11 juli 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Stressdebat

Stressdebat

Amsterdam CS

Op elke zeven werknemers belandt er eentje in een burnout. Men raakt de kluts kwijt, is aan het eind van zijn /haar Latijn, de wereld stort in.  Maar ook studenten en zzp-ers branden af. Verzet tegen de ontregeling is zinloos en verergert de mentale toestand, niet zelden voortgezet in fysieke kwalen. Anders dan bij gebroken benen of zelfs kanker wordt stress als oorzaak van uitval nauwelijks erkend en dan nog voornamelijk vanwege het kostenplaatje voor de economie. Wat te doen?

Naar aanleiding van alarmerende berichten hierover, organiseerde Omroep MAX een Nationaal Stressdebat. Nogal een pretentie, die dan ook allesbehalve werd waargemaakt. Vertegenwoordigers van de geraakte categorie alsmede zelfbenoemde stress coaches mochten hun zegje doen. Presentatoren Ellis de Bruine en ADHD Cees Grimbergen lieten uitvallers de verschijnselen toelichten en concludeerden met de nodige instemming dat de jongere generatie teveel wil, elkaar opdrijft, perfectionistisch is en tegelijk van huis uit niet meer gewend aan tegenslag. Coaches kwamen met hun gebruikelijke remedies aanzetten: klankschalen, knuffeldieren, mind resetten, voedseladviezen en sportactiviteiten. Waar geld rolt, verschijnt Beun de Haas. De stijl is assertief, om niet te zeggen agressief.

De (ook bij MAX) algemeen gedragen opvatting is, dat stress een individueel probleem is en neerkomt op onvermogen paal en perk te stellen aan overlading (in studie of arbeid). Coaches willen hier inzicht in verschaffen en tegelijk een zo snel mogelijke hervatting van het geleefde leven. Ambitie en competitie worden als uitgangspunten niet gekritiseerd. De maatschappij wordt aanvaard zoals deze is. Een gemakzuchtige houding, als u het mij vraagt. Stress is een maatschappelijke kwaal, minstens deels veroorzaakt door krachten buiten het individu.

MAX toont geen patronen of drijvende krachten in de maatschappij. Je hoeft evenwel maar een weekje berichten bijeen te sprokkelen en je ontdekt hoe het werkt. Het neoliberale adagium is, dat markteconomie en marktmaatschappij hetzelfde zijn. De mens is rationeel en wordt gedreven door eigenbelang. Hiermee bevordert hij (zij) niet alleen het eigen welzijn, maar ook dat van de maatschappij als geheel. In dit wereldbeeld wordt niet gedroomd maar gehandeld. De rechtse politiek steunt massale deelname in productie en consumptie, in een steeds hoger tempo. Wie niet mee kan, heeft dit aan zichzelf te danken. Wie niet wil, krijgt straf.

Niet alleen het bedrijfsleven, maar ook de overheid maakt overeenkomstige keuzen. Universiteiten worden gedwongen geld over te hevelen van gedragswetenschappen en cultuur (literatuur, beeldende kunst, muziek) naar exacte vakken: ofwel naar datgene wat de economie (de bestaande geldorde) dicteert. De studiefabrieken zouden, in lijn met de marktwerking, het liefste de Nederlandse taal opheffen en Engels als voertaal invoeren. Zo kunnen meer (betalende) buitenlandse klanten worden binnengehaald. Aan cynisme overigens geen gebrek: studenten betalen hieraan in toenemende mate mee. Geen afgebrande student die straks nog naar een psycholoog kan en als er een te vinden is, word je geacht je beklag in het Engels te doen. Hier is trouwens geen tijd voor, want studenten moeten een bijbaan hebben om niet in schulden te verzuipen.

De politieke crash van Rutte inzake afschaffing van de dividendbelasting toonde al dat multinationals geen boodschap hebben aan het landsbestuur wanneer hen dit zo uitkomt. Unilever komt of gaat wanneer het wil, een gul geschenk aan haar adres ten spijt. Nederland staat bekend als topland in belasting ontwijken en in de export en transito van drugs. Sociale structuren worden in tempo afgebroken, de pensioendatum opgeschroefd tot de grens van het maatschappelijk draagvlak. De arbeidsmarkt is uiteen getrokken en zal nog verdere schade oplopen in feitelijke inkomensverlaging en bestaansonzekerheid. De prijs van een huis is fenomenaal; de bijhorende hypotheek een garantie voor een half leven als Bankslaaf. Mede hierdoor staat zelfs de demografie onder druk. Tussen en binnen bedrijven worden werknemers uitgemolken met deadlines, controle, overwerk en 24 uur bereikbaarheid. Leven om te werken in plaats van andersom.

Begrijpt u mij goed: in een democratie heeft iedere volwassene de plicht om het eigen gedrag te bevragen. Nergens in de wet staat dat je elke dag op sociale media moet kwekken of geen tegenwicht mag bieden aan overvraging door je baas. Klakkeloos meegaan in opvattingen om je heen blijft een keuze. Jezelf wijsmaken hoe bijzonder je bent en beter dan de rest, is per definitie onhoudbaar: middelmaat ontstaat op elk niveau. Maar het zijn de maatschappelijke randvoorwaarden waarbinnen de ratrace wordt gedicteerd met de worst en de stok.

In dit losgeslagen gekkenhuis wekt het verwondering hoeveel nog functioneert. Dit is met dank aan het feit dat onder elke economie een andere ligt: die van onbetaalde arbeid en verzorging. Hieraan mag je denken, wanneer je deelneemt aan de ratrace en elk omgevingsbesef verliest. Verwacht niets van de grote bedrijven, al helemaal van miljardairs als Gates of Zuckerberg. Besef dat gevestigde politiek alleen interesse heeft voor gedragingen en denkbeelden die haar machtspositie bevorderen. Denk zelf na en draag dit uit!

Monk
10 juli 2019
(Foto: Monk)

 

 

 

26 juni 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Het Pistool (een zomervertelling)

Het Pistool (een zomervertelling)

Beemster

 

Het was een zomerse namiddag in het begin van de jaren zestig. Tegen zijn zin logeerde Arne een paar dagen bij zijn grootouders, die op hun beurt de ouders van Herman waren. Grootvader was na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwd en aan een tweede gezin begonnen. Arne was het enige kind van de oudste zoon uit het eerste legsel van grootvader. De oude fokhaan behandelde iedereen als personeel. Hoe dan ook droegen ze allen dezelfde achternaam en dat telt.

Al was hij pas veertien jaar, Herman bezat reeds die merkwaardig hese, brallerige stem waaraan je hem zijn verdere leven zou herkennen. Een avontuurlijke, naar brutaliteit neigende jongen. Zijn vier jaren jongere neef Arne was eerder timide en op zijn hoede. Op school deed Arne het veel beter, maar dit is niet altijd een voordeel.

Zich bewust van zijn nederige positie, reageerde Arne plichtmatig op Herman’s gebrul.
Hij haastte zich naar de achterzijde van de boerderij, door de stamhouder gebouwd in het crisisjaar 1929. Het was een eenvoudige stolp, in baksteen opgetrokken rond een vierkant van massieve balken. Het dak was bedekt met rode pannen. Het grootste gedeelte van het bouwwerk diende het landbouwbedrijf, in het voorste deel werd gewoond. Vanaf het erf van Arne, hemelsbreed een kilometer verder, deed de boerderij denken aan een Egyptische piramide. Arne keek er dikwijls naar en vermoedde dat dit andersom ook gebeurde.

In dekking!
Aanstonds weerklonk een scherpe tik. Arne keek onderzoekend rond, maar zag niets bijzonders. Na een paar seconden begreep hij waar Herman mee bezig was: zijn neef hield een pistool vast. Het ontbreken van echt geknal kwam hem vreemd voor. Mogelijk had Herman gedacht of gehoopt dat zijn logé onder de indruk zou zijn, of liever een beetje bang. Nu hij zag dat Arne gewoon bleef staan, legde hij dit uit als een bewijs van onnozelheid. Hij lachte schel en wenkte.
Het is een luchtdrukpistool. Je kunt er iemand goed mee raken. Tegen iedereen je bek dicht, ja?
Om ermee te kunnen schieten, moest je het ding openklappen, er een soort van propnagel insteken, dichtscharnieren en vervolgens de loop tegen een paal of muur drukken tot je de grendel in het slot hoorde vallen. Zo te zien, ging dit tamelijk zwaar.
De naam is Arendsoog! Tijd om een een roodhuid af te maken. Daarvan zijn er toch teveel.
Herman richtte het wapen zo snel hij kon en haalde de trekker over. Er volgde een kort gerinkel. Een fles, opgesteld tegen de muur van de boerderij, was aan diggelen.
Arne voelde opwinding en ongemak tegelijk. Zijn ouders moesten niets van wapens hebben, zelfs niet van prullen. De uitwerking van het kogeltje verwonderde hem en maakte hem ergens ongerust. Herman was onvoorspelbaar en deed op eigen erf wat hij wilde. Ook de verwijzing naar de boeken van Arendsoog stond hem tegen. Twee keer had hij een deel uit de serie geleend van een klasgenoot. De opschepperij erin vond hij ronduit belachelijk: Hier, pak aan, hondsvot! Klonk! Baf!! Een kinderachtige tekening moest een hard gevecht verbeelden. Het viel hem in dat Herman op school al eens was blijven zitten.
Niet voor het eerst deze dag kwam de wens bij hem op, naar huis te gaan. Maar ja, zijn ouders waren naar de Veluwe, een donkere vlek op de landkaart van Nederland. Hij had ze op de brommer zien wegrijden. De buitendeur was afgesloten. Je was er mooi klaar mee.

Herman laadde het wapen opnieuw, wees achteloos op de resterende halve fles en gelastte Arne een poging te wagen. Zich verbazend over het gewicht, richtte deze min of meer en haalde onbeheerst de trekker over. De ingedrukte loop schokte naar voren. Geraakt werd er helemaal niets.
Geef maar weer hier!
Over de smalle polderweg voorlangs de boerderij passeerde een vrachtwagen. Hierop stonden melkbussen. De wagen schoof uit het blikveld, rammelde flink en dook weer op toen hij al een eind verder was. Terwijl Herman in hoog tempo ging laden en schieten, beweerde hij al eens een kip te hebben omgelegd. De vogel was gaan rondfladderen als een aangeschoten helikopter en moest met een eind hout uit zijn lijden worden verlost. Allemaal leugens en onzin, maar er zat voor Arne weinig anders op dan bewondering te veinzen. Het leek hem maar raar om een kip dood te slaan. Waarom zou je?
Het is ook leuk om op ramen te schieten.
Herman bemerkte dat zijn bezoeker er niet helemaal met zijn aandacht bij was.
Let even op! Zolang de kogel schuin tegen het glas komt, blijft het heel. Mijn moeder denkt dat er een vogel tegenaan is gevlogen en komt dan kijken. Met haar stomme rotkop.
Hij klapte het wapen open en keek met een gesperd oog door de lege loop.
Dan krijg ik zin om er nog eens..
Hij scheen te beseffen zijn hand te overspelen en de ander teveel in vertrouwen te nemen. In zijn ogen was Arne toch ondergeschikt, want vier jaar jonger dan hijzelf. Hij grijnsde en gaf een harde schreeuw.

