23 november 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Lekker participeren

Lekker participeren

Amsterdam Noord

Het Sociaal en Cultureel Planbureau smijt een rapport op tafel: de Participatiewet* is mislukt. Dit gedrocht van de centrum rechtse coalitie uit 2014 verordonneert dat iedereen in Nederland die kan werken ook daadwerkelijk aan het werk moet. In politieke termen is dit ingekort tot: iedereen moet werken. VVD staatssecretaris Van Ark komt nu met een aanvullende oekaze: gemeenten worden wettelijk verplicht een tegenprestatie te eisen. Op straffe van boete en terugvordering uiteraard, want Den Haag vertrouwt niemand. Voor liberalen is de mens hebzuchtig tot het tegendeel bewezen is. Dat krijg je wanneer je de eigen achterban als referentie kiest. Is er werkelijk sprake van een mislukking zoals het CPB beweert?

De Participatiewet werd ingevoerd per 1 januari 2015. De naam is slim gekozen, want hij klinkt naar Inclusive en andere gelegenheidspraat. Helaas, het was een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Nederland werd bezocht door een economische crisis die niemand had zien aankomen omdat de coalitie in sprookjes geloofde. De nieuwe wet verving de WWB*, WSW* en Wajong*.

De gemeenten werden belast met de uitvoering, in formele propaganda begeleiding naar regulier werk in de marktgeleide economie. Prachtig! Ondergetekende werkte jaren voor de grootste sociale dienst van Nederland en ondervond 35 jaar geleden al dat 100% tewerkstelling onhaalbaar is, zelfs voor hen die geacht worden te kunnen werken. Nog eind jaren 90 werd dit begrepen en gerespecteerd; niet perse uit humanitaire overwegingen maar op grond van gezond verstand. Je wilt geen ex gedetineerde aan het ziekbed van je moeder en met een sitar hippie kun je leuren tot je een ons weegt.

De gemeentelijke uitvoerder budgettair afknijpen is 1 ding. Het onuitgesproken doel van de wet was evenwel de arbeidsmarkt te destabiliseren met goedkope arbeidskrachten. Werkgevers kregen de kans een goedkope onder dwang gestuurde kracht te verkiezen boven een duurdere met bewezen dienstjaren. Een ruime arbeidsmarkt houdt de lonen lekker laag. Waar je dit combineert met een vereenvoudigd ontslagrecht, afbraak van WW rechten, faciliteren van 0 uren-contracten en valse verwachtingen voor zzp, krijg je de arbeidsmarkt wel kapot. Tegelijk kreeg het UWV de opdracht mee om arbeidsongeschikten hoe dan ook buiten te houden of te werken. Zei ik al, dat de PvdA aan dit alles van harte meewerkte? Nog bedankt Diederik en ik hoop dat je nieuwe baan bij Timmerfrans in Brussel je bevalt!

Gemeenten moeten werklozen, vaak WSW of Wajong, gescheiden en in de put, kansloze ouderen en regelrechte klunzen, een passend aanbod doen. Insiders weten wat de term inhoudt: elk aanbod is passend. Bovendien heeft een doorsnee gemeente slechts zeer beperkte mogelijkheden.

Van het rapport over de Participatiewet trekt Van Ark zich niets aan. Hij heeft nooit drie uur in een wachtkamer van UWV gezeten, laat staan boodschappen bij de Voedselbank gehaald. Conform de VVD opvatting dat alleen rijke mensen deugen, dwingt hij gemeenten tot scherpere controles en uitvoeriger administratie, ofwel repressie en meer van hetzelfde. Over een jaar kan worden vastgesteld dat ook zijn maatregel is mislukt. Tegen die tijd storten overigens wel meer VVD kastelen in langs de route die je kunt berijden met een maximale snelheid van 100 km/u.

Sommige mensen zijn gewoon ongeschikt voor werk, al geef je ze elke dag slaag in plaats van eten. Ze passen gewoon niet in de productie format. Daarbij is krapte op de arbeidsmarkt niet 1 op 1 op te lossen met willekeurige werklozen. Alleen in de liberale droomwereld kan iedereen alles: boeken schrijven, concerten dirigeren, lachend de plee boenen voor een fooi.

Neem van mij aan: gemeenten doen hun best, maar hebben de kennis noch het geld om iedereen aan de slag te krijgen. Het is bovendien allemaal eerder geprobeerd, door uitbesteding aan particuliere graaibureautjes. Met voorspelbare uitkomsten: werklozen die zichzelf ook hadden gered, werden geholpen, moeilijke gevallen leverden niets op en vraten absurde bemiddelingsbedragen.

Bovendien staat de nieuwe oekaze van de staatssecretaris haaks op een essentieel liberaal standpunt: dat van de vrije markt. Eigenlijk stelt Van Ark mij als liberaal zwaar teleur. Van hem had ik een echt radicale uitspraak verwacht, bijvoorbeeld: wie niet meedoet kan verrekken. Om bendevorming en opstand te voorkomen, kun je uitvreters oppakken en in werkkampen dumpen. Is het wat, jongens? Of heeft het recente VVD Festival betere denkbeelden opgeleverd?

De coalitie van VVD, CDA, CU en De-Partij-Die-Niets-Voor-Elkaar-Krijgt is inconsequent waar het gaat over participatie. Met name grote werkgevers ontlopen met steun van Den Haag al decennia een normale belastingaanslag. Voor de F1 van Prins Pand gaan alle remmen los. Het kostte bijna fysiek geweld om Rutte af te brengen van zijn voorstel om de dividendbelasting voor multinationals af te schaffen. Hoezo: participatie?

Inmiddels kunnen we stellen dat de arbeidsmarkt verregaand is ontwricht, dat bedrijven de afgelopen decennia veel meer profiteerden dan werknemers en erger: dat de samenleving doordrenkt is geraakt van denken in termen van competitie, identiteit en egoïsme. Een omslag zal vele jaren vergen en ik vraag me af of de wil ertoe bestaat.
Gefeliciteerd dus, liberale vrienden!

Monk
23 november 2019
Foto: Monk

* WWB = Wet Werk en Bijstand. WSW = Wet Sociale Werkvoorziening. Wajong = Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten.

15 november 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Voltreffer

Voltreffer

Zeventig burgerdoden en nog meer gewonden. Het gebeurde in 2015 door een aanval met een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van Islamitische Staat in Irak.
Een geweldige voltreffer! Nederlandse F-16’s voerden wel 2000 missies uit, waarvan het merendeel bewapend. Nederland stapte maar wat gretig in het conflict met IS, onder instemming van de Kamer.
Hoe komt het trouwens dat burgers nabij een bommenfabriek wonen? Werken ze daar misschien?

Toenmalig Minister Jeanine Hennis-Plasschaert informeerde de Kamer beperkt over de aanval. Inmiddels komt een volgende minister tot een bijeen gehaspeld excuus over dit “verzuim”. Rutte III herinnert zich niets van de zaak. Kan ik me voorstellen: iemand zonder visie zal ook een geheugen ontberen en het speelde alweer 4 jaar geleden. Misschien moeten we het de vroegere versies van Rutte vragen. De premier reflecteert tegenwoordig vaker over zijn desastreuze eerdere kabinetten.

Onze luchtmacht opereerde onder de vlag van een internationale coalitie. De orders kwamen van betreffend hoofdkantoor. Je zou denken dat de militairen uitsluitend verantwoording afleggen aan dit commando, maar het ligt ingewikkelder. Naar een recept dat al eerder fataal uitwerkte in voormalig Joegoslavië, eist de Kamer verantwoording van de regering en bemoeit zich graag overal mee. Toenmalig premier Kok vierde zijn polonaise met de in hun onderbroek uit Srebrenica ontsnapte Dutchbatters en ook de Kamer reageerde verheugd: goed gedaan, jongens en meisjes! Het falen van de missie werd mede veroorzaakt door naïviteit, gierigheid en morele oordelen van Den Haag inclusief de Kamer. Of denkt u dat de militaire leiding van Dutchbat niet begreep dat ze geen enkele serieuze aanval kon weerstaan? Couzy en Karremans wisten maar al te goed door wie ze waren gestuurd maar stelden zich op zoals Defensie betaamt: de dood of de violen.

Nederland neemt graag deel aan militaire missies in den vreemde. Staat goed op de internationale CV waarvan figuren als De Hoop Scheffer profiteerden. Deze missies vinden altijd plaats onder de paraplu van een groter geheel: NATO, VN of een andere coalitie. Er wordt een opperbevel aangesteld en uitvoering vindt plaats onder bepaalde wetten en normen. Evaluatie en eventuele sancties ten aanzien van betrokken militairen liggen bij dit opperbevel. Wat kan ervan terechtkomen als elke bijdragende natie de uitvoering kan oordelen of zelfs interveniëren? Begin er dan niet aan.

Het probleem aan oorlogvoeren, is dat hierbij nu eenmaal doden en gewonden vallen onder burgers die in de weg lopen. Oorlog mag ver van ons bed plaatsvinden – het blijft een smerig bedrijf. Den Haag inclusief delen van de Kamer volharden evenwel in hun droomwens van een schone oorlog. In 2010 zagen we Groen Links akkoord gaan met een missie in Uruzgan, Afghanistan. Deze moest beperkt blijven tot een politietrainingsmissie. Stel het u zich voor: kogels vliegen je om de oren, bermbommen blazen je auto van de weg, een geïnfiltreerde Taliban blaast zich op in de kantine. Nog te zwijgen van de manier waarop ook de politie in oorlogsgebied arrestanten behandelt, al is het maar uit lijfsbehoud. Groen Links dacht kennelijk aan het uitdelen van parkeerbonnen, iets waar bolwerk Amsterdam inderdaad een expert in is.

Liegen tegen de Kamer is een politieke doodzonde. Terecht. Alleen moet duidelijk zijn waarover je vragen mag stellen en wat geheim moet blijven. Onder druk van moraliserende partijen als GL en SP slaat minister Bijleveld dan ook de verkeerde weg in door meer toekomstige transparantie toe te zeggen. Wanneer je besluit tot militaire deelname in een conflict, behoort de verantwoordelijkheid bij het militair commando te liggen en is politieke zwijgzaamheid om meerdere redenen geboden. Minstens zolang de missie gaande is. De Raad van State oordeelde in 2018 terecht in deze zin. Achteraf mag de Kamer de regering aanspreken op de condities van deelname. En eventueel de laan uitsturen.

Tot de F-16 piloot die de IS autobommenfabriek raakte, wil ik zeggen: sterkte met uw gemengde gevoelens wegens de burgerdoden, maar uw actie was perfect en redde zonder twijfel (andere) levens.
Mijn plaatsvervangend excuus voor het Haagse gereutel hierover.

Monk
15 november 2019
Foto: Monk

25 oktober 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor BENELIGA

BENELIGA

Brussel, Atomium

Voorzitter Verhaeghe van Club Brugge spreekt zich in de Franse krant Le Monde positief uit over het opzetten van Beneliga, een grensoverschrijdende competitie van Belgische en Nederlandse prof clubs. De Eredivisie en Jupiler Pro League smelten in deze visie samen.

Zou het een verrijking zijn, wanneer we voortaan in competitieverband wedstrijden zien van Ajax, PSV, AZ en Feyenoord tegen Anderlecht, Brugge, Gent en Brugge, in plaats van strijd met en tussen clubs die jaar na jaar aankijken tegen degradatie of een kansloze terugkeer meemaken?
Waarom moeten spelers die ver boven de nationale middelmaat uitstijgen hun dure benen riskeren tegen houthakkers? Hoe kan je meekomen met de Europese elite waar om de andere week tegen een prutselftal moet worden aangetreden?

Verhaeghe is niet de eerste die de kwestie aanroert en hij zal evenmin de laatste zijn. Al in de jaren 90 legde Michael Verschueren (Anderlecht) het idee op tafel. In 2013 sprak Standard Luik voorzitter Duchatelet zich in gelijke zin uit en 4 jaar later was de beurt aan voorzitter De Witte van KAA Gent. De Belgen zien duidelijk meer in het idee dan de Nederlanders.

