laten meeslepen door wat een docent noemt de waan van de dag.

Een groepje straalbezopen gasten valt de ruimte binnen. Ze wankelen en stoten collectief tegen een wand met spiegels. Dit blijkt een eersteklas kermisattractie. Opkrabbelen, nog eens tegen het glas aanlopen en brullend van het lachen tegen de vloer gaan. Een man in hemdsmouwen zingt een zwaarmoedig lied, waarschijnlijk in het Russisch. Zijn stem klinkt merkwaardig zuiver. De anderen applaudisseren. De scene komt regelrecht uit de koker van Dostojevski. Baltische zuipers gaan graag aan boord wegens de goedkope drank. Op het schip hangen allerhande nationaliteiten rond. Je kunt varen van Tallinn naar Riga, van Helsinki naar Leningrad, in willekeurige volgorde. De Rus wordt afgelost door een hevig zwetende kerel, zijn stropdas op half elf. De kolos hijst zich overeind tot hij met gespreide handen zwaar op een tafel leunt. Hij herinnert zich ook een lied.
Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt!
Zijn stem komt van heel diep en klinkt sentimenteel. Na drie zinnen begint hij een tirade over de Russen, het tuig dat Berlijn bezet houdt.
Was ik bevelhebber geweest, dan was het nooit zover gekomen! Der Führer hat uns verraten!
De groep wacht het vervolg van de litanie niet af en gaat stommelend uiteen. De Duitser klampt zich nog geruime tijd vast, vloekt hartgrondig en slaat uiteindelijk neer op de vloer.

35

Er wordt in de media nauwelijks aandacht aan geschonken, maar onder Duitsers is nog immer veel wrok en ongenoegen over de exodus die hen werd opgelegd met het optrekken van het Sovjetleger. Het land verloor grote stukken van zijn grondgebied en wat resteerde, werd in twee stukken gehakt. Miljoenen werden verdreven van huis en haard, onderweg uitgehongerd en half dood geslagen. Jarenlang woonden de zonen en dochters van landsheren en fabrikanten, scharrelaars en boeren in kampementen, kelders en kazernes. Met de nederlaag van Adolf hield voor hen de oorlog allesbehalve op. Vernedering is een gevoel dat je levenslang bijblijft en achtervolgt, verdiend of niet. De wereld en zelfs de meeste Duitsers in de gedecimeerde Heimat horen er liever niets over, maar onderhuids wringt en ettert het. Oorlog houdt wel op, maar gaat nooit helemaal over.

De ochtend achterhaalt het schip in trage tegenzin. Dat krijg je met schepen die naar het westen varen: de nieuwe dag moet tegen de achtersteven omhoog klauteren. Geradbraakt sta ik op het achterdek en laat de beelden van de nacht nog eens passeren. Herkauwen van indrukken is een manier er grip op te krijgen. Opmerkelijk is, dat het brein herinneringen opvoert als actualiteit in het oorspronkelijke moment en dus niet als gedane zaken die geen keer nemen.

Benedendeks zitten de hardcore zuipers. Er doen pornobladen de ronde en je moet uitkijken geen bierfles om te lopen. Er hangt een jonge vrouw rond, met zwaar opgemaakt uiterlijk. Ze heeft een sjaal om haar hals en draagt lange goudkleurige oorhangers. Het komt bij me op, dat zij het schip gebruikt om zich te prostitueren. Zo breng je de nacht minstens deels door op een matras en verdient er ook nog mee. Wat bezielt mannen met haar mee te gaan? Met welk gevoel lig je iemand te krikken van wie je weet dat ze een half uur geleden iemand anders had? Ik heb het gevoel dat ze mijn blik probeert te vangen, maar ik kijk weg en ga aan dek.

Buiten is het koud en stil. Er staat weinig wind, maar er is ook niets dat luchtverplaatsing tegenhoudt. Opeens scheren twee straaljagers laag over. Het bulderen van de motoren is grotesk. Drie kroontjes zijn duidelijk te onderscheiden op de onderzijde van de vleugels: we zijn gezien door de Zweedse kustwacht. Even plotseling onttrekt een mistbank de toestellen aan het zicht. Het lawaai verandert van klank en valt weg, alsof ze in zee zijn gestort.

Aanstonds heb ik de machines herkend: Saab Viggen ofwel bliksemschicht. Gewicht 16 ton, enkele Volvo motor. snelheid mach 2. Genoeg bewapening om een onderzeeër uit het water te blazen, de Russische bemanning tot goulash te bombarderen.
De Zweedse toestellen met hun nachtvlindervleugels zijn in Nederland in beeld als opvolger van de Lockheed Starfighter. Saab is geweldig en dit bevalt de Amerikanen geenszins. De door hen gedomineerde NAVO vraagt offers in de vorm van wapenaankoop. Onze Prins, Opperbevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten, reist naar de Verenigde Staten om zich te oriënteren. De Prins laat zich liever fêteren. Lockheed stopt hem ruim een miljoen dollar toe, in ruil voor een contract voor aanschaf van de F-16. De bewezen corruptie van de Prins verlost Nederland bijna van het Koningshuis. Door toedoen van nota bene de socialist Den Uyl loopt het af met een sisser. Juliana heeft namelijk gedreigd met aftreden als de Prins echt zou worden aangepakt. Gedreigd! Om je dood te lachen. Wel moet de Prins zijn legerjas inleveren. Hij mag niet meer broddelen met de Band of Brothers. De F-16 is overigens een prima toestel.

Wanneer ik opkijk, staat de vrouw met de oorhangers naast me, dichterbij dan mij lief is. In haar hand houdt ze een plastic bekertje. De damp slaat eraf, maar ik ruik niets. Probeert ze mij tot haar afsluitende wip te bewegen? Ik zal wel gek zijn. Om eventuele suggesties voor te zijn, wijs ik naar boven.
This is communication! The sound of 1000 decibels!
In antwoord strekt de vrouw haar arm uit naar de ochtendnevel.
The Russians are coming!  I smell their submarines.
Tussen de golven rijst een kale rotspartij op, ten teken dat we de kust naderen. Ik draai me om en leun tegen de reling. Wanneer deze afbreekt, stort ik 20 meter diep in de golven. Als ik het zwemmend al haal, hoelang kan ik dan overleven op een rotsblok in zee? Ik haal mijn schouders op en maak aanstalten weg te lopen.
Yes, they are coming. But they come one by one.

36

In een groot land ben je te voet slecht af. Dit is bekend sinds de oudheid. Romeinse generaals laten speciale Heerwegen aanleggen om hun troepen sneller te verplaatsen. Hannibal laat zijn huurlingen marcheren door Spanje en Frankrijk, tot over de Alpen. Jarenlang trekken ze door heel Italië om de Romeinen te verslaan, om uiteindelijk de aftocht te moeten blazen. Napoleon meent dat hij Moskou met voetsoldaten kan innemen. De helft van de ondermaats geklede stakkers eindigt in de diepvries van de Berezina. Hitlers troepen gaan te voet onder in Stalingrad. Eerder hebben ze op bevel van de Führer buitgemaakte Russische bontmantels verbrand. De oorlog zou immers snel gewonnen zijn. Het loopt anders: als krijgsgevangenen mogen ze nog eens duizend kilometer sjokken, richting de Oeral. Ik heb weinig met lopen.

De veerhaven van Stockholm ligt een eind buiten het centrum. Vanaf de hoge veerboot belooft de skyline een sprookje, maar hoe ver is het eigenlijk en hoe kom je daarginder? Wanneer we afmeren, verschijnen geen metershoge Disneyfiguren om ons te vermaken, maar slechts een busje van de marechaussee om twee vechtersbazen van boord te halen. Eenmaal op de kade lijken de gasten nog altijd in de olie. Zo krijg je nog eens wat te zien in een vreemd land.

In de Amsterdamse binnenstad neemt de rotzooi van drugshandel en openlijk gebruik alsmaar toe. Vooral de oostelijke binnenstad rond de Zeedijk en Warmoesstraat toont gelijkenis met een illegalenbuurt van Chicago of Detroit. Zwarte dealers maken er de dienst uit. Je hoort hun gescheld van verre en in de donkere uren vallen er rake klappen. Burgemeester Polak en commissaris Baantjer mogen er sussend over praten, feit is dat het schuim van vrijgemaakt Suriname de stad gijzelt en terroriseert. Amsterdam verloedert zienderogen. Ik kom zelden in de spuitstraten en dan nog alleen per fiets. Geregeld voel ik drang opkomen er eens flink op los te slaan, arrestaties uit te voeren, panden uit te roken, de junks samen te vegen en over te brengen naar de suikerbietenoogst in Groningen. Ik zal de scene leren in hoeverre de politie je beste vriend is.
In de tram is een gevleugelde uitdrukking: de zwarte zakkenroller staat achterin. Op een dag betrap ik een van die gasten op een herhaalde poging een vrouw te beroven. Zijn hand is half verborgen in de mouw van zijn jas en hij glijdt als een slang om een prooidier. De tram is bomvol, knarst en schommelt. Ik stoot de vrouw aan en attendeer haar op het gevaar. De zakkenroller is woedend. Hij achtervolgt mij tot op straat, bedreigt mij met een mes. Ik ben vlak bij huis, maar loop verder om tenslotte een winkel in te duiken.

De feitelijke ontscheping duurt nogal. Ik kijk graag naar gesleep met koffers, de file auto’s die uit het schip stroomt. In Amsterdam ga ik ook altijd naar het sluiten van de kermis in de Jordaan. Wanneer de laatste lichten uit gaan en de steenharde muziek eindelijk ophoudt, komen de slopers en opruimers. In razend tempo halen ze attracties uit elkaar, draaien de vrachtwagens achteruit naar de juiste plek, schreeuwen tegen elkaar en staan na afloop bijeen als gladiatoren. 

Het is opnieuw een prachtige zomerdag. Afgemat door gebrek aan nachtrust, lopen Elise en ik naar een keurig park met zicht op stadstorens die ik herken van sigarenbandjes, lang geleden verzameld. Mijn vader rookte het merk Derk de Vries. Om de zoveel weken kwam er een nieuwe stedenserie uit. Ik probeerde gave bandjes in handen te krijgen, maar was soms te laat. Dan vond ik slechts een frommel op het erf. Ik raapte deze op, probeerde ze glad te strijken en snuffelde eraan om de specifieke tabaksgeur op te snuiven. Zelf een sigaar opsteken, heb ik nooit gedaan. Van de beschadigde bandjes houd ik het meest, omdat vaders vingers eraan hebben gezeten.

Hier in het park zijn geen alcoholisten of sjacheraars. Ze kijken wel lekker uit. Arische agenten in uniform kuieren rond. De mannen doen niets, maar ze zijn er wel. Het is half 11 in de morgen. Te laat begrijpen we, dat we aan boord gratis een plattegrond van de stad konden meepakken. Nu moeten we drie keer vragen om tenminste een bakker te vinden.
Het geschoren gazon is kurkdroog. Het moet hier al weken niet geregend hebben. We eten en drinken, liggen op de rug een sigaret te roken en ontspannen. Hoog in de blauwe lucht zie ik windveren, de eerste tekenen van weersverandering. De witte vegen lijken stil te staan, maar schuiven onmiskenbaar op. Het beeld fascineert me.

Mensen met voldoende geld nemen een taxi naar de binnenstad met z’n bont geschilderde panden, het bruisende leven, een museum voor moderne kunst. Onze middelen zijn praktisch uitgeput. Daarbij vertoeven onze gedachten al half in Amsterdam, bij de vrienden en het filmhuis. Het inzicht, dat je niet elke dag de kans hebt om het Venetië van het Noorden te aanschouwen, legt het af tegen vermoeidheid, de opeenhoping van reisindrukken, de wens naar huis te gaan, te douchen, een winkelwagentje vol te gooien in de supermarkt. We zijn jong en gaan ervan uit dat het leven eeuwig duurt, bijna toch. We nemen genoegen met een belofte, gedaan op de achterkant van een Fika Magazine.
In de stad die nooit slaapt, wachten u eindeloze avonturen, ändlös äventyr.
Ik neem me voor een cursus Zweeds te volgen, voornamelijk wegens de aparte cadans in de spraak. Deze doet denken aan tv tekenfilmfiguur Calimero, het zwarte kuikentje met een lege eierschaal op de kop.
Priscilla, wat is er gebeurd met je ogen?! Je make up is helemaal uitgelopen! Tadá, tadá, tadá, tadá. Zo klinkt de Zweedse taal ook. Hoe klinkt mijn eigen taal, de taal die ik naast Geschiedenis bestudeer? In mijn groep zit een Vlaamse vrouw. Naar haar volzinnen luister ik graag. Zelfs wanneer ze kritische dingen uitspreekt, klinkt het zachtmoedig. Daarbij zijn mijn woorden als klauwhamers en bijlen.

De rest van de dag genieten we van de warme zomerzon en lees ik in een tijdschrift, achtergelaten bij een van de vele prullenbakken in het park. Saab presenteert de nieuwe 99 met ongeremde turbo. Je haalt er 200 kilometer in het uur mee. De advertentie herinnert me eraan, dat ik een rijbewijs moet halen en dan een dergelijke auto kopen. Je wilt niet blijven hangen tussen oude trams en gammele bakfietsen. Ik scheur de pagina uit het tijdschrift, vouw hem op en steek hem in mijn binnenzak.

37

De trein zal om middernacht vertrekken, om tegen de ochtend in Malmö met wagons en al op de veerboot naar Kopenhagen te worden geladen. Geen half werk in Scandinavië. Aan de overkant van de  zeestraat gaan de rails hopelijk verder, dwars door Vikingland om vervolgens bij Flensburg Tyskland in te duiken. Ben je daarginder, dan mag je beginnen met dromen over Amsterdam, maar de weg is lang en saai.

De stationshal van Stockholm is rumoerig en druk. Mensen stromen af en aan. Agenten grijpen een zakkenroller in de kraag. Het zijn wederom grote kerels, met wie je niet graag ruzie wilt. Ondanks de militante handhaving voel je aanstonds in een modern land te zijn, met welvarende burgers in kwaliteitskleding, de opgewekte verkeersdeun van middenklassers op de achtergrond. Waar Finland afwachtend is en waakzaam, daar bruist Zweden van levenslust.
Een haag van koffers en rugzakken bestormt de binnenrollende trein. Het gedrang van een aantal toeristen is op z’n minst onbeschaafd en wekt de weerzin van vaste reizigers. Zweden zijn afstandelijke mensen, op het hooghartige af. De internationale toeristenmeute is dan ook geen pretje.

De trein is eindeloos lang en iedereen kan zitten. Een vol uur staat het gevaarte roerloos. Dan, als aangedreven door een onbekende kracht, komt hij in beweging, neemt het schommelen op wissels een aanvang. We laten de stad achter ons, passeren hoekige raamloze gebouwen die vervloeien als silhouetten. Een huizenhoge neonreclame van tandpasta priemt secondelang de wagon binnen. Etenswaren worden uit tassen gehaald. De eerste klanten gaan naar het toilet. Iemand heeft een zwarte hond aan een riem bij zich, een zuiderling met een baard van een maand begint zich elektrisch te scheren maar krijgt te horen dat hij hiermee moet ophouden. De warmte van de dag blijft hangen, zelfs met alle bovenraampjes open. Er komt geen kaartcontrole, geen koffieverkoper. Gaandeweg dommel ik in.

Ik droom van een brutale kerel die onze woning binnendringt, neemt wat hem uitkomt en weer verdwijnt zonder mij een blik waardig te keuren. Ik ontwaak in een schok van verontwaardiging.
Wat heeft de droom te betekenen? In mijn haast te willen begrijpen, vliegen allerhande verklaringen langs: dat ik over mezelf droom, dat ik wreder ben dan ik me voorstel. Ik heb een boek van Erich Fromm over dromen gelezen, maar herinner me niet precies wat hij schreef: het leken vooral aannames en veronderstellingen. Het werd op een dag bezorgd door de postbode, omdat ik verzuimde tijdig een maandbestelling bij de Boekenclub te doen en het moest doen met de keuze van de leverancier.
Dromen zullen niet meer zijn dan een verzameling beelden en geluiden, de projectie van gevoelens en gedachten. Ik heb er geen sluitende uitleg voor, maar wel last ervan.

Een eind voor mij in de voortrijdende trein zit een passagier met zijn gezicht naar me toe. Hij probeert een Rubiks Cube op de voorgeschreven manier in elkaar te flansen. Dit is een nieuw speeltje uit Hongarije. In zo kort mogelijke tijd moet je blokjes van verschillende kleur een bepaalde volgorde geven. Ik probeer dit in gezelschap ook een keer, maar faal hopeloos. Wat me vooral bij blijft, is de zelfingenomenheid van mensen die handiger zijn. Het lijkt op genoegdoening, mogelijk omdat ik zelden meedoe met kaarten of gedoe met dobbelstenen en mensen dit vervelend vinden. Ze noemen het ongezellig. Een moment kruisen mijn blikken die van de andere passagier. De man kijkt nog eens naar het blok plastic in zijn handen en bergt de kubus op.

De trein gaat voort en voort: alweer een kilometer van de wielen afgesleten. Morgen ben ik in Amsterdam en zal me nauwelijks kunnen voorstellen dat ik een dag eerder hier zat, in een trein. Mijn gedachten komen uit bij studiegenoot Gerbrand, die af en toe komt gitaarspelen. Drijvend op het gevoel van belediging uit de droom, trek ik een instinctieve conclusie: hij valt me een beetje tegen.
Ik help hem met de kraak van een woning in een pand dat al een jaar of langer leeg staat en gesloopt zal worden. De politie komt langs, maar er staan inmiddels een bed, een tafel en twee stoelen, het reglementair minimum aan meubilair om een woning gekraakt te mogen noemen. De politie vertrekt zonder zelfs te informeren wie we zijn.
Een paar weken later vraagt hij me langs te komen met mijn elektrische gitaren. Ik sleep ook mijn versterker mee. Zijn kraakruimte, een voormalig sigarenwinkeltje, is enigszins ingericht. Voor het raam hangt een lichtreclame VELAZQUEZ. Zijn ouders zijn langs geweest en hebben geholpen. Mijn versterker staat niet eens op halve kracht, niemand zal er last van hebben. Hier denkt Gerbrand anders over. Al snel draait hij op eigen gezag de geluidsknop terug naar de laagste stand: vanwege de buren. Welke buren: de aanpalende krakers? Ik wil geen muziek maken in een sfeer van benauwenis en beperking. Na een ongemakkelijke minuut sta ik op en zet de versterker helemaal af. Gerbrand mag vinden wat hij wil. Hij grinnikt een beetje, maar durft me niet tegen te spreken. Een kwartier later ben ik op weg naar huis, beladen met gitaren en box.
 
38

Na een tijdgat van uren blijken we nog steeds in Zweden te zijn. Het rangeren om de trein op de veerboot naar Denemarken te krijgen, is gecompliceerd. Stel je voor dat dit schip naar de bodem gaat. Over 500 jaar zullen duikers de restanten onderzoeken en denken dat er ooit een spoorverbinding was. Nachtelijke kilte dringt langzaam de wagons binnen. Schokkende bewegingen, vooruit of juist naar achteren, heen en weer lopende reizigers, controleurs die toch nog opduiken maar niemand aanspreken, een omgegooide fles yoghurt waar mensen op wegglijden, de werkelijkheid van het moment doet er steeds minder toe. Wel verergert de stank: zonder twijfel wegens een overvolle klotsende plee, maar er zijn ook een paar baby´s in de buurt van wie ik niet heb gezien dat ze werden verschoond.