Samen liepen ze naar de zijkant van de boerderij. Hier waren twee zijdeuren, waarvan alleen de achterste werd gebruikt. Meer naar voren bevond zich het venster van de keuken. Het was anderhalve vierkante meter groot, maar viel nauwelijks op door slecht onderhouden schilderwerk.
Elke vrijdag gaan ze samen naar de stad, vanwege de markt. Weet je trouwens, dat ze de koekjes in de trommel telt voor ze weggaat? Zo weet ze of ik ervan heb gegeten. Daarom pak ik vaak ontbijtkoek, die snij ik zelf.
Arne knikte. De koekjes tellen, je moest er maar opkomen.
Als ik je moeder was, zou ik voortaan de ontbijtkoek opmeten. Met een duimstok.
Herman schoot in de lach. Je kon zien dat deze gedachte nooit bij hem was opgekomen.
We gaan op de ramen schieten!
Meteen het eerste schot gaf Herman gelijk. Het kogeltje tikte hoorbaar tegen het vensterglas van de keuken, maar daarmee was het wel gedaan.
Nu jij. Zo’n groot raam moet zelfs jij kunnen raken.
Voor de tweede keer nam Arne het pistool aan. Hij deed een paar stappen naar links om het raam beter in beeld te krijgen en richtte met beide armen gestrekt. Deze manier van schieten had hij ontleend aan een boek van Karl May, de indianen-schrijver waar Herman niets aan vond omdat de zinnen hem te lang waren.
Wat zei ik nou?! Je moet schuin voor het glas staan!
Te laat: Arne drukte af. Onmiddellijk volgde een klap, ongeveer alsof iemand met een platte liniaal op een tafelblad slaat. Instinctief renden beide jongens weg, tot achter de boerderij. Hier luisterden ze een halve minuut opgewonden om alsnog poolshoogte te gaan nemen. Angst is de spiegelzijde van hoop. Over de werkelijkheid zeggen beide weinig.

Het keukenraam was kapot, daar kwam het op neer. Geen daverende schade met enorme scherven die scheef uit de sponning steken, maar een geniepig gaatje als middelpunt van een wijd uitlopende ster.
Jezus Christus! Ik zal jou nog eens laten meedoen!
Herman was flink uit zijn humeur en met reden. Opa stond bekend om zijn harde boerenhanden. Aan tafel had Herman menige opdoffer moeten incasseren, uitgedeeld met een losse houten armleuning. Je kon zelfs vermoeden, dat deze met opzet niet werd vastgelijmd.
Je moet maar zeggen dat jij het hebt gedaan, want jou durft mijn vader vast niet te slaan. Je hebt een steentje gegooid, niet geschoten. Je houdt je bek over het pistool! 
De dader was vastgesteld, om niet te zeggen: vastgepind. Desondanks raasde Herman nog een tijdje door. Hij verviel nogal in herhalingen. Na een paar zinnen werd het woord geschoten vervangen door gedaan. Arne onderging de woordenstroom zonder tegensputteren. Feiten zijn feiten, dat begreep hij wel.
Over de polderweg naderde opnieuw een auto. Deze keer was het een personenwagen, een grote Amerikaan. Zonder vaart te minderen, denderde de slee over de houten brug van de zogenaamde tochtsloot, een afwateringskanaal langszij de boerderij. Een wolk kauwtjes, hoog in de lucht, vluchtte uiteen. Arne stootte Herman aan.
De wagen van Veening. Mooi he?
Veening was een bouwbedrijf uit het dorp. Arne knikte. Een meisje uit de familie zat bij hem in de klas, wat kon het hem schelen. Ongeduldig zwaaide hij met zijn arm.
Ik heb een idee! We kunnen het in ieder geval proberen.
Herman leek weinig trek te hebben in voorstellen. Hij was iemand die eerst moest leeglopen voor er weer plaats kwam voor redelijkheid. En dit kon wel even duren.
Het zal wel! Een idee. Nou, wat dan? Wil je soms een kamerplant voor het gat zetten?
Hij snauwde, je voelde de drift in zijn stem.
Arne legde zijn plan uit.
We zeggen dat het ruit van binnenuit is gesneuveld. We wilden afwassen en stapelden wat borden en kopjes op het aanrecht. De boel ging schuiven. Een ongelukje, dat is alles.

Herman wees naar zijn voorhoofd.
Hou maar op met je geouwehoer. Ik bemoei me nooit met wat op het aanrecht staat. Je draait er gewoon voor op, dat is het beste.
Arne voelde ergernis opkomen. Je moest gewoon rustig nadenken en de gedachtegang van een volwassene volgen. Zo slikken de mensen de grootste onzin.
Ik kan ook zeggen dat jij hebt geschoten. Opzettelijk. Met een luchtdrukpistool.
Het vloog hem de mond uit voor hij het wist. Herman was over deze plotselinge weerstand te verbaasd  om meteen te reageren, maar vond uiteindelijk een passende straf. Er is altijd een zwakke plek.
Dan moet je vannacht op de vloer slapen. Je komt mijn bed niet meer in.
Arne sliep al enige nachten noodgedwongen met Herman in hetzelfde bed, geen feest met een naar het midden doorzakkende matras. Op kale vloerplanken liggen, was helemaal een slecht vooruitzicht.

Om de schade nader te bekijken, gingen ze de boerderij binnen. De enige in gebruik zijnde deur gaf toegang tot de dors, opslagruimte voor landbouwwerktuigen. Hier stonden een eg met lange tanden, een hooiwagen en een tractor. Zo hoefde er niets dat kon roesten, buiten te staan.
Vanuit de dors ging het via een houten trapje omhoog tot de binnendeur naar de gang. Deze bijna vierkante tunnel  voerde over de hele breedte van de boerderij, eindigend bij de wc. Aan de wand hing een ingelijste spreuk Moeders tred is uit alle andere te herkennen. Een waar woord, want oma hinkte een beetje. Arne’s vader maakte er in eigen gezin wrange grappen over. Vanuit de gang betraden ze de keuken.

Op het aanrecht stond alleen een rechthoekig aquarium. Kleine vissen met groene en rode strepen schoten heen en weer. Het waren neon tetra’s, was hem door oma bij herhaling verteld. Hoog in de hoek zweefde een maanvis. Het leek of zij de bezoekers bekeken; misschien hoopten ze te worden gevoerd. Op de bodem rustte een soort schatkist, weggezakt tussen slierten groen.
En nu? Zie jij kopjes, borden of asbakken? Idioot! Wat moeten we?
In de stilte van de keuken, met uitzicht op de polderweg , drong ineens getjilp door, het vertrouwde geluid van mussen. Wat er altijd is, valt nauwelijks op. Waarschijnlijk zaten ze met een troepje op de rand van de goot. In het voorjaar nestelden ze graag onder de dakpannen. Arne klakte met zijn tong.
Ik weet de oplossing! Maar daarvoor hebben we een eersteklas schutter nodig.
Hij wachtte een ogenblik om zijn woorden tot Herman te laten doordringen. Nerveus was hij zelf ook: opa kon een bullebak zijn en het pistool moest geheim blijven. Hij zocht naar woorden die bij Herman zouden aanslaan.
Knal een mus van het dak! Die leggen we buiten onder het raam neer. De sufferd is zogenaamd tegen het glas gevlogen. Snap je?
Herman knikte zonder overtuiging. Het was duidelijk, dat hij niet eerder een vogeltje had verschalkt. Tegelijk streelde het dat er een beroep op zijn kunde werd gedaan. Een botte verwerping deed geen recht aan de status die hij begeerde.
Goed dan. Naar buiten en aan de gang! Maar eerst even snaaien.
Arne wierp een blik op de wandklok, een Japans plastic ding dat op een batterij werkte. De wijzers vertelden dat het half vijf was. Hoeveel tijd was er nog?
Doe dat straks maar. Eerst een mus afmaken.
Ergens verbaasde het hem dat Herman zich liet commanderen. Dat was op het schoolplein wel anders. Vaak genoeg was Herman bij een kleine knokpartij betrokken en het moment waarop de hoofdonderwijzer hem na een incident aan een oor het schoolgebouw binnen sleurde, stond Arne nog helder bij. Herman had geschreeuwd als een speenvarken.
Rustig aan. Anders jagen we de vogels weg en duurt het langer.
Herman toonde de grenzen van zijn toegeeflijkheid.
Moet je echt alles beter weten? Godverdomme!
Toch liet hij de voorraadkast met rust. Hij zwaaide met het pistool en ging Arne voor, de weg terug door de boerderij. Voor hij de buitendeur open trok, drukte hij de loop helemaal in tegen het tractorwiel en draaide zich om.
Het kan ook gemakkelijker. Daar omhoog zit een zwaluwnest!

Alles vergt tijd. Vooral urgente zaken drijven de druk op. De jongens klommen via de hooiberg naar boven, helemaal tot de achterste hanenbalk. Hier zat, vakkundig tegen het hout gemetseld, inderdaad een zwaluwnest. Op hun nadering sperden de jongen hun gele bek wijd open en piepten hartverscheurend.
Herman had zijn oude bazigheid hervonden.
Jij moet weer omlaag. Zie je die bezem daar liggen? Haal hem op!
Arne deed wat van hem werd gevraagd. Wat Herman met een bezem op die hoogte in de boerderij wilde, was hem onduidelijk. Klimmen met zo’n lange steel in je handen was bovendien geen pretje.
Donder nu op naar buiten. Je leidt me af. Wegwezen!

De zon scheen voluit. Arne moest zijn ogen half toeknijpen. Nu Herman buiten beeld was, kon hij beter nadenken. Zijn ouders hadden het vast naar de zin, op de Veluwe. Hij keek in de richting van het dorp achter de dijk die zich een halve kilometer verder als horizon verhief. Alles was hier laag en recht: de wegen en sloten, de akkers, de boerderij. Alleen de dijk kronkelde in bochten. Zou je op de Veluwe ook ver kunnen kijken?
Om hem heen hervatten de zwaluwouders al snel hun ritueel. Om beurten doken ze als een raket door het openstaande stalraampje naar binnen. voedsel brengend voor hun jongen in het nest waarop Herman het had voorzien. Wilde hij er een uit de lucht halen met het pistool? Zwaluwen zijn onwaarschijnlijk wendbaar. Je moest  bovendien niet je evenwicht verliezen, daar bovenin de boerderij. Misschien viel zijn neef wel te pletter op de betonnen dorsvloer. Arne kon zich dit gemakkelijk voorstellen, maar het beeld riep geen mededogen in hem op. Waarom had die ezel ook niet ingestemd met de jacht op een veel tragere mus?