De KNVB, koepel boven de Nederlandse clubs, houdt de boot af en komt niet veel verder dan een obligaat willen nadenken over de geesten rijp maken voor een interessant idee.
Liever wil men sleutelen aan de bestaande competitie, bijvoorbeeld met een paar clubs minder en dan vaker tegen elkaar spelen. Feit blijft, dat de voorraad goede elftallen beperkt is en de voorspelbaarheid toeneemt waar men de tegenstander beter kent.

Het idee van een gemengd Nederlandse en Belgische competitie op het hoogste niveau is prikkelend. Afstanden kunnen nauwelijks een rol spelen. Nederland en België samen vormen zoiets als de deelstaat Beieren in Duitsland. FC Bayern speelt om de week buiten de poort: in Hamburg, Frankfurt of Berlijn. Taalproblemen zijn beperkt: behalve Standard komen de Belgische topclubs uit het Vlaamse taalgebied. Daarbij zijn de clubs zelf allang internationaal opererende huurlingenlegers. Krachtsverschil speelt hooguit numeriek een rol: Gent, Anderlecht en Brugge zijn waardige tegenstanders voor de Nederlandse elite.

Wat weerhoudt de KNVB in het voorstel mee te gaan? Is het nostalgie, provincialisme van de vaste aanhang, de pretentie dat het nieuwe seizoen een totale verrassing kan brengen? Gaat het om behoud van eigen status en invloed? Er is veel vaagheid rond de overwegingen van de KNVB.

Op de door Verhaeghe voorgestelde verhouding van 10 Nederlandse en 8 Belgische clubs valt iets af te dingen. De getalsverhouding lijkt ingegeven door de omvang van beide landen. De werkelijkheid is ingewikkelder. Kijken we naar begrotingen en de capaciteit van stadions, dan ligt de verhouding al anders ofwel slaat de balans dieper door in het voordeel van Nederland.
Niet alleen rijzen PSV, Ajax en Feyenoord ver boven alle Belgische clubmogelijkheden uit, ook landelijk zijn de Nederlandse voorzieningen beter: het moderne stadion van Twente is even groot als dat van Brugge en Standard. Het woord fusie verhult de soort gelijkwaardigheid waarmee in 1990 de Bondsrepubliek de DDR inlijfde. Anders gezegd: fusie gaat Nederland een bak geld kosten omdat de Belgen achterstallig onderhoud hebben.

Op basis van begroting, faciliteiten en internationale prestaties in pak weg de afgelopen 10 jaar kom ik tot een Beneliga van 12 waardige clubs. Van Nederlandse zijde Ajax, PSV, Feyenoord, AZ, Vitesse, Heerenveen en Utrecht. Van Belgische kant Anderlecht, Brugge, Gent, Standard Luik en Genk. Om een gezamenlijke competitie te vormen, kunnen hier 4 of 6 middenmoters bij. Alles bijeen ongetwijfeld een kwalitatieve impuls, maar is dit voldoende reden om de bestaande structuur overhoop te halen?

Ook zonder fusie is er genoeg werk aan de winkel voor de KNVB: matchfixing en belastingfraude, noodlijdende clubs, buitenlandse eigenaren met duistere inkomsten, sponsoring. De vraag of we elke week een carrousel van topclubs willen aanschouwen, moet goed overdacht worden. Cruijff zei ooit: voetbal is een spel van fouten, wie de minste fouten maakt wint. Dit geldt evenzeer voor de manier waarop je dit spel aan publiek wilt tonen. Het publiek ontvangt wellicht liever thuis een zwakke streekgenoot dan te moeten afreizen naar een naburige BeNeLiga club om daar een duel met een Belgische tegenstander te aanschouwen. Voetbal is vanuit publieksstandpunt immers een volkssport, een kwestie van beleving dicht bij huis.

Monk
25 oktober 2019
Foto: Monk

17 oktober 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Buigen voor de Boer II

Buigen voor de Boer II

Beemster

Voor de tweede keer in korte tijd zijn boeren massaal opgetrokken naar Den Haag. Verboden negerend en blokkades doorbrekend, lieten zij zich andermaal horen. Zelfs het leger werd ingezet om hen tegen te houden. Vergeefs, moderne tractoren zijn mastodonten. Ik wist overigens niet dat we nog een leger hadden.

Inhoudelijk is het geschil duidelijk, al dreigen de boeren zich te verliezen in metingen en getallen, cijfers en percentages. Dit is een oude truc van machthebbers.
Met name de intensieve veeteelt stoot teveel stikstof uit en dit bedreigt de natuur. De veeteelt is een forse vervuiler, dat ruikt iedereen die langs een varkenshouderij fietst.
Het is bovendien niet het enige probleem dat de landbouw (waarvan veeteelt een onderdeel is) veroorzaakt.

De uitstoot is al sinds jaar en dag bekend is, maar werd zelden aan de orde gesteld. Een uitspraak van de Raad van State veranderde dit. Dientengevolge werd de uitgifte van vergunningen voor de bouw (waar ook stikstof vrijkomt) van huizen, kantoren, bruggen en wegen stilgelegd. Ofwel: pas toen andere sectoren last ondervonden, kwam de kwestie op de agenda. Demagogen 66, de partij die niets voor elkaar krijgt, was enige jaren terug nog voorstander voor uitbreiding van de veeteelt. Nu roept zij om halvering van de veestapel. Plannen om boeren langs natuurgebieden snel uit te kopen rollen over tafel. Boeren denken niet in termen van maanden. Ze zijn vergroeid met hun bedrijf en hun schuldenlast bij de Bank is berekend op decennia van aflossing.

Het boerenprotest dreigt te verzanden in rekenmodellen en verwijten, in ruzie tussen Den Haag, de provincies en gemeenten (deregulatie & bezuiniging door Balkenende en Rutte), straks tussen boeren en burgers die last ondervinden van tractor files. Iedereen ruzie: leuk voor De Telegraaf en RTL. Hoe dan ook rammelt het kabinet, met zoveel christelijk electoraat in de gelederen.
De discussie zou meer moeten gaan over de vertrouwensbreuk die steeds breder en dieper aan het licht komt tussen politiek en bevolking, tussen stad en platteland. De groene gebieden van Groningen bijvoorbeeld werden decennia door Den Haag in de zeik genomen met schadevergoeding wegens aardbevingen door gaswinning. Ingeval dit de Amsterdamse grachtengordel overkwam, was de politieke reactie totaal anders.
De discussie zou ook meer moeten gaan over Grenzen Aan De Groei. Dit gaat niet snel gebeuren, omdat hiermee de rechtvaardiging van het liberale groeimodel aan de orde komt. Een ideologie in haar nadagen kan zomaar instorten.

Prinsjesdag, met koninklijk vertoon en positief gekwek over hoe iedereen profiteert, ligt nog geen maand achter ons, of dit beeld is verschrompeld tot een zorgpakket van de eerste orde. De huizenmarkt zit muurvast, het land verdroogt en verzilt, pensioenkortingen staan voor de deur. De medische zorg hapert onder bezuiniging, wanbeleid en personeelstekorten nadat eerder duizenden uit de sector zijn ontslagen. Voor de klas staan bejaarden of helemaal niemand meer. Huurders betalen de belasting, door Den Haag opgelegd aan de geprivatiseerde corporaties. Hoeveel moeite kostte het om de afschaffing van toch al geringe dividendbelasting voor multinationals af te wenden?

Mensen zijn niet gek: wat kan de gewone aardappeleter anders denken dan dat er een beweging gaande is waarbij de rijken rijker en de armen armer worden, de neuzelpraat over inclusiviteit in de praktijk neerkomt op scheiding en uitsluiting, het hoger onderwijs verschraalt tot een stoomcursus economie en het platteland weinig meer is dan een achtergrondkoortje van Orkest Den Haag?

Monk
17 oktober 2019
Foto: Monk

2 oktober 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Buigen voor de Boer

Buigen voor de Boer

Beemster

De controverse tussen boer en stedeling, platteland en de stad, tekent zich scherper af dan tevoren. In een versplinterde, op leven en dood concurrente wereld, zal deze eerder toe- dan afnemen. Of misschien ook niet: we kunnen ook wachten tot alle echte boeren zijn vervangen door managers van beursgenoteerde voedselconcerns die beschikken over het bouwland, de veestapels en boomgaarden, de logistiek en de verkoop aan klanten. Hier wordt druk aan gewerkt.

Vergroeiend met een bescheiden akkerbouwbedrijf in de jaren 60 van de vorige eeuw, voelde ik al snel de kloof tussen stad en platteland. In de schappen van de groenteboer golden volstrekt andere prijzen dan vader mocht incasseren van de Veiling, op slechts een paar kilometer afstand. De verschillen lieten zich moeilijk uitleggen, laat staan waarderen. Menige oogst draaide door bij de Veiling, waarmee werd bedoeld dat de teler een nederige vergoeding kreeg – waarna de producten werden vernietigd.

Indrukwekkend en intimiderend was het protest van duizenden agrariërs in Den Haag tegen een populistische uitspraak van D’66 (de Partij die niets voor elkaar krijgt). Halvering van de Nederlandse veestapel! Waarom komen zoveel onafhankelijke ondernemers bijeen op uren afstand rijden van hof en have? De verkiezingskreet van de Democraten viel terecht verkeerd in Holten en Pingjum. Voor boeren is D’66 een stadse yuppenpartij die zichzelf graag progressief noemt en intussen voluit meeregeert met de rechtse coalitie die andere grote vervuilers (wat boeren ook zijn) ongemoeid laat. Denk aan Schiphol, de Rotterdamse Haven, de sleep vrachtdiesels op de weg, Ymuiden en het Sloegebied.
Tegen industrie en transport durven de neoliberalen niet op te treden. Boeren, die toch niet van hun onderneming weg kunnen, zijn makkelijker aan te pakken. Tot zover de theorie.
Tractoren reden dwars door de hekken van het gereserveerde Haagse grasveldje. De door hen veroorzaakte files overtroffen alle voorgaande in de vaderlandse verkeersgeschiedenis. Politici haastten zich een slaatje uit de situatie te slaan met mooie praatjes op de bühne.

Columnist Van Roosmalen verwoordt in NRC* ongewild het genoemde onbegrip, om niet te zeggen de afkeer van de stadsbewoner voor de boer. Alleen het woord boer al! Waarbij ik noteer, dat voor de stedeling elke agrariër boer is, wat op het platteland veel subtieler ligt. Daar staat boer voor veeteler. Een akkerbouwer noemt zichzelf geen boer, laat staan dat een fruitteler of kassenhouder dit doet.

Roosmalen meesmuilt over het boerenprotest. Hij verbindt de protesterende boeren gemakzuchtig met Wilders en Baudet. Bravo! Dat de meeste agrariërs traditioneel vooral op het CDA stemmen, zal hem zijn ontgaan. Net als het feit dat de agrariërs protesteren tegen aanhoudende kostbare regelwijziging plus een gebrek aan politieke visie op de sector. Boeren werken niet voor volgende week, maar voor 10 of 20 jaar.

Roosmalen bevordert met zijn opmerkingen het populisme en bevestigt wat ik al jaren beweer: de gevestigde politiek kweekt haar eigen vijanden. De columnist mag zelf eens op een stoel gaan zitten waaronder de poten willekeurig worden afgezaagd, ondergaan hoe grote (opgelegde) investeringen wegens veranderde politieke windrichting tot niets dan schulden leiden en hij mag voortaan slechts de helft van alle dierlijke producten die hij gewoon is te nuttigen, op zijn bord scheppen. Of anders een week meedraaien op een veehouderij, in z’n eentje een stal met 150 melkkoeien in stand houden omdat er geen geld is voor personeel. Veel stedelingen hebben geen notie van wat voor hun voedselproductie nodig is en erger: het interesseert hen geen bal. Tot de schappen in de winkel leeg blijven.

Roosmalen mist de kern van de onvrede: het al decennia ervaren dedain van de Randstad tegen het platteland waarin boeren worden weggezet als conservatief zo niet halfgaar, geslepen in hun samenzwering tegen de beschaving. Ik heb uit eigen beweging een vriendelijk dier voor hem uitgezocht, om te leren melken. Succes ermee!