Ik ben eens gaan kijken op Station Muiderpoort om te ervaren vanwaar de deportaties in oorlogstijd vertrokken. Een mens heeft verbeeldingskracht maar een plek werkelijk bekijken, is van een andere orde. Ik heb een oude foto bij me, maar een bijzonder gevoel komt niet bij me op. Daders en slachtoffers zijn onmiskenbaar verdwenen, opgelost in de mist van de tijd. Een gevoel van schaamte komt bij me op. Wat doe ik hier, wat beeld ik me eigenlijk in?
Nooit stond er prikkeldraad om me heen. Mij werd niet toegesnauwd dat ik een Schwein ben. Hoeveel angst moet er bijeen gestampt hebben gestaan? Welk gezwets hebben mensen uitgekraamd en moeten aanhoren? Na drie of vier dagen achtereen in dorst en strontlucht, wil je waarschijnlijk niets anders meer dan de wagon uit. Je weet dat je de klos bent, maar je brein blokkeert. Een ex SS-er legt het een halve eeuw later uit op tv: we konden met hen doen wat we wilden. Het gekke is, dat ik mij deze brutale slachters beter kan voorstellen dan de slachtoffers. Geschiedenis bestaat uit daders.

Wie zal weten hoeveel gewone mensen over de kling zijn gejaagd door de Spaanse adel en de sultans en kaliefen van de Moren, de van oorsprong Arabische moslims? Laat middeleeuwse schilderijen tonen trotse ridders te paard, met instemming van de Kerk inhakkend op de meute. Of anders een statig koningspaar, badend in overvloed. Kan ik de reconquista niet beter interpreteren in termen van sociaal economische principes? Wat is het werkelijke belang van zogenaamd Grote Mannen? Is deze manier van benaderen niet vooral een bevestiging van machtsverhoudingen die met opzet als normaal worden voorgesteld? Wordt de mensheid niet veel meer gedreven door weer en wind, honger en hebzucht, toeval en opportunisme?

De chaos aan boord van de veerboot is abject. Na het lange stilzitten in de trein rennen kinderen schreeuwend elkaar achterna over de dekken. Een man scheldt zijn vrouw hartgrondig uit. Er komen agenten aan te pas om de ruzie te dempen. Ze fouilleren beide echtelieden. Achter hen langs schuif ik naar de toiletten, want de hel in de trein durf ik niet te betreden. Ook nu moet ik wachten, een slecht voorteken. Een vrouw staat op een felverlichte fruitautomaat te beuken: er moet hoe dan ook geld uitkomen. Een gitzwarte Afrikaan biedt broekriemen aan, je ruikt het leder en zijn zweet vanaf drie meter. Op de terugweg valt mijn oog op een boetiekje. Hier pas ik een hoed van zwarte vilt. Ik heb niets met hoofddeksels, maar veronderstel dat dit exemplaar Elise wel zal staan. Even komt bij me op, de hoed in het gedrang te jatten. Bijtijds besef ik, hiermee niet bij Elise te kunnen aankomen: iets weggeven dat je hebt gestolen, is een vorm van beledigen. En wil ik tussen agenten weggesleept worden naar een Deense cel? Beschaamd graaf ik in de voering van mijn jas en haal Hollands reservegeld tevoorschijn. De verkoper is het om het even.
Elise is verrast en vat de hoed op als een uitgesteld verjaardagscadeautje. Uit haar tas diept ze een doosje rouge om zich op te maken: een beeld van tijdloze intimiteit.

De veerboot biedt alweer een buffet, maar dit kan zich niet meten met de Finse ILJA. Het is als de HEMA bezoeken nadat je uit de Bijenkorf komt. Ook de reizigers zijn van een lagere orde: ze dringen in de rij, elkaar bijkans stekend met vorken en messen om de beste stukken vis en kip op hun bord te smijten. Ook wij verruwen: om voor de rest van de reis voldoende eten te hebben, steek ik ongegeneerd brood en beleg bij me. Elise snaait sinaasappels.

39

Na de overtocht staan we opnieuw langdurig stil. We zijn op het station van Kopenhagen. Er hangt een sfeer van verloedering en volle vuilbakken. Uit verveling steken we sigaretten aan, net als vele anderen. De rook verdringt tenminste tijdelijk de lichaamsgeuren van zweet en urine, bij vlagen de dode lucht uit het toilet dat gelukkig een eind verderop is.

Bij toenemend daglicht vertrekken we. Op leeggehaalde graanvelden wordt stro verbrand. Een vrouw haalt ijlings haar wasgoed binnen. Had zij de rookpluimen niet eerder in de gaten? De wereld is groot en wij vallen om van de slaap.
Bij de Duitse grens volgt nauwkeurige paspoortcontrole. Een oorlog verliezen is geen reden de gründlichtkeit af te schaffen. Bagage laten de agenten ongemoeid: wat kan je uit dure landen als Zweden en Denemarken winstgevend naar Duitsland smokkelen? Wel moet er iemand mee voor nader onderzoek: de man lijkt een Roemeen of Turk en moet zelf zijn tassen dragen. Niemand kijkt ervan op. Vermoeidheid leidt razendsnel tot afstomping. Gooiden de agenten deze man uit de rijdende trein, dan bleef minstens de helft van ons rustig zitten.

Op het Instituut heb ik de naam tegendraads te zijn. Een naam word je toegedicht. Het is geen toeval dat dit niet gebeurt in de sectie Geschiedenis, maar bij mijn tweede vak: Nederlands. De studenten hier zijn van een aanmerkelijk lichter kaliber. Zij wanen zich progressief en creatief, maar streven vooral naar gezelligheid. Met enthousiasme nemen zij deel aan sessies waarin tableaus vivants worden uitgebeeld, of waarin we elkaar geblinddoekt door het gebouw leiden om vertrouwen in de medemens te krijgen. Wanneer een docent verschijnt met een witte en een rode sok en ons vraagt onze zwakke kanten te benoemen, ben ik er helemaal klaar mee. Aan mijn lijf geen sensitivitytraining. Samen met een gelijkgezinde studiegenoot stap ik demonstratief uit de groep en wacht tot de docent naar ons toe komt. We vragen hem brutaalweg, ons de studiepunten toe te kennen in ruil voor ons geluidloos verdwijnen. Ingeval je bij de sectie Geschiedenis met zo’n voorstel aankomt, kun je meteen je tas pakken. De docent expressie stemt na enig geharrewar evenwel in.
Het klopt, dat ik stennis maak in de sectie Onderwijskunde. Dit is de afdeling waar je het recht op lesgeven moet verdienen. Docent Hanneke toont een film over een toespraak van Fidel Castro in Havana, Cuba. Ze is verrukt van de spreekvaardigheid, meer precies zijn leiderskwaliteiten.
Het zijn de jaren van bewondering voor het Marxisme.
Ik onderbreek de film met ruwe opmerkingen over de Cubaanse dictator en zijn bedenkelijke methoden om de macht te behouden. Ik voel me sterk, vooral omdat ik de vraag stel waarom je een linkse dictatuur beter zou moeten vinden dan een rechtse. Hanneke aarzelt en lacht onzeker. Iedereen ziet dit, waarna geen argument haar nog kan redden.

Het Deens platteland is lieflijk. Je zou zo in de schoven van tarwe willen liggen. Ik denk na over mijn scriptie, de boeken die ik in huis heb gehaald. Imperial Spain, bijvoorbeeld, van J.H. Elliott. Na de verdrijving van de moslims is Spanje een straatarm Europees rafelland. Het huwelijk van Ferdinand en Isabella plus de ontdekking van Amerika veranderen alles en luiden de opkomst van een supermacht in. Vandaag is Spaans na het Engels de tweede wereldtaal. Machten komen op en gaan weer onder. De grens tussen falen en succes is even diffuus als cruciaal. Onwillekeurig komt bij me op, dat er veel minder van mij wordt verwacht dan ik denk. Iedereen met een beetje inhoud krijgt straks een lesbevoegdheid uitgereikt. Strekt de invloed van mijn verleden op het werkland zo ver, dat ik me ook in Amsterdam nodeloos afbeul? Het is een vraag die me allerminst bevalt: zo ben ik nu eenmaal, waarom zou ik niet zo mogen zijn?

Mijn neiging alles alleen te doen, werkt soms in mijn nadeel. Anderen vormen groepjes, leren samenwerken, zijn collegiaal. Dat ben ik ook wel, maar op mijn voorwaarden. Ik vind dat je zelf boeken moet lezen om te begrijpen waarover je het hebt, dat je zelf je lessen moet voorbereiden om overtuigend te zijn naar een klas scholieren. En toch: straks maak ik deel uit van een ploeg docenten op een school met 800 leerlingen, aangestuurd door roosters, ouderoverleg, mentorschap en voortgangscommissies. Het bestuur wil dat de school goed scoort, daar krijgen ze geld voor. Niet het niveau of de interesse van leerlingen, maar de uitslagen van multiple choice vragen geven de doorslag. Ben ik hier wel geschikt voor? Mijn eerste stage zit er inmiddels op en toont mij de het moderne schoolleven. Een leerkracht op jaren zegt ronduit dat docenten alles doen om leerlingen op school te houden: desnoods bakken we pannenkoeken.

40

Op het station van Bremen mogen we even de benen strekken. Bijna iedereen blijft zitten, want het perron is kletsnat van de regen. Ik stap evenwel uit. Het is de eerste neerslag die we sinds ons vertrek uit Amsterdam meemaken. Vrijwel alleen sta ik op het beton, mijn gezicht naar de hemel gekeerd. Al het goede komt van boven.

Wat hebben Nazi Duitsland en het katholieke Spanje van 1492 met elkaar gemeen? In Spanje stelt het regiem van Ferdinand en Isabella alles in het werk om de gemeenschap te zuiveren. Achtergebleven Moslims zijn daarbij hun minste zorg. De Joodse gemeenschap wacht een zwaarder lot. De veronderstelde moordenaars van Jezus krijgen in beginsel de kans zich tot het christendom te bekeren, de Joodse roots af te zweren. Zelfs gewone Joden beheersen namelijk iets dat christelijke volksmensen in die tijd gewoonlijk ontberen: ze kunnen lezen en schrijven. Eenmaal gekerstend, zijn ze van belang voor het bestuur. Bovendien heeft de Joodse gemeenschap een groot internationaal netwerk voor handel en diplomatie. Allemaal mooi, maar dan moeten ze voortaan wel op zondag naar de Kerk. De Joden staan voor een dilemma. Als zogenaamd nieuwe christenen proberen velen ondergronds hun geloof en cultuur te bewaren. De Kerk reageert met furieuze opsporing en vervolging. De Inquisitie is de onfrisse voorganger van de Gestapo. Duizenden belanden op de brandstapel, anderen ontvluchten het land en verspreiden zich over de hele wereld.

Vanuit tegenovergestelde richting glijdt een fonkelnieuwe Heimat Zug binnen: ik voel de luchtdruk. Een meisje met lang blond haar hangt uit het raam. Met een breed gebaar nodig ik haar uit met mij te dansen. Gewoonlijk ben ik allesbehalve een danser. Ik sta liever met een biertje te luisteren naar een band. Het meisje lacht verrast en wenkt. Een opwindend idee komt bij me op: alles achter me laten en een nieuw leven beginnen. Duitsland mag in Amsterdam gehaat worden, maar het is een interessant land. Vooral hier in de kuststreek zijn vanaf 1944 hele volksstammen verdreven Pruisen neergestreken. Niemand wil het over hun lot en leven hebben. Denken deze ontheemde Duitsers en hun nazaten aan hun eigen reconquista, herovering van verloren bezit? Moeten we ooit om die reden weer een nieuwe oorlog verwachten, een volksverhuizing op gang zien komen?

Zodra de Duitse trein optrekt, drukt het meisje haar borsten plat om me langer te kunnen zien. Onmachtig en een beetje hypocriet zwaai ik uitbundig. Mijn hoofd en schouders zijn drijfnat.
Ik had tenminste één foto van Elise kunnen maken. Bijvoorbeeld toen zij in het zeewater van Oulu stond, de golven tegen haar benen opspatten. Ze liet zich vallen en schreeuwde van de kou.

Dick Muntjewerff

juni 2020, op basis aantekeningen 1978 en 1981

eventuele reacties naar: dick.muntjewerff@kpnmail.nl

8 juni 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor POST CORONA

POST CORONA

Dessau

Met het vorderen en afvlakken van de eerste golf corona, moet de aandacht verschuiven naar de echte problemen: overbevolking, verschuivende machtsverhoudingen in de wereld, de opmars van autoritaire regiems, bederf van het milieu, insectenplagen, droogte, uitputting van bouwland, ontbossing en – last but not least –  de doorgeschoten verhouding tussen kapitaal en arbeid. Niemand wil eraan, wanneer je het aanhoudende geneuzel van virologen en politici als leidraad neemt, maar er staat een pak ellende voor de deur waarbij corona slechts een adempauze zal blijken.

Terwijl de EU landen kiften over een paar honderd migranten die al te lang hebben rondgedobberd voor de kusten van Malta en Italië, neemt de migratiedruk vanuit het Midden Oosten en Afrika onherroepelijk toe. Alleen al in Egypte leven meer dan 100.000.000 mensen waarvan het merendeel nauwelijks brood op de plank heeft of dit binnen afzienbare tijd kan verwachten. Ook het al jaren aanslepende gewapende conflict in Syrië heeft alles te maken met overbevolking. Hiervan is sprake ingeval een land zijn inwoners niet elementair van voedsel, onderdak en fysieke bescherming kan voorzien. Binnen een aantal jaren mag de EU rekening houden met een boeggolf aan migranten.

Autoritaire regiems veroveren steeds vaker en gemakkelijker een overmaat aan macht. Niet alleen politieke kleuters als Bouterse en Orbán maken hier deel van uit, maar het geldt juist voor grootmachten China, Rusland, Brazilië en zelfs de USA. China is geen democratie, maar een communistische dictatuur die zich via staatskapitalisme een positie bevecht op het wereldtoneel. Rusland is een tsarenrijk met schijnverkiezingen. Poetin kan bij wet doorregeren tot het einde der tijden. Brazilië is overgeleverd aan een idioot die niet eens schroomt de cijfers van coronadoden te manipuleren. Bolsonaro is de keizer van het Latino nepnieuws. Zijn grote voorbeeld, Donald Trump, regeert per twitter en toont dagelijks, geen moer te geven om de doorsnee Amerikaan. Hij dreigt en provoceert liever, met het risico oorlog uit te lokken.

Milieubederf, in de vorm van ontbossing, uitputting van delfstoffen en landbouwgrond alsmede vervuiling te land, ter zee en in de lucht, woekert onbelemmerd voort. In Nederland en omstreken mogen de burgers braaf plastic afval scheiden, in de oceanen drijven plastic dekens ter grootte van 3 x Frankrijk en erger: de troep desintegreert en valt uiteen in microdeeltjes die niet meer zijn op te vissen. Fabrikanten krijgen tot Sint Juttemis de tijd zichzelf te reinigen en dan nog alleen in Westerse landen. De CO2 crisis wacht slechts tot Corona zich gedeisd houdt. Dan moeten er een paar bedrijven van intensieve veehouderij verdwijnen en wordt de accijns op brandstof verhoogd. Scheepvaart en luchtvaart krijgen schaamlapjes uitgedeeld om de schijn op te houden. Intussen wordt elke 6 seconden bosgebied ter grootte van een voetbalveld gekapt.

Regeringen, ook in Nederland, storten honderden miljarden in behoud van de bestaande orde. Het wordt niet uitgesproken, maar de basis van de ongekende uitkeringsdrift door veelal zich liberaal noemende regeringen, is angst dat het systeem instort, daarmee de ideologie die dit ondersteunt en uiteindelijk de macht. Als corona ons iets toont, dan is het wel dat het liberalisme een gelegenheidsideologie is. Zodra het systeem kraakt en zand tussen de peilers wegspoelt, wordt belastinggeld ingezet om het systeem te redden. Of denkt u, dat we straks verlost zijn van marktwerking in Zorg en Onderwijs? Al een idee, wie straks de corona-rekening betaalt?

Behoud van werkgelegenheid is steevast het ultieme argument, maar de werkelijkheid is dat kapitaal steeds minder wordt belast en arbeid steeds meer. Digitalisering, automatisering en robotisering mag in ons aller belang lijken, maar zo werkt het niet. Hiervan profiteren bovenal de rijken, de geldschieters, de multinationals, plus de bestuurlijke elite. Elke crisis biedt aanleiding te korten op werkgelegenheid en salarissen. De verhouding tussen kapitaal en arbeid groeit steeds schever. Corona toonde dan ook onmiddellijk de zwakte van de laatste factor. De golf ontslagen moet nog op gang komen en eenmaal zover zal vooral jongeren duidelijk worden dat ze hebben geslapen in plaats van zich te organiseren en verzet te bieden. De vangnetten zijn goeddeels weggehaald, pensioenen gesloopt en de huizenprijzen torenhoog.

Wat moet er gebeuren? De overheid moet zich goed realiseren waar het landsbelang ligt. Dit is bij het midden- en kleinbedrijf, bij hogere netto lonen voor loonafhankelijke werkkrachten, handhaving van de pensioenen. Vitale delen van de economie als zorg, onderwijs en de huurwoningmarkt, moeten worden verlost van het marktdenken. Er moet grootschalig worden gebouwd voor huisvesting. Veel minder moet worden ingezet op het redden van multinationals als KLM en Tata Steel, bedrijven die bovendien sterk vervuilend zijn en afhankelijk van investeringen die ten doel hebben de factor arbeid nog verder te verlagen. Dit geldt ook voor de agrarische sector: steun niet de varkensflats en nertsfokkerijen, maar de verstandig met hun land omspringende boeren, in hun productie gericht op de regio. Irreëel? Droomt u maar lekker verder van schaalvergroting, marktwerking en onbeperkte groei.

Monk
8 juni 2020
foto: Monk

6 mei 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Mededogen

Mededogen

Mark Rutte valt deze dagen niet te benijden. Oppervlakkig gezien, komt zijn primaire probleem neer op het managen van de publieke sector: zorg, onderwijs, handhaving en rechtspraak. Lastig, maar niet onoverkomelijk. Politiek problematischer is de druk van het bedrijfsleven en daarachter de internationale orde van investeerders. In de media, op straat en achter de coulissen dringen zij aan op back to business.
Van je vrienden moet je het hebben.

Elk communiqué van de regering en veel discussieprogramma’s tonen dezelfde tendens: medeleven versus ongeduld. De zogeheten zwakkere groepen mogen zich, nu aanvankelijke emoties wegzakken, paradoxaal verheugen in de problemen van de zorgverlening. Normaliter behoren ouderen en beperkten immers tot het lage fruit aan de boom. Artsen en verpleegkundig personeel daarentegen faciliteren de economie. Het betoonde medeleven bevat dus een mate van belang van iedereen.

Ongeduld met de lock-down komt vanuit het bedrijfsleven in brede zin maar ook uit delen van de burgerij. Er moet geld worden verdiend en uitgegeven. Beperking van bewegingsvrijheid staat haaks op onze leefstijl. We leven in een mobiele en dynamische wereld. Waar we niet al werken en sporten of shoppen en feesten, moeten we van onszelf en de commercie aan huis en tuin klussen of gamen. Ophokken en in eenrichtingsverkeer door de winkels lopen, vergt een hele omschakeling.
Weer minder doden dan een dag eerder. de afvlakking zet door, volgende week mogelijk verruiming van. In elk journaal wordt steevast de vraag gesteld wanneer de teugels weer gevierd kunnen worden. Het land doet denken aan een klas ontevreden pubers op de middelbare school. Er is heel weinig bezinning op ons oude lemmingenleven, des te meer luidruchtige aandrang op terugkeer naar de oude situatie.
Hierin groeit de neiging verstandige overwegingen weg te zetten als moedwillige onderdrukking. Wetenschap dreigt te worden afgedaan als een mening.