Om de tijd te doden ging Arne op de zijkant van een kruiwagen zitten en keek de polder in naar zijn ouderlijk huis en erf. Daarginder lagen zijn voetbal en verzamelingen. Hoe nauwkeuriger hij hierover nadacht, des te ongelukkiger hij zich voelde worden. Liever was hij thuisgebleven. Een paar boterhammen kon je zelf ook wel bereiden. Waarom zou je niet alleen kunnen zijn? Zo werd hij nooit volwassen.
Minuten verstreken. Een tractor naderde en passeerde. De boer stak zijn hand op. Arne zwaaide plichtmatig terug. Hij had geen idee wie het ding bestuurde. Hoog in de hemel trok een vliegtuig een lange witte streep. Het bijbehorende geluid bereikte zijn oren pas toen het toestel alweer van hem wegvloog. Zijn gedachten dwarrelden weer naar de voetbal die hij thuis had gelaten omdat je kon verwachten dat Herman hem in de vaart langszij de boerderij zou trappen. Het water was breed en de bal zou reddeloos afdrijven naar het gemaal verderop. Dit had Arne allemaal vooraf ingezien. Bedenken wat er stond te gebeuren, vond hij alleszins normaal.

Het lichte knetteren van een bromfiets overviel hem. Voor hij het begreep, stond oma naast hem. Hij had aangenomen dat ze met de fiets was vertrokken, de manier waarop zijn eigen moeder boodschappen deed. Oma evenwel had een brommer, een zwarte Berini met een zweefzadel. Achterop stond een mand met inkopen.
Zo, daar ben je!
Oma lachte, een beetje zoals Herman deed: plotseling en onbeheerst.
Dag oma. Fijn naar de stad geweest?
Met bonzend hoofd kwam hij overeind. Dit ging niet goed aflopen. Waar was Herman gebleven? Instinctief ging hij tussen zijn oma en het kapotte keukenraam staan, in de hoop dat zij de beschadiging niet meteen zou opmerken.
Is Herman er niet?
Jawel. Kan ik helpen met de mand?
Thuis zou het niet bij hem opkomen dit aan te bieden.
Nee, jij mag de brommer binnen zetten. Ernaast lopen en niet starten, denk erom.
Door de zijdeur kwamen ze de dors binnen. Arne kuchte luid, als waarschuwing voor Herman. Hij durfde niet omhoog te kijken. De standaard van de Berini schraapte over het beton. Intussen stelde zijn oma vragen. Welke rapportcijfers hij haalde, of hij zijn schoenen al had gepoetst. Zijn antwoorden waren halfbakken. Intussen bewonderde hij de kilometerteller van de brommer. Graag zag hij zo’n klokje op zijn fiets.

Even later gingen zij  door de deur naar de gang en vandaar de keuken in. In de zomermaanden speelde het  gezinsleven zich af in de keuken. Dit was overal zo in een boerderij. De woonkamer was voor de winter, wanneer de kachel aan moest. Eenmaal in de keuken probeerde Arne opnieuw de ruitschade met zijn lichaam af te dekken. Steels bekeek hij de mogelijkheden. Misschien kon hij het aquarium verschuiven? Of zouden de vissen van schrik uit het water springen? Minuten verstreken. Oma pakte haar boodschappentas leeg en verdween een ogenblik in de voorraadkast. Er schoot Arne niets te binnen.

Hoe lang duurt tijd? Hoe ver reikt elastiek? Je kon niet eeuwig tegen het aanrecht leunen, in de hoop dat oma het beschadigde ruit niet zou opmerken. Bovendien keek zij, juist omdat dat hij daar stond, om de haverklap precies die kant uit. Hij hoopte op een wonder.
Is het raam kapot?!
Daar had je het al. Oma kwam naderbij, een beetje voorzichtig alsof ze haar ogen niet geloofde.
Hoe kan dat nou! Weet jij daar wat van?
Arne keek schaapachtig om, alsof hij iets nieuws hoorde. Een ogenblik overwoog hij te vertellen wat Herman hem had opgedragen. Dat hij per ongeluk een steentje had gegooid. Hij kreeg het zijn mond niet uit.
Precies op dat moment verrees de gestalte van Herman achter het venster. Hij hield een vogeltje omhoog, kennelijk een jonge zwaluw die hij uit het nest hoog in de boerderij had gehaald.
Kijk eens! Tegen het raam gevlogen!
Zijn stem klonk triomfantelijk. Hij toonde een kaal beestje met onvolwassen vleugels, onmogelijk in staat om te vliegen. Er kwam geen woord uit Arnes mond; zijn keel zat potdicht.

Het was een avond als andere zomeravonden, een avond uit de eeuwigheid. Opa kwam om kwart voor zeven binnen. De koeien waren gemolken, de melk in bussen van dertig liter aan de weg gezet. Hij zat in zijn stoel met de losse armleuning en at langzaam en zonder interesse. Arne verwonderde zich. Hier zat zijn opa. Maar ook de vader van Herman. Over het kapotte ruit zei  opa geen woord.
Wat heeft je vader afgelopen week gebeurd voor de augurken?
Arne schrok op. Gebeurd? Wat een vreemd woord. Daarbij hield hij zich nooit bezig met veilingprijzen. Deze stonden vast wel in de krant die naast opa op de grond lag.  Onzeker haalde hij zijn schouders op. Het is vervelend om iets niet te weten wat voor de hand ligt om wel te weten. Opa wierp hem een afkeurende blik toe.
Ik zie het al. Jij wordt een boer van niks.
Het klonk niet boos of teleurgesteld. Opa had zijn kleinzoon gewogen en te licht bevonden. Met een kort gebaar gelastte hij Herman de krant aan te geven. Elke beweging leek even logisch als voorspelbaar. Zo ging het ongetwijfeld elke dag. Een pagina werd omgeslagen. De bladzijde boog een stukje door in de bovenhoek. Oma kwam overeind en ruimde de borden van tafel. Hierna ging zij de vissen in het aquarium voederen uit een klein busje, alsof ze zout of gemalen peper strooide.
Arne volgde haar bewegingen, zag dat oma aan haar linkervoet een grotere schoen droeg dan rechts en probeerde vergeefs haar murmelen te verstaan. Wie spreekt er nou tegen vissen die bovendien onder water zwommen?
Zou jij ook vissen willen, Arne? Het is leuk hoor, vooral de neon tetra’s geven bijna licht in het donker.
Oma had in de gaten dat ze werd gadegeslagen.
Nee, ik hoef geen vissen.
Zijn grootouders hadden voor een verjaardag al eens een glazen kom met twee goudvissen meegebracht. Arne had een plakalbum voor zijn lucifermerken gevraagd en was teleurgesteld weggelopen. Wat moest je in vredesnaam met siervissen? Zijn ouders wilden bovendien helemaal niets van dat wijf in zijn huis. Vader had na een paar dagen de kom resoluut boven een sloot geleegd. De kom werd bewaard om bloemen in te zetten.
Of het moet gebakken vis zijn.
Arne bouwde zijn vader na, die graag vis beliefde. Een vergeefse wens, Arne’s moeder lustte geen vis en zij was de baas in de keuken. Slechts een enkele keer was er gebakken schol gehaald.
Vanachter zijn krant lachte opa een beetje, onopvallend en zonder op te kijken.
Herman wenkte Arne met zijn hoofd.
Gaan we buiten?
Oma wilde weten wat ze gingen doen.
Arne moet bijtijds onder de wol. Morgen is er weer school, nietwaar?
Nee oma, ik heb vakantie.

Arne hoorde het gesprek zuchtend aan. Hoe kon zijn oma denken dat er school was in de zomer?
Herman leek zijn verveling te delen. Hij knipoogde nadrukkelijk. 
We gaan een stukje fietsen, helemaal niet ver. We zijn straks terug.
Arne keek langs hem heen. Vroeg naar bed wil geen enkele jongen. Bovendien waren er alleen de waardeloze boeken van Herman om onder de deken te lezen. Aan de andere kant, leek een fietstochtje hem evenmin gunstig. Dan moest er ongetwijfeld weer geschoten en toegekeken worden. Hij kreeg een beetje genoeg van het logeren.

Herman fietste voorop. Even dacht Arne dat ze naar zijn eigen huis gingen, het huis waar niemand was. Wat moesten ze daar doen? Hij ging Herman beslist niet vertellen waar de sleutel van de achterdeur werd bewaard. Voetballen op het erf zou wel leuk zijn.
Weet je al dat er vanmiddag een ansichtkaart van je ouders is aangekomen?
Arne veerde op, voelde zijn hart bonzen en zette een tandje bij met zijn fiets.
Ze zitten in Nijkerk of zoiets. Dat staat op het poststempel. Ik denk dat ik het zegel eraf ga weken.
Arne zag het voor zich: geknoei met water om een postzegel te lichten. Binnen een minuut was de tekst onleesbaar.
Wat staat erin? Wat schrijven ze dan?
Hij fietste nu pal naast zijn neef. Kwam er een ansichtkaart binnen en niemand die er wat over zei?
Wat ze schreven? Geen idee. Iets over mooi weer en groene bomen, geloof ik. Waarom wil je dat weten?
Arne raakte in verwarring. Natuurlijk wilde je zoiets juist wel weten.
Stond er iets in over mij?
Het klonk naar zwakte, dat voelde hij duidelijk.
Herman dacht na of deed alsof.
Er stond dat je moeder door de achtervering was gezakt. Haar kont is te dik!
Hij lachte luidkeels, je moest het op honderd meter kunnen horen. Na een paar minuten stapten ze af op een plek waar geen enkel gebouw in de buurt stond: geen woonhuis, boerderij of schuur.
Verrassing! Er zit hier een nest met eenden.

Ze legden de fietsen in het gemaaide bermgras. Herman wist precies op welke plek gekeken moest worden.
Deze boom is het. Met de beschadiging. Er is ooit een auto tegenaan geramd.
Op hun zitvlak lieten ze zich zakken in de berm. Je moest oppassen, anders lag je zomaar in het water. Herman boog voorzichtig naar voren.
“Godverdomme. We zijn te laat! Ze zijn al weg.
Nu er toch niets meer te zien was, maakte hij plaats. Arne schoof een stukje in zijn richting, erop bedacht dat Herman hem een duw zou geven, je wist maar nooit.
Je moet wel goed kijken, je hebt niets gezien!
Arne trok zich evenwel terug en krabbelde omhoog door het gras. Inderdaad, hij had niets gezien, maar wist wel hoe een leeg eendennest eruit zag.
Alleen maar veertjes en een paar kapotte eierschalen.
Hij verwachtte min of meer een discussie, maar Herman kreeg de moedereend met pulletjes alsnog in de gaten. Het gezin dreef een stukje verderop: een kluit dons in het water.
Daar heb je ze!