Monk
2 oktober 2019
Foto: Monk

* Marcel van Roosmalen: Buigen voor boeren, NRC 2 oktober 2019

16 september 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Dorre grond en slechte bomen

Dorre grond en slechte bomen

Beemster

Waarschijnlijk heb ik nooit geloofd aan God. Alleen al het feit dat niemand mij ooit kon uitleggen, laat staan overtuigen van wat hieronder wordt verstaan, wijst in deze richting. Als toekomstige asperger nam ik daarbij de zaken voor letterlijk. Onder de hemel verstond ik het oneindige Niets, in de nacht slecht verlicht door de maan en sterren: indrukwekkend, maar niet mystiek. Over de hel werd nooit serieus gesproken; dit was meer iets voor gereformeerden die hun kinderen ongrijpbare angst wilden aanjagen.

Voor een kind zijn geloof en kerk hetzelfde. Voor mij dan toch. Het verplicht bidden voor maaltijden en het slapen gaan ergerde me al vroeg. Je moest dan je ogen sluiten, maar uiteraard loerde ik geregeld om me heen. Het gezicht van Vader bleef tijdens de stilteminuut staan in de stand waarmee hij de ogen had gesloten: een soms vreemde grimas. Moeder leek juist weg te zinken in een diepe staat van afwezigheid. Zij had het ongetwijfeld goed kunnen vinden met de toenmalige Koningin Juliana. Helaas kenden wij de familie niet, anders waren we financieel beter af geraakt. Na de ouderlijke stilte moesten wij kinderen hardop een kort gebed uitspreken. Dit was vanwege de controle door Moeder of je er niet gemakzuchtig vanaf probeerde te komen.

Op zekere leeftijd (8 of 10 jaar, ik ben het kwijt) werd ik naar de Zondagsschool gestuurd, enige kilometers verderop, in de schaduw van het eigenlijke kerkgebouw. In de ambtswoning hield de kostersvrouw een soort mini kerkdienst voor kinderen. De verhalen uit het Oude Testament vond ik wel interessant: ze voerden naar tijden en streken die ik veel later als student geschiedenis herkende in het Egypte van de farao’s. Maar we moesten ook bidden en zingen. Daarbij zat er geen enkel vriendje van mij in het klasje sukkelaars dat op school niet kon tippen aan mijn cijfers. De kostersvrouw kon geen orde houden en schreeuwde soms. Ik kreeg een hekel aan haar rood aangelopen hoofd.

Mijn ouders gingen in die dagen weinig ter kerke, waarschijnlijk omdat Moeder geen zin had in de fietstocht. Dit zou in 1966 veranderen met de aanschaf van een auto. Ik verdenk haar ervan, dat zij op voorhand een intensievere kerkgang afdwong. Als doorgewinterde huismus had zij namelijk liever een nieuwe breimachine of een goed fornuis gekozen. Tegelijk speelde de uitbreiding van het akkerbouwbedrijf. Grootvader werd 65 jaar en stopte zijn boerderij. Het land behoorde aan de kerk en Vader moest nederig verzoeken de pacht over te mogen nemen. Dit werd toegestaan, mogelijk in ruil voor een meer reguliere kerkgang. Hoe dan ook zaten we vaker onder een galmend orgel.

Moeder gaf ons thuis twee muntstukjes mee, die we in de kerk moesten inleveren: een dubbeltje voor de collectezak (diaconie?) en een kwartje op de brede zilveren schaal die bij uitgang van de Kerk werd bewaakt door de dominee. Geloven deed ik steeds minder, als dit nog mogelijk was. Niet alleen bidden stond me tegen, maar ook de traagheid waarmee het orgel de zingende burgerij door de gezangen en psalmen moest sleuren. Waren die mensen achterlijk of zo? Geregeld probeerde ik me af te sluiten om te bedenken wat ik in de middag zou gaan doen, eindelijk verlost van plichtplegingen.

In het najaar van 1966 verscheen op een middag dominee in de schoolklas van de plaatselijke middelbare school. Onder kennelijke goedkeuring van de directeur rekruteerde hij openlijk kinderen voor zogenaamde catechisatie, godsdienstonderwijs. Voor de zekerheid waren er brieven naar de ouders verstuurd en u begrijpt wat dit voor ondergetekende betekende. Mijn hoop was even gericht op Vader om het onheil van vernedering en tijdverlies af te wenden. Helaas: Vader had zoals gezegd juist het huurland van Grootvader overgenomen. Hij keek me kort aan en offerde mij op: je moest er maar naartoe gaan. Mijn afkeer begon de kracht van haat aan te nemen.

In een van de volgende dagen of weken lag ik in het donker na te denken over de kwestie. Vanuit mijn bed kon ik, het gordijn een stukje opzij schuivend, de zwarte hemel inkijken. Ooit heb ik gedacht dat er een soort vergiet over de nachtelijke aarde heen lag, waar het zonlicht via kleine openingen doorheen drong. Een onwetende verklaring, maar minder absurd dan geloof aan een Schepper in de Hoge Hemelen. Ik ging op mijn rug liggen, gooide de deken van me af en prevelde dat, als God bestond, Hij me kon komen halen omdat ik niet in Hem geloofde en Hem vooral zat was. Drift is een belangrijke drijfkracht. Bliksems of een aardbeving bleven uit en ik trok de deken weer over me heen.
De eerstvolgende les catechisatie bleef ik weg om nooit meer terug te komen. Tot mijn verrassing volgden er geen sancties, zelfs niet van Moeder die er toch van geweten moet hebben.

Meer dan een halve eeuw later denk ik nog hetzelfde over God en Zijn entourage. Mogelijk had een geloof op basis van alleen het Oude Testament bij mij een kans gekregen. Dit vanwege de hardvochtige en daarmee in mijn ogen waarschijnlijke verhalen. Maar het Jezus gezwatel was op voorhand kansloos bij een jongen die alle morele vragen zelf moest oplossen, meestal tegen de druk van huis, kerk en school in. Op een dorre bodem groeien de bomen slecht, maar er zijn ook slechte bomen die op zelfs goede grond niet aanslaan.

Monk
16 september 2019
Foto: Monk

1 september 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Verbeelding

Verbeelding

Eben Emael (B)

Als kind mocht ik eens rondkijken in oorlogsmuseum Overloon. Wat me bijbleef, was de brute kracht die een vernielde tank uitstraalde. Routes, wederwaardigheden en oproepen tot vreedzaam gedrag gingen aan mij voorbij. Het enige dat me boeide, was die massieve mastodont op rupsbanden en het onverschillige geweld dat ervan uitging. Zou het overbrengen van deze simpele boodschap niet het doel moeten zijn van ieder museum dat aan oorlog refereert?

WO II bood het meest verwoestende strijdtoneel ooit. In Europa ging het om het innemen van Lebensraum en het plunderen van overwonnen volkeren, met als dieptepunt de genocide tegen de Joden en het voornemen om Oost Europese volkeren het lot van werkslaven te bezorgen. Een uitbraak van wangedrag die uiteindelijk werd gekeerd door even bruut geweld om de indringers te verdrijven en de oude orde te herstellen.

Europese musea die WO II presenteren (en dat zijn er nogal wat) tonen gewoonlijk voorwerpen en materieel dat na de oorlog achterbleef, bij voorkeur uitgestald op een historisch relevante plek: in een fort, een stad in de vuurlinie, een concentratiekamp. Fascisme wordt steevast voorgesteld als de ultieme vijand van de vrijheid. Terecht, al denk ik dat dit geldt voor alle totalitaire regiems, fascistisch, nationalistisch, communistisch, allemaal beroerd voor een prettig leven.
Het nazibewind voorstellen als exclusief stereotype van het Kwaad, verwordt met het verstrijken van de tijd al te gemakkelijk tot het excuseren of zelfs liefdevol omarmen van andere ideologieën (liberalisme) die in de uitwerking mogelijk even pervers zijn.

Laat je onderdompelen in de geheime en vernieuwende Duitse plannen voor de aanval op het fort! Volg de gids door het labyrint van onderaardse gangen naar de commandopost en een artilleriebunker. Aanschouw de desastreuze gevolgen van een nieuw type explosief, gebruikt voor de eerste maal in de militaire wereldgeschiedenis.
Aldus de tekst van museum Fort Eben–Emael, net over de Belgische grens. Oorlog als uitdaging en entertainment: lekker griezelen in het onderaardse. We schakelen zelfs even de verlichting helemaal uit om echte duisternis te bieden. Een andere knop laat het kanongebulder horen dat de manschappen teisterde. Deze zijn trouwens te bezichtigen in opstellingen die in een hedendaagse reclame absoluut bekijks zouden trekken: levensgrote poppen achter communicatie apparatuur (Media Markt?), in de cockpit van een zweefvliegtuig (Paragliding Holland?) en rond het bed van een gewonde soldaat (Achmea/Zilveren Kruis?).

Oorlogsmuseum Eyewitness in Beek (L) gaat een stapje verder.
August Segel was soldaat van het Eerste FS regiment dat later deels overging in de Herman Göring Divisie. Door de oorlog heen heeft hij op vele verschillende fronten gediend. (-) Daarna is hij in Rusland ingezet, waar hij wonderwel levend uit is gekomen. Vervolgens heeft hij nog gediend in Normandië en België. Tot slot heeft August de laatste dagen van WO II in Berlijn doorgebracht (-).
Onze August sleept ons door de hele canon van WO II. Hij vriest niet dood, kermt evenmin gewond om zijn moeder, verkracht geen meisjes in de Oekraïne. Domme August is een beste jongen, net als wij allemaal.

Het War Heritage Institute in Brussel heeft het dezer dagen druk met België 75 jaar Bevrijd.
Een meeslepende opstelling met meer dan 2000 collectiestukken op 3000m2 dompelt je onder in deze turbulente periode. Voorwerpen, getuigenissen, filmfragmenten en archiefstukken confronteren je met de vraag Welke keuzes maak jij oog in oog met de geschiedenis?
Nou, daar wil ik even over nadenken… U weet hoe het werkt in de massapsychologie van de media: niet het slachtoffer maar de dader wordt interessant gevonden. Dit had de schrijver Laurent Binet in zijn boek (een intellectuele ideeënroman) HhhH (Himmlers hersenen heten Heydrich) ook al bedacht. Postmoderne zelfreflectie! Spelenderwijs worden wij gevoerd door de highlights van Opkomst en Ondergang van het Derde Rijk!

NRC durft de verfilming van HhhH te vergelijken met de documentaire Shoah van Claude Lanzmann. Een ware gotspe! Lanzmann imponeert en deprimeert met echte ooggetuigen, slachtoffers en daders, brokkelige restanten van vuile moordplekken, sluwe vragen en even droge als onthullende verklaringen. Binet leutert maar wat raak om zijn boek inclusief de voorgebakken verfilming in de etalage te zetten.
In de heersende liberale ideologie heeft Binet groot gelijk, want hier geldt: als het verkoopt, is het goed. Een typisch voorbeeld van systeemgeweld dat Goebbels zeer had aangesproken.

Een museum overleeft vandaag alleen bij gratie van een interactieve opzet, zo heet het. Dat komt door de bewust ingevoerde marktwerking voor musea. Bezoekers moeten alles kunnen aanraken, hun kennis via leuke vragenlijstjes meten in een score, selfies maken en deze delen via Instagram (kijk mij eens lekker belangrijk zijn).
Er zijn al berichten dat je in Polen een dagje KZ gevangene kunt beleven, in een gehuurd streepjespak, met bewakers die je afblaffen. Hoe ziek wil je het hebben?

Gelukkig dus, dat de rondgang in Fort Eben-Emael meer dan 2 volle uren duurt, in het halfdonker bij krap 10 graden, begeleid door een ex beroepsmilitair die terloops meldt dat de arme Belgische soldaten die het onneembaar geachte Fort binnen anderhalf etmaal moesten opgeven, tot aan hun pensioen werden beschimpt om hun veronderstelde lafheid.
Dit is namelijk wat oorlog voortbrengt: vernedering, verlies, ziekte, dood en vernieling. Eigenlijk zou elke bezoeker een pak slaag moeten krijgen om zijn beleving nooit te vergeten.