Ondernemend Nederland, overtuigd liberaal zolang de kassa volstroomt, piepte binnen de kortste keren over kastekorten en faillissement, naar beproefd recept opgediend met de angstkreet banenverlies. Binnen enkele weken strooide het kabinet pakweg 100.000.000.000 euro rond in dit krachtenveld. Resultaat: geld weg, niks opgelost. Een onvermijdelijke stroom werklozen komt op gang, het UWV maakt overuren. Grote delen van zzp zakken door de hoeven. Begrijp me goed: ik schep er geen genoegen in dit te noteren. Ik constateer alleen hoe het kennelijk zit: de tot voor kort als een tierelier draaiende economie blijkt instabiel en hulpbehoevend. Dit geeft aan, hoe uitgebeend en opgejaagd het systeem in elkaar zit: alle rek is er uitgeperst. Dit geldt evenzeer voor een nationaal boegbeeld als de KLM. Binnen een maand na sluiting staat faillissement voor de deur en houdt de directie de hand op bij Den Haag ofwel de belastingbetaler. De brutaliteit van deze multinational blijkt vervolgens uit het feit dat KLM midden in crisistijd de salarissen van de directie wilde opschroeven. Dit was namelijk al eerder afgesproken en overeenkomstig de internationale norm.

Electorale wijsheid of angst houdt de VVD en haar coalitiegenoten voorlopig redelijk in het gareel. Weliswaar trappen de liberale voeten links en rechts door de vermolmde planken van de publieke sector (marktwerking en (dus) maximale bezuiniging op vooral personeel), de wil om er het beste van te maken, lijkt aanwezig. Dit nalaten, zou overigens neerkomen op rechtspolitieke zelfmoord. Alles beter dan te moeten toegeven dat de marktwerking is doorgeschoten. Geen politicus kan zich permitteren wat Jort Kelder deed: ongenoegen ventileren over de prijs die we betalen om te dikke 80 plussers te redden. Kelder verwoordde wat menigeen denkt.

Rutte en zijn kabinet worden onder druk gezet om hun politiek tegennatuurlijke, voor socialisme uitgescholden gedrag op te geven. De druk reflecteert hoe regeren in Nederland er anno 2020 uitziet: een economische elite die het democratische gehalte van zijn bewind afdekt met steun van de brede onderklasse. Ik denk hier aan de meute die graag goedkope Aziatische troep koopt en geen oog heeft voor de hieronder liggende kinderarbeid en dictatoriale besturen, of zelfs maar het inzicht dat hiermee de kleinere winkels en bedrijfjes om zeep worden gebracht.
De constructie van deze historisch gegroeide congsi wordt nu overeind gehouden door met belastinggeld te strooien. Alles beter dan de zwakheden van het systeem echt bloot te leggen. Hiermee omgaan, is het echte crisismanagement.

Volgend voorjaar zijn er verkiezingen. De regeringspartijen hebben pech dat deze niet vandaag zijn. In tijden van crisis stemmen mensen namelijk massaal op de zittende macht, hoe onverstandig dit ook mag wezen. Nu ligt er een vol jaar open, een jaar waarin hopelijk van alles komt bovendrijven aan louche belastingafspraken met multinationals, vastlopende cao afspraken, kelderende aandelenkoersen, oplopende EU schulden en over het paard getilde profclubs. U kunt alvast beginnen een lijst op te maken van de bullshit economie.

Ik geef het je te doen, een politieke weg te vinden als voorman van een kabinet dat van nature grenzeloze groei van de private sector juist propageert en beschermt. Alsof je een opgefokte hond verbiedt te blaffen en te bijten. Maar geen nood voor Mark: nu hij met miljarden aan subsidie strooit, weet niemand meer tot welke club hij behoort. Desgewenst kan hij geruisloos overstappen naar Groen Links. Jesse is vast heel aardig voor Mark. Waarom ook niet?

Monk
7 mei 2020
foto: Monk

3 april 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Staatsman?

Staatsman?

Assen

Toont Rutte staatsmanschap? Aan peilingen in de politieke onderbuik mag je afleiden van wel. Ook de media zijn overwegend lovend*. De premier staat deze dagen geregeld op om te vertellen wat ons te doen staat. Dit komt goed van pas in een land dat het zelf denken heeft afgeleerd.

Ik weet ook wel, dat een premier vele afwegingen moet maken en hierbij druk ervaart vanuit eigen partij en de coalitie, het bedrijfsleven en de vakbonden. Om van de media te zwijgen: die wil je niet tegen je innemen. Rutte propageerde aanvankelijk dat de scholen open moesten blijven. Kinderen zouden niet vatbaar zijn voor Covid-19 en ouders in essentiële beroepen (waar zijn partij sinds jaar en dag het mes in zette), moesten ontlast worden. Zeg dan hardop dat je primair de economie draaiend wilt houden, maar dit deed hij dus niet. Een staatsman zegt gewoon waar het op staat.

Het kabinet doet ook juiste dingen, zoals het hameren op thuisblijven en het onderling afstand houden. Het is geen sinecure om een bevolking van overwerk en consumptie, opgevoed in mobiliteit en competitie, op slag te bewegen tot isolement en discipline. Ook het aanstellen van PvdA -er Van Rijn was verstandig en opmerkelijk – als vervanger van een eigen partijlid. Aan de andere kant verschuilt Rutte zich structureel achter de deskundigen waardoor hijzelf buiten schot kan blijven, zelfs voor gedane zaken: de conclusies en aanbevelingen van eerder onderzoek naar rampen werden onderin een lade gegooid. Rutte claimt zelden een voortouw positie. Hij loopt liever als hofnar achter de wagen.  

Intussen stijgen de getallen van opgenomen patiënten en ook van doden, inmiddels tegen de 1500. We weten bovendien dat, wegens het beperkte meten van besmetting (geen spullen in huis, krenterigheid, vrees voor volkse paniek), dit getal hoger ligt. Reële angst en ergernis in de zorg stijgt snel waar zelfs vandaag nog altijd een tekort is aan beschermende middelen, ook voor het personeel. Geen woord over structurele positieverbetering voor deze sector. En wie had het jarenlang geringschattend over handjes aan de bedden?

Echt veel beter dan het verguisde Italië doen we het niet. De Nederlandse aanpak komt neer op te laat en te weinig. Dit is in overeenstemming met de breed gedragen rechts-liberale mentaliteit waarin naar dagkoersen wordt gestuurd en uitgaven aan zorg, onderwijs en handhaving onderhuids worden beschouwd als weggegooid geld.

De gepropageerde gefaseerde aanpak is traag en gericht op instemming en draagvlak. Polderen met een levensbedreigend virus is gewoon een slecht idee.  Het was nota bene Wilders die de premier hierover kapittelde.

De bevolking mag denken (hopen) dat Den Haag in deze crisis op de goede weg is, maar het is de vraag of dit applaus niet vooral is te danken aan toegezegde miljardensteun. Het is een oud recept dat al onder Kok (een andere staatsman van formaat) opgeld deed: probleem + zak geld = oplossing. Niet alleen noodlijdende kleine bedrijven staan massaal op de stoep: er is garantstelling in de maak voor een miljardenlening aan KLM-Air France. Maar wie betaalt straks de rekeningen? Den Haag beschouwt het landsbestuur en zelfs de EU als een bedrijf, een multinational met geldschieters  en aandeelhouders.

Bruins, de door zijn hoeven gezakte bewindsman, stelde dat de import van medische producten uit China geen gevaar zou lopen: de Chinezen zijn betrouwbaar, want ze houden van handelen. Als ware VVD-er maakte twee denkfouten in een enkele zin. Ten eerste zijn mensen onbetrouwbaar omdat ze op voordeel uit zijn en ten tweede dienen Chinezen verplicht de Staat China, die geld slechts als middel ziet tot iets anders, namelijk machtsuitbreiding. Hoe kun je als premier dergelijke lulkoek afdekken? Het antwoord is nog erger dan de vraag: omdat Rutte gelooft dat het waar is.

Staatsmanschap is geen doel op zich, maar de uitkomst van verstandig en onafhankelijk gedrag. Er was een tijd waarin ik mijn chef toebeet: macht wordt toebedeeld, gezag moet je elke dag verdienen. Zoals Rutte was deze man een regelneef, een bemoeial die zijn visie ontleende aan wie hem de macht gunde. Gelukkig weet ik uit ervaring dat zelfs aan ellende een einde komt. Houdt dus moed, Monkwisers! Tot die tijd mag u vooral uw eigen gezond verstand vertrouwen.

Monk
3 april 2020
Foto: Monk

* lezersonderzoek Noord Hollands Dagblad 3 maart: 70% vindt Rutte een staatsman van formaat.

24 maart 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Che Guevara in de polder, een vertelling

Che Guevara in de polder, een vertelling

Beemster

1

Dagen van verbijstering en chaos. Met de verhuizing naar het dorp is om te beginnen het uitzicht onherstelbaar bedorven. Aan alle kanten verrijzen nieuwbouwhuizen, hoekig, smakeloos, overdag goeddeels zonder bewoners, afgekaderd door tuintjes met struiken die je overal ziet, zelfs in de parkjes van de gemeente. Weg is het ruime erf waar Herman opgroeide, het omringende bouwland, de sloten, verderop de boomrijen langszij een polderweg, alles geometrisch aangelegd, daarboven de monumentale hemel, hoog en symbool voor de nietigheid van de aarde en zijn bewoners. Aan uitzicht in het nieuwe huis resteert een uitsnede van misschien 5 graden, een taartpuntje als horizon, een vergeten hoek tussen twee woonblokken. Wolken worden versneden en afgekapt door muren en daken, te hoog opgeschoten bomen. Buren vragen zich af wie daar vanuit een venster naar hen staat te kijken. Er is immers niets te zien waar niemand naar kijkt en wat niemand ziet, bestaat niet.

2

Het huis waarin Herman met zijn ouders woont, is nieuw en behoort tot de betere in de buurt. Het betreft een vrijstaande woning met aangebouwde garage, omringd door een tuin van enig aanzien naar dorpse maatstaven. Tot de nieuwe buren, die vanaf de straat diep in het huis kunnen kijken, behoren kantoorlui, leraren, aannemers en een beveiliger van overheidsgebouwen. Het zijn beroepen waar Herman nooit aan heeft gedacht, gelijk het geen moment bij hem is opgekomen dat hij uit zijn oude omgeving, leven en verwachtingen zou worden verwijderd.
We mogen nog van geluk spreken, beweert Moeder zonder dat naar haar mening is gevraagd, de gemeente wilde ons opbergen in een van die krotten naast de secretarie.
Dit klopt ongetwijfeld: aan de in het dorp heersende regentenmentaliteit is het gezin ternauwernood  ontkomen. Vader liet zich genadebrood uitdelen in de vorm van een bescheiden functie als gemeentebode, de laagste die op kantoor te vinden was. Op zijn 45e verjaardag heeft de zelfstandige akkerbouwer besloten een andere weg in te slaan. Er moet vooraf met mensen over gepraat zijn, maar niet met Herman. Wie of wat heeft Vader overtuigd, overgehaald? Zijn nieuwe bazen hebben hem een lijst verplichtingen toebedacht: een uniform dragen, werken in avondtijd, op kantoor koffie rondbrengen aan wie trek krijgt. Het is, alsof op kantoor alles bijeen is geveegd waarover al jaren ergernis bestond. Alleen huisvesting naar eigen wens wist Vader te handhaven. Een huurhuisje pal tegenover de werkplek heeft hij afgewezen. De verkoop van het bedrijf leverde voldoende geld op om een keurig huis te laten bouwen: tot blinde afgunst van menige collega en hoger geplaatste. Die verdomde boer met zijn kasteel.

3

Hoe heeft dit kunnen gebeuren, welke krachten zijn werkzaam geweest? Herman kijkt in verwarring terug op de laatste maanden. Eraan denken, blokkeert zijn gedachten in schaamte en angst, al snel opgewaardeerd tot regelrechte haat. Deze keert zich tegen zijn ouders, de buren, de werkgever van zijn vader, de winkelier van de SRV winkelwagen, de dorpshuizen en de straatstenen: wie in vredesnaam laat zich verlagen van zelfstandige landbouwer tot kantoorslaaf? Vooral dit raakt hem: opgeven van je vrijheid is geen optie, al ben je in de praktijk overgeleverd aan de belastingdienst, zoals Vader het dikwijls benoemde. Karigheid is beter te dragen dan horigheid en schaamte.
De sfeer in huis zakte van meet af onder het vriespunt. Vader probeert zich uit alle macht te handhaven in zijn nieuwe habitat, hij zweeft tussen een stalen verleden en een toekomst van bordpapier. Moeder daarentegen past zich moeiteloos aan, dominant en sluipend, gewend om zich baas in huis te voelen. Binnen een week na de verhuizing kon je per vertrek aangeven in welke mate haar zeggenschap van toepassing is. Woonkamer, hal en keuken voor 100%, net als de ouderlijke slaapkamer op de eerste etage en alle sanitaire voorzieningen. De resterende bovenvertrekken 80%, een voorzichtige schatting: Moeder loopt Hermans kamer binnen zonder kloppen en snuffelt in zijn agenda en cahiers. Alleen de garage ontkomt aan haar totalitair gezag. Hier moet ze delen met Vader, die er zijn auto stalt en zelfs met Herman, vanwege diens brommer, een opzichtig rode Kreidler. Regelmatig klaagt ze dan ook dat deze stinkt of in de weg staat. Moeder zou beter in een klooster gaan wonen.

4

Herman posteert zich voor het raam van zijn slaapkamer, uitzicht over de achtertuin, daarachter de muur van een belendende garage, stevig gehinderd door een dubbel woonhuis, bomen, meer naar links andere woningen, een straat met geparkeerde auto´s, mensen die op de stoep lopen.
Was ik maar dood. Hij bekijkt de sluiting van het venster, in de wetenschap dat dit geen nieuwe inzichten zal brengen. Het raam openen, met gespreide armen voorover neerslaan op de gewassen grindtegels. Dood zal ik niet zijn, maar mogelijk wel invalide, prooi van een tweewielig karretje en een kwijlbak, elke dag onder de verwijtende blikken van Moeder. Na drie weken zal zij bij Vader aandringen op mijn vertrek naar een tehuis. De gemeente gaat hen hierbij helpen.
Met gesloten ogen laat hij beelden van de afgelopen week passeren. Zijn vader, met een duimstok rondkruipend in de verse tuin, alsof met de inkrimping van zijn territorium ook zijn verstand is verschrompeld. In huis tikt de kostverdiener nog elke ochtend met zijn duimnagel tegen de mee verhuisde barometer. Alsof het erop aankomt welk weer het wordt, op kantoor. Moeder is in de woonkamer ineens met viltjes komen aanzetten. Hierop moeten voortaan de theekopjes worden neergezet, om de nieuwe tafel te vrijwaren van krassen of vlekken. Nog erger: zij heeft de werkster de stoelen rond de tafel laten inzepen met teakolie. Je mag niet meer achteroverleunen: daar komen witte vlekken van. Niet op je kleding, maar op de verdomde stoelen. Tegen een der kamerwanden is een hertshoorn in een pot geplaatst. Herman heeft er al eens bleekwater bij gegoten.
Wat een klerezooi. Hij proeft de woorden. Wat een allejezusse takkenbende.
Hij steekt een sigaret aan, blaast rook naar het vers gekalkte plafond, voelt zich draaierig worden en staart andermaal uit het raam. In zijn uitzicht gebeurt niets, terwijl er van alles in de weg staat.

5

Dagen als in bezettingstijd. Geen enkele ochtend meer ontwaken in het dromerige loeien van koeien, de zachte dreun van een tractor, de notie van zinvol werk. In de week starten auto’s in alle vroegte, een klusbedrijf hanteert de drilboor, Vader spoedt zich naar kantoor. Vandaag is gelukkig een zaterdag. Herman is in de morgen voor een paar lesuren naar school geweest. Deze ligt op ruime afstand van het dorp, maar op zijn brommer duurt de rit niet langer dan 20 minuten. Het zijn minuten die hij koestert.  Snelheid als middel om tijdelijk uit de benauwdheid te breken. Tegelijk lijkt het landschap dat hij doorkruist hem vijandig geworden: vuile deserteur. In een polder kun je ver zien. Hermans brein is doortrokken van de geometrie waarmee zijn habitat ooit werd aangelegd. Voortrazend op twee wielen stijgt en zakt de adrenaline in zijn bloed, al naar gelang hij oude plaatsen passeert: ik ben een Indiaan, versmolten met mijn omgeving, er is geen onderscheid.

6

In vaste slagorde staan de pannen op de eettafel. Vanaf de scheidingswand tussen kamer en keukentafel, zijn dat de groente (vandaag andijvie), de juspan (met gehaktballen) en de aardappelen (kruimige). De vla wacht nog in de keuken. De onwrikbare opstelling dateert uit het vorige huis en is onverkort overgenomen. Niemand haalt het in zijn hoofd aardappels en groente voor een keer van plek te wisselen. Neven de borden liggen lepels en vorken, sinds kort ook messen, waar eerder nooit met mes en vork werd gegeten. De messen hebben een zwart bakelieten heft. Na een kort gebed in stilte (ieder voor zich) schept Vader zijn bord vol en begint te eten, zwijgend en systematisch; van links naar rechts zal zijn bord leger en leger raken. Een paar jaar geleden heb ik in een driftaanval zo’n keukenmes doormidden geslagen. Nog geregeld zoekt Herman hiervoor bevestiging in de keukenlade, waar inderdaad slechts 5 messen liggen tegen 6 vorken en 6 lepels: ik moet wel heel kwaad zijn geweest. Maar mijn woede is gekanaliseerd, niemand die er iets van bemerkt.

7

In de middag loopt hij een ronde door het dorp, volgens een vaste route, in hetzelfde tempo, met gelijkmatige onverschilligheid voor wie hij tegenkomt. Lopen om te lopen, energie kwijt te raken, drift te doen slijten. Wat zei Moeder onlangs? Wat loop jij raar, er zit een huppeltje in. Herman was te verbouwereerd om haar af te snauwen.
Ter hoogte van de bakker stuit hij op Johan Bruinvis, met wie hij ooit samen naar de hbs ging, een project dat voor de voltallige jaargang van de dorpsschool mislukte. Johan is van de sociale soort, houdt van organiseren en dingen gedaan krijgen. Hij wil onderwijzer worden.
Je moet vanavond naar het Kluphuis komen. Aan de woordklank kun je horen dat Kluphuis met een K en een P wordt geschreven, niet met een C en een B. Verveling wordt tegenwoordig beloond met een eigen hok waar je mag doen wat je wilt. Zoiets heet een jeugdprogramma.
We hebben een politieke manifestatie van de PSP. Film en discussie, een biertje.
Herman is allesbehalve overtuigd, maar knikt. Het alternatief, thuis zitten wachten tot Moeder de tv na het journaal van 8 uur afzet waarmee hij naar zijn kamer wordt verdreven, lokt nog minder.
Het bier kost bijna niets. We hebben budget, al zal het geld binnenkort op zijn.
Het lijkt of Johan hem wil omkopen, maar het is vooral enthousiasme. Aan ieder ander zal hij dezelfde uitnodiging geven. Herman zegt toe. Ik kan nog altijd wegblijven, verhinderd zijn om bijvoorbeeld mijn ouders een gezellige avond bezorgen. De gedachte brengt zowaar een glimlach bij hem teweeg.

