6 mei 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Mededogen

Mededogen

Mark Rutte valt deze dagen niet te benijden. Oppervlakkig gezien, komt zijn primaire probleem neer op het managen van de publieke sector: zorg, onderwijs, handhaving en rechtspraak. Lastig, maar niet onoverkomelijk. Politiek problematischer is de druk van het bedrijfsleven en daarachter de internationale orde van investeerders. In de media, op straat en achter de coulissen dringen zij aan op back to business.
Van je vrienden moet je het hebben.

Elk communiqué van de regering en veel discussieprogramma’s tonen dezelfde tendens: medeleven versus ongeduld. De zogeheten zwakkere groepen mogen zich, nu aanvankelijke emoties wegzakken, paradoxaal verheugen in de problemen van de zorgverlening. Normaliter behoren ouderen en beperkten immers tot het lage fruit aan de boom. Artsen en verpleegkundig personeel daarentegen faciliteren de economie. Het betoonde medeleven bevat dus een mate van belang van iedereen.

Ongeduld met de lock-down komt vanuit het bedrijfsleven in brede zin maar ook uit delen van de burgerij. Er moet geld worden verdiend en uitgegeven. Beperking van bewegingsvrijheid staat haaks op onze leefstijl. We leven in een mobiele en dynamische wereld. Waar we niet al werken en sporten of shoppen en feesten, moeten we van onszelf en de commercie aan huis en tuin klussen of gamen. Ophokken en in eenrichtingsverkeer door de winkels lopen, vergt een hele omschakeling.
Weer minder doden dan een dag eerder. de afvlakking zet door, volgende week mogelijk verruiming van. In elk journaal wordt steevast de vraag gesteld wanneer de teugels weer gevierd kunnen worden. Het land doet denken aan een klas ontevreden pubers op de middelbare school. Er is heel weinig bezinning op ons oude lemmingenleven, des te meer luidruchtige aandrang op terugkeer naar de oude situatie.
Hierin groeit de neiging verstandige overwegingen weg te zetten als moedwillige onderdrukking. Wetenschap dreigt te worden afgedaan als een mening.

Ondernemend Nederland, overtuigd liberaal zolang de kassa volstroomt, piepte binnen de kortste keren over kastekorten en faillissement, naar beproefd recept opgediend met de angstkreet banenverlies. Binnen enkele weken strooide het kabinet pakweg 100.000.000.000 euro rond in dit krachtenveld. Resultaat: geld weg, niks opgelost. Een onvermijdelijke stroom werklozen komt op gang, het UWV maakt overuren. Grote delen van zzp zakken door de hoeven. Begrijp me goed: ik schep er geen genoegen in dit te noteren. Ik constateer alleen hoe het kennelijk zit: de tot voor kort als een tierelier draaiende economie blijkt instabiel en hulpbehoevend. Dit geeft aan, hoe uitgebeend en opgejaagd het systeem in elkaar zit: alle rek is er uitgeperst. Dit geldt evenzeer voor een nationaal boegbeeld als de KLM. Binnen een maand na sluiting staat faillissement voor de deur en houdt de directie de hand op bij Den Haag ofwel de belastingbetaler. De brutaliteit van deze multinational blijkt vervolgens uit het feit dat KLM midden in crisistijd de salarissen van de directie wilde opschroeven. Dit was namelijk al eerder afgesproken en overeenkomstig de internationale norm.

Electorale wijsheid of angst houdt de VVD en haar coalitiegenoten voorlopig redelijk in het gareel. Weliswaar trappen de liberale voeten links en rechts door de vermolmde planken van de publieke sector (marktwerking en (dus) maximale bezuiniging op vooral personeel), de wil om er het beste van te maken, lijkt aanwezig. Dit nalaten, zou overigens neerkomen op rechtspolitieke zelfmoord. Alles beter dan te moeten toegeven dat de marktwerking is doorgeschoten. Geen politicus kan zich permitteren wat Jort Kelder deed: ongenoegen ventileren over de prijs die we betalen om te dikke 80 plussers te redden. Kelder verwoordde wat menigeen denkt.

Rutte en zijn kabinet worden onder druk gezet om hun politiek tegennatuurlijke, voor socialisme uitgescholden gedrag op te geven. De druk reflecteert hoe regeren in Nederland er anno 2020 uitziet: een economische elite die het democratische gehalte van zijn bewind afdekt met steun van de brede onderklasse. Ik denk hier aan de meute die graag goedkope Aziatische troep koopt en geen oog heeft voor de hieronder liggende kinderarbeid en dictatoriale besturen, of zelfs maar het inzicht dat hiermee de kleinere winkels en bedrijfjes om zeep worden gebracht.
De constructie van deze historisch gegroeide congsi wordt nu overeind gehouden door met belastinggeld te strooien. Alles beter dan de zwakheden van het systeem echt bloot te leggen. Hiermee omgaan, is het echte crisismanagement.

Volgend voorjaar zijn er verkiezingen. De regeringspartijen hebben pech dat deze niet vandaag zijn. In tijden van crisis stemmen mensen namelijk massaal op de zittende macht, hoe onverstandig dit ook mag wezen. Nu ligt er een vol jaar open, een jaar waarin hopelijk van alles komt bovendrijven aan louche belastingafspraken met multinationals, vastlopende cao afspraken, kelderende aandelenkoersen, oplopende EU schulden en over het paard getilde profclubs. U kunt alvast beginnen een lijst op te maken van de bullshit economie.