Monk
1 september 2019
Foto: Monk

19 augustus 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Het Schip der Woestijn

Het Schip der Woestijn

Er ligt een nieuw akkoord over migratie naar Europa: Frontex wordt versterkt en er komen gesloten opvangcentra in Afrika en op Zuid Europese bodem. Vanuit deze kampementen worden toegelaten asielzoekers verdeeld over EU landen die hen willen opvangen. Wat moet gebeuren met afgewezen klanten blijft ongewis. Dat zijn pas resultaten.

De afspraak kwam tot stand onder druk van Italië. Met name Salvini, minister van Binnenlandse Zaken, blokkeert elke EU regelgeving zolang er niets over migranten is afgesproken. Deze houding wordt steevast keihard genoemd, alsof de EU niet jaren de tijd kreeg om adequaat migratiebeleid te maken. Dat in de media permanent van vluchtelingen en noodsituatie wordt gesproken, is even tendentieus.

Het akkoord is feitelijk een bekrachtiging/verscherping van Operatie Sophia, de in 2015 gestarte EU poging om overzeese migratieroutes op te sporen en te frustreren. Dit project kreeg veel kritiek omdat zij mensensmokkel juist zou bevorderen (veerdienst Europa). Migranten en lokale bendes weten dat EU schepen slechts 20 kilometer van de kust patrouilleren: even bellen met een Duitse kapitein. De kritiek veranderde weinig aan Sophia, getolereerde NGO schepen of de zwakte van Frontex.

Angela Merkel, de al bijna afgeschreven leider van de meest begeerde EU lidstaat, drong eveneens aan op een akkoord, zij het wegens de notie dat falend migratiebeleid de EU kan opblazen. Zij blijkt evenwel weinig te hebben opgestoken van de migratiecrisis in 2015. Destijds bewoog zich een onafzienbare optocht van Afrikanen en Arabieren over de Balkan richting het beloofde land. Onderweg doorkruiste veilige landen werden niet interessant genoeg bevonden om neer te strijken.
Merkel, persoonlijk medeverantwoordelijk voor de aanzwellende stroom, vreesde dat stagnatie tot een nieuwe Balkanoorlog kon leiden. Zij garandeerde toegang tot Duitsland en werkte (met Rutte) tegelijk de zogenaamde Turkije Deal uit. Haar grondhouding bleef onveranderd: Wir schaffen das.

Het nieuwe verdrag toont, dat de EU nog altijd onmachtig is om eenduidig, laat staan krachtig beleid te voeren. Alleen al de subtiele toevoeging landen die hen willen opvangen is een concessie aan bepaalde Oostblok staten. Merkel interpreteert, dat de EU meer migranten wil opnemen en hiertoe actiever op de Middellandse Zee zal worden ingezet. Bij Seawatch, AzG en Open Arms kan een flesje worden opengetrokken. Tegenstanders, onder aanvoering van Salvini, lezen in de tekst dat migranten voortaan in gesloten kampen verdwijnen waar hun lot onzeker en weinig aangenaam zal zijn. De werkelijkheid is, dat Europa lek blijft als een zeef en dat hierdoor het populisme aan kracht wint.

NGO’s beroepen zich op het Zeerecht om hun reddingsoperaties te rechtvaardigen. Onveranderd lossen zij hun vrachtje in de meest nabije Europese haven. Ongeacht hoe je over migratie denkt, lijkt mij deze redenering laakbaar. De plicht om drenkelingen op te pikken, komt voort uit het eeuwenoude besef dat je drenkelingen van in nood geraakte schepen moet helpen. Dit lot kan immers elke zeevarende treffen. Gedacht werd destijds aan noodweer, ongelukken en oorlogsgeweld – niet aan ondersteuning van een door mensensmokkelaars opgezette veerdienst tussen Afrika en Europa.

NGO’s vergeten graag, dat het gros van de migranten afkomstig is uit delen van Afrika waaruit men zonder acute levensbedreiging is vertrokken. Het negatieve reisadvies is vooraf bekend: In Afrika hebben de mensen ook mobieltjes. Je hoort NGO’s ook nimmer over de aantallen migranten die nog staan te popelen en welke effecten massale toelating op Europa zullen hebben. Met de toenemende verdroging van grote gebieden zal deze druk alleen maar toenemen.

Tegelijk hebben de EU regeringen en Brussel boter op het hoofd. Zo wordt zelden openlijk kritiek geleverd op schatrijke oliestaten in het Midden Oosten, die de deur op slot houden. De toevoer naar Europa van olie en gas wordt belangrijker gevonden.

Merkel heeft gelijk te denken, dat het EU project op migratie kan stranden. Zowel binnen Duitsland als in alle andere EU landen neemt het verzet tegen opgedrongen import toe en leidt het tot toename van obscuur nationalisme. Rechtse leiders spreken van omvolking: de blanke en christelijke Europeaan moet plaatsmaken voor islamitische import. Het is een term uit de tijden van Mussolini en zijn Duitse tovenaarsleerling. De linkse en christelijke elites willen evenwel hun hoge morele principes ophouden en hebben lak aan wat beschouwd wordt als volkse sentimenten. Multinationals zien in de toestroom nieuwe consumenten en ongeorganiseerde arbeidskrachten. Zij gaan de integratie bovendien toch niet betalen.

Met enig pessimisme kun je stellen: bedtime for democracy. In verscheidene landen is dit al enigszins het geval: Poetin, Trump, Erdogan, Bolsonaro en Orbàn zijn allesbehalve democraten. De rechtsstaat wordt opgerekt, vrije nieuwsgaring gefrustreerd, straatprotest uiteen geslagen en knollen worden voor citroenen verkocht. Democratie heeft in toenemende mate de neiging te werken als een monsterverbond tussen een brutale elite en conservatief stemvee.

De enige hoop, als je het zo mag noemen, is dat met de opmars van bruine krachten de aantrekkingskracht van Europa zal afnemen. Dan kun je immers net zo goed in Soedan of Afghanistan blijven. Iets niet oplossen, biedt ook een oplossing.

Monk
19 augustus 2019

11 juli 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Stressdebat

Stressdebat

Amsterdam CS

Op elke zeven werknemers belandt er eentje in een burnout. Men raakt de kluts kwijt, is aan het eind van zijn /haar Latijn, de wereld stort in.  Maar ook studenten en zzp-ers branden af. Verzet tegen de ontregeling is zinloos en verergert de mentale toestand, niet zelden voortgezet in fysieke kwalen. Anders dan bij gebroken benen of zelfs kanker wordt stress als oorzaak van uitval nauwelijks erkend en dan nog voornamelijk vanwege het kostenplaatje voor de economie. Wat te doen?

Naar aanleiding van alarmerende berichten hierover, organiseerde Omroep MAX een Nationaal Stressdebat. Nogal een pretentie, die dan ook allesbehalve werd waargemaakt. Vertegenwoordigers van de geraakte categorie alsmede zelfbenoemde stress coaches mochten hun zegje doen. Presentatoren Ellis de Bruine en ADHD Cees Grimbergen lieten uitvallers de verschijnselen toelichten en concludeerden met de nodige instemming dat de jongere generatie teveel wil, elkaar opdrijft, perfectionistisch is en tegelijk van huis uit minder gewend aan tegenslag. Coaches kwamen met hun gebruikelijke remedies aanzetten: klankschalen, knuffeldieren, mind resetten, voedseladviezen en sportactiviteiten. Waar geld rolt, verschijnt Beun de Haas. De stijl is assertief, om niet te zeggen agressief.

De (ook bij MAX) algemeen gedragen opvatting is, dat stress een individueel probleem is en neerkomt op onvermogen paal en perk te stellen aan overlading (in studie of arbeid). Coaches willen hier inzicht in verschaffen en tegelijk een zo snel mogelijke hervatting van het geleefde leven. Ambitie en competitie worden als uitgangspunten niet gekritiseerd. De maatschappij wordt aanvaard zoals deze is. Een gemakzuchtige houding, als u het mij vraagt. Stress is een maatschappelijke kwaal, minstens deels veroorzaakt door krachten buiten het individu.

MAX toont geen patronen of drijvende krachten in de maatschappij. Je hoeft evenwel maar een weekje berichten bijeen te sprokkelen en je ontdekt hoe het werkt. Het neoliberale adagium is, dat markteconomie en marktmaatschappij hetzelfde zijn. De mens is rationeel en wordt gedreven door eigenbelang. Hiermee bevordert hij (zij) niet alleen het eigen welzijn, maar ook dat van de maatschappij als geheel. In dit wereldbeeld wordt niet gedroomd maar gehandeld. De rechtse politiek steunt massale deelname in productie en consumptie, in een steeds hoger tempo. Wie niet mee kan, heeft dit aan zichzelf te danken. Wie niet wil, krijgt straf.

Niet alleen het bedrijfsleven, maar ook de overheid maakt overeenkomstige keuzen. Universiteiten worden gedwongen geld over te hevelen van gedragswetenschappen en cultuur (literatuur, beeldende kunst, muziek) naar exacte vakken: ofwel naar datgene wat de economie (de bestaande geldorde) dicteert. De studiefabrieken zouden, in lijn met de marktwerking, het liefste de Nederlandse taal opheffen en Engels als voertaal invoeren. Zo kunnen meer (betalende) buitenlandse klanten worden binnengehaald. Aan cynisme overigens geen gebrek: studenten betalen hieraan in toenemende mate mee. Geen afgebrande student die straks nog naar een psycholoog kan en als er een te vinden is, word je geacht je beklag in het Engels te doen. Hier is trouwens geen tijd voor, want studenten moeten een bijbaan hebben om niet in schulden te verzuipen.

De politieke crash van Rutte inzake afschaffing van de dividendbelasting toonde al dat multinationals geen boodschap hebben aan het landsbestuur wanneer hen dit zo uitkomt. Unilever komt of gaat wanneer het wil, een gul geschenk aan haar adres ten spijt. Nederland staat bekend als topland in belasting ontwijken en in de export en transito van drugs. Sociale structuren worden in tempo afgebroken, de pensioendatum opgeschroefd tot de grens van het maatschappelijk draagvlak. De arbeidsmarkt is uiteen getrokken en zal nog verdere schade oplopen in feitelijke inkomensverlaging en bestaansonzekerheid. De prijs van een huis is fenomenaal; de bijhorende hypotheek een garantie voor een half leven als Bankslaaf. Mede hierdoor staat zelfs de demografie onder druk. Tussen en binnen bedrijven worden werknemers uitgemolken met deadlines, controle, overwerk en 24 uur bereikbaarheid. Leven om te werken in plaats van andersom.

Begrijpt u mij goed: in een democratie heeft iedere volwassene de plicht om het eigen gedrag te bevragen. Nergens in de wet staat dat je elke dag op sociale media moet kwekken of geen tegenwicht mag bieden aan overvraging door je baas. Klakkeloos meegaan in opvattingen om je heen blijft een keuze. Jezelf wijsmaken hoe bijzonder je bent en beter dan de rest, is per definitie onhoudbaar: middelmaat ontstaat op elk niveau. Maar het zijn de maatschappelijke randvoorwaarden waarbinnen de ratrace wordt gedicteerd met de worst en de stok.

In dit losgeslagen gekkenhuis wekt het verwondering hoeveel nog functioneert. Dit is met dank aan het feit dat onder elke economie een andere ligt: die van onbetaalde arbeid en verzorging. Hieraan mag je denken, wanneer je deelneemt aan de ratrace en elk omgevingsbesef verliest. Verwacht niets van de grote bedrijven, al helemaal van miljardairs als Gates of Zuckerberg. Besef dat gevestigde politiek alleen interesse heeft voor gedragingen en denkbeelden die haar machtspositie bevorderen. Denk zelf na en draag dit uit!