Weerloze eendjes doodmaken Jongens doen zulke dingen. Berouw komt na de zonde en niet eens altijd. Het gaat om een oeroud instinct om te jagen, iets uit te proberen. Wat je ogen zien, vernielen je handen.
Bij het eerste schot stoven de pulletjes uiteen. De moedereend hief een luid gekwaak aan, gevolgd door klapwiekend rondvliegen in een waas van opspattend water. Nieuwe pogingen volgden. Maar wat Herman ook probeerde, hoe lafhartig dichtbij hij ook naderde, hij raakte niets. Arne volgde een paar minuten de opwinding in de sloot en de toenemende boosheid van de ander. Het liefste had hij Herman achtergelaten en was naar de boerderij terug gegaan. Deze luxe ontbrak voorlopig. Hij moest het nog een paar dagen uitzingen.
Wat lag daar voor zijn voeten? Uit het gemaaide gras stak een dikke verbogen staaldraad, misschien van een vrachtwagen of tractor gevallen. De functie was hem onduidelijk en juist dit bracht hem op een idee.
Ik wil wedden dat ik binnen een minuut meer eenden raak dan jij in een half uur.
Arne sprak luid. Hij wilde dat dit allemaal ophield. Waarom konden ze niet gewoon wat spelen achter de boerderij: daar lag weiland en had je alle ruimte. De reactie was voorspelbaar en kwam onmiddellijk.
Wat zeg je daar? Weet jij het weer beter?! Godskoleere. Wedden wil je? Om wat dan?
Herman staakte zijn onderhand lachwekkende pogingen. Hij ging vlakbij Arne staan, een duidelijk signaal.
De spanning was tastbaar. Ter plekke bedacht Arne iets waarvan hij meende dat het Herman zou boeien.
Als jij wint, gaan we rondkijken in het huis van mijn ouders.
Het zweet brak hem uit. Herman in het huis van zijn ouders toelaten? Hij leek wel gek geworden.
Maar Herman reageerde lauw. Hij was bezeten van het pistool, de drang zich te bewijzen.
Jij gaat eenden raken? Waarmee dan wel?
Uit elk woord dat hij uitstootte, sprak ongeloof en tegenzin. Hij had willen imponeren of minstens resultaat van zijn inspanning willen zien, zeker nu het probleem van het kapotte keukenraam minder urgent leek. Herman boog naar zijn kleinere neef, als een boom over een struik. Het intimideerde, hoe hij daar stond.
Arne gaf zich echter niet zomaar gewonnen. Met elke seconde nam zijn behoefte op te stappen toe.
We kunnen er op muizen jagen. Die zitten op de zolder.
Het was of hij een ander hoorde praten. Herman in huis toelaten, dan nog helemaal tot op de zolder?
De juiste verlokkingen aanbieden, daar gaat het om. En toezeggingen maak je niet zomaar ongedaan.
Muizen zeg je?
Arne knikte bevestigend, maar hief ook zijn rechterhand.
Dat zeg ik. Maar als ik win, is het pistool voor mij.

Zo, het was gezegd. De beschikking over het pistool zou aan het idiote gehannes van Herman een einde maken. Dan kon hij doen wat hij wilde, zo kwam het hem voor. Dat Herman reden had hem uit te lachen, nam hij op de koop toe. Aan zijn voeten, half bedekt door afgemaaid gras, lag het staaldraad. Herman schoot in de lach.
Zal ik mijn bezit voor een paar muizen wagen? Er zitten zelfs muizen onder mijn bed!
Arne had geen plan. Hij probeerde Herman te bespelen, zin voor zin, argument voor argument.
Hoezo riskeren? Jij gaat toch beslist winnen? Dat zeg je zelf.
Hij maakte aanstalten naar zijn fiets terug te lopen, Herman alleen achter te laten. Hier was niets meer te halen.
Binnen één minuut? Zonder pistool? 

Het leek of zijn ongeloof hem ertoe bracht het risico te nemen.
Nou goed. Als ik win, zorg jij dat.. Binnen één minuut moet er een eend dood, denk eraan.
Arne gaf geen antwoord. Hij bukte zich, raapte het staaldraad op, liep van Herman weg en stak de polderweg over. Over het gemaaide gras kroop hij een meter of twintig voort, onzichtbaar voor de eenden. Hier stak hij de weg opnieuw over om plotseling op te duiken.
Onder gewone omstandigheden was een volwassen eend er meteen vandoor gegaan, maar het instinct om haar jongen te beschermen, was sterker.
Arne gooide vaker: naar vogels en koeien, naar bomen en lantaarnpalen, lopend en zelfs vanaf zijn fiets. Alles kwam hiervoor in aanmerking: stenen, kluiten, aardappelen. Hij wilde niet doden, maar raken. Of op een haar na missen, was ook bijna in orde. Op deze avond was hij vooral het gedoe met Herman zat, het logeren, dan nog in het zicht van zijn eigen thuis, zelfs het venster van zijn slaapkamer kon hij gemakkelijk zien.

Hij pakte het staaldraad bij een uiteinde, zwaaide dit horizontaal boven zijn hoofd om er vaart aan te geven, klampte zijn blik in de eendenkluit en liet los. Als een malende propeller zwiepte het metaal door de lucht, dook omlaag en sloeg neer.
Het leek een explosie. De volwassen eend schreeuwde in doodsangst en ging er definitief van door, de uiteengeslagen groep kleintjes aan hun lot overlatend. Deze renden over het water naar de oever die hem aan het oog onttrok.  In de sloot dreven twee levenloze pulletjes.

Eindelijk hield Herman zijn mond, zijn grote bek. Woordloos stond hij naar het spektakel te kijken, het drukpistool zinloos in zijn rechterhand, de loop omlaag. Arne besefte heel goed wat hij had aangericht. Eerst leefden de eendjes en zwommen ze rond hun moeder; plotseling waren ze dood en was de rest op de vlucht geslagen. Zijn hartslag stampte in zijn hoofd, zijn keel en overal in zijn lichaam. Langzaam wendde hij zich af, liep naar Herman en hield zijn hand op.
Twee dooie eenden. Binnen een minuut.
Herman verborg de hand met het wapen onwillig achter zijn rug.
Er schuilt een moordenaar in jou. Jezus Christus! Laten we maar naar huis gaan.
Arne week geen centimeter. Herman was groter en sterker, maar als het moest zou Arne vechten.
We hebben gewed en ik heb gewonnen. Geef op.
Gesprekken, ook tussen kinderen, gaan heel vaak over wie de macht heeft.
Het pistool is van mij. Je mag een paar keer schieten.

Herman had zijn veerkracht snel hervonden, maar Arne bleef halsstarrig.
Je hebt verloren.
Kom het maar halen.
Mij best.
Ze rolden over de grond en over de straat. Nooit eerder was het tussen hen tot een lichamelijke krachtmeting gekomen. Al snel kreeg Herman de bovenhand. Hij werkte zich bovenop Arne, maar het verzet viel hem tegen en hij was genoodzaakt het pistool van zich af te leggen. Zijn vuisten sloegen erop los.

Geen auto of zelfs maar fietser naderde. De polderweg was en bleef leeg. Elke boer of akkerbouwer was thuis, zat aan de thee bij de radio of de tv, een nieuwigheid die ook op het platteland snel haar weg vond.
Herman onderschatte zijn neefje. Hij dacht al dat het gevecht beslist was, toen Arne zich los werkte, wegrolde en het pistool te pakken kreeg. Onmiddellijk maakte deze het ultieme gebaar: hij dreigde het wapen in de sloot te gooien. Zijn gezicht bloedde, misschien dat Herman hiervan schrok en inbond.
Ho ho! Goed dan. Maar morgen geef je het terug!
Arne schreeuwde voor de gelegenheid. Thuis mocht dit niet, maar hij kon het wel.
Ja, en dan zeker weer proberen het af te pakken!
De mond van Herman van groter dan zijn moed. Of anders voorzag hij problemen met zijn ouders. Per slot logeerde de kleine klier bij hen, sterker: ze sliepen in hetzelfde bed.
Stop nou maar! Het is goed. Je mag het hebben. Voorgoed. Godverdomme! Jij je zin.
Arne fietste honderd meter voor Herman uit naar de boerderij. De fietstas aan de bagagedrager slingerde heen en weer. Hierin had hij het pistool gesmeten.

Oma had thee gezet. In de zomer speelde zich hier in de keuken het hele familieleven af. De kermisklok aan de wand wees kwart voor negen. De theekopjes waren oud, van een breed model, beschilderd met een bloemmotief. Er stond ook suiker op tafel: een glazen potje met bovenop een schuif van glimmend metaal. Het wachten was op opa. Elke avond maakte hij een ronde over het grasland om schapen te tellen. Soms kwam er een op de rug terecht in een greppel. Dan was zo’n dier binnen een etmaal dood.
Arne! Wat zie je eruit! Hebben jullie gevochten?
Dit was het geval, maar de reden hield hij voor zich.
Je bloedt aan je gezicht. Laat eens kijken.
In een vorig leven was oma verpleegster. Dat was voor ze zo onoplettend was op de boerderij was komen wonen, in het voorgespiegelde vooruitzicht van een onbekommerd boerenbestaan. Permanente armoede en verveling waren haar deel geworden. Vakkundig lapte zij Arne op, waste bovendien zijn armen en ellebogen. Het gras op de kniestukken van zijn broek kon natuurlijk niet zomaar weggetoverd worden.
Ga boven maar wat anders aantrekken. Je hebt een extra broek meegekregen.
Al die tijd liet Herman zich niet zien. Arne slofte de trap op, haalde het pistool uit zijn onderbroek en verborg het onder het matras, aan zijn kant van de twijfelaar. 

Wassen onder toezicht bleek onvermijdelijk. Alleen in de slaapkamer van zijn grootouders was een echte wastafel. Voor de rest was je aangewezen op het aanrecht van de keuken. Hiertoe door oma verplicht, waste hij zijn armen en oksels, daarna zijn piemel en billen. In schaamte stond hij geluidloos te vloeken. Eenmaal in zijn pyjama kalmeerde hij langzaam. Obligaat poetste hij zijn tanden boven de gootsteen van grauwgele tegeltjes. Alles was hier ongetwijfeld nog zoals bij de bouw in 1929. Hij besefte, dat ook zijn vader hier als jongen had gestaan. Waarschijnlijk zonder tandenborstel, want met 27 jaar had vader zijn tanden en kiezen laten trekken. Na jaren van moordende kiespijn ging hij verder door het leven met een volledig kunstgebit.
Arne’s oog werd getrokken door het kogelgaatje in het ruit, de stervorm eromheen en ineens zag hij achter het aquarium de dader liggen, een bijna onherkenbaar propje lood. Wat te doen?
Hij spoelde zijn mond, liet water over de spuugplekken in de gootsteen stromen en veegde mond en handen af aan een kleffe handdoek.
Als terloops deed hij een poging het aquarium te benaderen, het kogelpropje weg te nemen.
Zie je wel, je vindt ze toch interessant!
Het leek of zijn oma erop had gewacht hem te betrappen. Kans om het loden bewijsstuk te pakken, kreeg hij niet.
De schatkist op de bodem is wel leuk.
Met de bewegingen van een krab deinsde hij af, wenste een ieder welterusten en beklom de smalle trap naar de bovenverdieping, een uitbouw die tot slaapkamer diende. Alles kraakte: de vloerdelen, de deur, het bed waarin hij ging liggen.