8

Tegen dat het journaal afloopt en een man komt vertellen welk weer er de komende dagen aankomt, stapt hij op. Bij de wasbak op de bovenverdieping poetst hij zijn tanden zonder zichzelf in de spiegel aan te kijken. Leven is gewoon het verrichten van handelingen, de ene na de andere, alsmaar door. Je ontwaakt, begint te bewegen en tegen sluitingstijd ga je naar bed.
In de garage is Vader begonnen een lekke koffiezetter te herstellen. Evenmin als zijn zoon wil hij in de woonkamer blijven plakken. Herman ziet een tube hittebestendige lijm liggen, maar zegt er niets over: dit gaat niet werken, arme vader, stomme ezel.
Hij rolt zijn Kreidler brommer naar buiten, zet de helm met eigenhandig geschilderd doodshoofd op, trapt de machine aan en scheurt de straat uit. Naar het Kluphuis, voormalig klaslokaal op de rand van een ijsbaan. Het is een ritje van niets. Tegen een lantaarnpaal waarvan de lamp in balorigheid is gesneuveld, staan meerdere fietsen.
In dit gebouwtje heb ik wiskundeles gehad. Het is pas twee of drie jaar geleden, maar het voelt aan of ik een bejaarde ben die terugkijkt in verwondering. Ik bracht het er goed vanaf, met goede cijfers, maar wat is goed wanneer je geen idee hebt waarheen te gaan, waartoe je verder zou leven?

9

Het interieur is sinds zijn laatste bezoek nauwelijks veranderd: een kale houten vloer, afgedankt schoolmeubilair, een krijtbord waarop allerhande mededelingen over optredende bandjes en fotootjes van de lang voorbije kermis prijken. Hermans blikken glijden willekeurig rond.
Na mijn vertrek is de school opgeheven. Een tijdperk kwam ten einde: het Mammoetonderwijs deed zijn vrolijke intrede, feestpakketten naar eigen keuze, niemand die nog Frans leert om iets te noemen.
Hij steekt vaag zijn hand op naar bekenden van vroeger, knikt naar anderen, vraagt zich af waarom hij als vreemde eend meteen wordt opgenomen en loopt door naar de achterkant van het lokaal. De wasbak met koudwaterkraan kent hij nog. Zelfs de zeephouder blijkt in orde.
Hij draait zich om en laat zijn blik andermaal langs de wanden dwalen. De ramen zijn geblindeerd zoals in een Kluphuis voor opgeschoten jeugd betaamt, posters decoreren de eigentijdse codes: een meisje in erotisch silhouet tegen de rode avondzon, reclame voor Italiaanse sportwagens in wit en groen en de iconische kop van Che Guevara, Cubaans revolutionair en arts, sigarenroker en avonturier, afgemaakt in Bolivia waar hij problemen zocht met het gezag. Bij de amateuristisch getimmerde bar scoort Herman een biertje, dat hij gratis meekrijgt.

10

De socialisten laten op zich wachten. Om 20.00 uur behoren zij er zijn, maar om half 9 is van hen nog geen spoor te bekennen. Herman betrapt zich erop, dit vervelend te vinden, waar het hem niets zou moeten uitmaken. Bij mijn vader moesten mensen niet proberen een half uur te laat komen. Zo ben ik ook, al denken mensen soms dat ik een lapzwans ben: tijd is tijd en wie te laat komt, kan beter meteen opsodemieteren.
Johan komt even gezellig babbelen. Hij heeft alweer een biertje voor Herman meegebracht. In zijn kielzog scharrelt een jongen, die zijn bewondering uitspreekt over de snelheid van Kreidler. Herman voelt zin om hem een klap te verkopen. Toch zegt de snotneus iets dat tot nadenken stemt: op het politiebureau loop je in de gaten met die brommer, kijk maar liever uit.
Herman knikt. De snelheid waarmee hij geregeld en dan nog overdag langs de politiepost rijdt, is inderdaad een uitnodiging hem staande te houden. Zijn blik blijft rusten op een zwartharig meisje, een Molukse, in oorsprong tenminste iemand uit een verloren kolonie. Het meisje kijkt terug. In een fractie van tijd worden essentiële zaken beslist.
Vanavond dus discussie. Johan plakt aan hem. Jij weet veel van politiek, lijkt me. Het zou leuk zijn om ze van katoen te geven. Wat denk jij?
Herman verstrakt. Hij denkt niets,  behalve dat hij genaaid wordt.

11

Om kwart over 9 betreden twee tanige mannen in spijkerpak eindelijk het gebouw. Geen twijfel mogelijk: de socialisten zijn gearriveerd. Er weerklinkt een kort gejuich als een van de heren verklaart dat ze wegens de ligging van het gebouwtje nogal hebben moeten zoeken. Steeds maar weer zijn ze uitgekomen bij de Kerkhoflaan. Onbedoelde humor is ook geschikt om mee te lachen.
Dit, terwijl we een hekel hebben aan autorijden. De toevoeging bevalt Herman matig. Liever dan op een brommer zou hij zich verplaatsen in een geblindeerde Mercedes. De mannen laten zich Keesjan en CeePee noemen. Het is twijfelachtig of ze in de burgerlijke stand ook zo staan vermeld.
Stoelen worden bijeen geplaatst en de platenspeler afgezet. De bezoekers installeren een draagbare projector met deksel luidspreker en ritsen een projectiescherm uit een koker. Ze zijn het kennelijk gewend in sobere omstandigheden te moeten werken.
We willen een korte film tonen over een Zuid Amerikaans land. De langste man (Keesjan) probeert de beeldmachine op te starten. Helaas moeten eerst elektrische snoeren uit de knoop gehaald worden om het stopcontact te kunnen bereiken. Herman komt erbij staan, steekt geen vinger uit, maar zegt wel: je kunt een snoer voortaan beter oprollen. Bij de balie weet hij een derde bier te bemachtigen. Deze keer moet hij twee kwartjes betalen.

12

De film begint onder luid geroep dat het stil moet worden. Dit initiatief komt niet van de partijmannen; de geluiden stijgen uit het publiek dat ongemerkt is aangegroeid tot een man of 20.
Het elektrisch licht gaat uit. Een ogenblik is het volslagen donker. Dan volgen bevende beelden in zwart wit, ze schuiven van links naar rechts. De meeste revoluties beginnen links en eindigen rechts.
Sinds de staatsgreep is Peru een dictatuur, licht CeePee toe. Zijn maat is erbij gaan zitten en rolt een sigaret. De macht is in handen van een rijke elite en voor de boerenbevolking is weinig hoop.
Herman schiet in de lach, het gebeurt gewoon.
Wil je iets zeggen?
Jawel. Dat zegt mijn vader ook altijd: dat er voor boeren weinig hoop is. Daarom werkt hij nu voor de gemeente.

Het lachen in de zaal houdt zolang aan dat de film moet worden stilgezet.
Laten we even serieus blijven en eerst de film afkijken. Daarna kunnen we verder praten.
De projector ratelt, maar beeld blijft uit. Het gewone licht, oude tl buizen uit de schooltijd, moet aan. Licht aan, licht uit. Zo stond ik vaak in de grote schuur als ik er ging voetballen. Ik probeerde te bewijzen dat elektriciteit tijd nodig heeft om van de schakelaar tot bij de lamp te komen.
Herman sluit zijn ogen. In de consternatie is het Molukse meisje ongemerkt naast hem neergestreken. Voorzichtig als een roofdier snuift hij haar geur op: muskus. Er is nog niets gebeurd, de twee kennen elkaar niet eens bij naam, maar je kunt met zekerheid voorzeggen wat er staat te gebeuren.
Wat een heerlijk geurtje heb je op! Mag ik even echt ruiken?

13

Paraderende militairen en brandende gebouwen in Lima, tanks op de pof gekocht in het buitenland. Velasco Alvarado, aan de macht gekomen via een militaire staatsgreep in 1968, jaar van wereldwijde opstanden. President van de Revolutionaire Overheid.  In het zaaltje maken vreemde namen en verre oorden geen indruk: wat malen Hollandse plattelandsjongeren om bloedvergieten ver van huis?
Aangenaam: Herman. Hoe mag ik jou noemen? Hij fluistert in haar warme oorschelp.
Maudy. Zeg maar Maud.
Zijn arm glijdt als een cobra om haar schouders. In zijn hoofd stampt een oud liedje van de Small Faces: sorry, she’s mine. Maar zover is het nog niet en het is de vraag of dit aan hem is.
Ik blijf je Maudy noemen. Zo gemakzuchtig ben ik niet dat ik een mooie naam zou afkorten.
Alweer gaat het licht aan. De mannen overleggen kort, bijna fluisterend. CeePee staat op van zijn stoel. Het maakt weinig uit of hij zit of staat.
Excuus vrienden. Dit zijn beelden uit Chili, niet uit Peru. Ik stel voor dat we gewoon verder kijken. De situatie in beide landen lijkt nogal op elkaar. Ook in Chili worden mensen die hervormingen willen, verjaagd en soms gedood.
Stilte in de zaal. Herman voelt dat iets in het verhaal wringt. Is het nu een linkse of een rechtse opstand, een staatsgreep, wat is het? Liever trekt hij Maudy voorzichtig naar zich toe: in haar opgaan, overstappen naar een nieuw leven, met haar meereizen en vergeten waar ik vandaan kom.
Toch wil hij ook iets gewoons zeggen, de indruk wekken dat de film hem interesseert.
Ik dacht dat die lui van de PSP pacifisten zijn. Deze film gaat alleen maar over geweld.

14

De voorstelling gaat verder. Veel aanwezigen vinden het wel prettig, zo in het halfdonker. Je hoort dat her en der de kat geknepen wordt. De projector zoemt in geruststellende regelmaat. Ging het met revoluties ook maar op die manier.
Een dorp in de Andes. Keesjan doceert over beginselen van arbeid en kapitaal. Hij kan het niet laten. Herman luistert zonder belangstelling, begrijpt dat Chili een tamelijk koud land is, wegens de hoogte. Maudy buigt zich naar hem toe en maakt een verlate opmerking die hem verrast.
Ze zijn niet van de PSP maar van de CPN, het zijn communisten.
Het duurt even voor Herman zijn gedachten opnieuw heeft geordend. CPN? Waarom had Johan het dan over de PSP? Er zit zoveel klankverschil tussen beide woorden dat hij het onmogelijk verkeerd kan hebben verstaan.  
Vanuit de gemeenschap is een commune opgezet waaraan ook vrouwen deelnemen.
De stem komt deze keer uit het plastic luidsprekerdeksel. Drie vrouwen verschijnen in beeld. Hun gezichten  staan op onweer, ze schreeuwen en gesticuleren. De luidsprekerstem vat dit gekrakeel samen: De vrouwen  beklagen zich over corruptie. Op de markt zijn zij steeds meer geld kwijt.
Het is een uitnodiging om de clown te gaan uithangen. Ergens links van Herman verheft een jongeman zijn stem.
Op de markt is je gulden een daalder waard!
Herman lacht mee, minder om de opmerking zelf dan omdat er geen serieuze stemming op gang wil komen. De warmte van het meisje maakt hem week en toegankelijk, hij merkt het aan zijn ademhaling en het bevalt hem maar matig.
Maudy, ik ben zo terug. Denk ik. Wie zal het zeggen.
Herman komt overeind, werkt zich voorlangs anderen. In aanvang is hij van plan naar de wc te gaan, maar onderweg bedenkt hij dat dit er een beetje raar kan uitzien. Daarom loopt hij naar de bar en trekt twee pijpjes bier uit een krat. Wie gaat hem dit verbieden? Thuis mag hij nog geen pak melk uit de koelkast nemen zonder toestemming. Niemand reageert.
Hee kijk, je moeder zit erbij!
Kennelijk toont de film een grappig moment. Gelach neemt de overhand, maar CeePee grijpt in. Hij kent het klappen van de zweep.
Let op! Daar heb je de politiek commissaris, een voorman uit de guerrilla beweging. Ik zie trouwens, dat het toch een film over Peru is.
De flesopener zit met een touwtje vast aan de bar. Herman keert terug naar zijn stoel en overhandigt Maudy een flesje. Ze schuift gezellig tegen hem aan.
Wat lief! Wel een beetje brutaal..
Nog vijf minuten
, eist CeePee geërgerd over de interrupties, zolang kunnen we het toch wel volhouden! Uit de zaal komt het antwoord: Nou, dadelijk ga ik huilen.

15

Aan alles komt een einde, zelfs aan socialistische films waar de jeugd veel van kan opsteken. Het helse licht van de tl balken aan het plafond blijft na afloop achterwege. Er blijkt een heuse schemerlamp te bestaan, mogelijk door iemand van huis meegebracht. De film is afgelopen. De meeste aanwezigen hebben geen notie waar Peru ligt, of Chili, wat maakt het uit. De mannen proberen desondanks de moed er in te houden. Ze zien zichzelf als zendelingen, brengers van een boodschap waaraan het land behoefte heeft.
Maar jullie kennen zonder twijfel Che Guevara!  Zijn poster hangt hier immers aan de wand.
Helaas. Verder dan Cuba en Fidel Castro komt het niet. Jonge mensen weten bitter weinig van wat hen voorging en, eerlijk is eerlijk, in geen enkele krant stond ooit duidelijk hoe dicht de wereld langs een kernoorlog scheerde wegens de Cuba Crisis nog geen tien jaar eerder. Onwetendheid is tegelijk de redding en de ondergang van de wereld.
Hermans gedachten dwalen af, het lijkt wel of zijn hersenen zich inspannen om de avond te verpesten, hem elke vreugde willen ontzeggen nog voor deze op gang kan komen.
Wat moet ik met een vriendin? Mijn moeder zal Maudy aanstaren, haar wegen als een zak sinaasappels. Ze zal vragen wat haar vader voor werk heeft en vooral denken aan de gevaren van onze verkering: zwangerschap omdat ik een stomme ezel ben, nee, omdat ik een man ben en mannen maar aan 1 ding denken, godverdomme. Na de kennismaking zal ze zeggen dat ik beter mijn huiswerk kan gaan maken, dat daar nog wel wat te winnen valt.

16

Hij steekt zijn hand op en trekt de aandacht van CeePee, die het zaaltje gebaart wat minder kabaal te maken: Een vraag. Zeg het maar!
Herman haalt diep adem. Hij is niet gewend te spreken in een groep, al helemaal niet om de aandacht te trekken. Eerder is hij een meester in onzichtbaar worden en verdwijnen.
Wat vinden jullie erger: een linkse of een rechtse dictatuur?

17

Om het vertrek van de zich tot communist ontpoppende socialisten te bevorderen en met Maudy te kunnen dansen, helpt Herman de mannen met de snoeren en het scherm. Keesjan is baas over het materiaal. Herman bekijkt zijn gelooide gezicht, te vroeg verouderd door zorgen over het kapitaal en bovenmatige tabaksconsumptie. Hij spreekt hem toe, zoals je een kind kennis bijbrengt.
Che Guevara? Na Cuba kwam Bolivia. Niemand daarginder wilde hem, hoogstens om hun kwalen en zweren te tonen, of hij er iets aan kon doen. Hij was immers arts. Ze hebben Che verraden en vermoord. Weet je dat zijn handen werden afgehakt om met de vingerafdrukken een premie te kunnen opstrijken? Met die handen sjouwden ze dagenlang door het oerwoud.
Veel mensen zijn blij met een kroket, een bloem, een gebaar van erkentelijkheid of vriendschap. Communisten veren op bij gebleken kennis van de Heilige Zaak.
Jij weet er dus wel van! Waarom zei je daarnet niets? Nu kunnen wij er niets meer mee.
Het klinkt verwijtend, zelfs een beetje verbolgen. Herman slaat meteen terug.
Ik begrijp nog steeds niet waarom jullie een dictator goedpraten. En wat is er verheven aan ongeschoolde arbeiders? Denk je dat iemand hier zich voor revolutie interesseert? Revolutie tegen wie, tegen wat?

18

Herman voelt zijn boosheid toenemen, maar breekt zijn betoog af omdat hij oog op Maudy wil houden. Zij staat bij Johan en een derde, iemand met een gezicht om meteen te vergeten. Ze lijken zich nogal te vermaken.
Het is de sukkelaar die op school jaar in jaar uit moeite had met lezen. Hessel of Kessel, weet ik veel. Waarom zou je met zo iemand willen praten, waarover dan?
Naast hem praat PeeCee gewoon door, kennelijk zonder op te letten of Herman luistert.
Niet alles kan in deze setting, vriend. Mensen zijn niet dom, hoogstens onontwikkeld. Waarom kom je niet een keer naar een bijeenkomst van onze partij? Daar krijg je de echt belangrijke zaken te horen.
Naar een vergadering van de CPN? Herman is de zoon van een vrije boer, gedegradeerd, maar toch. Zijn oorlog gaat niet tegen Kerk of Kapitaal, maar tegen zijn ouders, schoolmeesters, duffe dorpsgeest, tegen zichzelf.
Ja, schei maar uit. We gaan zo sluiten.

19

De kleine man roept naar het uiteenvallende publiek, het zoveelste verzoek om stilte.
Luister even. Wij komen helemaal uit Amsterdam en krijgen geen cent subsidie voor dit werk.
De aanwezigen begrijpen hem wel en scanderen voor de grap: CeePee, CPN! CeePee, CPN!
Ieder werpt een muntstuk in de pet die rondgaat. Het zijn allemaal toegankelijke jongens en meisjes, vreedzaam, liever lui dan moe.

20

Tegen middernacht verlaat Herman met het laatste groepje het Kluphuis. De langspeelplaten zijn minstens twee keer gedraaid, er is gedanst, de kratjes bier zijn leeggedronken en evengoed werd niemand zat.
Johan heeft de kwestie over PSP en CPN uitgelegd: ik dacht dat je anders niet zou komen.
Het blijven raadselachtige woorden.
Maudy duikt op aan Hermans zijde, juist voordat hij zijn brommer wil bestijgen, de stilte verscheuren met de huilende cilinder.
Ik ben je heus niet vergeten hoor. Breng je me naar huis?
Hij is in de war, voor even toch. Dan schiet hem een vraag te binnen.
Wat zag ik daarstraks: drink je sherry? Was het witte wijn?
Ten diepste wil hij van haar af. Of met haar meegaan, samen in haar bedje kruipen en nooit meer thuiskomen. Elk compromis hiertussen is twijfelachtig en vervelend. In gedachten staat hij al voor de woning van zijn ouders, het valt te bezien of zij eraan hebben gedacht de sleutel onder de vuilnisbak te leggen.
Dan ben ik verplicht aan te bellen als een bedelaar. Een eigen sleutel is onbespreekbaar, want die zal ik maar verliezen. Je moet gewoon op tijd thuiskomen. Hij voelt dat hij transpireert.
Wijn? Dat is er niet. Het is whisky. Johan heeft een geheime fles onder de balie.
Ze heeft hem wel gehoord. De schat klimt bijna tegen hem op, heft haar gezicht en glimlacht gelukzalig. Het wordt de hoogste tijd zijn nieuwe vlam te omarmen en te kussen zoals geliefden doen, met handen overal en hete gedachten. Een wrede steek doortrekt zijn brein.
Ze is een voormalig liefje van Johan. Terwijl ik werkte op het land van Vader, zat Johan met zijn vingers aan Maudy. Ik ben voor alles te laat. Ik ben een indringer, een parasiet.

21

De tongkus duurt ellenlang. De anderen vertrekken zonder afscheid. In de nachtelijke koude kruipt Maudy dicht tegen hem aan, achterop de brommer. Ze slaat haar stevige armen om zijn middel. De machine start feilloos. De machine is de enige met toekomst.