Monk
10 juli 2019
(Foto: Monk)

 

 

 

26 juni 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Het Pistool (een zomervertelling)

Het Pistool (een zomervertelling)

Beemster

 

Het was een zomerse namiddag in het begin van de jaren zestig. Tegen zijn zin logeerde Arne een paar dagen bij zijn grootouders, die op hun beurt de ouders van Herman waren. Grootvader was na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwd en aan een tweede gezin begonnen. Arne was het enige kind van de oudste zoon uit het eerste legsel van grootvader. De oude fokhaan behandelde iedereen als personeel. Hoe dan ook droegen ze allen dezelfde achternaam en dat telt.

Al was hij pas veertien jaar, Herman bezat reeds die merkwaardig hese, brallerige stem waaraan je hem zijn verdere leven zou herkennen. Een avontuurlijke, naar brutaliteit neigende jongen. Zijn vier jaren jongere neef Arne was eerder timide en op zijn hoede. Op school deed Arne het veel beter, maar dit is niet altijd een voordeel.

Zich bewust van zijn nederige positie, reageerde Arne plichtmatig op Herman’s gebrul.
Hij haastte zich naar de achterzijde van de boerderij, door de stamhouder gebouwd in het crisisjaar 1929. Het was een eenvoudige stolp, in baksteen opgetrokken rond een vierkant van massieve balken. Het dak was bedekt met rode pannen. Het grootste gedeelte van het bouwwerk diende het landbouwbedrijf, in het voorste deel werd gewoond. Vanaf het erf van Arne, hemelsbreed een kilometer verder, deed de boerderij denken aan een Egyptische piramide. Arne keek er dikwijls naar en vermoedde dat dit andersom ook gebeurde.

In dekking!
Aanstonds weerklonk een scherpe tik. Arne keek onderzoekend rond, maar zag niets bijzonders. Na een paar seconden begreep hij waar Herman mee bezig was: zijn neef hield een pistool vast. Het ontbreken van echt geknal kwam hem vreemd voor. Mogelijk had Herman gedacht of gehoopt dat zijn logé onder de indruk zou zijn, of liever een beetje bang. Nu hij zag dat Arne gewoon bleef staan, legde hij dit uit als een bewijs van onnozelheid. Hij lachte schel en wenkte.
Het is een luchtdrukpistool. Je kunt er iemand goed mee raken. Tegen iedereen je bek dicht, ja?
Om ermee te kunnen schieten, moest je het ding openklappen, er een soort van propnagel insteken, dichtscharnieren en vervolgens de loop tegen een paal of muur drukken tot je de grendel in het slot hoorde vallen. Zo te zien, ging dit tamelijk zwaar.
De naam is Arendsoog! Tijd om een een roodhuid af te maken. Daarvan zijn er toch teveel.
Herman richtte het wapen zo snel hij kon en haalde de trekker over. Er volgde een kort gerinkel. Een fles, opgesteld tegen de muur van de boerderij, was aan diggelen.
Arne voelde opwinding en ongemak tegelijk. Zijn ouders moesten niets van wapens hebben, zelfs niet van prullen. De uitwerking van het kogeltje verwonderde hem en maakte hem ergens ongerust. Herman was onvoorspelbaar en deed op eigen erf wat hij wilde. Ook de verwijzing naar de boeken van Arendsoog stond hem tegen. Twee keer had hij een deel uit de serie geleend van een klasgenoot. De opschepperij erin vond hij ronduit belachelijk: Hier, pak aan, hondsvot! Klonk! Baf!! Een kinderachtige tekening moest een hard gevecht verbeelden. Het viel hem in dat Herman op school al eens was blijven zitten.
Niet voor het eerst deze dag kwam de wens bij hem op, naar huis te gaan. Maar ja, zijn ouders waren naar de Veluwe, een donkere vlek op de landkaart van Nederland. Hij had ze op de brommer zien wegrijden. De buitendeur was afgesloten. Je was er mooi klaar mee.

Herman laadde het wapen opnieuw, wees achteloos op de resterende halve fles en gelastte Arne een poging te wagen. Zich verbazend over het gewicht, richtte deze min of meer en haalde onbeheerst de trekker over. De ingedrukte loop schokte naar voren. Geraakt werd er helemaal niets.
Geef maar weer hier!
Over de smalle polderweg voorlangs de boerderij passeerde een vrachtwagen. Hierop stonden melkbussen. De wagen schoof uit het blikveld, rammelde flink en dook weer op toen hij al een eind verder was. Terwijl Herman in hoog tempo ging laden en schieten, beweerde hij al eens een kip te hebben omgelegd. De vogel was gaan rondfladderen als een aangeschoten helikopter en moest met een eind hout uit zijn lijden worden verlost. Allemaal leugens en onzin, maar er zat voor Arne weinig anders op dan bewondering te veinzen. Het leek hem maar raar om een kip dood te slaan. Waarom zou je?
Het is ook leuk om op ramen te schieten.
Herman bemerkte dat zijn bezoeker er niet helemaal met zijn aandacht bij was.
Let even op! Zolang de kogel schuin tegen het glas komt, blijft het heel. Mijn moeder denkt dat er een vogel tegenaan is gevlogen en komt dan kijken. Met haar stomme rotkop.
Hij klapte het wapen open en keek met een gesperd oog door de lege loop.
Dan krijg ik zin om er nog eens..
Hij scheen te beseffen zijn hand te overspelen en de ander teveel in vertrouwen te nemen. In zijn ogen was Arne toch ondergeschikt, want vier jaar jonger dan hijzelf. Hij grijnsde en gaf een harde schreeuw.

Samen liepen ze naar de zijkant van de boerderij. Hier waren twee zijdeuren, waarvan alleen de achterste werd gebruikt. Meer naar voren bevond zich het venster van de keuken. Het was anderhalve vierkante meter groot, maar viel nauwelijks op door slecht onderhouden schilderwerk.
Elke vrijdag gaan ze samen naar de stad, vanwege de markt. Weet je trouwens, dat ze de koekjes in de trommel telt voor ze weggaat? Zo weet ze of ik ervan heb gegeten. Daarom pak ik vaak ontbijtkoek, die snij ik zelf.
Arne knikte. De koekjes tellen, je moest er maar opkomen.
Als ik je moeder was, zou ik voortaan de ontbijtkoek opmeten. Met een duimstok.
Herman schoot in de lach. Je kon zien dat deze gedachte nooit bij hem was opgekomen.
We gaan op de ramen schieten!
Meteen het eerste schot gaf Herman gelijk. Het kogeltje tikte hoorbaar tegen het vensterglas van de keuken, maar daarmee was het wel gedaan.
Nu jij. Zo’n groot raam moet zelfs jij kunnen raken.
Voor de tweede keer nam Arne het pistool aan. Hij deed een paar stappen naar links om het raam beter in beeld te krijgen en richtte met beide armen gestrekt. Deze manier van schieten had hij ontleend aan een boek van Karl May, de indianen-schrijver waar Herman niets aan vond omdat de zinnen hem te lang waren.
Wat zei ik nou?! Je moet schuin voor het glas staan!
Te laat: Arne drukte af. Onmiddellijk volgde een klap, ongeveer alsof iemand met een platte liniaal op een tafelblad slaat. Instinctief renden beide jongens weg, tot achter de boerderij. Hier luisterden ze een halve minuut opgewonden om alsnog poolshoogte te gaan nemen. Angst is de spiegelzijde van hoop. Over de werkelijkheid zeggen beide weinig.

Het keukenraam was kapot, daar kwam het op neer. Geen daverende schade met enorme scherven die scheef uit de sponning steken, maar een geniepig gaatje als middelpunt van een wijd uitlopende ster.
Jezus Christus! Ik zal jou nog eens laten meedoen!
Herman was flink uit zijn humeur en met reden. Opa stond bekend om zijn harde boerenhanden. Aan tafel had Herman menige opdoffer moeten incasseren, uitgedeeld met een losse houten armleuning. Je kon zelfs vermoeden, dat deze met opzet niet werd vastgelijmd.
Je moet maar zeggen dat jij het hebt gedaan, want jou durft mijn vader vast niet te slaan. Je hebt een steentje gegooid, niet geschoten. Je houdt je bek over het pistool! 
De dader was vastgesteld, om niet te zeggen: vastgepind. Desondanks raasde Herman nog een tijdje door. Hij verviel nogal in herhalingen. Na een paar zinnen werd het woord geschoten vervangen door gedaan. Arne onderging de woordenstroom zonder tegensputteren. Feiten zijn feiten, dat begreep hij wel.
Over de polderweg naderde opnieuw een auto. Deze keer was het een personenwagen, een grote Amerikaan. Zonder vaart te minderen, denderde de slee over de houten brug van de zogenaamde tochtsloot, een afwateringskanaal langszij de boerderij. Een wolk kauwtjes, hoog in de lucht, vluchtte uiteen. Arne stootte Herman aan.
De wagen van Veening. Mooi he?
Veening was een bouwbedrijf uit het dorp. Arne knikte. Een meisje uit de familie zat bij hem in de klas, wat kon het hem schelen. Ongeduldig zwaaide hij met zijn arm.
Ik heb een idee! We kunnen het in ieder geval proberen.
Herman leek weinig trek te hebben in voorstellen. Hij was iemand die eerst moest leeglopen voor er weer plaats kwam voor redelijkheid. En dit kon wel even duren.
Het zal wel! Een idee. Nou, wat dan? Wil je soms een kamerplant voor het gat zetten?
Hij snauwde, je voelde de drift in zijn stem.
Arne legde zijn plan uit.
We zeggen dat het ruit van binnenuit is gesneuveld. We wilden afwassen en stapelden wat borden en kopjes op het aanrecht. De boel ging schuiven. Een ongelukje, dat is alles.

Herman wees naar zijn voorhoofd.
Hou maar op met je geouwehoer. Ik bemoei me nooit met wat op het aanrecht staat. Je draait er gewoon voor op, dat is het beste.
Arne voelde ergernis opkomen. Je moest gewoon rustig nadenken en de gedachtegang van een volwassene volgen. Zo slikken de mensen de grootste onzin.
Ik kan ook zeggen dat jij hebt geschoten. Opzettelijk. Met een luchtdrukpistool.
Het vloog hem de mond uit voor hij het wist. Herman was over deze plotselinge weerstand te verbaasd  om meteen te reageren, maar vond uiteindelijk een passende straf. Er is altijd een zwakke plek.
Dan moet je vannacht op de vloer slapen. Je komt mijn bed niet meer in.
Arne sliep al enige nachten noodgedwongen met Herman in hetzelfde bed, geen feest met een naar het midden doorzakkende matras. Op kale vloerplanken liggen, was helemaal een slecht vooruitzicht.

Om de schade nader te bekijken, gingen ze de boerderij binnen. De enige in gebruik zijnde deur gaf toegang tot de dors, opslagruimte voor landbouwwerktuigen. Hier stonden een eg met lange tanden, een hooiwagen en een tractor. Zo hoefde er niets dat kon roesten, buiten te staan.
Vanuit de dors ging het via een houten trapje omhoog tot de binnendeur naar de gang. Deze bijna vierkante tunnel  voerde over de hele breedte van de boerderij, eindigend bij de wc. Aan de wand hing een ingelijste spreuk Moeders tred is uit alle andere te herkennen. Een waar woord, want oma hinkte een beetje. Arne’s vader maakte er in eigen gezin wrange grappen over. Vanuit de gang betraden ze de keuken.