Een boerenbedrijf in een windarme zomeravond. Arne berekende dat zijn ouders morgenavond terug konden zijn. Of het werd dagen later, ingeval er geen snelle reparatie van de brommer mogelijk was. Reparatie? Hij sperde zijn ogen en bedacht dat niemand hem de ansichtkaart had laten zien waarover Herman had gesproken. Was er wel een kaart binnen gekomen? Speciaal hiervoor de trap afdalen was  geen optie. Morgenochtend zou hij het uitzoeken.
Het bed waarin hij lag, was een zogenaamde twijfelaar. Voor een enkele persoon lekker breed, voor twee aan de smalle kant. Nog een half of heel uur en dan zou Herman komen, zich naast hem nestelen, een wind laten en in slaap vallen. Erger was dat er geen stevig modern matras in het bed lag, maar een oude katoenen zak, gevuld met kapok, pluiskatoen dat er al een halve eeuw in kon zitten. Je moest het elke dag opschudden om een slaapkuil te voorkomen. Helaas is kapok loodzwaar en dus werd het matras hooguit een paar keer per jaar gevlakt. Twee slapers rolden onherroepelijk tegen elkaar aan.

Tegen de tijd dat hij bijna in slaap viel, werd hij opgeschrikt door krakende traptreden. De deur ging open. Levensgroot naast het bed stond niet Herman, maar opa.
Kom er even uit, jongen!
Arne schrok hevig. Beverig kwam hij overeind. Wat moest dit voorstellen?
Naar beneden en vlug wat!
Was er brand? Arne rook niets. Hij hees zich op de rand van het bed en wankelde.
Hop hop! Tempo graag!
Grootvader liep alweer naar de deur en bonkte voor hem uit de trap af.
In de keuken zaten oma en Herman op hun vaste plek aan tafel, precies zoals toen Arne naar bed werd gestuurd. Op tafel stond een schoteltje van wit porselein. Hierop lag een verwrongen kogeltje. Arne zag het en begreep alles.
Heb jij dat gat in het raam geschoten?
Arne keek hulpeloos rond. Het schoteltje toonde het bewijs van zijn schuld. Zijn blik probeerde die van Herman te vangen, maar deze keek weg, besmuikt en met een rode wang. Het leek erop dat hij een draai om zijn oren had gekregen. Of twee.
Nou?
Ontkennen was zinloos.
Ik hoor van Herman dat jij hebt geschoten met een pistool. Waar is het?
Afweermechanismen werken het beste onder druk.
Weggegooid.
Weggegooid waar?
Wat was hier de meest aannemelijke, oncontroleerbare plek?
In de tochtsloot.
Opa bleef staan. Zijn grote handen rustten op de rugleuning van zijn stoel, de stoel met de losse leuning.
Schiettuig is gevaarlijk. Hoe kom je eraan?
Opnieuw probeerde Arne oogcontact te maken met Herman, deze keer met succes.  Herman’s blik hield een waarschuwing in.  Je hoorde hem denken: Tegen iedereen je bek dicht, ja!

Duister zijn de wegen langs welke beslissingen tot stand komen. In een seconde overwoog en verwierp Arne de mogelijkheid alsnog de waarheid te vertellen. Wat had hij eigenlijk verkeerd gedaan dan mee te doen met wat Herman had voorgesteld? Wie dacht Herman dat hij was om over hem te liegen, weg te duiken en klappen te verkopen? Arne’s polsen en scheenbeen voelden nog pijnlijk aan. De wond aan zijn hoofd viel mee.
Tegelijk was hij zich bewust dat klikken hem permanent in problemen zou brengen. Daarbij zou hij het pistool moeten halen. Niet uit de tochtsloot, maar van onder het matras waarop hij daarnet nog lag te dommelen. De vernedering die hem stond te wachten, was niet te overzien: zijn grootouders zouden hem nooit meer geloven, zijn ouders zouden hem met terugwerkende kracht straffen, Herman zou hem opwachten langs de weg om hem nog eens af te rossen. Zijn brein werkte op volle toeren.
Gevonden op de vuilnisbelt. Een paar weken geleden.
Geen slechte uitvlucht. De gemeente stortte vuilnis op het uitgegraven landje aan de overkant van de tochtsloot, niet recht tegenover de boerderij maar honderd meter naar achteren. Mensen willen van hun rotzooi af.
Je komt hier logeren en brengt een pistool mee?
Wat kon je zeggen? Na een halve minuut van stilte had oma had ook een vraag, een interessante.
Maar de kogeltjes dan? Hoe kom je daaraan? Die zullen er niet bij gezeten hebben!
Liever dan te antwoorden, was Arne door de vloer gezakt. De verdomde kogeltjes! Maar de vloer was van stevige planken en oma zat stevig in haar stoel.
Ik heb een paar keer de trekker overgehaald. Toen was hij leeg.
Een halfslachtig antwoord waaruit hij desondanks moed putte.
Daarom heb ik het ding ook weggegooid. Ik kon er verder niets mee.
Tegelijk besefte hij, dat Herman het doosje loden propnagels nog moest bezitten en meer: dat hij dit opzettelijk niet had afgegeven. Wel het pistool, maar geen munitie. De vuile hufter. Hij voelde drift opkomen, de bereidheid om brutaalweg te zeggen: voor de kogeltjes moet u bij Herman zijn.
Er volgden meer woorden, maar langzamerhand doofde de confrontatie langzaam uit. Tenslotte mocht hij weer naar boven. Het bed waarin dadelijk Herman naast hem zou neerstrijken. Dit was het moment waarin hij het logeren het meest verafschuwde. Bij het opnieuw beklimmen van de trap voelde hij zijn hart tekeergaan als een heimachine. Waarom ook had hij dat propje lood niet gewoon gepakt toen hij het achter het aquarium zag liggen? Niemand zou hem hebben gedwongen zijn hand te openen.

Klaarwakker lag hij onder slechts een laken. De zomernacht was warmer dan je aangenaam kon noemen. In zijn hoofd raasde het conflict onverminderd verder. De film van de dag trok twintig keer voorbij. Hij dacht aan de dode eendjes in de sloot, de vraag of de moedereend nog was teruggekeerd, aan zijn beschadigde broek en waarom hij zo nodig uit logeren was gebracht, beslist niet zijn eigen voorstel. En hoe kreeg je het pistool ongezien uit de boerderij? Kon hij het beter uit het raam smijten en morgen oprapen? Of het in de kast van Herman verbergen, waar oma het later zou vinden? Wat moest je er eigenlijk mee, zonder munitie?
Na de chaos aan vragen volgde het zelfbeklag. Was het maar vast morgenavond. Dan lag hij in zijn eigen bed, door niemand gehinderd. Tenslotte voelde hij onder zijn kant van het bonkige matras, trok het pistool naar zich toe en drukte het tegen zich aan: als een teddybeer, een troostend aapje.
Eindelijk kwam Herman binnen. Hij liet het licht uit, smeet zijn kleren in een hoek en liet zich met een smak naast Arne vallen. De baas komt thuis. Hij fluisterde, iets dat helemaal niet bij hem paste.
Knap werk, Arne! Jezus man, wat kan jij liegen!
Zonder te kunnen zeggen dat Herman stonk, rook Arne dadelijk dat zijn neef zich hooguit met de Franse slag had gewassen. Hij voelde een elleboog in zijn rug.
Zeg, slaap je? Wat heb je nou echt met het pistool gedaan? Ik weet zeker dat het niet op de bodem van de tochtsloot ligt!
Arne draaide zich langzaam naar Herman toe. Hij deed moeite afstand tot het lichaam van zijn bedgenoot te houden. Die rottige slaapkuil! Begon het gedonder weer van voren af?.
Maar nog voor Arne iets kon zeggen, stak Herman opnieuw van wal. Zijn stem was hees en hoog.
Kijk eens maat, je mag kwaad zijn, maar vergeet even niet dat jij degene bent die het raam heeft vernield. En uiteindelijk is het pistool ook van jou. Dat wilde je zo graag dat je erom begon te vechten. Ik heb geprobeerd het te houden, maar jij moest het zo nodig hebben. Dus moet je ook maar op de blaren zitten.
Een aannemelijk klinkende maar allesbehalve waterdichte redenering. Arne vroeg iets anders.
Wat heb je met het vogeltje gedaan dat zogenaamd tegen het glas was gevlogen?
Een halve minuut was het stil. Herman was even van zijn stuk gebracht.
O, dat. Heb ik weggegooid. Je denkt toch niet dat ik daarvoor helemaal terug klim in de hanenbalk?
Nieuwe stilte. Van Arne mocht dit zo blijven, maar Herman was een prater.
Maak jij je druk om een manke zwaluw? Je hebt zelf vanavond twee eenden doodgegooid, weet je nog?
Arne bleef zwijgen. Herman moest aanvoelen, zo niet verder te komen.
Mijn moeder vroeg ook al naar dat stomme vogeltje. Ik heb gezegd dat ik jou op die manier wilde beschermen. Door te doen alsof. Voor jou. Dan weet je het, mocht ze er naar vragen.
Arne voelde zijn weerzin toenemen. Herman had gewoon leugens verteld om zijn straatje schoon te vegen. Het enige dat voor hem telde, was het pistool terug te krijgen. Dit voelde Arne haarfijn aan.
Langzaam maar met nadruk duwde Arne het wapen naar voren, tegen het lichaam van Herman.
De loop is ingedrukt. Zal ik de trekker overhalen?
Stilte heb je in soorten. De boerderij, de bomen langs de weg en de herkauwende koeien in de weilanden lagen verzonken in een stilte die vreedzaam was en ontspannen. In deze slaapkamer heerste ook stilte, maar dan op de rand van laaiende ruzie en geweld. Herman doorbrak de impasse. Hij leek maar niet te kunnen inzien dat hij aan het kortste eind kon trekken.
Wat doe je daar? Ben je gek geworden? Er zit niet eens een kogel in!
Zijn woorden klonken onverminderd dominant en zelfverzekerd. 
Arne werd zich bewust van de muffe beddenlucht, de in maanden samengepakte lichaamsgeur van Herman. Het moment waarop zijn gedachten zouden blokkeren, naderde in hoog tempo. Hij duwde de loop van het pistool met toenemende kracht tegen Herman aan. De kuil in het matras achter zijn rug werkte in zijn voordeel.
Weet je het zeker? Geloof je echt dat ik niet durf?


Monk
26 juni 2019

Foto: Monk

18 juni 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Beroepskeuze

Beroepskeuze

Een zomerdag in 1966. Ik was 14 jaar, zat in de tweede klas van een middelbare school op het platteland en had geen idee wat ik wilde worden. Niet dat het mij duizelde van de keuzestress, integendeel. Er werd mij niets gevraagd over een gewenst beroep, geen enkel idee bereikte mijn oren of ogen. Noch door mijn ouders, noch op school werd er aandacht aan geschonken. Ik zat in de klas, werkte op het land van Vader, meed het binnen bereik van Moeder te geraken en leefde in mijn eigen fantasie. De zon gaat op, de zon gaat onder. Je kon zeggen: ik had geen toekomst.