Monk,  maart 2020
naar aantekeningen uit 1980
Foto: Monk

16 maart 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Plagues and people

Plagues and people

Maandagochtend 16 maart 2020, 8.30 uur. De straat is stil, doodstil. Ik ontwaak met muziek in mijn hoofd: everything is coming to a grinding halt, van The Cure. Meteen realiseer ik mij, dat het land op slot zit, het uitgaansleven is afgeschaft, scholen dicht, het sociale leven teruggedraaid naar het niveau dat mijn moeder haar hele leven nastreefde. Vergeefs zoek ik in mijn geheugen naar een vergelijkbare situatie die ik meemaakte.
Denkend aan mijn jeugd, schiet mij een voedselproduct te binnen dat ik in geen 50 jaar gegeten of zelfs maar heb geroken: broeder.

Wat heeft hier met wat te maken? Het is hoe mijn brein werkt: associatief, grillig, onvoorspelbaar. Je kan stellen, dat ik mijn hersens niet in de hand heb. Het komt er op neer dat ik onraad bespeur: angst voor armoede.
Het land verkeert in een situatie die nog bijna niemand kan bevatten. Armoede, verval van inkomen en vooruitzichten, ligt op de loer. Mijn leven lang ben ik mij bewust van kwetsbaarheid en dreiging: niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook maatschappelijk, een vage maar onmiskenbaar aanwezige vrees voor mensenmassa’s, opgejaagd door duistere krachten. Wij leven in een luchtbel van zelfbedachte veiligheid.

Broeder is een ouderwets deegproduct dat weliswaar vult maar nauwelijks voedt, zonder vitaminen, lastig te maken bovendien omdat het gedurende de bereiding in een linnen zak zomaar kan instorten en verworden tot een smerige klomp varkensvoer. Moeder zette dit soms op de zaterdagse eettafel, met name  in de wintermaanden. Geen wonder, dat we geregeld rondliepen met steenpuisten, symptoom van tekorten aan verse groenten en fruit. De stank van door de huisarts verstrekte teerzalf krijg ik nooit meer uit mijn neus.

Moeder had al op jonge leeftijd de neiging om haar orders op het laatste moment kenbaar te maken. Ingeval er broeder op tafel werd gedacht, uitte zij dit idee enkele uren voor de maaltijd, niet bijvoorbeeld drie dagen eerder. Met als gevolg, dat mijn zus of ik acuut naar het meest nabije dorp werd gestuurd om ginder bij een bakker een dubbeltje gist te halen, verpakt in een vierkant papiertje ter grootte van een flinke dobbelsteen. Gist is een onmisbaar onderdeel voor de bereiding van broeder. Eenmaal aan tafel, aten we deze aan keukenspons verwante troep met stroop en gesmolten boter. Wat overbleef, werd een paar dagen later opgebakken in dikke plakken, als avondmaaltijd voor ons kinderen wanneer we van school kwamen.

Everything is coming to a grinding halt. Muziek is in mijn leven een transmitter, boodschapper van het onderbewustzijn. Ik beschouw het als intuïtie. Onbewust is dit verschijnsel in de loop der jaren gecultiveerd, of de weerstand ertegen opgegeven, dat kan ook. In mijn schedel malen dag en nacht ritmes en riffen. Stilzitten is mij niet gegeven: aan mij beweegt altijd wel iets, bij voorkeur staccato. Beweging begeleidt de gedachtegang als eindproduct van een permanente reis door het onbewuste.

Broeder staat bij mij voor armoede, de term die ook bij me opkomt wanneer ik denk aan de manier waarop wij collectief omgaan met het coronavirus. De politiek getinte toespraken van onze premier, reacties van gewone mensen op straat, het hersenloze gewauwel van BN’ers over het virus, de arrogantie van vaste panel leden in het praatjesprogramma van BNN/VARA: de Aziaten hebben het virus onder controle gekregen omdat het gedweeë mensen zijn. Gedwee, dus niet bijvoorbeeld gedisciplineerd of omgevingsbewust. Inmiddels is Europa het epicentrum van de uitbraak.

Deze dagen ervaren we weinig staatsmanschap en omgekeerd juist veel slecht verpakt partijbelang. De inhoud moet komen van mensen die geen deel uitmaken van embedded vaste commissies: filosofen, historici, medisch specialisten, samen te vatten als het denkende deel van de natie. Dertig jaar onderwijsafbraak kon niet bewerkstelligen dat deze categorie nog altijd bestaat. Nota bene Rutte zei dat we conclusies aangaande het virus niet aan (onder meer) historici kunnen overlaten. Nee, liever aan economen die geen enkele crisis zien aankomen. Ik adviseer hem en u om het in 1976 verschenen Plagues and people van historicus William McNeill te lezen, over de invloed van besmettelijke ziekten op de loop der geschiedenis. Dit boek is nog altijd nieuw verkrijgbaar.

Op de zinvolle adviezen van deze in beginsel belangeloze mensen bouw ik maar, in de hoop dat het land onder gebrek aan uithoudingsvermogen en discipline niet zal inzakken tot een kleffe brij, alleen geschikt voor de hond in de pot.

Monk
16 maart 2020
(foto: Monk)

1 maart 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Sterrenstof

Sterrenstof

Oostzaan

Bij Sterrenwacht Oostzaan volgde ik enige cursussen: kosmologie, fysische geografie en astronomie. Oud hoofdonderwijzer Jan Voet draagt zijn kennis van het universum met liefde en precisie uit.
Denk erom, waarschuwde hij meer dan eens, astronomie heeft niets te maken met astrologie. Alleen al voor zijn gelaatsuitdrukking wanneer hij het woord astrologie proeft, geef ik het volle cursusgeld.

Astrologie, de wijsheid die wordt ontleend aan de stand van sterren en planeten op een specifiek moment. Afhankelijk wanneer je bent geboren, uitgedrukt in zogenaamde sterrenbeelden, kun je leren over je karakter, kansen op voorspoed en dreigende gevaren. Door de oude Grieken en Romeinen werden op vergelijkbare manier schapendarmen en oude pis bestudeerd.

Niet bij brood alleen*, luidde de politieke slogan van het CDA in 1977. Hiermee werd ingespeeld op de aloude behoefte van de mens aan zingeving, anders dan door arbeid en investeringen.  De slogan was intelligenter dan het militante Voorwaarts en niet vergeten van de PvdA en het onsamenhangende Vrijheid, werk, samenleving van de VVD.  De mens heeft behoefte aan spiritualiteit, hoe irrationeel deze ook mag zijn.

In Wikepedia kun je lezen hoe uitgebreid, om niet te zeggen ongebreideld, de geschiedenis van spiritualiteit is. Het gaat van Lou de Palingboer naar scientologen, van transcendente meditatie naar humanisme, van materialisme en neoliberalisme naar mindfulness en veganisme. De lijst is oneindig en kritiek nodigt uit tot felle discussie of erger. Blijft staan, dat de mens niet bij brood alleen wil leven. Ten diepste is hij/zij irrationeel en emotioneel, op gezette tijden zelfs levensgevaarlijk voor andersdenkenden.

Een onschuldige afwijking op logica en rationaliteit betreft de astrologie. Astrologie grijpt ongetwijfeld terug op een oeroude menselijke behoefte aan uitleg en troost. Daarbij bestaat permanent de mogelijkheid omhoog te kijken naar het nachtelijk uitspansel. God kun je niet zien, maar sterren en planeten wel.

In bladen als Margriet en Libelle, alsook in bijna elke dagelijkse krant kun je lezen over wat de sterren voor jou in petto hebben. De teksten zijn zo grofmazig en vaag dat je er alle kanten mee uit kan, reden voor lezers om er achteraf belangwekkende aanwijzingen in te vinden. Meestal is het onschuldig tijdverdrijf, zoiets als een recept waar je nooit aan begint of de weersverwachting voor een gebied waar je toch niet heen gaat. Geen vrees, geachte Monkwisers: de sterren hebben helemaal niets in petto. Het zijn laaiende kerncentrales op onwaarschijnlijke afstand van de aarde.

Vandaag beleeft astrologie een revival, nota bene onder wie normaliter behoren tot het denkende deel van de natie. In de sociale media circuleren talrijke accounts met duizenden volgers, op datingsites worden sterrenbeelden uitgewisseld om de slagingskans te beoordelen en wanneer het leven hapert, kun je als oorzaak verwijzen naar een ongunstige stand der hemellichamen: Mars en Jupiter stonden niet in conjunctie, dus ja, niet gek dat ik een verkeerde keuze maak. Daarbij past astrologie, als onderwerp waarop je aanhoudend met jezelf bezig bent, perfect in deze tijd. Naar het schijnt wordt er gelukkig ook geregeld gelachen om wat je kunt samenvatten als astrologische belevingen.

Kom ik terug bij Jan Voet en zijn op wetenschappelijke leest geschoeide cursussen. Het universum biedt letterlijk een onafzienbaar domein aan nog onverklaarde fenomenen. Wetenschap is bovendien allesbehalve saai, maar juist een levende bron van kennis en vreugde. Astrologie daarentegen gaat helemaal nergens over. Ik zal dit even bewijzen.

De stand der sterren mag constant lijken, maar dat is zij niet. Alles in het universum beweegt en meestal verdomde snel. Alleen de afstanden en daarmee de tijd die vergaat om iets te kunnen waarnemen, maakt dat de verschuivingen in een mensenleven niet of nauwelijks waarneembaar zijn.
De aarde en andere planeten draaien om onze ster, het zonnestelsel raast door de Melkweg en deze miljarden sterren bevattende cluster is ook al op weg naar nergens.

Het veronderstellen van een sterrenbeeld berust op gezichtsbedrog, een 3-dimensionale mindfuck.  De samenstellende sterren van zo’n toevallige en zelfbedachte voorstelling bevinden zich op totaal verschillende afstand van ons. Er staan geen draken, vissen en stieren aan het firmament, alleen maar menselijke projecties van angst en hoop.

Laat dit geen domper zijn, maar juist een aansporing om astrologie in te ruilen voor astronomie. Stop met enig belang te hechten aan de stand van het steendode planeetje Mercurius, als oorzaak van pech of liefde. Astrologische kennis schijnt tegenwoordig statusverhogend te zijn. Wat dacht u van het tegendeel?

Monk
1 maart 2020

Foto: Monk

10 februari 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Barcelona Eldorado, een stolling in de tijd

Barcelona Eldorado, een stolling in de tijd

Het betreft een enorme locatie in de duinen met imposante gebouwen en walmende schoorstenen, ongeziene silo’s en neerdrukkende muren. Een deel van deze spookstad bevindt zich ondergronds. Je kunt er gemakkelijk verdwalen. Locomotieven slepen wagons vol kolen, erts en kokend staal over het terrein. Vrachtschepen meren aan om lading te lossen, het lawaai is oorverdovend, stofwolken rollen naar alle kanten, vogels die overvliegen hebben een goede kans dood neer te vallen.

Inleiding

Al woonde hij op flinke afstand, Reindert Wieland kende Hoogovens NV van kindsbeen af zonder zelfs de schoorstenen te hebben gezien. In zijn groene leefomgeving was de naam synoniem voor elke vervelende geur van elders, om het even uit de Zaanstreek, het Amsterdamse havengebied of de IJmond. Je ruikt de Hoogovens, was een gangbare uitdrukking. Eind jaren vijftig maakte hij hardhandig kennis met zogeheten hoogovenslakken, uitgebrand en messcherp puin dat je voor een habbekrats kon bestellen om rijpaden op te hogen. Hij ging met de fiets onderuit op het dijkpad voor zijn ouderlijk huis en doorstond jammerend de schoonmaakactie om gruis uit zijn gehavende knie te verwijderen:  ja jongen, moet je maar uitkijken!

Hoofdstuk I

Met zijn benen languit op het pluche zat Reindert in de schuilplek voor spijbelaars, leeglopers en krakers. Het betrof een heel oud café zonder drankvergunning, gelegen aan een smalle gracht in het oude deel van Alkmaar, de stad waar ooit de Victorie tegen Spanje begon. Het afgetrapte etablissement opende om een uur of 10 in de morgen en sloot tegen middernacht. Grammofoonplaten werden er grijs gedraaid, thee en koffie werd onafgebroken geserveerd en met geluk kon je een tosti bemachtigen. Dit alles tegen vriendenprijs, want chef Patrick was er de man niet naar om jongeren het vel over de oren te trekken.

Met een half oor luisterde Reindert naar de mededelingen die hem door opgewonden klasgenoten werden aangeleverd. Op deze dag, minder dan een uur geleden, waren de examenuitslagen van de hbs bekend gemaakt. Reindert had niet de moeite genomen zijn verwachte nederlaag persoonlijk in ontvangst te nemen. Slecht nieuws reist snel en dus was hij gewoon in het café blijven zitten.
Het kwam erop neer, dat hij twee vakken moest overdoen. Eigenlijk viel de schade nog mee, zo kwam uit de toonzetting van de boodschappers naar voren, maar Reindert wist wel beter. Nagenoeg niets begreep hij van de gewraakte examens boekhouden en handelsrekenen, zelden had hij de deprimerende boeken opengeslagen, huiswerk had hij op z’n best overgepend van anderen.
Ik ben volkomen kansloos, maar ik kan het niemand uitleggen.

In het ietwat chaotische gesprek kwamen ook leuke details aan het licht. Het lerarenkorps had over Reinderts resultaten langdurig vergaderd. De meeste docenten hadden de hardleerse spijbelaar zonder pardon de genadeslag willen toedienen, maar anderen hielden hem kennelijk de hand boven het hoofd.

“Ga even zitten”, onderbrak Reindert de woordenstroom, “laat het universum op je inwerken. Sigaret?”
Hij vond het wel aardig om klasgenoten als het ware te ontvangen in een omgeving die hen vreemd was en waarin hijzelf bekend was als de bonte hond.
“Geld om jullie te trakteren heb ik niet. Ik ben straatarm. Dat is omdat mijn ouders al het geld opmaken. Zelfs de voor mij ontvangen kinderbijslag gaat eraan. Heb ik al gezegd dat ze komend weekeinde naar de Veluwe gaan?”
De nieuwkomers, drie jongens en een meisje, schoten in de lach. Ze bestelden een glas thee aan de bar en schoven aan op de ribfluweel bank, het pronkstuk van het café. Sjonge jonge: dus hier was Reindert wanneer zij zelf braaf in het leslokaal zaten!
“We hebben nog naar je gezocht”.
Reindert probeerde vergeefs de naam van het meisje te achterhalen, maar liet niets merken.
“Iedereen zoekt mij. Maar zeg eerlijk: zou je verkering met mij willen?”

De ruimte waarin zij zaten, was donker en benauwd van het vele roken, maar gelachen werd er genoeg. Toch vond hij het hinderlijk dat ze hem zo gemakkelijk hadden gevonden. Het duidde op halfbakken werk van zijn kant. Hij had zich laten vinden om van zijn lot op de hoogte te geraken.

“De directeur heeft meermalen je naam genoemd en speurend rondgekeken. De man kon maar niet geloven dat iemand die examen heeft gedaan, wegblijft als de uitslag bekend wordt gemaakt”.
De directeur, slungelige Limburger, eersteklas conformist.
“Ik kende de uitslag op afstand” antwoordde Reindert droog, “ik wist het drie maanden geleden al”.

In het plotselinge besef dat hij misschien zijn hand overspeelde en dat iemand hem met een enkele rake opmerking buitenspel kon zetten, liet hij erop volgen:
“Dat is overigens geen verdienste. Ik was niet meer bij machte die vreselijke boeken open te slaan. Was ik gebleven, dan was ik op een dag dood in elkaar gezakt”.

Er arriveerden meer voormalige klasgenoten; het begon te lijken op een feestje. Reindert keek het met lede ogen aan.
Geslaagd zijn, je diploma op zak en dan even naar de dierentuin.
Na een half uur van praten en diploma’s bekijken, voelde hij zich onrustig en neerslachtig worden. Het werd tijd om te vertrekken, de onvermijdelijke gang naar huis te maken, zijn halve nederlaag kenbaar te maken en aan te schuiven voor de warme prak.

“Je hebt nog bijna twee maanden om het in orde te maken”, concludeerde zijn moeder nadat hij de tijding had overgebracht, “daarin kun je die boeken zowat uit je hoofd leren”.
Dat Reindert de kloeke delen voornamelijk kende naar het gewicht dat ze in zijn dagelijkse schooltas vormden, hield hij maar voor zich.
Moeder, u weet niet waar u het over heeft, of in uw eigen woorden: u praat naar het verstand dat u heeft.
Zwijgend zat hij aan tafel, prakte op welhaast mechanische wijze aardappels en groente door elkaar en wierp een blik op zijn chagrijnige vader.
Deze man weet dat hij nooit ofte nimmer een betere baan zal krijgen. Hij heeft zelfs geen visitekaartje om de wereld mee te verbazen. Toch gaat hij elke dag naar zijn baas. De vraag is, of dit dapper is dan wel meelijwekkend. Toch houd ik van hem, al is het eenrichtingsverkeer.

Na de maaltijd vluchtte hij naar zijn kamer en zette de radio zodanig zachtjes aan dat hierover door niemand geklaagd kon worden. Daar lag de verdomde examenstof: Boekhouden I en II, samen goed ruim voor een kilo hartverzakking en dan lag daar nog het leerboek Handelsrekenen. Reindert ging voor het raam staan en keek naar buiten, naar de morele grenzen van zijn blikveld, gevormd door de vensters van nieuwbouwhuizen.
Ik behoor immers nergens naar binnen te kijken, al kan ik bijna niet anders dan juist dat.

Merendeels jonge mensen woonden er, maar erg opwindend leek het leven niet te zijn in die doorzonkamers met cyclamen en luxaflex voor de ramen. Geen moment kwam er iets van na-ijver bij hem op. Het ontbrak hem eenvoudig aan voorstellingsvermogen om zoiets ook voor zichzelf te wensen.
De mensen nemen een baan en trouwen, ze krijgen een jankend kind en kopen een Volkswagen Variant. God sta ons bij.

Een opdringerig zure geur bereikte zijn neus. Moest hij nu alweer onder de douche? Douchen kwam hem buitengewoon vermoeiend voor: niet alleen vanwege het uitkleden en de kranen op de juiste temperatuur brengen, maar omdat er vanuit de keuken geheid geklaagd ging worden zodra je de warmwaterkraan aanraakte. Beneden in de keuken deed zijn moeder immers de afwas; hier was veel warm water voor nodig. Of anders zou ze zaniken, dat het nemen van een douche de boiler leegmaakte waardoor je weer uren moest wachten op nieuwe voorraad, enzovoorts, enzovoorts.
Alleen God ziet het allemaal, maar wat heb ik aan een God die niet bestaat?

Zonder in beweging te komen, liet hij de voorbije middag nog eens passeren.
Boekhouden en handelsrekenen. Als je daarvan geen verstand hebt, dan krijg je geen diploma, dan kun je achterlijk werk gaan doen alsof je nergens meer voor deugt. Dat ik godverdomme 100 boeken op mijn literatuurlijst Nederlands had staan, kan niemand iets schelen.

In de krant werd beweerd dat rekenmachines en computers boekhoudkundig werk veel beter deden dan zelfs geschoolde klerken: razendsnel en foutloos! Dit was de toekomst! Zelfs de nederigste aap kon na een cursus van drie dagen de elektronica bedienen, zijn baas verrassen met puntgave facturen, verkoopoverzichten en positieve banksaldi. Reindert zuchtte diep. Het bericht verbaasde hem allerminst. Juist dingen die je aan een machine kon overlaten, werden het meest gewaardeerd.
Archaïsch.
Dit was het juiste woord voor de manier waarop in het middelbaar onderwijs nog werd gewerkt met pen en papier. De opvatting stond dichter bij de lei en de griffel dan bij de elektrische schrijfmachine en de zakrekenmachine met een batterijtje, dichter bij 1930 dan bij 1980.