Op het aanrecht stond alleen een rechthoekig aquarium. Kleine vissen met groene en rode strepen schoten heen en weer. Het waren neon tetra’s, was hem door oma bij herhaling verteld. Hoog in de hoek zweefde een maanvis. Het leek of zij de bezoekers bekeken; misschien hoopten ze te worden gevoerd. Op de bodem rustte een soort schatkist, weggezakt tussen slierten groen.
En nu? Zie jij kopjes, borden of asbakken? Idioot! Wat moeten we?
In de stilte van de keuken, met uitzicht op de polderweg , drong ineens getjilp door, het vertrouwde geluid van mussen. Wat er altijd is, valt nauwelijks op. Waarschijnlijk zaten ze met een troepje op de rand van de goot. In het voorjaar nestelden ze graag onder de dakpannen. Arne klakte met zijn tong.
Ik weet de oplossing! Maar daarvoor hebben we een eersteklas schutter nodig.
Hij wachtte een ogenblik om zijn woorden tot Herman te laten doordringen. Nerveus was hij zelf ook: opa kon een bullebak zijn en het pistool moest geheim blijven. Hij zocht naar woorden die bij Herman zouden aanslaan.
Knal een mus van het dak! Die leggen we buiten onder het raam neer. De sufferd is zogenaamd tegen het glas gevlogen. Snap je?
Herman knikte zonder overtuiging. Het was duidelijk, dat hij niet eerder een vogeltje had verschalkt. Tegelijk streelde het dat er een beroep op zijn kunde werd gedaan. Een botte verwerping deed geen recht aan de status die hij begeerde.
Goed dan. Naar buiten en aan de gang! Maar eerst even snaaien.
Arne wierp een blik op de wandklok, een Japans plastic ding dat op een batterij werkte. De wijzers vertelden dat het half vijf was. Hoeveel tijd was er nog?
Doe dat straks maar. Eerst een mus afmaken.
Ergens verbaasde het hem dat Herman zich liet commanderen. Dat was op het schoolplein wel anders. Vaak genoeg was Herman bij een kleine knokpartij betrokken en het moment waarop de hoofdonderwijzer hem na een incident aan een oor het schoolgebouw binnen sleurde, stond Arne nog helder bij. Herman had geschreeuwd als een speenvarken.
Rustig aan. Anders jagen we de vogels weg en duurt het langer.
Herman toonde de grenzen van zijn toegeeflijkheid.
Moet je echt alles beter weten? Godverdomme!
Toch liet hij de voorraadkast met rust. Hij zwaaide met het pistool en ging Arne voor, de weg terug door de boerderij. Voor hij de buitendeur open trok, drukte hij de loop helemaal in tegen het tractorwiel en draaide zich om.
Het kan ook gemakkelijker. Daar omhoog zit een zwaluwnest!

Alles vergt tijd. Vooral urgente zaken drijven de druk op. De jongens klommen via de hooiberg naar boven, helemaal tot de achterste hanenbalk. Hier zat, vakkundig tegen het hout gemetseld, inderdaad een zwaluwnest. Op hun nadering sperden de jongen hun gele bek wijd open en piepten hartverscheurend.
Herman had zijn oude bazigheid hervonden.
Jij moet weer omlaag. Zie je die bezem daar liggen? Haal hem op!
Arne deed wat van hem werd gevraagd. Wat Herman met een bezem op die hoogte in de boerderij wilde, was hem onduidelijk. Klimmen met zo’n lange steel in je handen was bovendien geen pretje.
Donder nu op naar buiten. Je leidt me af. Wegwezen!

De zon scheen voluit. Arne moest zijn ogen half toeknijpen. Nu Herman buiten beeld was, kon hij beter nadenken. Zijn ouders hadden het vast naar de zin, op de Veluwe. Hij keek in de richting van het dorp achter de dijk die zich een halve kilometer verder als horizon verhief. Alles was hier laag en recht: de wegen en sloten, de akkers, de boerderij. Alleen de dijk kronkelde in bochten. Zou je op de Veluwe ook ver kunnen kijken?
Om hem heen hervatten de zwaluwouders al snel hun ritueel. Om beurten doken ze als een raket door het openstaande stalraampje naar binnen. voedsel brengend voor hun jongen in het nest waarop Herman het had voorzien. Wilde hij er een uit de lucht halen met het pistool? Zwaluwen zijn onwaarschijnlijk wendbaar. Je moest  bovendien niet je evenwicht verliezen, daar bovenin de boerderij. Misschien viel zijn neef wel te pletter op de betonnen dorsvloer. Arne kon zich dit gemakkelijk voorstellen, maar het beeld riep geen mededogen in hem op. Waarom had die ezel ook niet ingestemd met de jacht op een veel tragere mus?

Om de tijd te doden ging Arne op de zijkant van een kruiwagen zitten en keek de polder in naar zijn ouderlijk huis en erf. Daarginder lagen zijn voetbal en verzamelingen. Hoe nauwkeuriger hij hierover nadacht, des te ongelukkiger hij zich voelde worden. Liever was hij thuisgebleven. Een paar boterhammen kon je zelf ook wel bereiden. Waarom zou je niet alleen kunnen zijn? Zo werd hij nooit volwassen.
Minuten verstreken. Een tractor naderde en passeerde. De boer stak zijn hand op. Arne zwaaide plichtmatig terug. Hij had geen idee wie het ding bestuurde. Hoog in de hemel trok een vliegtuig een lange witte streep. Het bijbehorende geluid bereikte zijn oren pas toen het toestel alweer van hem wegvloog. Zijn gedachten dwarrelden weer naar de voetbal die hij thuis had gelaten omdat je kon verwachten dat Herman hem in de vaart langszij de boerderij zou trappen. Het water was breed en de bal zou reddeloos afdrijven naar het gemaal verderop. Dit had Arne allemaal vooraf ingezien. Bedenken wat er stond te gebeuren, vond hij alleszins normaal.

Het lichte knetteren van een bromfiets overviel hem. Voor hij het begreep, stond oma naast hem. Hij had aangenomen dat ze met de fiets was vertrokken, de manier waarop zijn eigen moeder boodschappen deed. Oma evenwel had een brommer, een zwarte Berini met een zweefzadel. Achterop stond een mand met inkopen.
Zo, daar ben je!
Oma lachte, een beetje zoals Herman deed: plotseling en onbeheerst.
Dag oma. Fijn naar de stad geweest?
Met bonzend hoofd kwam hij overeind. Dit ging niet goed aflopen. Waar was Herman gebleven? Instinctief ging hij tussen zijn oma en het kapotte keukenraam staan, in de hoop dat zij de beschadiging niet meteen zou opmerken.
Is Herman er niet?
Jawel. Kan ik helpen met de mand?
Thuis zou het niet bij hem opkomen dit aan te bieden.
Nee, jij mag de brommer binnen zetten. Ernaast lopen en niet starten, denk erom.
Door de zijdeur kwamen ze de dors binnen. Arne kuchte luid, als waarschuwing voor Herman. Hij durfde niet omhoog te kijken. De standaard van de Berini schraapte over het beton. Intussen stelde zijn oma vragen. Welke rapportcijfers hij haalde, of hij zijn schoenen al had gepoetst. Zijn antwoorden waren halfbakken. Intussen bewonderde hij de kilometerteller van de brommer. Graag zag hij zo’n klokje op zijn fiets.

Even later gingen zij  door de deur naar de gang en vandaar de keuken in. In de zomermaanden speelde het  gezinsleven zich af in de keuken. Dit was overal zo in een boerderij. De woonkamer was voor de winter, wanneer de kachel aan moest. Eenmaal in de keuken probeerde Arne opnieuw de ruitschade met zijn lichaam af te dekken. Steels bekeek hij de mogelijkheden. Misschien kon hij het aquarium verschuiven? Of zouden de vissen van schrik uit het water springen? Minuten verstreken. Oma pakte haar boodschappentas leeg en verdween een ogenblik in de voorraadkast. Er schoot Arne niets te binnen.

Hoe lang duurt tijd? Hoe ver reikt elastiek? Je kon niet eeuwig tegen het aanrecht leunen, in de hoop dat oma het beschadigde ruit niet zou opmerken. Bovendien keek zij, juist omdat dat hij daar stond, om de haverklap precies die kant uit. Hij hoopte op een wonder.
Is het raam kapot?!
Daar had je het al. Oma kwam naderbij, een beetje voorzichtig alsof ze haar ogen niet geloofde.
Hoe kan dat nou! Weet jij daar wat van?
Arne keek schaapachtig om, alsof hij iets nieuws hoorde. Een ogenblik overwoog hij te vertellen wat Herman hem had opgedragen. Dat hij per ongeluk een steentje had gegooid. Hij kreeg het zijn mond niet uit.
Precies op dat moment verrees de gestalte van Herman achter het venster. Hij hield een vogeltje omhoog, kennelijk een jonge zwaluw die hij uit het nest hoog in de boerderij had gehaald.
Kijk eens! Tegen het raam gevlogen!
Zijn stem klonk triomfantelijk. Hij toonde een kaal beestje met onvolwassen vleugels, onmogelijk in staat om te vliegen. Er kwam geen woord uit Arnes mond; zijn keel zat potdicht.

Het was een avond als andere zomeravonden, een avond uit de eeuwigheid. Opa kwam om kwart voor zeven binnen. De koeien waren gemolken, de melk in bussen van dertig liter aan de weg gezet. Hij zat in zijn stoel met de losse armleuning en at langzaam en zonder interesse. Arne verwonderde zich. Hier zat zijn opa. Maar ook de vader van Herman. Over het kapotte ruit zei  opa geen woord.
Wat heeft je vader afgelopen week gebeurd voor de augurken?
Arne schrok op. Gebeurd? Wat een vreemd woord. Daarbij hield hij zich nooit bezig met veilingprijzen. Deze stonden vast wel in de krant die naast opa op de grond lag.  Onzeker haalde hij zijn schouders op. Het is vervelend om iets niet te weten wat voor de hand ligt om wel te weten. Opa wierp hem een afkeurende blik toe.
Ik zie het al. Jij wordt een boer van niks.
Het klonk niet boos of teleurgesteld. Opa had zijn kleinzoon gewogen en te licht bevonden. Met een kort gebaar gelastte hij Herman de krant aan te geven. Elke beweging leek even logisch als voorspelbaar. Zo ging het ongetwijfeld elke dag. Een pagina werd omgeslagen. De bladzijde boog een stukje door in de bovenhoek. Oma kwam overeind en ruimde de borden van tafel. Hierna ging zij de vissen in het aquarium voederen uit een klein busje, alsof ze zout of gemalen peper strooide.
Arne volgde haar bewegingen, zag dat oma aan haar linkervoet een grotere schoen droeg dan rechts en probeerde vergeefs haar murmelen te verstaan. Wie spreekt er nou tegen vissen die bovendien onder water zwommen?
Zou jij ook vissen willen, Arne? Het is leuk hoor, vooral de neon tetra’s geven bijna licht in het donker.
Oma had in de gaten dat ze werd gadegeslagen.
Nee, ik hoef geen vissen.
Zijn grootouders hadden voor een verjaardag al eens een glazen kom met twee goudvissen meegebracht. Arne had een plakalbum voor zijn lucifermerken gevraagd en was teleurgesteld weggelopen. Wat moest je in vredesnaam met siervissen? Zijn ouders wilden bovendien helemaal niets van dat wijf in zijn huis. Vader had na een paar dagen de kom resoluut boven een sloot geleegd. De kom werd bewaard om bloemen in te zetten.
Of het moet gebakken vis zijn.
Arne bouwde zijn vader na, die graag vis beliefde. Een vergeefse wens, Arne’s moeder lustte geen vis en zij was de baas in de keuken. Slechts een enkele keer was er gebakken schol gehaald.
Vanachter zijn krant lachte opa een beetje, onopvallend en zonder op te kijken.
Herman wenkte Arne met zijn hoofd.
Gaan we buiten?
Oma wilde weten wat ze gingen doen.
Arne moet bijtijds onder de wol. Morgen is er weer school, nietwaar?
Nee oma, ik heb vakantie.

Arne hoorde het gesprek zuchtend aan. Hoe kon zijn oma denken dat er school was in de zomer?
Herman leek zijn verveling te delen. Hij knipoogde nadrukkelijk. 
We gaan een stukje fietsen, helemaal niet ver. We zijn straks terug.
Arne keek langs hem heen. Vroeg naar bed wil geen enkele jongen. Bovendien waren er alleen de waardeloze boeken van Herman om onder de deken te lezen. Aan de andere kant, leek een fietstochtje hem evenmin gunstig. Dan moest er ongetwijfeld weer geschoten en toegekeken worden. Hij kreeg een beetje genoeg van het logeren.