Deze zomerdag in 1966 bevond ik me op de Veluwe. Ons gezelschap was hier geraakt vanuit Emmeloord, de plaats waar mijn oom Joop woonde en wij de nacht hadden doorgebracht. Joop was de jongste broer van mijn vader, accountant in wording, getrouwd en in het bezit van een kindje dat later juist gepusht werd wel iets te worden, maar hierin zou falen. De werkelijkheid is taai. Met 4 volwassenen en minstens 3 kinderen waren we in de Opel van Vader gepropt, via Zwolle en Joost mag het weten gereden, om uit te komen in een natuurgebied op de Veluwe. Mijn ouders hielden nogal van bossen, meer dan ik ooit zou doen. Ik houd juist van overzichtelijk terrein, landschap waar je de dingen van ver kunt zien aankomen.

Er was van alles meegesleept: ligstoelen, een katoenen windscherm met metalen stokken, brood, thermosflessen en een goed humeur dat onderweg werd getest doordat we met teveel waren.
Ongetwijfeld op aangeven van Joop, die langere tijd militair was geweest in het gebied, werd Vader ertoe gebracht de auto een bospad in te sturen. Een eind verderop werd gestopt: hier kon je staan waar je wilde, omgeven slechts door dennengeur. Alles werd uitgepakt en opgezet. Vader en Joop gingen een stukje lopen om vrijuit te praten. Bij hen had ik niets te zoeken. De vrouwen bouwden hun eigen clubje. De echtgenote van Joop was een van de weinige mensen met wie Moeder het goed kon vinden: zij sprak nooit openlijk tegen, had een ijzeren geduld en boog als riet in de wind. Mijn oudere zus bleef bij hen rondhangen. Aan de jongste kinderen heb ik geen herinnering. Wat zal een jongen van 14 zich bezighouden met klein grut?

Al met al begreep ik, mezelf  te moeten vermaken. Geen nood, want ik had allang gehoord dat verderop met zwaar geschut werd geschoten. Om de zoveel tijd klonk een doffe dreun. Kennelijk bevonden we ons in de buurt van een oefenterrein van de landmacht.
Ik overzag de situatie: we zouden hier nog minstens een uur blijven. Vervolgens scharrelde ik weg op een manier die ik naderhand zou perfectioneren: onnavolgbaar, ineens verdwenen. Zo voorkwam ik dat Moeder mij terug riep en allerhande oponthoud zou veroorzaken. Zij legde haar kroost het liefst vast met een touw aan een boom.

Ik liep dwars door het bos op het geluid af en bereikte de rand van de begroeiing. Van hier keek je uit over een golvend terrein, met veel zand en weinig bomen. Het dreunen bleef van ver klinken, maar ik kreeg wel tanks te zien. Het verbaasde me, hoe snel en ruw hun voortgang verliep. Je moest er niet aan denken erin te zitten. Thuis las ik clandestien goedkope beeldromans over de strijd tegen de Moffen en de Jappen, maar nooit had ik het bijbehorende geweld naar waarde geschat. Ik was juist van het nauwkeurige en uitgekookte, het verrassingselement en het toebrengen van een geluidloze dood: een geboren sluipschutter.

Belangstellend bleef ik enige tijd toekijken. Niemand merkte mij op en de tanks bleven op afstand. Ik ging zitten en veegde rond mijn benen wat zand weg. Hieruit kwam een forse kogel tevoorschijn, een koperen pil van een centimeter of 9, tamelijk zwaar in de hand: een mooie vondst! Tegelijk begon ik ongerust te worden: straks dook er een soldaat op die mij zou dwingen mijn broekzakken leeg te maken, of anders kon er een machinegeweer dat ik niet had opgemerkt, gaan ratelen. Ik verliet de plek en begon aan de terugtocht naar de auto.

Hier was alles bij het oude: Vader en Joop waren nog niet terug, Moeder prutste aan een handwerkje en babbelde met de vrouw van Joop. Mijn zus sloeg muggen van zich af en, zoals ik al zei, van meegereisde kleintjes herinner ik me niets. Ik bleef op veilige afstand, wachtte en voelde met mijn hand aan de gevonden kogel. Nee, ik zou hier geen melding van maken. Moeder zou immers aanstonds stampij maken en eisen dat ik dat rotding weggooide, Joop zou uitleggen om welk projectiel het precies ging, Vader zou vermoeid zwijgen en de munitie in beslag nemen. Ik was 14 jaar, had geen toekomst, maar wist precies wat eraan zat te komen.

Eenmaal weer thuis, nam ik mijn schetsblok ter hand en tekende in houtskool een machinegeweer naar eigen inzicht of naar voorbeeld uit een van mijn  flut boekjes waar Moeder geen weet van had. Het wapen rust op een al te keurige standaard waarop je eerder een moderne tv zou verwachten. Droomde ik van een toekomst als militair?
Erg waarschijnlijk is dit niet. Eerder boeide het mij de machine te bedenken waarmee je de kogel kon afvuren, maar die bestond natuurlijk al. Mijn toekomst bestond niet uit wat ik wilde bereiken, maar uit wat ik van me af wilde houden. Toen ik jaren later voor militaire dienst werd opgeroepen, deed ik er alles aan om hieraan te ontkomen. Met succes, zeg ik er maar bij. De kogel bleef bewaard, verloor wat van zijn glans, maar zal mij ruimschoots overleven.

18 juni 2019
Foto: Monk

4 juni 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor De laatste roker

De laatste roker

Eisenach

Ooit leefden we in het Rokersparadijs. Het is geen man die niet roken kan, luidde een van de vele reclame slogans. In deze zin lag meteen een cultureel fenomeen besloten: roken is voor mannen. Rokende vrouwen refereerden aan ondeugd of zelfs prostitutie. Zeker benoorden de rivieren werden vrouwen evenmin geacht in een café te zitten, al helemaal zonder mannelijke begeleiding. Ook hippies waren hartstochtelijke rokers. Maar tijden veranderen. Vanaf de jaren 80, met de aarzelende opkomst van de gezondheidscultus en het maatschappelijk presteren, nam het verzet toe. De overheid volgde schoorvoetend. Tabaksaccijns was een gewilde inkomstenbron. Voorlopig werd daarom vooral de consumentenprijs verhoogd.

Invoering van een rookverbod in de horeca volgde in 2008. Een wonder dat tot denken stemt over de zogeheten almacht van het bedrijfsleven. Bovendien volgde overal taai verzet van rokers, samen te vatten als een inbreuk op een vermeend verworven recht.  Het bleek een achterhoedegevecht. De dinosauriërs klonterden samen in gedoogde bezemkasten, rond peukenpalen,  in het fietsenhok en werden verjaagd uit de draaideuren van het ziekenhuis. Honderdduizenden asbakken verdwenen op de stort of leidden een onverkoopbaar bestaan op marktkramen. Op verpakkingen van sigaretten en sigaren werden verplicht schokkende teksten en foto’s over kanker en impotentie  gedrukt. Uit zo’n pakje durf je niemand een sigaret te presenteren.

De ooit talrijke tabakswinkels raakten uitgedund en hun etalages doen denken aan het voorportaal van een crematorium. Toch rookt nog altijd 22% van de burgerij en we hebben het hier niet perse over bejaarden of domme mensen aan wie geen argumentatie is besteed. Onder het vervolgingsbeleid herwint het roken zelfs hier en daar aan status. Verslaving bestaat bovendien echt. Fabrikanten mengen tabak opzettelijk met verslavende stofjes.
Philip Morris, gevestigd in een rood-zwarte monoliet bij Bergen op Zoom, moest in 2014 dan toch haar deuren sluiten. Vandaag produceert zij cast leaves voor heatsticks waarin tabak niet verbrandt maar wordt gesmoord, een halffabricaat. Maar de fabriek krimpt opnieuw.

De industrie, lange tijd in ontkenning van bewijsvoering (een mening), heeft haar echte afzetmarkt van lieverlee verschoven naar andere delen van de wereld. Onnozelaars genoeg op de aardbol. De claimcultuur in met name de USA is hieraan niet vreemd: met wisselend succes troggelden zieke burgers voor miljoenen aan genoegdoening af. Zelfregulatie werkt beter met een fikse stok achter de deur.

Wie ooit rookte en succesvol stopte, weet dit nog als de dag van gisteren. Afstand doen van rituelen en gewoonten wordt vaak neergezet als een prestatie. Het is een man die met roken stoppen kan.  Opgegroeid in de oude tijd, had ik alle kans te eindigen in de orde van nicotinejunks die voor hun kantoordeur staan te kleumen in de regen. Bijna 30 jaar geleden zette ik de knop om en stak nooit meer een sigaret aan. Fysieke problemen bleven uit. Moeilijk was het niet eens, een kwestie van motivatie. Niet de medische gevaren, stijgende prijzen of groepsdruk overtuigden mij, maar het inzicht dat ik aan de leiband liep van andermans belang, in dit geval de tabaksindustrie.

Nieuwe maatregelen om het roken tegen te gaan, staan in de steigers. In Finland mag je al niet meer in je eigen huis roken. Hier te lande wordt Het Kind ingezet om de lucht te zuiveren: roken in de auto in aanwezigheid van een kind komt straks in aanmerking voor een politieprent. Niet erg realistisch, maar wel een signaal aan de nog allerminst in haar eigen rook gestikte tabaksindustrie.

Of het roken definitief wordt uitgebannen, valt te bezien. En dan nog: de mens heeft behoefte aan experiment en een verzetje. Alcohol scoort onverminderd hoog. Nederland staat in de Top 5 van crystal meth producenten. Het blijft dweilen met de kraan open. Maar voor wat het waard is: leven in een rookvrij land mag vooruitgang worden genoemd.

Monk
4 juni 2019
foto: Monk

1 mei 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Wilhelmina van Nassau. Of zoiets.

Wilhelmina van Nassau. Of zoiets.

Amsterdam

Het leven zit vol teleurstellingen. Eerst blijkt Sinterklaas niet te bestaan: de kale waarheid brengt menig kind tot tranen.  Vervolgens blijkt God het evenbeeld van de mens: daar gaat je hoop op gerechtigheid en een leven na de dood. De voorlopig laatste tik is, dat Koningin Wilhelmina geen historische heldin is, zelfs geen betrokken Moeder des Vaderlands, maar een reptiel met lak aan Haar Volk.

De na de oorlog opgehemelde vorstin werd bekend om haar radiotoespraken vanuit Londen. In de steek gelaten Nederland zat aan de door de Duitsers verboden radio gekluisterd om Haar Belangwekkende Mededelingen aan te horen. Wel 5 volle uren, verdeeld over 5 oorlogsjaren! De rest van de beschikbare tijd had Wilhelmina het druk met te bedenken hoe het land na de bevrijding wat minder democratisch bestuurd kon worden. Door haarzelf bij voorkeur.