Reindert keek onderzoekend rond en opende zijn schooltas waarin groen en blauw uitgeslagen boterhammen van weken her lagen te schimmelen.
Dat krijg je ervan. Ik eet patat en tosti’s en ben nog te belazerd om mijn brood aan de eenden te voeren.
Hij sloot de tas zorgvuldig. Je kon moeilijk met de rommel naar de vuilbak lopen om hem leeg te schudden. Zijn moeder zou moord en brand roepen over verspilde boterhammen, om te zwijgen van het beleg.

De garagedeur van het huis werd van binnenuit geopend. Reindert deed een stap naar achteren om niet gezien te worden. Gestommel van metaal en voetstappen weerklonk.
Mijn vader heeft niets gezegd over mijn geklungel op school. Hij heeft er geen woord aan vuil gemaakt. Zo lijkt het of hij tolerant is, dat hij me de vrijheid laat. In wezen wil hij er niets mee te maken hebben. Zo vlug mogelijk naar de caravan op de Veluwe, dat is het levensmotto van mijn vader.

Beneden, op het tegelpad langs de tuin, werd de maaimachine gestart: een huilende benzinemotor die alle hersenspinsels binnen een straal van honderd meter vernielde.
Reindert liet zich op zijn bed zakken, sloot zijn ogen en viel binnen een minuut in slaap, het monotone lawaai ten spijt.

Hoofdstuk II

De volgende morgen was het schitterend weer. Reindert zette de gedachte aan studie uit zijn hoofd zodra hij zijn boeken in het oog kreeg.
Eerst maar eens het probleem van de PLP oplossen, de Permanent Lege Portemonnee. Maar hoe?
Lang behoefde hij niet na te denken; daarvoor waren de beperkte mogelijkheden al te dikwijls langsgekomen. Je kon bijvoorbeeld geld van je ouders stelen. Dit leverde weinig op en de pakkans was groot, net als de zekerheid van een wekenlang conflict. Dan was er in de buurt van Reinderts school een Postagentschap, ondergebracht in een soort bouwkeet en beheerd door een schlemielige kerel. In de krant had gestaan, dat bankpersoneel de instructie had om nimmer het leven te riskeren ingeval er een overvaller verscheen: geld afgeven en goed opletten, was het devies. Maar, had Reindert bedacht, waarmee moest hij de beheerder bedreigen? Met een hamer of schroevendraaier uit de garage werd je natuurlijk gewoon uitgelachen en vervolgens ingerekend.
Je kunt toch niet iemand met een klauwhamer neerslaan vanwege een paar honderd gulden?
Hij daalde de trap af, maakte in de keuken een boterham klaar en zag de beurs van zijn moeder liggen.
Het is een valstrik. Mijn ouders missen af en toe een rijksdaalder en ze hebben gedacht: we zullen de dief wel even vangen.

Met de boterham in zijn hand liep hij naar buiten.
Bloemen verwelken en schepen vergaan, maar de behoefte aan geld blijft immer bestaan, neuriede hij op een zelfbedachte melodie. De rest van de dag deed hij hoegenaamd niets.

Hoofdstuk III

“Als je niets beters weet dan de hele dag op je nest te luieren”, sprak Reinderts moeder de volgende dag op luide toon, “als je te belazerd bent om aan je herexamens te werken, dan ga je maar zolang een baantje zoeken. Er staan er genoeg in de krant. De dagen zijn voorbij dat je hier kunt rondhangen om alleen maar te eten en commentaar te leveren”.
“Die dagen herinner ik mij helemaal niet”, antwoordde Reindert, “we leven waarschijnlijk in verschillende tijden. Ik zal een kalender kopen om het na te kijken”.
Hij begaf zich naar de woonkamer en posteerde zich voor het venster dat uitzag op het huis van de aanpalende buren.
Ze hebben daar ook al zo’n leuk randje kant langs de vitrage, met van die domme kutplantjes op de vensterbank. Er zullen daar wel gauw kindjes gemaakt worden. Waar moet je elkaar anders mee vermaken?

“Er komt niets van mij terecht”, riep hij zonder om te zien het huis in. Zijn moeder zou de woorden toch wel opvangen. “Ik ben een ieder een doorn in het oog. Andere slagzinnen zijn altijd welkom”.
Hierna zweeg hij en ging een uur doodstil aan de woonkamertafel zitten, kijkend naar de handen van zijn moeder die zeer omslachtig in de weer ging om met een vulpen inkt uit een potje op te zuigen. Het potje was vrijwel leeg en moest schuin gehouden worden. Moeder leek evenwel vastbesloten geen hulp te vragen en Reindert bood niets aan. Tenslotte liep hij naar zijn eigen kamer en zocht in de kast tot hij zijn oude verrekijker had gevonden. Gewicht en formaat van de kijker vielen bij nader inzien een beetje tegen.

Het is vreemd om een voorwerp vast te houden dat ooit een functie heeft gehad maar deze door veranderde omstandigheden heeft verloren.
Toen Reindert nog op het akkerbouwbedrijf van zijn ouders in de polder woonde, had hij vaak languit in het dijkgras gelegen om de hemel af te zoeken naar vliegtuigen. Op deze manier had hij eens een satelliet waargenomen, een weerkaatsing van licht die zich razendsnel verplaatste.

Hij ging voor het raam zitten op zijn bijgeschoven stoel en keek door de kijker naar buiten.
Let op, de buren hebben in hun tuin plastic bordjes bij de planten gezet. Daar staan natuurlijk Latijnse namen op. ’s Avonds lezen ze in een dik boek over de gewenste verzorging. Op de kaft van het boek staat een goedlachse dikkerd, dat is HendrikJan de Tuinman.
Reindert zuchtte, volgde op straat een vrouw met een boodschappentas en zwaaide als een debiel. Zij keek terug zonder begrip. Vervolgens liet hij de kijker ronddwalen langs een rijtje vensters van slaapkamers. Hier was niets te zien. Zuchtend ging hij achterover op zijn bed liggen en voelde een diepe vermoeidheid.
Het is toch wat, het lijkt wel of iedereen iets van mij wil. Iedereen vindt dat ik iets moet doen, ondernemen en tegelijk lijkt iedereen mij tegen te werken. Je mag kiezen tussen de rol van Swiebertje en die van Bromsnor: gek zijn ze allebei.

Zijn overpeinzing werd onderbroken door een merkwaardig fenomeen. Hij verhief zich een weinig en stelde vast dat er een envelop onder de deurkier naar binnen werd gewerkt.
Het is mijn moeder. Zij is krankzinnig geworden.
De gedachte aan een oudere vrouw die daar op haar knieën moest zitten, vertederde hem bijna.
Mijn moeder heeft een bijbaantje aangenomen als postbode. Het is nooit te laat iets te ondernemen. Eigenlijk moest ik de deur opentrekken en zeggen: “Lekker weertje mevrouw, u treft het maar”.

Hij liet zich evenwel terugzakken en bleef geruime tijd onbeweeglijk liggen. Vervolgens raapte hij het poststuk op en scheurde de envelop open.
“U gelieve zich op 4 november te vervoegen op de voornoemde kazerne”, las hij twee keer, “alwaar u nader zult worden ingelicht omtrent de invulling van uw militaire dienstplicht. Besloten is, u onder te brengen bij de infanterie, gelegerd te Harderwijk”.
Reindert haalde diep adem, voelde acuut misselijkheid opkomen en zei luid: “Dat zullen we nog wel eens zien”.
Hierna ging hij weer liggen en keek naar het plafond, vervuld van boze gedachten en van vrees voor een onbekend leven, een bestaan dat hij voorzag, vol ongecontroleerd geweld, bevelen en andere vernederingen.
Soldaat Wieland, we krijgen jou wel kapot, stomme luie hippie!
Reindert viel in slaap en droomde dat hij geëxecuteerd werd.

Hoofdstuk IV

De advertentie in De Typhoon beloofde een salaris dat vergelijking met in de landbouw gebruikelijke uurlonen glansrijk doorstond. Het stond allemaal breeduit aangeprezen, met een keur aan gunstige toeslagen, gratificaties en Uitstekende Secundaire Voorzieningen.
De Hoogovens, gelegen aan de monding van het Noordzeekanaal konden personeel gebruiken. Reindert keek opnieuw naar de advertentie.
Ik kan er niet vrolijk van worden.

Hij wachtte tot hij alleen in huis was en belde de afdeling personeelszaken van de staalfabriek, half in de hoop dat het allemaal meteen zou afketsen, dat ineens hordes gastarbeiders waren ingevlogen, of een golf recent gesaneerde tuinders uit de kop van Noord-Holland voor de poort stond. Want dat was de achtergrond van de mensen die op een fabriek terechtkwamen.
“Er is voldoende plaats”, liet de telefoniste hem opgewekt weten. Reindert dacht aan zijn lege beurs en liet zich overhalen om de volgende dag langs te komen.
“U kunt gebruik maken van ons vervoerssysteem”, sprak de vrouw aan de andere kant van de lijn. Ze legde uit langs welke wegen er werd gereden en waar Reindert zich kon laten oppikken.
Reindert hoorde haar aan.
Een jonge vrouw, in een mantelpakje, met een naambordje op haar voorgevel om in de kantine te kunnen eten.
Wie kende ze niet, de autobussen van Beentjes & De Bruyn? Hij had ze al dikwijls gezien bij de stoplichten van Alkmaar als hij stond te liften. Hij herinnerde zich dadelijk slapende mannenhoofden die tegen de zijruiten van de bus leunden: de zombies van ’s lands vooruitgang.

Om half één stond hij langs de Provinciale Weg op de bedrijfsbus te wachten. De chauffeur schakelde grootlicht aan toen hij de hem onbekende jongeman zag gebaren om te stoppen. Met één voet op de treeplank legde Reindert zijn zaak voor: was er dan niets doorgegeven?
“Er zijn wel meer mensen die bellen”, zei de chauffeur gemelijk, “je hoort er nooit meer wat van”.
Hij gebaarde dat Reindert maar moest binnenkomen en plaatsnemen. De deur sloot sissend en de bus reed weg.
Reindert nam plaats naast een tanige veertiger die hem geringschattend opnam en vervolgens voortging met lezen in een tijdschrift dat over watervogels handelde.
Dat had ik ook kunnen doen.
Reindert overdacht de opmerking van de chauffeur. Hij keek naar buiten en snoof met tegenzin de scherpe dampen op van smeulende zware shag.
Ik had ook gewoon kunnen wegblijven.

De bus waarin hij zat, was nummer acht in de optocht die de slagbomen en de bewaking passeerde. Een paar beveiligers in uniform staken hun hand op naar de chauffeurs. Voor de passagiers toonden ze niet de geringste belangstelling.
We zijn aangekomen in de Efteling. Houdt uw toegangsbewijzen bij de hand.

Het houten noodgebouw waar Reindert moest zijn, was gemakkelijk te vinden. Hij liep evenwel met opzet de andere kant uit, over een smalle asfaltweg. De mogelijkheid om ongehinderd en van nabij de installaties te bezichtigen, zou zich wellicht nooit meer voordoen. Hij was bereid elk moment het terrein te verlaten en er nooit weer terug te keren. Als een toerist flaneerde hij tussen de kolossen van staal en beton, zich verbazend over deze karkassen van de westerse beschaving. Onbegrijpelijke, afgedankte machines lagen op een plateau te roesten. Metalen cilinders stonden in rijen opgesteld, als raketten met de koppen naar de hemel. En overal drong wee geurende rook uit de gebouwen: via pijpen, gaten en kieren: de Brouwerij van Frankenstein. Nee, hierover waren de lessen op school nooit gegaan.

Een kleine bestelwagen kwam naast hem tot stilstand. Bedrijfsbeveiliging met bijpassende pet. Een portier ruit werd omlaag gewenteld en hij kon de vraag al raden. Ja, er werd nog opgelet in Nederland.
“Ik zoek het inschrijfbureau voor vakantiepersoneel”.
Het klonk als de verklaring van een oplichter.
De bewaker liet hem instappen en reed verder het complex binnen: een stad van steen en ijzer, in asfalt gegoten spoorrails, bulkende vrachtwagens en knarsende transportbanden. Het was een decor voor films over zware misdaad of erger: een kampement voor gevangenen in een dictatuur. Via een omweg bereikten ze de parking voor touringcars waar hij eerder was uitgestapt.
“Daar moet je wezen”.

Aan het interieur van de bouwkeet was nauwelijks zorg besteed. De wanden waren geschilderd met een bezem, aan het plafond hingen lompe lampen met koud licht en in de wachtruimte stond een afgetrapte automaat voor gratis koffie en thee. Op de balie van formica lagen goedkope balpennen aan een kettinkje. Lang te wachten behoefde hij niet.
Staande bekeek hij de lijst van ziekten en mankementen die een mens kan opdoen. Uit de lengte van de lijst viel op te maken dat de mens ten dode is opgeschreven. Maar soms is er nog wat tijd om te werken. Die tijd werd begeerd door de Hoogovens.

“Ik kan niet goed tegen hitte”, sprak Reindert lijzig tegen de dienstdoende klerk. Hij zond hem aanvullend een geringschattende blik toe, de blik van iemand die zonder gevolgen kan weglopen.
Ga zelf lekker bij een smeltoven werken.
Foto’s van de hel hadden in de krant gestaan. Niet bedoeld als waarschuwing of aanklacht, maar juist als aanbeveling, als teken van maatschappelijke kracht en vooruitgang! Wie eraan gewend was, lette er misschien niet erg op, die keek alleen naar de loonstrook, de flauwekul van bruto en netto. Zo iemand was Reindert, alles bijeengenomen.

In een halve minuut werd hem uitgelegd hoe het ploegensysteem in elkaar stak: drie middagen achtereen werken – dag vrij – drie ochtend werken – dag vrij – drie nachten werken – drie dagen vrij en dan weer verder. Een shift duurde de volle 8 uur + reistijd. Een kind kan de was doen.
“Wilt u hieronder even tekenen?”

De bussen op de parking zouden binnen een half uur volstromen met werklui wier shift erop zat. Reindert bedacht dat je beter chauffeur kon zijn, maar voorlopig had hij geen rijbewijs. Hij verliet het gebouw en liep de weg af naar de slagboom.
Als iemand mij probeert tegen te houden, spring ik over die roodwitte balk. Dan denken ze aan een Palestijnse terrorist en schieten mij kogels in de benen. Al spoedig blijkt de akelige vergissing. Ik kom in de krant en ontvang een ruime schadevergoeding. Tegen mijn ouders zeg ik, dat het eenvoudig is om slapend rijk te worden. Op mijn ziekbed krijg ik ineens de geest en leer vlot handelsrekenen en boekhouden, de materie begint mij zelfs aan te spreken, feitelijk een kwestie van permanente hersenschade. Dat komt vooral door mijn banksaldo dat er nooit tevoren zo florissant heeft bijgestaan. Het alsnog slagen voor mijn examens ligt dan voor de hand, al was het maar omdat ook de Commissie zich coulant opstelt. Mijn vader zal het hoofd schudden en een heel weekeinde ziek van jaloezie in zijn caravan op de Veluwe liggen.

Maar de bewaker bleef roerloos in zijn hok toen hij Reindert zag naderen en vlak langs zijn loket zag schuiven. Reindert wierp een smalende blik naar ’s mans waterige ogen. Nee, de bewaking stelde weinig voor, een terrorist kon hier probleemloos zijn gang gaan.

Hij had gemakkelijk met dezelfde bus kunnen terugrijden. Wat hield hem tegen? Het moest te maken hebben met walging, eenonderliggend gevoel van gezichtsverlies en afhankelijkheid. Hoe het zijn ouders uit te leggen ingeval hij met lege handen thuis kwam? Bij een halte wachtte hij netjes op een lijnbus, om pas drie uur later de garagedeur open te trekken.
Je bent gewoon te besodemieterd om een tijdje het werk te doen dat anderen hun halve leven moeten uitvoeren.En daarna sterven.
De laatste gedachte intrigeerde hem aanstonds.
Daarna gaan de mensen dood aan kanker en maagbloedingen, veroorzaakt door giftige rook, dampen van zink en zwavel. Het is net als in Duitsland tijdens de oorlog: de nazi’s rekenden precies uit hoeveel een dwangarbeider in de mijnen of een munitiefabriek mocht kosten. Inclusief de kogel die als afsluiting werd gebruikt.

Hoofdstuk V

Het regende. Reindert’s moeder liet haar oogappel slapen tot tien uur. De jongen moest immers fit zijn voor de arbeid die om twee uur in de middag zou aanvangen en tot laat in de avond ging duren. Het was wel zeker dat zij naar zijn vertrek uitzag, want moeder had het huis graag voor zich alleen.

Langzaam kleedde Reindert zich aan en wachtte met tegenzin op het middageten.
Wie eet er nou bloemkool en gehaktballen als je net uit bed bent?
Vervolgens fietste hij naar de hoek van de Provinciale Weg en was juist op tijd om, zijn Hoogoven pasje in de hand, de bus binnen te stappen. Met hem stapten meerdere mannen in, weggedoken in hun jas.
De chauffeur was een andere dan de eerste keer, maar ook hij had geen belangstelling voor pasjes of andere documenten.
“Middag”, zei hij mechanisch tegen elke instapper en een ieder echode de groet terug. Het leek wel of Reindert al jaren op deze wijze naar zijn werk ging.

De meeste passagiers hingen achterover in hun stoel, met gesloten ogen alsof ze zo ver wilden wegdromen dat ze niet meer wisten of ze nu in de bus naar de staalfabriek zaten of naar hun vakantiebestemming. Anderen waren wakker en praatten wat met elkaar. Naast Reindert, aan de overzijde van het looppad, zat een magere man zeer diep in zijn neus te graven. Telkens bekeek hij de top van zijn pink waarmee hij de zaak van binnen uitbaggerde. Als het resultaat hem beviel, wreef hij zijn handen krachtig over elkaar, veegde ze af aan zijn broek en begon opnieuw.

Met twee nieuwe ploegmaten werd Reindert begeleid naar een gebouw van baksteen. Vanachter een toonbank schatte een man met een horrelvoet lengte en schedelmaat van de jonge mannen. Hij hinkte naar achteren, trok uit vakken een paar blauwe overalls, schoeisel en een witte plastic helm: de plunje van een uiteengeslagen veldleger.
“Mijn vader zou zeggen jullie zijn weer het heertje“, sprak Reindert op zachte toon tegen de jongen naast hem. Maar deze verstond of begreep hem niet en Reindert had geen lust op zijn opmerking te herhalen.