Herman fietste voorop. Even dacht Arne dat ze naar zijn eigen huis gingen, het huis waar niemand was. Wat moesten ze daar doen? Hij ging Herman beslist niet vertellen waar de sleutel van de achterdeur werd bewaard. Voetballen op het erf zou wel leuk zijn.
Weet je al dat er vanmiddag een ansichtkaart van je ouders is aangekomen?
Arne veerde op, voelde zijn hart bonzen en zette een tandje bij met zijn fiets.
Ze zitten in Nijkerk of zoiets. Dat staat op het poststempel. Ik denk dat ik het zegel eraf ga weken.
Arne zag het voor zich: geknoei met water om een postzegel te lichten. Binnen een minuut was de tekst onleesbaar.
Wat staat erin? Wat schrijven ze dan?
Hij fietste nu pal naast zijn neef. Kwam er een ansichtkaart binnen en niemand die er wat over zei?
Wat ze schreven? Geen idee. Iets over mooi weer en groene bomen, geloof ik. Waarom wil je dat weten?
Arne raakte in verwarring. Natuurlijk wilde je zoiets juist wel weten.
Stond er iets in over mij?
Het klonk naar zwakte, dat voelde hij duidelijk.
Herman dacht na of deed alsof.
Er stond dat je moeder door de achtervering was gezakt. Haar kont is te dik!
Hij lachte luidkeels, je moest het op honderd meter kunnen horen. Na een paar minuten stapten ze af op een plek waar geen enkel gebouw in de buurt stond: geen woonhuis, boerderij of schuur.
Verrassing! Er zit hier een nest met eenden.

Ze legden de fietsen in het gemaaide bermgras. Herman wist precies op welke plek gekeken moest worden.
Deze boom is het. Met de beschadiging. Er is ooit een auto tegenaan geramd.
Op hun zitvlak lieten ze zich zakken in de berm. Je moest oppassen, anders lag je zomaar in het water. Herman boog voorzichtig naar voren.
“Godverdomme. We zijn te laat! Ze zijn al weg.
Nu er toch niets meer te zien was, maakte hij plaats. Arne schoof een stukje in zijn richting, erop bedacht dat Herman hem een duw zou geven, je wist maar nooit.
Je moet wel goed kijken, je hebt niets gezien!
Arne trok zich evenwel terug en krabbelde omhoog door het gras. Inderdaad, hij had niets gezien, maar wist wel hoe een leeg eendennest eruit zag.
Alleen maar veertjes en een paar kapotte eierschalen.
Hij verwachtte min of meer een discussie, maar Herman kreeg de moedereend met pulletjes alsnog in de gaten. Het gezin dreef een stukje verderop: een kluit dons in het water.
Daar heb je ze!

Weerloze eendjes doodmaken Jongens doen zulke dingen. Berouw komt na de zonde en niet eens altijd. Het gaat om een oeroud instinct om te jagen, iets uit te proberen. Wat je ogen zien, vernielen je handen.
Bij het eerste schot stoven de pulletjes uiteen. De moedereend hief een luid gekwaak aan, gevolgd door klapwiekend rondvliegen in een waas van opspattend water. Nieuwe pogingen volgden. Maar wat Herman ook probeerde, hoe lafhartig dichtbij hij ook naderde, hij raakte niets. Arne volgde een paar minuten de opwinding in de sloot en de toenemende boosheid van de ander. Het liefste had hij Herman achtergelaten en was naar de boerderij terug gegaan. Deze luxe ontbrak voorlopig. Hij moest het nog een paar dagen uitzingen.
Wat lag daar voor zijn voeten? Uit het gemaaide gras stak een dikke verbogen staaldraad, misschien van een vrachtwagen of tractor gevallen. De functie was hem onduidelijk en juist dit bracht hem op een idee.
Ik wil wedden dat ik binnen een minuut meer eenden raak dan jij in een half uur.
Arne sprak luid. Hij wilde dat dit allemaal ophield. Waarom konden ze niet gewoon wat spelen achter de boerderij: daar lag weiland en had je alle ruimte. De reactie was voorspelbaar en kwam onmiddellijk.
Wat zeg je daar? Weet jij het weer beter?! Godskoleere. Wedden wil je? Om wat dan?
Herman staakte zijn onderhand lachwekkende pogingen. Hij ging vlakbij Arne staan, een duidelijk signaal.
De spanning was tastbaar. Ter plekke bedacht Arne iets waarvan hij meende dat het Herman zou boeien.
Als jij wint, gaan we rondkijken in het huis van mijn ouders.
Het zweet brak hem uit. Herman in het huis van zijn ouders toelaten? Hij leek wel gek geworden.
Maar Herman reageerde lauw. Hij was bezeten van het pistool, de drang zich te bewijzen.
Jij gaat eenden raken? Waarmee dan wel?
Uit elk woord dat hij uitstootte, sprak ongeloof en tegenzin. Hij had willen imponeren of minstens resultaat van zijn inspanning willen zien, zeker nu het probleem van het kapotte keukenraam minder urgent leek. Herman boog naar zijn kleinere neef, als een boom over een struik. Het intimideerde, hoe hij daar stond.
Arne gaf zich echter niet zomaar gewonnen. Met elke seconde nam zijn behoefte op te stappen toe.
We kunnen er op muizen jagen. Die zitten op de zolder.
Het was of hij een ander hoorde praten. Herman in huis toelaten, dan nog helemaal tot op de zolder?
De juiste verlokkingen aanbieden, daar gaat het om. En toezeggingen maak je niet zomaar ongedaan.
Muizen zeg je?
Arne knikte bevestigend, maar hief ook zijn rechterhand.
Dat zeg ik. Maar als ik win, is het pistool voor mij.

Zo, het was gezegd. De beschikking over het pistool zou aan het idiote gehannes van Herman een einde maken. Dan kon hij doen wat hij wilde, zo kwam het hem voor. Dat Herman reden had hem uit te lachen, nam hij op de koop toe. Aan zijn voeten, half bedekt door afgemaaid gras, lag het staaldraad. Herman schoot in de lach.
Zal ik mijn bezit voor een paar muizen wagen? Er zitten zelfs muizen onder mijn bed!
Arne had geen plan. Hij probeerde Herman te bespelen, zin voor zin, argument voor argument.
Hoezo riskeren? Jij gaat toch beslist winnen? Dat zeg je zelf.
Hij maakte aanstalten naar zijn fiets terug te lopen, Herman alleen achter te laten. Hier was niets meer te halen.
Binnen één minuut? Zonder pistool? 

Het leek of zijn ongeloof hem ertoe bracht het risico te nemen.
Nou goed. Als ik win, zorg jij dat.. Binnen één minuut moet er een eend dood, denk eraan.
Arne gaf geen antwoord. Hij bukte zich, raapte het staaldraad op, liep van Herman weg en stak de polderweg over. Over het gemaaide gras kroop hij een meter of twintig voort, onzichtbaar voor de eenden. Hier stak hij de weg opnieuw over om plotseling op te duiken.
Onder gewone omstandigheden was een volwassen eend er meteen vandoor gegaan, maar het instinct om haar jongen te beschermen, was sterker.
Arne gooide vaker: naar vogels en koeien, naar bomen en lantaarnpalen, lopend en zelfs vanaf zijn fiets. Alles kwam hiervoor in aanmerking: stenen, kluiten, aardappelen. Hij wilde niet doden, maar raken. Of op een haar na missen, was ook bijna in orde. Op deze avond was hij vooral het gedoe met Herman zat, het logeren, dan nog in het zicht van zijn eigen thuis, zelfs het venster van zijn slaapkamer kon hij gemakkelijk zien.

Hij pakte het staaldraad bij een uiteinde, zwaaide dit horizontaal boven zijn hoofd om er vaart aan te geven, klampte zijn blik in de eendenkluit en liet los. Als een malende propeller zwiepte het metaal door de lucht, dook omlaag en sloeg neer.
Het leek een explosie. De volwassen eend schreeuwde in doodsangst en ging er definitief van door, de uiteengeslagen groep kleintjes aan hun lot overlatend. Deze renden over het water naar de oever die hem aan het oog onttrok.  In de sloot dreven twee levenloze pulletjes.

Eindelijk hield Herman zijn mond, zijn grote bek. Woordloos stond hij naar het spektakel te kijken, het drukpistool zinloos in zijn rechterhand, de loop omlaag. Arne besefte heel goed wat hij had aangericht. Eerst leefden de eendjes en zwommen ze rond hun moeder; plotseling waren ze dood en was de rest op de vlucht geslagen. Zijn hartslag stampte in zijn hoofd, zijn keel en overal in zijn lichaam. Langzaam wendde hij zich af, liep naar Herman en hield zijn hand op.
Twee dooie eenden. Binnen een minuut.
Herman verborg de hand met het wapen onwillig achter zijn rug.
Er schuilt een moordenaar in jou. Jezus Christus! Laten we maar naar huis gaan.
Arne week geen centimeter. Herman was groter en sterker, maar als het moest zou Arne vechten.
We hebben gewed en ik heb gewonnen. Geef op.
Gesprekken, ook tussen kinderen, gaan heel vaak over wie de macht heeft.
Het pistool is van mij. Je mag een paar keer schieten.

Herman had zijn veerkracht snel hervonden, maar Arne bleef halsstarrig.
Je hebt verloren.
Kom het maar halen.
Mij best.
Ze rolden over de grond en over de straat. Nooit eerder was het tussen hen tot een lichamelijke krachtmeting gekomen. Al snel kreeg Herman de bovenhand. Hij werkte zich bovenop Arne, maar het verzet viel hem tegen en hij was genoodzaakt het pistool van zich af te leggen. Zijn vuisten sloegen erop los.

Geen auto of zelfs maar fietser naderde. De polderweg was en bleef leeg. Elke boer of akkerbouwer was thuis, zat aan de thee bij de radio of de tv, een nieuwigheid die ook op het platteland snel haar weg vond.
Herman onderschatte zijn neefje. Hij dacht al dat het gevecht beslist was, toen Arne zich los werkte, wegrolde en het pistool te pakken kreeg. Onmiddellijk maakte deze het ultieme gebaar: hij dreigde het wapen in de sloot te gooien. Zijn gezicht bloedde, misschien dat Herman hiervan schrok en inbond.
Ho ho! Goed dan. Maar morgen geef je het terug!
Arne schreeuwde voor de gelegenheid. Thuis mocht dit niet, maar hij kon het wel.
Ja, en dan zeker weer proberen het af te pakken!
De mond van Herman van groter dan zijn moed. Of anders voorzag hij problemen met zijn ouders. Per slot logeerde de kleine klier bij hen, sterker: ze sliepen in hetzelfde bed.
Stop nou maar! Het is goed. Je mag het hebben. Voorgoed. Godverdomme! Jij je zin.
Arne fietste honderd meter voor Herman uit naar de boerderij. De fietstas aan de bagagedrager slingerde heen en weer. Hierin had hij het pistool gesmeten.

Oma had thee gezet. In de zomer speelde zich hier in de keuken het hele familieleven af. De kermisklok aan de wand wees kwart voor negen. De theekopjes waren oud, van een breed model, beschilderd met een bloemmotief. Er stond ook suiker op tafel: een glazen potje met bovenop een schuif van glimmend metaal. Het wachten was op opa. Elke avond maakte hij een ronde over het grasland om schapen te tellen. Soms kwam er een op de rug terecht in een greppel. Dan was zo’n dier binnen een etmaal dood.
Arne! Wat zie je eruit! Hebben jullie gevochten?
Dit was het geval, maar de reden hield hij voor zich.
Je bloedt aan je gezicht. Laat eens kijken.
In een vorig leven was oma verpleegster. Dat was voor ze zo onoplettend was op de boerderij was komen wonen, in het voorgespiegelde vooruitzicht van een onbekommerd boerenbestaan. Permanente armoede en verveling waren haar deel geworden. Vakkundig lapte zij Arne op, waste bovendien zijn armen en ellebogen. Het gras op de kniestukken van zijn broek kon natuurlijk niet zomaar weggetoverd worden.
Ga boven maar wat anders aantrekken. Je hebt een extra broek meegekregen.
Al die tijd liet Herman zich niet zien. Arne slofte de trap op, haalde het pistool uit zijn onderbroek en verborg het onder het matras, aan zijn kant van de twijfelaar. 