Naarmate de bevrijding in zicht kwam, werd zij zich bewust van het gevaar. Zou er nog wel plek zijn voor de monarchie? De zwaarste tegenstand was te verwachten van de communisten, helaas hoofd aandeelhouder in Het Verzet. Is het toeval, dat aan het einde van de oorlog vooral communisten werden geliquideerd? Wilhelmina was niet gerust op troonherstel, al was het maar omdat het Belgische Koningshuis (dat niet was gevlucht in 1940) vast zat in Wenen. Twee belendende monarchieën hebben meer kans overeind te blijven dan een enkele. Voorjaar 1945 gebood Wilhelmina daarom haar minister Van Kleffens te onderzoeken of de Belgische vorst en zijn hofhouding ingewisseld kon worden tegen een vluchtroute voor hoge nazi’s. Dit moest gebeuren via het Vaticaan: met zulke vrienden heb je geen nazi’s meer nodig.

Deze route kwam er inderdaad, zoals naoorlogs onderzoek heeft aangetoond. En de Koning der Belgen kwam vrij, al schoot hij er weinig mee op. Een verband tussen beide feiten is evenwel onwaarschijnlijk, al helemaal wegens ingrijpen van Wilhelmina.
Onze koninklijke kletstante speelde een marginale rol voor de Geallieerden, al was het maar omdat haar viriele schoonzoon Bernhard geen krijgsheer was, maar een charlatan.
Waar het op neerkomt, is dat Wilhelmina het initiatief nam om de moordenaars van haar volk te laten wegkomen indien dit handhaving van de monarchie aan de Nederlandse zuidgrens kon opleveren. Voor dergelijk gedrag in oorlogstijd bestaat een woord: landverraad.

De jaarlijkse Koningsdag van vorige week was weer een succes. De gebruikelijke zouteloze taferelen vulden het beeldscherm. Muziek en dans! Het volk dat dom is, zingt recht wat krom is. En wat is kroonprinses Amalia al bijdehand! Over een paar dagen mogen we nog meer drama verwachten: dan gaat het Koningshuis voorop in de Dodenherdenking van 4 mei.

Boze tongen beweren, dat Wilhelmina helemaal geen bloedverwant is van de Oranjes. Haar moeder, Emma van Waldeck-Piermont, trouwde met Willem III toen hij 61 jaar was: geen leeftijd voor sterk zaad. Bovendien leed meneer aan syfilis, dus de kans dat hij Little Willy nog overeind kreeg is minimaal. Binnen een jaar kregen zij evenwel een dochter -Wilhelmina. Genoemd als dekhengst worden de intendant en zelfs de tuinman van Emma.

Is het erg dat we een Koningshuis aanhouden dat geen bloedband heeft met Oranje, nauwelijks nog Nederlands bloed bevat en er zelfs in het heden nog geregeld blijk van geeft vooral haar eigen belang te dienen?
Ach: we houden ook Sinterklaas in ere en bieden bescherming aan instellingen die God’s Woord uitdragen. Hoe absurd wil je het hebben?

Monk
1 mei 2019
Foto: Monk

26 april 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Litteken

Litteken

Midwolda

Op mijn rechter dijbeen schemert het litteken van een vroege vaccinatie. Begin jaren 50 werd je als kind meegenomen naar de dokter om te worden ingeënt tegen bof, mazelen, rode hond en kinkhoest. Heb ik gehuild of geschreeuwd? Zeker is, dat ik 60 jaar later nog altijd angst voel voor artsen en hun naaldenhobby.

Met de oorlog, Hongerwinter en berichten over dodelijke ziekten in de Duitse kampen vers in het geheugen, was inenten van kinderen in die dagen alleen onderwerp van discussie binnen rabiaat godsdienstige kringen. De gewone burgerij dankte de hemel voor beschermende sera.  Zij begreep bovendien dat alleen massaal inenten het risico op een epidemie kon keren. Dienaren Gods in het Huis van de Donderpreek ploeterden voort in zelf opgelegde schuldgevoelens en ander gezever. Met als gevolg een aanhoudende stroom polio patiëntjes die tot vandaag onnodig in een rolstoel hangen.

Tegenwoordig kampt een Joods orthodoxe wijk in New York met mazelen, een gevaarlijke en besmettelijke ziekte waartegen allang effectief kan worden opgetreden. Maar de bewoners weigeren inenting. Volgens hun orders op oude papyrusrollen, is het niet aan de mens om in te grijpen op goddelijke wijsheid. Zij leven onder hun eigen dakpan, mijden de landelijke voertaal en houden er zelfs een speciaal telefoonboek op na. Welke gevolgen hun weigering van preventieve maatregelen kan hebben voor de rest van de bevolking, is geen onderwerp op de kansel.

Buiten dit sektarische gedrag om, neemt in de hele westerse wereld de trend toe om kinderen niet in te enten. Binnen Europa telt de Oekraïne een flink contingent patiënten met mazelen. Maar ook in Frankrijk, Italië en andere West Europese landen stijgt het aantal besmettingen. En dat, terwijl nog rond de eeuwwisseling een half miljoen mensen bezweken aan de ziekte.

Inenten is uit de mode, ook in Nederland. Steeds meer mensen voeren het argument aan dat entstof lichaamsvijandig is. Onkunde is de moeder van het misverstand. Wat zal meespelen, is het toenemende wantrouwen tegen de farmaceutische industrie. Buitensporig winstbejag suggereert de bereidheid om over lijken te gaan.  Maar ook afname van het gevoel, deel uit te maken van een samenleving of andersom de onuitgesproken wens zich te onttrekken aan de volksmeute kan meespelen.  Ik denk, dat vooral gemakzucht, tegenzin je kind een moment pijn te bezorgen en het beperkte vermogen om zich een bedreigende epidemie voor te stellen, de doorslag geven.

Inenten helpt niet altijd of afdoende. Hier kwam ik lang geleden achter. Ondanks enting, kreeg ik de bof en enkele jaren later zelfs opnieuw en dan aan beide kanten van mijn kaken. Thuis werd gelachen om mijn uiterlijk van een opgeblazen kikker. Uit de tweede besmetting vloeide een oorontsteking voort die mij voor de rest van mijn jaren gehoorschade bezorgde.

Desondanks zal Nederland BV zich beter leren realiseren, dat het niet gaat om persoonlijke opties en keuzemomentjes, maar om de volksgezondheid die los staat van sociale stratificatie, etniciteit, ras of religie. Wanneer de geest eenmaal uit de fles is, komen maatregelen te laat. Enfin, in dat geval krijgen we mooie tv programma’s met larmoyante beelden en bankrekeningen waarop je kunt storten. Leuker kunnen we het niet maken.

Monk
26 april 2019
Foto: Monk

16 april 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor De Heilige Kluis II

De Heilige Kluis II

Soms lijken observaties en gedachten samen te hangen, waar in werkelijkheid hoogstens op kosmisch niveau sprake van kan zijn. Wanneer er dan iets ingrijpends gebeurt, wekt dit de indruk dat het betekenis heeft, verbanden toont met eerdere noties. Onzin natuurlijk, maar een eenmaal opgedane indruk raak je moeilijk kwijt.

Uit nostalgie trok ik onlangs Montaillou* van de plank. Hierin wordt beschreven hoe in vervlogen tijden de Zuid Franse Katharen werden vervolgd door de Roomse Kerk. Een prachtige reconstructie van genadeloze machtsuitoefening over eenvoudige mensen.
Vervolgens trof mij de affaire Valkering*, de Nederlandse priester die plotseling en op confronterende wijze uit de kast kwam, werd geschorst en inmiddels om vergeving smeekt bij zijn baas, de bisschop. Wie van hen is de grootste smiecht?
Toevallig of niet kocht ik een paar maanden eerder Sodoma*, indrukwekkend resultaat van 4 jaar onderzoek naar de uitwerking van homoseksualiteit in de Roomse Kerk.
Over dit alles kauwde ik nog na toen ik de tv aanzette en zag hoe de Notre Dame in Parijs in lichterlaaie stond.

De symboliek van deze voor onmogelijk gehouden brand was me aanstonds duidelijk. Hier stortte het katholicisme op groteske wijze in. Een hogere macht heeft ingegrepen en een krachtig signaal uitgezonden. De Kerk heeft zich onderhand zoveel schandalen van kindermisbruik, homo gekonkel, witwassen en steun aan abjecte regiems op de hals gehaald, dat een brute goddelijke reactie niet kon uitblijven. Inderdaad: Notre Drame.
Voor de goede orde: ik hang geen enkel geloof aan, ben allesbehalve homoseksueel, betaal uit onkunde altijd teveel belasting en verder discrimineer ik iedereen opdat niemand zich achtergesteld behoeft te voelen.

Lang geleden bezocht ik als jonge toerist de kathedraal in Parijs. Wat ik mij herinner, is een gigantische binnenruimte in halfdonker gehuld, een paar sluipende geestelijken en die typische graflucht, eigen aan oude kerken. Kortom: een imponerend, intimiderend gebouw. Buiten scheen de zon, dus ik was snel weer in mijn habitat op straat.

Terwijl de brandweer nog bezig is de laatste smeulende resten te blussen, komt een campagne op gang om de schade te herstellen, de kathedraal weer op te trekken. Een miljardair heeft alvast 100 miljoen toegezegd. Hij mocht  uitgebreid voor de camera verschijnen. Om meteen te worden overtroffen door een concurrent die 200 miljoen toezegde. Mijn zegen en van harte, maar tot op heden hoorde ik niets van de Vaticaanse Sjoemelbank. Rome kan de schade gemakkelijk uit eigen zak betalen, maar zal deze liever door de seculiere elite, de belastingbetaler en de Franse gelovigen van wat heet De Oudste Dochter van de Kerk laten ophoesten.

De voortekenen zijn gunstig: de tv toonde volop beelden van op straat biddende mensen, het gelaat gekeerd naar het brandende Instituut dat bol staat van misbruikzaken en andere ongein.
Of houdt dit ook weer alleen in mijn hersenpan verband met elkaar?

Monk
16 april 2019
Foto: Monk

Valkering: zie De Heilige Kluis d.d. 8 april 2019, onder Actueel.
Emmanuel Le Roy Ladurie –  Montaillou, een ketters dorp in de Pyreneeën, 1294-1324
Frederic Martel – Sodoma, het geheim van het Vaticaan.

8 april 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor De Heilige Kluis

De Heilige Kluis

Amsterdam

Tijden veranderen. De Roomse Kerk kan dit proces nauwelijks bijhouden. Het Instituut brokkelt af onder individualisering, welvaart, vrije meningsuiting en betonrot in eigen gelederen. Het ene na het andere lijk valt uit de kast. Naar de mode van de dag roepen vooral grootschalige seksuele misbruikzaken verontwaardiging op. Het wachten is op onthullingen over monumentale fraude, witwassen van crimineel geld, betrokkenheid bij oorlogshandelingen en manipulatie van parlementaire verkiezingen. Vooralsnog worden vooral de seksuele luiken ontsloten: de clerus als broeinest van homo’s die allesbehalve leven naar hun eigen wetten. Een fraai gezelschap, aangevuld met pedofielen, uitbuiters en terreurzusters. De Kerk houdt van diversiteit.