Ze liepen langs een massieve fabriekshal en hielden halt voor een deur van staal. De begeleider drukte met zijn rug deze deur open.
“Hier kunnen jullie je omkleden”. Het portaal toonde kleine, vierkante vloertegels. Achterin was een hoog venster, waaronder een rood brandblusapparaat. Verder was er niets in deze tochtsluis. Een tweede deur werd tegengewerkt door een batterij drukveren. Een windvlaag zoog de mannen in een grote vierkante ruimte met witte wanden en een vloer van marmoleum. Je kon denken aan een zaal voor gymnastiek. Half en geheel geklede mannen liepen door elkaar. Aan de rechterkant sloeg stoom uit ruimten waar kennelijk douches waren. Werkpakken en privékleding hingen hoog opgetakeld: jassen, broeken, tassen en schoenen vormden een eigen wereld tegen het plafond.
Reindert liet zijn armen vol bedrijfskleding langzaam zakken. Een plotselinge angst verlamde zijn spieren. Vergast en verbrand zou hij hier worden. Het wachten was op bewakers met zwepen, op bevelen en marsmuziek uit luidsprekers. Op deze manier waren de Joden en Zigeuners te grazen genomen waar ze ergens diep in Polen uit een Duitse trein getrapt werden. Een vermoeide Todeskandidat zou zijn hoofd kaalscheren, het lange haar een ogenblik tussen zijn vingers laten spelen., god mocht weten wat je van mensenhaar kunt maken.
Misschien eindig ik nog eens in een goedkope barometer. Daarin worden immers de haren van een paard verwerkt.
Versuft keek hij rond.
Het laat zich raden wat er in de douches gebeurt. Eenmaal uitgekleed, worden we vergast. Zo komen ze van de werkloos geraakte boeren af. Na het gas slepen ze ons in een crematorium. Vandaar dat het bij de Staalfabriek altijd zo stinkt.
Tersluiks wierp hij een blik op de gezichten van zijn beide nieuwbakken lotgenoten, maar verbazing of afkeer kon hij bij hen niet ontdekken. Een mengsel van schaamte en woede steeg naar zijn wangen omdat hij, precies als de sukkels naast hem, op geen betere gedachte was gekomen om geld te verdienen.

Elke De nieuwkomer kreeg een sleutel uitgereikt. Deze behoorde bij een genummerd hangslot waarmee je een lange ketting met kledinghaken omlaag kon brengen, tot vlak boven de vloer. Reindert had nummer 87.

Hoofdstuk VI

Het meeste in het leven draait uit op sleur en regelmaat, verveling en aanvaarding. Onvermijdelijk volgden de dagen en nachten van reizen en werken, melk drinken tegen de kwaaie dampen, ouwehoeren, slapen en aan je kop krabben, elkaar op. Het mag verbazing wekken hoe snel een mens kan degenereren. Zodra je de bus binnenkwam, wist je dat het foute boel was.

Al spoedig leerde hij nieuwe geuren onderscheiden. Die van zware shag, cokes en besmeurd ondergoed, okseldampen, scheten, zweetschoenen en een mengsel van gekookte bloemkool en bakeliet. Het kwam hem voor dat de mensheid niets deed dan ruften. Machteloos hing hij in de bus op zijn bankje van skai.

Er is geen hoop, de mannen doen alles wat hen wordt voorgekauwd of ze apen hun baas na in de hoop dat ze daarmee ook zelf een beetje baas worden. Zelfs hier in de bus bestaat een hiërarchie. Degene met de grootste bek zit naast de chauffeur met een houding of hij zelfstandig kan bepalen waarheen de bus zal rijden. Nieuwkomers als ik moeten genoegen nemen met de achterbank. Daar krijg je met iedere hobbel in het wegdek een schop onder je kont om je eraan te herinneren dat je zelfs onder ongeschoolde armoedzaaiers niets hebt in te brengen.

De grote wandklok in het kleedlokaal tikte langzaam, maar ze tikte. Van lieverlee moesten de werkpakken neergelaten en aangetrokken worden, de zware schoenen om de voeten gesloten. Onherroepelijk verdwenen je eigen spullen naar het hoge plafond, buiten bereik van anderen, want gestolen werd er ook.

Reindert keek rond en zag hoe het werkte. Bij aankomst had niemand haast. Iedere gelegenheid werd aangegrepen om tijd te rekken, over elke nietige opmerking kon eindeloos en op luide toon worden gemolken. Soms vielen er woorden, zelfs een enkele keer een klap. Daarna, met het almaar doortikken van de tijdmachine aan de wand, ratelden de kettingen omlaag, werd er gezwegen of hooguit gekankerd op de nieuwe dag, het weer, de voetbaluitslagen, de onderbroekenlucht van de buurman. En dan, precies op tijd, stroomde het hele zootje naar buiten. De ratten werden de fabrieken ingejaagd, de treinstellen op, de keldertrappen af.

De afdeling waar Reindert werkte met de altijd vermoeide Duursema en de Spanjaarden Castro en Rodriguez, bestond uit een klein perron met daaronder een immens complex van stortbakken en transportbanden. Elk uur rolden ertswagons over de rails binnen, om vervolgens boven trechters te worden gelost. Ze kwamen van heinde en ver: Italië, Oostenrijk, Frankrijk. Reindert stond op de roosters, keek omlaag, zag hoe het gruis onder zijn voeten werd weggezogen, de ertswanden afbrokkelden en instortten. Boven dit alles hing een mist van stuivend stof.

Met Castro klauterde hij op de bruingeroeste wagons, schoof grendels opzij en draaide aan een spaakwiel zoals je op oude schepen ziet. Twee kleppen aan weerszijden van de wagon braken open en het verpulverde erts stroomde door de roosters naast en onder de rails weg. Hij kneep zijn ogen dicht en wrong het wiel met onmachtige mensenkracht in de oude positie.
Dadelijk kom ik het hok binnen en dan vertelt Duursema mij op zijn toonloze manier dat er wel eens een lijk in zo’n wagon is gevonden: een omgekomen Joegoslavische mijnwerker of een toerist die ’s nachts van een viaduct is gesprongen.
Het hok: een soort wachthuisje waarin de knoppen van de stortkokers werden bediend. Maar Duursema stond de Telegraaf te lezen, dronk koffie uit een meegebrachte thermosfles en schopte een dode rat van zich af.

Hoofdstuk VII

En zie: de doden keren weer en worden levenden. Hoedt u, want zij kennen geen angst.

De werktijd zat erop. Het leek of een bliksem de arbeiders terug naar het leven sloeg. Als kleine jongens wierpen ze bezems en scheppen in de kast, graaiden hun tassen met broodtrommels en kranten bijeen en snelden naar de kleedruimte alsof er vaten met radioactief afval achter hen aan werden gerold.

Sommigen droegen tijdens het werk niets dan hun beschermende overall. Deze mannen stonden waarschijnlijk achter de vuren, ze loodsten kokende staven metaal naar een plek om af te koelen. Zij waren de echte mannen van de samenleving. Voor een paar procenten toeslag knapten zij de gevaarlijkste klussen op. In de kleedruimte schroomden ze niet de bedrijfsbroek omlaag te sjorren en onderwijl voort te praten met een buurman. Daar stonden ze in hun blote kont, een kluit kloten tussen de benen. Wie zou deze mannen het recht ontzeggen, voorin de bus te zitten, op de betere plekken?

Er was daar iemand met grijzend haar en van atletische bouw die tijdens de dagelijkse verkleed- en plenspartij langs de douches schuifelde, de opmerkingen en grappen negerend, loerend als een vos naar een geschikte kip. Reindert geneerde zich om onder de douche te stappen, zijn private delen prijs te geven aan wie er maar belangstelling voor kon hebben. Hij waste zijn handen, gezicht en nek en droogde zich met een van huis meegebrachte handdoek.
De rest doe ik thuis wel. In de badcel met het slot op de deur.

Door zijn halfbakken manier van schoonmaken, was hij altijd de eerste die gereed was om te vertrekken. Dan zat hij op het bankje bij de uitgang en sloeg het schouwspel gade.
Met zulke mensen moet ik op school hebben gezeten. Zij waren geen uitverkorenen die naar een goede middelbare school gingen, zoals ik. Zij lazen in de laatste klas van de lagere school nog met een vinger onder de regel en kwamen nooit door het boekje Eenvoudig Cijferen. Zij waren bestemd om altijd te verliezen, het onderspit te delven. Toch heb ik nooit mededogen met hen gehad. Integendeel, ik haatte hun traagheid en onbegrip, de lege blik in hun ogen, de logge gewilligheid als er opdrachten werden gegeven. Al zou ik hier vijfentwintig jaar werken en een lintje krijgen, dan nog zou ik hen verfoeien.

Hoofdstuk VIII

De bus reed in een optocht van soortgelijke bussen. Bij iedere afslag van de snelweg verdwenen er een paar: de tentakels van een systeem. Reindert peuterde zwarte brokken uit zijn neusgaten, keek af en toe naar buiten, maar weigerde in slaap te vallen met zijn hoofd tegen het ruit.
Dit begint op mijn zenuwen te werken. En thuis wachten die verdomde studieboeken. Daarna moet ik in militaire dienst. Godverdomme.

“Je moet melk drinken”, had Duursema hem voorgehouden, “koffie en thee zijn uilenzeik. Met melk leef je drie jaar langer, want het breekt gif in je lichaam af. Of denk je dat we hier toffees maken?”
De melk zat in kartonnen pakjes van een kwart liter. Je kon ze overal tegen inleveren van een muntstukje uit een automaat trekken. Overal hingen die automaten alsof ze wilden zeggen: drink ons gauw leeg, doe je het niet moet je het zelf maar weten, ben je binnen de kortste keren dood, stomme klootzak. De automaten behoorden natuurlijk tot de in De Typhoon vermelde Uitstekende Secundaire Voorzieningen.

Thuis stapte Reindert regelrecht naar de badcel: spoelen, tanden poetsen, gorgelen. De smaak van scheikundige processen bleef evenwel aanwezig op zijn tong en in zijn neus. Hij keek in de spiegel, naar de rode vlekken op zijn huid.
Dit  zijn de eerste symptomen. Ik wed dat ze binnenkort weer wegtrekken, net als bij syfilis. Daarna krijg ik pijn in mijn liezen of in mijn hals. Dat trekt ook weer weg. Vervolgens voel ik een bult onder mijn oksel en krijg ik te horen dat ik kanker heb, een kwaadaardige tumor. Dit vertel ik thuis aan mijn ouders, bijvoorbeeld tijdens het eten, want dan wordt er tenminste opgelet. Mijn moeder huilt een beetje, maar niet te lang, want ze begrijpt al vlug dat ze mij verzorgen moet en daar zit niemand op te wachten. Mijn vader zal na twee maanden een mooi boek voor me kopen, begrijpelijke lectuur van bijvoorbeeld Jan de Hartog die mijn lijden verzacht. Als ik het boek uitgelezen heb, ben ik gereed en bereid om voor God’s aangezicht te verschijnen. Zo wordt alles toch nog mooi en geweldig.
Hij draaide de doucheknoppen open en ging onder de straal staan, zijn gezicht frontaal naar de sproeier gekeerd.

Hoewel hij langdurig had geslapen, bleef hij na het ontwaken in bed liggen. Hij keek naar het plafond en hoorde buiten een auto passeren, de nieuwe Volvo van een achterbuurman die gymnastiekleraar was.
Waarom zou ik opstaan, wat is er voor leuks of zinnigs te doen?
Al snel richtte hij zijn leven naar de werktijden van Hoogovens BV.
Bij nacht de man, bij dag de man.

Onmachtig sukkelde hij weer in slaap. Plotseling bevond hij zich in een groot oud huis in de negorij straat van een achterbuurt. Er schuifelden mensen heen en weer, doelloos, als figuranten in een slechte speelfilm. Vanuit de verte drong een aanzwellend geluid tot hem door: ontploffingen die steeds dichterbij kwamen. Toch bleef hij kijken. Pas toen een geweldige inslag het ruit voor zijn gezicht verbrijzelde, draaide hij zich om en wilde weglopen. Te laat: hij voelde de hitte van gesmolten glas als een zweepslag in zijn ogen: het huis van zijn geboorte.

Tegen het middaguur stond hij eindelijk op en nam een koude douche. Met de deur op een kier luisterde hij vervolgens naar geluiden in het huis. Hij hoorde niets, keerde terug naar zijn kamer en kleedde zich aan. Hierna pakte hij zijn schooltas, Deze kwam hem vreemd voor, als iets uit een ver verleden. Onbegrijpelijk dat hij tot voor kort hiermee dag in dag uit naar de stad was gereisd. Hij daalde de trap af, liep gelijk door naar de garage en stortte de restanten beschimmeld brood in de vuilnisbak.
Zo ziet het resultaat van mijn schoolopleiding eruit. Was ik maar dom geboren, te dom om mij dingen in het hoofd te halen. Wat overblijft, zijn plastic zakken met beschimmeld brood. En een baantje tussen ezels.

Aan niets wilde hij denken: niet aan het ritueel van fiets, bus, kleedhok, perron, kantine en aan het geld, aan het einde van de week ontvangen in een papieren zakje aan de balie met een balpen aan een kettinkje. Evenmin wilde hij gezellig uitgaan in Alkmaar of de Zaanstreek, rondhangen met vrienden, een biertje drinken of dansen in een dancing met foute soulmuziek en opgewarmde meiden die lachten naar de enige zwarte saxofonist van de stad. Het leven werd snel gereduceerd tot een maatvoering rond de werkblokken in de kelders van de staalfabriek.
Laat in de middag stond hij weer te wachten op de bus van Beentjes & De Bruyn.

Hoofdstuk IX

Klamme mist overspoelde het terrein. Rails kwam uit het niets en verdween aan de andere kant in een watten deken. Af en toe klonk een schrille fluittoon, dan doemde er een locomotief op, een driehoek van felle koplichten en het diepe dreunen van staal op staal. Aan de geur van brand en fabrieksgeweld was nergens te ontkomen.
Deze wereld bestond al toen ik nog op het land woonde.  Ik heb hooguit eens een platenboek gezien over de industrie.
Ondergronds zocht hij een weg naar de zeekant, de plaats waar vrachtschepen op hun plek werden geduwd, waar kranen de inhoud weghaalden, hap na hap. Een uur lang dwaalde hij door ellenlange gangen en sluizen, besteeg stalen trappen en daalde weer af. Tenslotte kreeg hij het koud en keerde om, in lichte paniek de juiste opgang weer te vinden.

Vier werkuren duren lang voor een jonge man. Reindert raakte af en toe het zicht kwijt op het einde van een werkblok. Zo kon een pauze hem toch nog verrassen.
“Kom op”, riep Duursema, “wegwezen hier”.
Het werd Reindert langzaam duidelijk dat de baas hem aardig vond, of minstens betrouwbaar om een klus af te maken, er in gewone zinnen mee te praten.
Hij wachtte tot Reindert zijn schop netjes in de kast had gezet en zei: “Ik kan wel zien dat je nieuw bent en een Hollander bovendien. Italianen en Turken laten de troep vallen waar ze staan en als je ze erop aanspreekt, blijken ze ineens geen woord te verstaan”.

Reindert liep naast de veteraan alsof deze zijn vader was. Over Turken en andere buitenlanders had hij nooit nagedacht. Je zag hen hooguit in de stationsbuurt om hoeren te bezoeken, samen klittend in groepjes. Een enkele had een auto, meestal een Ford Taunus met roest onderaan de portieren.
“Vind je het werk eigenlijk zwaar?”, wilde Duursema weten.
Reindert liet de vraag op zich inwerken.
Zwaar? Op het land van vader maakte ik dagen van gemakkelijk tien of twaalf uren, slepend met kisten en zakken, in weer en wind.
“Nee hoor”, antwoordde hij, “het is eentonig, maar zwaar is het niet”.
Stomvervelend is het woord, maar dat kan ik niet tegen deze vriendelijke man zeggen.

Uit de spelonken van het complex borrelden werknemers tevoorschijn, allemaal met een haast alsof ergens diep onder de aarde oorlog was uitgebroken en je een goed heenkomen moest zoeken.

In de kantine kwam het geraas van krassende stoelpoten, het stampen van ijzerbeslag onder schoenen, het gerinkel van borden en bestek en het geschetter van Hilversum 3 allemaal samen. Het vormde een oorverdovende herrie. Helmen werden neergesmeten op de tegelvloer. Reindert zag dat enkele hiervan waren beschilderd met de wulpse lijnen van naakte vrouwen. Andere toonden kreten als Sevilla Prima en Barcelona Eldorado. Heimwee op je helm.

“Me gustaría conocer à todos los amigos de Castro”, sprak Reindert met een stelligheid alsof niet de Spanjaarden uit Spanje kwamen, maar hijzelf. Spaans was een van de weinige vakken waaraan hij op school nu juist wel iets had gedaan. Dit ging bovendien op vrijwillige basis. Het groepje gastarbeiders bij wie hij aanschoof, wendde verbaasde gezichten naar hem: hier had een gorilla mensentaal gesproken! De verbazing steeg nog, toen Reindert uit zijn overall zijn Spaanse leerboekje tevoorschijn haalde en declameerde: “Alrededor de Madrid hace una llanura seca, casi sin àrboles. En verano hace mucho calor”.
Hierop brak een hysterisch lachen uit en Reindert werd op zijn schouders geslagen als was hij voetballer die de wedstrijd had beslist.
Verrast door de reactie, knikte Reindert en lachte terug. Het zag er naar uit dat hij Spaanse vrienden kreeg.

Hoofdstuk X

Vanuit de kantineramen had je uitzicht op Fabriek 6 waar dikke gele dampen langs de muren omlaag krulden, dampen zwaarder dan de gewone atmosfeer. Een massieve locomotief denderde over het terrein en deed de vloer licht trillen. Een serie torpedo’s met kokende lava kroop langs de ramen. Uit de bovenkant sloegen aanhoudend vlammen, alsof er stukken van de zon werden vervoerd.

Tijd is niets dan bewustzijn, de beleving van voortgaande processen, de onomkeerbaarheid van wat geweest is. En alles wat je ziet, is hiermee toegevoegd aan de diepe put die we verleden noemen.

De ploegbazen vergeleken de stand van zaken op hun horloges en stelden unaniem vast dat het tijd was om naar het werk terug te keren. Ze stonden als eerste op en schoven hun stoel met kabaal onder de tafel. Aan onzichtbare touwtjes volgden de anderen, de ondergeschikten. Naast Castro slenterde Reindert over de vlakte van rails en putdeksels, brandkranen en treindelen. Hij presenteerde hem een sigaret, een simpel gebaar zonder woorden. Samen daalden ze de trappen af van hun werkplek, een bijna onvindbare speldenknop onder het aardoppervlak. Zou er boven hun hoofden een woeste brand uitbreken, dan waren zij de laatsten die het zouden merken. Castro plaatste een kruiwagen op z’n kant om een zitplaats te hebben. Uit zijn zak haalde hij een sinaasappel en begon deze met zijn nagels te schillen: pauze, deel 2.

Vanaf een vierkant fotootje bewonderde Reindert Castro’s familie. Een ranke vrouw met een intelligent gezicht, getrouwd met de verkeerde man. Twee kleine kinderen. Ze stonden in een zee van klaprozen: Barcelona Eldorado.

Of Reindert al een meisje had: signorita, muchacha, chiquita? Reindert schoot in de lach, dacht bij het woord chiquita aan een banaan, de banaan in zijn broek. Hij probeerde uit te leggen dat hij daar geen tijd voor had, maar kwam onderweg op de gedachte dat dit verkeerd kon worden uitgelegd. “Signoritas en todas partes”, haspelde hij erop los, meiden vind je overal. Dat hij van al die mogelijkheden nooit iemand mee naar het huis van zijn ouders had gebracht, zelfs een dorpsliefje niet had gegroet uit vrees door zijn moeder hierop te worden aangesproken, hield hij voor zich.
Castro omarmde Reindert plechtig en noemde hem “el estudiante”.

Zodra hij weer bovengronds kwam en als een mol tegen het daglicht knipperde, zag hij Rodriguez staan. Reindert kende hem voornamelijk uit de kelders waar de Spanjaard een eigen pismuur had. Tegen ieder die het maar wilde horen, sprak Rodriguez gedetailleerd over zijn seksuele prestaties, een reden hem te mijden.
“Toda signorita un bombon!” Rodriguez had bijpassende gebaren van grote borsten en smalle heupen. De rest van het verhaal ging verloren, al meende Reindert tirarse te verstaan, een woord dat voor hem geen betekenis had.
Je moest over veel fantasie beschikken om je deze broodmagere bok voor te stellen met een vrouw. Zijn lijf moest er ziekelijk en versleten uitzien, in zijn geel omrande mond stonden nog anderhalve tand.
Ploegbaas Duursema kwam erbij staan. Hij hoorde Rodriguez’ verhaal geduldig aan.
“Jij wilt vrouwtje neuken hè?” zei hij neerbuigend, zijn duim tussen twee vingers klemmend, “moet jij eerst perron schoonmaken, goed schoonmaken met bezem. Anders jij geen centjes krijgen voor vrouwtje”. Je zag de baas denken: stom varken.