Wassen onder toezicht bleek onvermijdelijk. Alleen in de slaapkamer van zijn grootouders was een echte wastafel. Voor de rest was je aangewezen op het aanrecht van de keuken. Hiertoe door oma verplicht, waste hij zijn armen en oksels, daarna zijn piemel en billen. In schaamte stond hij geluidloos te vloeken. Eenmaal in zijn pyjama kalmeerde hij langzaam. Obligaat poetste hij zijn tanden boven de gootsteen van grauwgele tegeltjes. Alles was hier ongetwijfeld nog zoals bij de bouw in 1929. Hij besefte, dat ook zijn vader hier als jongen had gestaan. Waarschijnlijk zonder tandenborstel, want met 27 jaar had vader zijn tanden en kiezen laten trekken. Na jaren van moordende kiespijn ging hij verder door het leven met een volledig kunstgebit.
Arne’s oog werd getrokken door het kogelgaatje in het ruit, de stervorm eromheen en ineens zag hij achter het aquarium de dader liggen, een bijna onherkenbaar propje lood. Wat te doen?
Hij spoelde zijn mond, liet water over de spuugplekken in de gootsteen stromen en veegde mond en handen af aan een kleffe handdoek.
Als terloops deed hij een poging het aquarium te benaderen, het kogelpropje weg te nemen.
Zie je wel, je vindt ze toch interessant!
Het leek of zijn oma erop had gewacht hem te betrappen. Kans om het loden bewijsstuk te pakken, kreeg hij niet.
De schatkist op de bodem is wel leuk.
Met de bewegingen van een krab deinsde hij af, wenste een ieder welterusten en beklom de smalle trap naar de bovenverdieping, een uitbouw die tot slaapkamer diende. Alles kraakte: de vloerdelen, de deur, het bed waarin hij ging liggen.

Een boerenbedrijf in een windarme zomeravond. Arne berekende dat zijn ouders morgenavond terug konden zijn. Of het werd dagen later, ingeval er geen snelle reparatie van de brommer mogelijk was. Reparatie? Hij sperde zijn ogen en bedacht dat niemand hem de ansichtkaart had laten zien waarover Herman had gesproken. Was er wel een kaart binnen gekomen? Speciaal hiervoor de trap afdalen was  geen optie. Morgenochtend zou hij het uitzoeken.
Het bed waarin hij lag, was een zogenaamde twijfelaar. Voor een enkele persoon lekker breed, voor twee aan de smalle kant. Nog een half of heel uur en dan zou Herman komen, zich naast hem nestelen, een wind laten en in slaap vallen. Erger was dat er geen stevig modern matras in het bed lag, maar een oude katoenen zak, gevuld met kapok, pluiskatoen dat er al een halve eeuw in kon zitten. Je moest het elke dag opschudden om een slaapkuil te voorkomen. Helaas is kapok loodzwaar en dus werd het matras hooguit een paar keer per jaar gevlakt. Twee slapers rolden onherroepelijk tegen elkaar aan.

Tegen de tijd dat hij bijna in slaap viel, werd hij opgeschrikt door krakende traptreden. De deur ging open. Levensgroot naast het bed stond niet Herman, maar opa.
Kom er even uit, jongen!
Arne schrok hevig. Beverig kwam hij overeind. Wat moest dit voorstellen?
Naar beneden en vlug wat!
Was er brand? Arne rook niets. Hij hees zich op de rand van het bed en wankelde.
Hop hop! Tempo graag!
Grootvader liep alweer naar de deur en bonkte voor hem uit de trap af.
In de keuken zaten oma en Herman op hun vaste plek aan tafel, precies zoals toen Arne naar bed werd gestuurd. Op tafel stond een schoteltje van wit porselein. Hierop lag een verwrongen kogeltje. Arne zag het en begreep alles.
Heb jij dat gat in het raam geschoten?
Arne keek hulpeloos rond. Het schoteltje toonde het bewijs van zijn schuld. Zijn blik probeerde die van Herman te vangen, maar deze keek weg, besmuikt en met een rode wang. Het leek erop dat hij een draai om zijn oren had gekregen. Of twee.
Nou?
Ontkennen was zinloos.
Ik hoor van Herman dat jij hebt geschoten met een pistool. Waar is het?
Afweermechanismen werken het beste onder druk.
Weggegooid.
Weggegooid waar?
Wat was hier de meest aannemelijke, oncontroleerbare plek?
In de tochtsloot.
Opa bleef staan. Zijn grote handen rustten op de rugleuning van zijn stoel, de stoel met de losse leuning.
Schiettuig is gevaarlijk. Hoe kom je eraan?
Opnieuw probeerde Arne oogcontact te maken met Herman, deze keer met succes.  Herman’s blik hield een waarschuwing in.  Je hoorde hem denken: Tegen iedereen je bek dicht, ja!

Duister zijn de wegen langs welke beslissingen tot stand komen. In een seconde overwoog en verwierp Arne de mogelijkheid alsnog de waarheid te vertellen. Wat had hij eigenlijk verkeerd gedaan dan mee te doen met wat Herman had voorgesteld? Wie dacht Herman dat hij was om over hem te liegen, weg te duiken en klappen te verkopen? Arne’s polsen en scheenbeen voelden nog pijnlijk aan. De wond aan zijn hoofd viel mee.
Tegelijk was hij zich bewust dat klikken hem permanent in problemen zou brengen. Daarbij zou hij het pistool moeten halen. Niet uit de tochtsloot, maar van onder het matras waarop hij daarnet nog lag te dommelen. De vernedering die hem stond te wachten, was niet te overzien: zijn grootouders zouden hem nooit meer geloven, zijn ouders zouden hem met terugwerkende kracht straffen, Herman zou hem opwachten langs de weg om hem nog eens af te rossen. Zijn brein werkte op volle toeren.
Gevonden op de vuilnisbelt. Een paar weken geleden.
Geen slechte uitvlucht. De gemeente stortte vuilnis op het uitgegraven landje aan de overkant van de tochtsloot, niet recht tegenover de boerderij maar honderd meter naar achteren. Mensen willen van hun rotzooi af.
Je komt hier logeren en brengt een pistool mee?
Wat kon je zeggen? Na een halve minuut van stilte had oma had ook een vraag, een interessante.
Maar de kogeltjes dan? Hoe kom je daaraan? Die zullen er niet bij gezeten hebben!
Liever dan te antwoorden, was Arne door de vloer gezakt. De verdomde kogeltjes! Maar de vloer was van stevige planken en oma zat stevig in haar stoel.
Ik heb een paar keer de trekker overgehaald. Toen was hij leeg.
Een halfslachtig antwoord waaruit hij desondanks moed putte.
Daarom heb ik het ding ook weggegooid. Ik kon er verder niets mee.
Tegelijk besefte hij, dat Herman het doosje loden propnagels nog moest bezitten en meer: dat hij dit opzettelijk niet had afgegeven. Wel het pistool, maar geen munitie. De vuile hufter. Hij voelde drift opkomen, de bereidheid om brutaalweg te zeggen: voor de kogeltjes moet u bij Herman zijn.
Er volgden meer woorden, maar langzamerhand doofde de confrontatie langzaam uit. Tenslotte mocht hij weer naar boven. Het bed waarin dadelijk Herman naast hem zou neerstrijken. Dit was het moment waarin hij het logeren het meest verafschuwde. Bij het opnieuw beklimmen van de trap voelde hij zijn hart tekeergaan als een heimachine. Waarom ook had hij dat propje lood niet gewoon gepakt toen hij het achter het aquarium zag liggen? Niemand zou hem hebben gedwongen zijn hand te openen.

Klaarwakker lag hij onder slechts een laken. De zomernacht was warmer dan je aangenaam kon noemen. In zijn hoofd raasde het conflict onverminderd verder. De film van de dag trok twintig keer voorbij. Hij dacht aan de dode eendjes in de sloot, de vraag of de moedereend nog was teruggekeerd, aan zijn beschadigde broek en waarom hij zo nodig uit logeren was gebracht, beslist niet zijn eigen voorstel. En hoe kreeg je het pistool ongezien uit de boerderij? Kon hij het beter uit het raam smijten en morgen oprapen? Of het in de kast van Herman verbergen, waar oma het later zou vinden? Wat moest je er eigenlijk mee, zonder munitie?
Na de chaos aan vragen volgde het zelfbeklag. Was het maar vast morgenavond. Dan lag hij in zijn eigen bed, door niemand gehinderd. Tenslotte voelde hij onder zijn kant van het bonkige matras, trok het pistool naar zich toe en drukte het tegen zich aan: als een teddybeer, een troostend aapje.
Eindelijk kwam Herman binnen. Hij liet het licht uit, smeet zijn kleren in een hoek en liet zich met een smak naast Arne vallen. De baas komt thuis. Hij fluisterde, iets dat helemaal niet bij hem paste.
Knap werk, Arne! Jezus man, wat kan jij liegen!
Zonder te kunnen zeggen dat Herman stonk, rook Arne dadelijk dat zijn neef zich hooguit met de Franse slag had gewassen. Hij voelde een elleboog in zijn rug.
Zeg, slaap je? Wat heb je nou echt met het pistool gedaan? Ik weet zeker dat het niet op de bodem van de tochtsloot ligt!
Arne draaide zich langzaam naar Herman toe. Hij deed moeite afstand tot het lichaam van zijn bedgenoot te houden. Die rottige slaapkuil! Begon het gedonder weer van voren af?.
Maar nog voor Arne iets kon zeggen, stak Herman opnieuw van wal. Zijn stem was hees en hoog.
Kijk eens maat, je mag kwaad zijn, maar vergeet even niet dat jij degene bent die het raam heeft vernield. En uiteindelijk is het pistool ook van jou. Dat wilde je zo graag dat je erom begon te vechten. Ik heb geprobeerd het te houden, maar jij moest het zo nodig hebben. Dus moet je ook maar op de blaren zitten.
Een aannemelijk klinkende maar allesbehalve waterdichte redenering. Arne vroeg iets anders.
Wat heb je met het vogeltje gedaan dat zogenaamd tegen het glas was gevlogen?
Een halve minuut was het stil. Herman was even van zijn stuk gebracht.
O, dat. Heb ik weggegooid. Je denkt toch niet dat ik daarvoor helemaal terug klim in de hanenbalk?
Nieuwe stilte. Van Arne mocht dit zo blijven, maar Herman was een prater.
Maak jij je druk om een manke zwaluw? Je hebt zelf vanavond twee eenden doodgegooid, weet je nog?
Arne bleef zwijgen. Herman moest aanvoelen, zo niet verder te komen.
Mijn moeder vroeg ook al naar dat stomme vogeltje. Ik heb gezegd dat ik jou op die manier wilde beschermen. Door te doen alsof. Voor jou. Dan weet je het, mocht ze er naar vragen.
Arne voelde zijn weerzin toenemen. Herman had gewoon leugens verteld om zijn straatje schoon te vegen. Het enige dat voor hem telde, was het pistool terug te krijgen. Dit voelde Arne haarfijn aan.
Langzaam maar met nadruk duwde Arne het wapen naar voren, tegen het lichaam van Herman.
De loop is ingedrukt. Zal ik de trekker overhalen?
Stilte heb je in soorten. De boerderij, de bomen langs de weg en de herkauwende koeien in de weilanden lagen verzonken in een stilte die vreedzaam was en ontspannen. In deze slaapkamer heerste ook stilte, maar dan op de rand van laaiende ruzie en geweld. Herman doorbrak de impasse. Hij leek maar niet te kunnen inzien dat hij aan het kortste eind kon trekken.
Wat doe je daar? Ben je gek geworden? Er zit niet eens een kogel in!
Zijn woorden klonken onverminderd dominant en zelfverzekerd. 
Arne werd zich bewust van de muffe beddenlucht, de in maanden samengepakte lichaamsgeur van Herman. Het moment waarop zijn gedachten zouden blokkeren, naderde in hoog tempo. Hij duwde de loop van het pistool met toenemende kracht tegen Herman aan. De kuil in het matras achter zijn rug werkte in zijn voordeel.
Weet je het zeker? Geloof je echt dat ik niet durf?


Monk
26 juni 2019

Foto: Monk