Priester Pierre Valkering trok het deksel van zijn eigen beerput. Tot verbijstering van de toehoorders schetste hij tijdens een jubileumfeestje zijn verslaving aan internetporno en darkrooms. In het verlengde van sociaal wetenschapper Frederic Martel’s boek Sodoma, noemde Valkering het Vaticaan een oord van 50 shades of gay.
De laat 18e eeuwse schrijver De Sade krijgt met terugwerkende kracht gelijk. In zijn liederlijke De 120 dagen van Sodom zet de Markies de Kerk neer als een slangenkuil van relnichten, zich wentelend in vraatzucht en sadistische seks – het volstrekte tegendeel van wat de Kerk probeert uit te dragen. De Sade ontsnapte ternauwernood aan de doodstraf. Valkering werd meteen geschorst door de bisschop. Ook in strafmaat deed de tijd haar werk.

Het is zonneklaar dat de zelfbenoemde Heilige Stoel altijd veel homoseksuelen aantrok. Wat is mooier dan op waardige wijze ontsnappen aan de aanbevolen maar niet begeerde sekse?  Toetreding tot het priesterschap van een zoon strekte menige familie tot eer. Het celibaat diende als veiligheidsklep om met de buitenwereld te kunnen omgaan: van een priester valt seksueel niets te vrezen.  Maatschappelijke betekenis verwierf de Kerk bovendien door te voorzien in de toegang tot de hemelpoort. Het leven komt uiteindelijk neer op afzien, het vooruitzicht van een eeuwig niets is nauwelijks te dragen.

In een hiërarchische, gesloten gemeenschap waar de macht wordt gelegitimeerd door een nederig opdienen van morele superioriteit, is omerta een basisingrediënt. Uitgelekte wantoestanden worden gebruikelijk ontkend, verzwegen of afgedaan als incidenten. Halve maatregelen zijn het hoogst haalbare, omdat anders het hele kaartenhuis instort. Foute priesters worden rondgepompt, teneinde hen over superieuren te laten zwijgen.
De geloofsgemeenschap is nog altijd aanzienlijk. De mens heeft nu eenmaal behoefte aan iets dat groter is dan hijzelf. Vrouwen, het door de Kerk systematisch neergedrukte deel van de bevolking, dragen het geloof het meest fanatiek uit. Eeuwen van wetenschapsontwikkeling konden niet verhinderen, dat zelfs in hoog ontwikkelde samenlevingen het creationisme terrein wint. Ook in een gerationaliseerde en gematerialiseerde wereld  tieren achterlijke denkbeelden welig.

Geloof verdwijnt niet zomaar en een Instituut dat er richting aan geeft, wordt in de kern als onmisbaar gezien. Imposante gebouwen, theatrale entourage en rituelen, onwrikbare opvattingen en een voor de buitenwereld ontwapenend celibaat vormen een geweldig brouwsel. Gelovigen (neerbuigend schapen genoemd) neigen ertoe, de problematiek te individualiseren en te personaliseren: een priester is fout geweest, maar hij is ook slechts een mens. De bisschop heeft gezwegen, maar had hier goede redenen voor. Zolang gelovigen de Kerk zien als levensverzekering is structurele verandering onwaarschijnlijk. De Kerk wordt onverkort voorgesteld als een instituut dat in de kern goed is, zij het hier en daar helaas ontspoord. De houding naar vrouwen zal evenmin veranderen. Zelfs binnen de homo scene wordt mannelijkheid geprefereerd boven het vrouwelijke.

Maar wat, als De Roomse Kerk helemaal niet in haar ontwikkeling het noorden kwijt raakte? Wat, als zij van meet af was bedoeld als Tehuis voor homoseksuelen en pederasten? Het zou ingenieus zijn: een organisatie optuigen die onder de vlag van kruiperige morele superioriteit gelegenheid verschaft aan haar leden onopgemerkt de beest uit te hangen en frustraties bot te vieren ten koste van de armetierige kudde?
Dit is de uiteindelijke visie van De Sade. Voor hem was het zonneklaar waarom Jezus zich omringde met uitsluitend mannelijke discipelen. En wat te denken van de verering van Maria, de onbevlekte Moeder van Jezus? Gerard Reve schreef er devoot over in boeken waar ook veel mooie jongens met harde billen hun opwachting maken.

De materiële wereld van de Roomse Kerk biedt tal van mogelijkheden deze complottheorie te onderzoeken. In tal van Europese steden steken kerken en kathedralen de wereldlijke bolwerken van kastelen en stadhuizen naar de kroon, vaak op een steenworp afstand van elkaar. Het Vaticaan is getooid met indrukwekkende schilderijen en fresco’s waarop geprononceerd naakte jongelingen de homoseksuele wellust aanwakkeren.

Het zou wel een ontluisterende grap zijn indien hier waarheid in schuilt. Onderzoek is lastig: de archieven van het Vaticaan blijven hermetisch achter slot en grendel.

 

Monk
7 april 2019
Foto: Monk

 

 

2 april 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Home

Home

Welkom op deze site!

MonkWise bestaat sinds 2011 en is de opvolger van Goedemorgen!

Opzet was door de jaren heen hetzelfde: een zienswijze geven op actuele ontwikkelingen in politiek en samenleving, afgewisseld met beschouwingen over de werkkring en aanverwante zaken. Soms publiceerde ik gedichten en verhalen. Hieraan werd de categorie Fotografie toegevoegd, ingedeeld naar onderwerpen die mijn permanente belangstelling hebben. Het ervaren en vormen van beelden beschouw ik als in essentie hetzelfde als schrijven.

MonkWise staat voor de opdracht om zelf na te denken over wat om ons heen gebeurt, ons drijft en overkomt. De site  is tevens een uitnodiging aan de lezer om hetzelfde te doen. De teksten willen signaleren, samenvatten,  analyseren, vragen oproepen, irriteren, uitspreken wat wordt verzwegen of verdraaid. Ik verlang niet naar een applaudisserend publiek. Voor discussie heb ik tijd noch energie. Rechtstreeks reageren is om die reden niet mogelijk. Denk zelf na en trek uw conclusies.
Monk is een pseudoniem, afgeleide van mijn eigenlijke naam en verwijzend naar het vrolijke monnikenbestaan dat het creatieve proces oplevert.

Nieuwe berichten worden in eerste instantie geplaatst in de categorie ACTUEEL.
In een later stadium worden ze overgeheveld naar andere categorieën, die hiermee vooral als archief fungeren.

Monk

30 maart 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Bier en Benzine

Bier en Benzine

Amsterdam Noord

Het bezit van een auto wordt in de Randstad door velen afgewezen. Vooral linkse vrienden hebben er moeite mee, soms omdat zij slechte chauffeurs zijn of de ballen verstand hebben van techniek. In Amsterdam rijzen parkeerkosten de pan uit, leiden verkeerscirculaties tot chaos en woedt een stille oorlog tussen de auto en fietsers die op hun beurt geen boodschap hebben aan de voetganger. Uitgerekend hier zetelt het kapitaal van Bernhard Junior, mede eigenaar van het circuit van Zandvoort. Benno II werd namelijk rijk door het opkopen en exploiteren van “pandjes”. Appels vallen zelden ver van de boom.

Onlangs nam het gemeentebestuur van Zandvoort unaniem het besluit om 4 miljoen te steken in  verbetering van de infrastructuur, zeg maar de toegankelijkheid tot het circuit. Onderliggend doel is, om de eenzijdige economie van het dorp op te krikken.
Ook Groen Links stemde in. Wensen en belangen van het Koningshuis legt niemand zomaar naast zich neer.

Het circuit in de duinen werd oorspronkelijk gebouwd op het puin van door de nazi’s vernielde hotels en woningen in de badplaats. Deze moesten wijken voor hele mooie bunkers. Het idee van een circuit werd verkocht onder het mom van een Strassenparade. Overigens werden al voor WO II straatraces voor de elite in het dorp gehouden, dus heel origineel was het idee niet.

De eerste F1 race in Zandvoort werd verreden in 1952. In de jaren 60 vigeerden grote namen in de racerij, als Hill, Clark, Steward en mijn favoriet: Jackie Ickx. Zo’n geweldige naam kun je niet verzinnen. Hoogtijdagen dus, waarin de lucht was vervuld van CO2, fijnstof en ultiem gebrul. De PvdA maakte in 1985 wegens beoogde woningbouw een einde aan het Circus. Lager geclassificeerde races gingen overigens gewoon door.

Bij toeval was ik een keer toeschouwer. Dit moet in 1966 zijn geweest. Mijn ouders wilden naar het strand en kwamen nabij Zandvoort terecht in een verkeersknoop. Zij hadden geen idee wat er aan de hand was. Terwijl vader mopperde en moeder zweeg, genoot ik achterin de Opel. De berm stond immers vol prachtige modellen van autoliefhebbers.
Eenvoudiger was geweest, rechtsomkeert te maken, maar dan kent u de familie Monk niet. Met een pittige vertraging bereikten we alsnog het strand. Vader viel op een handdoek in slaap, moeder las een meegebrachte krant en ik scharrelde richting duinen, aangetrokken door het immense lawaai van racewagens. Met anderen kroop ik door een kapot hek en even later maakte ik deel uit van het feest.

Met de successen van Max Verstappen kon je wachten op de roep het circuit van Zandvoort weer voor de snelste categorie geschikt te maken. Pleitbezorger Benno II verkeert in goed gezelschap van Heineken en Shell. Bier en benzine, wat u zegt. Op tv mocht de Prins zijn wens kenbaar maken om belastinggeld in te zetten. Dit stuit evenwel op het nodige verzet en dus op politieke prudentie. Hoe kun je openlijk enthousiast zijn over de komst van een exclusief elitaire bende die lak heeft aan ieder die  eenvoud, schoonheid en stilte nastreeft?

De koninklijke lobby grossiert in argumenten. De komst van de F1 zou het geld opleveren om de Groene Hobbies van Links te kunnen betalen. Ook is technologische vooruitgang onlosmakelijk verbonden aan het sleutelen van Ferrari en Mercedes. Kwestie is, dat de geldelite van Nederland gewoon een speeltje wil en geld ruikt. De rest is flauwekul. Duurzaamheid en milieu mogen voor de gelegenheid aan het uitlaatgas. Omwonenden die klagen over stank, herrie en verkeersoverlast worden weggezet als linkse jankers. Idioom reflecteert het niveau van de beschaving.

Ik weet het goed gemaakt. De infrastructuur wordt aangepast voor 8 miljoen (ik houd alvast rekening met overschrijding van het budget) om Zandvoort eindelijk bereikbaar te maken. Bernhard Junior betaalt, want hij zwemt in het geld en het circuit is puur commercieel. Een grote parkeerplaats wordt naar hem vernoemd. Er komt jaarlijks een F1, maar uitsluitend voor wagens die elektrisch worden aangedreven. Een wereldprimeur! Dit veroorzaakt aanzienlijk minder lawaai en uitstoot van giftige dampen. Inwoners van Zandvoort mogen gratis komen kijken. Raadslid  Karim el Gebaly van Groen Rechts kan gewoon aanblijven.

Monk
30 maart 2019
Foto: Monk