Hoofdstuk XI

Castro werd ziek en er kwam geen vervanging. Reindert nam schep en bezem uit het hok en daalde alleen af in de kelders onder de stortbakken.
Een uur lang probeerde hij de vloer schoon te krijgen, het stof dat dik was als kwik, onder controle te krijgen en af te voeren. Hulp zou uitblijven, je kon je hier doodwerken, of eraan denken dat je een excuus had voor half werk, mocht je er ooit op worden aangesproken.
In die kubus van beton, diep onder de denderende treinstellen, schopte hij de kruiwagen op z’n kant en ging zitten. Jong geleerd is oud gedaan. Links en rechts van hem raasden transportbanden van bijna twee meter breed en een kilometer lang.

Hij at een appel en wierp het klokhuis op de meest nabije transportband. Als wisselgeld rammelden kiezelstenen hem tegemoet. Ze ketsten tegen het beton en bleven voor zijn voeten liggen. Reindert’s huid was door het zweten dichtgeslagen, zijn keel verdroogd alsof er van binnenuit kalkaanslag groeide. De appel smaakte of ze een week in dieselolie had gelegen.
De schooldirecteur moest me zo eens zien, die slappe Limburger.
Maar voor zijn geestesoog verscheen zijn leraar Engels, een man op de rand van pensioen, met een enorm voorhoofd. Voorspellende woorden kon hij uitspreken: “Het zal mij een rotzorg zijn of jullie opletten, it’s your own funeral!”

Er haperde iets aan een transportband. Reindert stond behoedzaam op en zette de kruiwagen overeind. Verweg uit de kelder kwam stof opzetten, in trage, tastbare wolken. Een krijsend geluid van wringend metaal klonk dichterbij. Onmiddellijk stopte de band, een rode lamp gloeide op en een rinkelend alarm braakte uit alle hoeken.
Voor de wolk uit rende hij de trap op naar de buitenlucht. Het was een andere trap dan hij gewoonlijk gebruikte, waardoor hij uitkwam aan de achterzijde van het gebouw.
Opgelucht haalde hij diep adem. Er kwamen anderen bovengronds, zonder haast, alsof het routine betrof. Gezamenlijk liepen ze naar het perron. Hier stond Duursema te praten met een beveiliger. De magere Spanjaard Rodriguez trok grimassen naar wei maar wilde kijken. Reindert kwam naderbij, ving op dat een transportband finaal was gescheurd. Het was in een kelder, honderd meter verder, het rubber was aan flarden. Er was een stalen balk gevonden die onmogelijk via de roosters kon zijn binnen geraakt. Maar hoe dan wel?
Ongeluk? Toeval? Sabotage? De beveiliger sprak een aantal onverstaanbare zinnen in zijn walkie talkie, schoof de antenne van het apparaat helemaal uit en vroeg om versterking. Een ogenblik keek hij vorsend naar Reindert. Nee, zo zagen saboteurs er niet uit. Hij draaide zich om, verliet het perron en stapte in een kleine personenwagen die onmiddellijk wegreed.

Hoofdstuk XII

De nieuwe week begon met een ochtenddienst: aantreden om 6.00 uur. Dit betekende dat Reindert moest opstaan om half vijf om de bus te halen.
Slaapdronken stond hij in de keuken, uitkijkend op de tuin, de lege straat, alles kleurloos, de zon was nog achter de horizon. Hij dronk koude melk, at staande een boterham met kaas, zag de portemonnee van zijn vader liggen en wendde zijn blik af. Nee, nu hij wat verdiende, liet hij andermans geld liggen. Benzine tanken kon hij volop als hij wilde. Alleen was hij al enkele weken de deur niet uit geweest. Geen enkel café had hij bezocht en geen band horen spelen. Vrienden had hij verwaarloosd, de hangplekken in de stad moesten het zonder hem stellen.
Het komt door die ploegendienst. Je ritme wordt aanhoudend in de war geschopt. Als ik hiermee doorga, weet ik binnenkort niet meer of het dag of nacht is en kan het me ook niets meer schelen.
Hij stak een plak ontbijtkoek in folie en nam zich voor dit in de bus op te eten. Juist voor hij de buitendeur doorging, realiseerde hij zich het fnuikende aan dit voornemen.
Ik werk daar wel, maar wil er niets mee te maken hebben.
Hij haalde het pakje uit zijn jaszak en legde het op de wasmachine in de garage.

Vanaf de werkplek werden Duursema en zijn mannen opgehaald om deel te nemen aan een maandelijkse bijeenkomst: vergadering! De staalfabriek was een democratisch bedrijf met oprechte belangstelling voor haar personeel, hoe gering in aanzien ook.

Na het wassen van handen en gezichten namen zo’n dertig mannen plaats rond een tafel. Vrouwen zag Reindert niet, geen enkele. Dadelijk werden sigaretten en zelfs sigaren aangestoken: ook op kantoor moest er voldoende rook en stank zijn voor de aanwezigen. Een heertje van een jaar of vijfendertig trad binnen. Hij droeg vrijetijdskleding van bruine ribstof en blies gestaag beschaafde kringen uit een krom pijpje van geslepen hout. Hij was van een andere orde. Hij werd getolereerd omdat men hem vreesde. Twee werklieden fungeerden als tolk voor de buitenlanders. Zij mochten naast hem zitten.

“Luister goed, mannen! Vannacht is helaas één van ons omgekomen. Kraandrijver (onverstaanbare naam) is met cabine en al op de kade terechtgekomen. Hij was op slag dood”.
Een mededeling. Stilte en onpeilbare gezichten. Daarna volgde de overbodige vertaling in het Spaans, Italiaans, Turks en Arabisch. De stilte hield aan.
“Het is wonderlijk”, vervolgde het heertje, “de man had een thermosfles bij zich en die was nog heel!”
De opmerking, misschien een relativering of zelfs kwinkslag, werd half begrepen en nog minder gewaardeerd.

Er kwamen andere zaken aan de orde. Productiecijfers, doelstellingen, de situatie op de wereldmarkt voor staal, de nieuwe platenwals, een vechtpartij met dronken zeelui van een schip uit China. Vandaag kon je praten waarover je wilde, maar voor Reindert bleef alleen het beeld van de kraandrijver over: de klap die de man gemaakt moest hebben, collega’s die hem zijn gore overall hadden uitgetrokken, hem weer tot mens hadden gemaakt, al was hij dan dood.

“Nieuwe ogen zien nieuwe dingen”, sprak het heertje tenslotte, “hebben de nieuwkomers nog iets op te merken?”
Kijk om je heen en trek je conclusies.
Reindert wist ogen op zich gericht, maar zweeg. Hij schrok feitelijk een beetje, niet gewend dat hem om zijn mening werd gevraagd.
Op de teruggang naar het werk sprak Duursema hem aan.
“Je ziet er beroerd uit jongen. Eet je wel voldoende?”
“Het gaat wel.”
En plotseling grappiger: “Ik ben mager omdat ik socialist ben”.
Duursema grijnsde kort, maar hief ook zijn wijsvinger.
“Je kunt beter gaan eten. Geen meisje zit op een socialist te wachten”.

Hoofdstuk XIII

Nachtdienst in de haven. Onder het licht van schijnwerpers stonden ze andermaal op de wagons en draaiden de kleppen open. De ladingen van de eerste nachttrein waren nat en moesten met een zwaar blok van metaal en rubber worden losgeslagen. In een speciale kooi sprong het blok onregelmatig op en neer, als een onwillig paard in een Amerikaanse rodeo. De wagons dansten op de rails. De mannen keken toe met de handen tegen hun oren gedrukt. Hun overalls wapperden in de koude nachtwind.
Een kwartier later was de hele trein gelost. Reindert pakte een krant en vertrok naar de kelders. Hier ging hij zitten en raadde de tijd op vier minuten na.
Ik heb het goed gezien: vooral de verveling is verschrikkelijk.
Hij schraapte zijn keel en rochelde tegen de muur. Het speeksel droop als een bel over de vettige stoflaag.
Dit is de waarheid. Zo ziet de waarheid eruit.
Hij stak een sigaret aan. De rook gaf hem een prettig loom gevoel van verdoving. Was hij op de betonnen vloer gaan liggen, was hij beslist in slaap gevallen. Een nieuwe gedachte doorbrak de aandrang.
Over een paar maanden moet ik in militaire dienst. Dan sta ik voor een balie waar een mannetje met een scheve voet mij een pak dienstkleding geeft. Hij denkt dat ik die zal aantrekken. Iedereen verwacht dat ik dit zal doen. Maar het gaat niet gebeuren, er gaat niets van terechtkomen.

Na een uur van schrapen en scheppen, stond hij op.
Het wordt tijd voor een spreuk, ik moet mijn nieuwe broeders steunen in hun strijd, ook al denken ze alleen aan vrouwen en voetbal.
Op de muur naast de trap schreef hij in grote letters:

EEN JAAR STOF IS VIJF JAAR EERDER DOOD

Hij bekeek het resultaat. Vooral de houterige letters bevielen hem.
Niemand zal denken dat een Hollander dit schreef, zeker geen student als ik.
Nu er toch niemand was, kon hij meteen even tegen een muur pissen, dezelfde waar Rodriguez had gestaan.
Ik kan Duursema zeggen dat er weer eens is gepist. Of beter van niet?

Castro herstelde, maar veel sprak hij niet meer. Hij hield zich afzijdig en werkte even gestaag als zonder inspiratie.
“De ene is nog niet terug, of de ander is uitgeschakeld”, klaagde Duursema tegen Reindert, “het lijkt wel of ze elkaar aflossen”.
Wat kon de oorzaak zijn?
“Die lamzak is met zijn bezopen kop onder een auto beland. Zal wel doodgaan, met zo’n uitgeteerd lijf. Ik hoop het. Krijgen we tenminste een ander, een betere”.
Reindert hoorde verbittering in de stem, de behoefte eens flink uit te pakken over frustraties en ergernissen.
“Ik moet beneden nog wat afronden”. Snel verliet hij het hok met de regelknoppen.

Tijdens de pauze kondigde Reindert zijn besluit aan: het werd tijd weer aan de studie te denken. Een volle maand draaide hij me in het circus aan het Noordzeekanaal. Hij voelde geen enkele aandrang Boekhouden I te openen, of de courtage van een theoretische handelstransactie te berekenen. Hij wilde alleen maar weg, uitslapen tot hij uit bed zou vallen, zijn neus definitief leeg peuteren, de zwarte stukjes van zich afschieten tussen duin en wijsvinger, in de avond naar het journaal kijken en de tank van zijn brommer volgooien met verse benzine.

Dat Duursema niets zei, kon hem weinig schelen. Het zwijgen van Castro zat hem minder lekker. Castro leek heel goed te begrijpen dat Reinderts vertrek in feite een vlucht was, een capitulatie, het vertrek van iemand die de kans altijd heeft om uit de rotzooi te ontsnappen. Er zat voor Reindert weinig anders op dan gewoon weg te lopen. Met het gevoel dat hij verraad pleegde, sloot hij aan in de rij van werknemers die naar huis mochten, met de bus van Beentje en De Bruyn.

Monk
11 februari 2020
Foto: Monk

9 februari 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Het collectieve brein

Het collectieve brein

Onderzoeker Groeskamp werkt bij het NIOZ op Texel. In verband met de opwarming van de aarde heeft hij een idee ontwikkeld om de lage delen van noordwest Europa te beschermen tegen stijgend zeewater. Een stelsel van 640 kilometer aan dijken en dammen moet de Noordzee intomen. Het idee bevestigt weer eens, dat het er minder toe doet wat wordt gezegd dan door wie dit gebeurt.

Zonder mezelf op de borst te willen kloppen, kan ik namelijk melden dat dit idee al een halve eeuw eerder bij ondergetekende is opgekomen. Als gesjeesde hbs snotneus wist ik dat de Noordzee pas na de laatste ijstijd onder water liep en dus niet heel diep is. Ik dacht evenwel niet aan waterkering, maar aan landwinning. En waar Groeskamp een dijk projecteert tussen Bretagne en de zuidwest punt van Engeland, keek ik naar Calais en Dover. Ik was destijds 13 jaar en het laat zich raden wat mijn omgeving van mijn idee vond. De leraar aardrijkskunde herinnerde mij eraan dat er rivieren in zee uitkomen en vader verklaarde somber dat de bodem van de Noordzee bezaaid ligt met bommen uit twee wereldoorlogen. Daar kon je beter wegblijven.

Ik hoor u wel schamperen: wat een blaaskaak, die Monk! U mag denken wat u wilt. Zolang u zelf denkt, is uw lach mij om het even. Wat ik vooral bedoel, is dit: waar een plattelands scholier op een idee komt, lopen meer mensen rond met soortgelijke visioenen. Ik noem dit het collectieve brein. Het vergt slechts een autoriteit en/of het juiste tijdstip om het idee echt op de agenda te zetten. In 1965 dacht niemand aan de Noordzee: het IJsselmeer was groot genoeg om nieuwe landbouwgronden droog te leggen en bij stijgend zeewater werd hoogstens gedacht aan verzilting van het land.

Kan het misschien een eenmalige treffer zijn geweest, dat dolle idee van mij? Iedereen denkt per slot wel eens iets dat naderhand wordt uitgevoerd. Of was het slechts een caprice, een geintje van een puber? Ik geef twee andere voorbeelden, vooral dus om het collectieve brein aannemelijk te maken.

In 1966 tekende ik een vliegende auto. Gewoon aan tafel in de woonkamer van mijn ouderlijk huis. Gebaseerd op geheim agent 007 (van wie ik geen enkele film had gezien) dacht ik aan wat een allround autopiraat nodig kon hebben: (dubbele) wieken van een helikopter, straalmotoren voor snelheid en een buitenboordmotor ingeval je te water geraakt. Van ene Glenn Curtis die al in 1917 een vliegende auto construeerde noch van Waldo Waterman die in 1937 een auto bracht waarmee je in de lucht meer dan 170 km/u kon halen, had ik gehoord.

Een paar jaar later werd ik een fanatieke brommerpiraat. Met snelheden tot rond 90 km/u jakkerde ik door de bewoonde wereld. Op zekere dag bemerkte ik, dat spaakwielen kwetsbaar zijn, gevoelig voor stoepranden en hobbels in het wegdek. Hierdoor raakt het wiel uit balans, gaat trillen en wordt de tweewieler slecht bestuurbaar. Om hiervoor een oplossing te bedenken, bedacht ik een ander model velg, met 4 of 5 brede stroken tussen as en velg, vergelijkbaar met een aluminium autowiel. Weg met die kwetsbare spaghetti spaken! Vanaf de jaren 80 werden lichtmetalen wielen algemeen toegepast op brommers en scooters.

Is afsluiting van de Noordzee een reële optie? Mij lijkt het buitengewoon onwaarschijnlijk. Niet alleen wegens bouwtechnische problemen (die aanzienlijk zijn), evenmin om de investering (die veel lager uitpakt dan afzonderlijke nationale maatregelen tegen overstromingen). Nee, omdijken zal stuiten op geopolitieke, economische en militaire bezwaren. De recente Brexit is hiervan een onheilspellende voorbode.

Nu ik de feiten doorlees, valt me op dat het collectieve brein kennelijk nogal traag werkt. Gelukkig kunnen we ook individueel denken.

Monk
9 februari 2020
Foto: Monk, tekening 1966

2 februari 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Tweede versies

Tweede versies

Den Helder Tonijn

The Washington Post publiceerde in december vorig jaar de resultaten van een uitgebreid onderzoek naar 18 jaar Amerikaanse oorlogvoering in Afghanistan. Conclusie: de operatie is een volslagen mislukking.

En dat, terwijl door de jaren heen optimistische statistieken en prognoses werden voorgehouden. Er werd almaar voortgang geboekt en een goed eindresultaat was een kwestie van tijd. Nu liggen, als waardige opvolger van de Pentagon Papers uit 1971 die het failliet van de Amerikanen in Vietnam aantoonden, de Afghanistan Papers op tafel en ze liegen er niet om.

Na de aanslagen van 9/11 besloot Bush Afghanistan binnen te vallen: de veronderstelde basis van Osama bin Laden en zijn trawanten. En passant zouden een democratisch bestuur en de Vrije Markt Economie worden ingevoerd. Diplomatie werd overgeslagen: de militaire cowboys zouden het varkentje wel even wassen. Aan het lot van de Russen, die van 1979 tot 1988 een hopeloze oorlog in het land voerden, had men geen boodschap. Hooguit werd in de filmzaal van West Point gekeken naar films als Red Dawn (1984) en The Beast of War (1988). Oorlog als entertainment.

Om Kamervragen vóór te zijn, kwam Den Haag onlangs met een verklaring. Ons land zit immers vanaf den beginne in de Afghaanse oorlog. Eerst was er de militaire missie Uruzgan, vervolgens de missie Kunduz die ging om training van Afghaanse politie. En we zijn daarginder nog steeds. Ook door Den Haag werd de situatie structureel en doelbewust veel te positief voorgesteld. Twee dozijn dode militairen en een paar miljard euro later geldt ook hier: Afghanistan is een debacle. Zou je tenminste denken.

Het Ministerie van Buza geeft de moed evenwel niet op: de doelstellingen van de regering zijn altijd zo realistisch mogelijk verwoord. Je proeft de bedoeling: klop niet bij ons aan als de resultaten tegenvallen. Maar bij wie dan wel? Kamerleden van de coalitie en gedoogpartijen steunden het kabinet, ongetwijfeld als wisselgeld voor andere wensen. Dit geldt ook voor Groen Links, dat de Missie Kunduz steunde, onder humanitaire voorwaarden die niet alleen onrealistisch waren, maar de opdracht bovenal praktisch onuitvoerbaar maakten. Clangebonden analfabeten binnen een tijdsbestek van een paar maanden opleiden tot rechtschapen politieagenten die mensenrechten respecteren? De opleiders mochten al blij zijn, wanneer zij niet door hun pupillen als indringers en ongelovige honden overhoop werden geschoten in opdracht van lokale stamhoofden.

Nederlandse deelname aan de oorlog in Afghanistan ging uiteraard niet over democratie, laat staan over zoiets als vrouwenrechten. Dit geleuter was voor de grachtengordel.
Het ging om ons bondgenootschap met de USA, om handelsbelangen en realistisch oefenterrein voor F16 piloten.

Is dit erg? Vindt u het fris, om high-tech bommen te smijten op een land van ezels en houten karren? Bin Laden zat trouwens in Pakistan. In ieder geval is het een politieke doodzonde om het Parlement stelselmatig voor te liegen.
Den Haag loopt aan de leiband van Washington, zo simpel is het. Op dit moment vaart het Nederlandse fregat De Ruyter richting Straat van Hormuz, om akkevietjes op te vangen die kunnen ontaarden in een gevaarlijke oorlog tussen de USA en Iran. Het schip moet eigenlijk gerepareerd worden, maar de plicht roept: we gaan er vanuit dat er geen schot wordt gelost, aldus de optimistische leiding. Ik zou vast aan een tweede versie van deze tekst beginnen.

Monk
2 februari 2020
foto: Monk