Ik geef het je te doen, een politieke weg te vinden als voorman van een kabinet dat van nature grenzeloze groei van de private sector juist propageert en beschermt. Alsof je een opgefokte hond verbiedt te blaffen en te bijten. Maar geen nood voor Mark: nu hij met miljarden aan subsidie strooit, weet niemand meer tot welke club hij behoort. Desgewenst kan hij geruisloos overstappen naar Groen Links. Jesse is vast heel aardig voor Mark. Waarom ook niet?

Monk
7 mei 2020
foto: Monk

3 april 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Staatsman?

Staatsman?

Assen

Toont Rutte staatsmanschap? Aan peilingen in de politieke onderbuik mag je afleiden van wel. Ook de media zijn overwegend lovend*. De premier staat deze dagen geregeld op om te vertellen wat ons te doen staat. Dit komt goed van pas in een land dat het zelf denken heeft afgeleerd.

Ik weet ook wel, dat een premier vele afwegingen moet maken en hierbij druk ervaart vanuit eigen partij en de coalitie, het bedrijfsleven en de vakbonden. Om van de media te zwijgen: die wil je niet tegen je innemen. Rutte propageerde aanvankelijk dat de scholen open moesten blijven. Kinderen zouden niet vatbaar zijn voor Covid-19 en ouders in essentiële beroepen (waar zijn partij sinds jaar en dag het mes in zette), moesten ontlast worden. Zeg dan hardop dat je primair de economie draaiend wilt houden, maar dit deed hij dus niet. Een staatsman zegt gewoon waar het op staat.

Het kabinet doet ook juiste dingen, zoals het hameren op thuisblijven en het onderling afstand houden. Het is geen sinecure om een bevolking van overwerk en consumptie, opgevoed in mobiliteit en competitie, op slag te bewegen tot isolement en discipline. Ook het aanstellen van PvdA -er Van Rijn was verstandig en opmerkelijk – als vervanger van een eigen partijlid. Aan de andere kant verschuilt Rutte zich structureel achter de deskundigen waardoor hijzelf buiten schot kan blijven, zelfs voor gedane zaken: de conclusies en aanbevelingen van eerder onderzoek naar rampen werden onderin een lade gegooid. Rutte claimt zelden een voortouw positie. Hij loopt liever als hofnar achter de wagen.  

Intussen stijgen de getallen van opgenomen patiënten en ook van doden, inmiddels tegen de 1500. We weten bovendien dat, wegens het beperkte meten van besmetting (geen spullen in huis, krenterigheid, vrees voor volkse paniek), dit getal hoger ligt. Reële angst en ergernis in de zorg stijgt snel waar zelfs vandaag nog altijd een tekort is aan beschermende middelen, ook voor het personeel. Geen woord over structurele positieverbetering voor deze sector. En wie had het jarenlang geringschattend over handjes aan de bedden?

Echt veel beter dan het verguisde Italië doen we het niet. De Nederlandse aanpak komt neer op te laat en te weinig. Dit is in overeenstemming met de breed gedragen rechts-liberale mentaliteit waarin naar dagkoersen wordt gestuurd en uitgaven aan zorg, onderwijs en handhaving onderhuids worden beschouwd als weggegooid geld.

De gepropageerde gefaseerde aanpak is traag en gericht op instemming en draagvlak. Polderen met een levensbedreigend virus is gewoon een slecht idee.  Het was nota bene Wilders die de premier hierover kapittelde.

De bevolking mag denken (hopen) dat Den Haag in deze crisis op de goede weg is, maar het is de vraag of dit applaus niet vooral is te danken aan toegezegde miljardensteun. Het is een oud recept dat al onder Kok (een andere staatsman van formaat) opgeld deed: probleem + zak geld = oplossing. Niet alleen noodlijdende kleine bedrijven staan massaal op de stoep: er is garantstelling in de maak voor een miljardenlening aan KLM-Air France. Maar wie betaalt straks de rekeningen? Den Haag beschouwt het landsbestuur en zelfs de EU als een bedrijf, een multinational met geldschieters  en aandeelhouders.

Bruins, de door zijn hoeven gezakte bewindsman, stelde dat de import van medische producten uit China geen gevaar zou lopen: de Chinezen zijn betrouwbaar, want ze houden van handelen. Als ware VVD-er maakte twee denkfouten in een enkele zin. Ten eerste zijn mensen onbetrouwbaar omdat ze op voordeel uit zijn en ten tweede dienen Chinezen verplicht de Staat China, die geld slechts als middel ziet tot iets anders, namelijk machtsuitbreiding. Hoe kun je als premier dergelijke lulkoek afdekken? Het antwoord is nog erger dan de vraag: omdat Rutte gelooft dat het waar is.

Staatsmanschap is geen doel op zich, maar de uitkomst van verstandig en onafhankelijk gedrag. Er was een tijd waarin ik mijn chef toebeet: macht wordt toebedeeld, gezag moet je elke dag verdienen. Zoals Rutte was deze man een regelneef, een bemoeial die zijn visie ontleende aan wie hem de macht gunde. Gelukkig weet ik uit ervaring dat zelfs aan ellende een einde komt. Houdt dus moed, Monkwisers! Tot die tijd mag u vooral uw eigen gezond verstand vertrouwen.

Monk
3 april 2020
Foto: Monk

* lezersonderzoek Noord Hollands Dagblad 3 maart: 70% vindt Rutte een staatsman van formaat.

24 maart 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Che Guevara in de polder, een vertelling

Che Guevara in de polder, een vertelling

Beemster

1

Dagen van verbijstering en chaos. Met de verhuizing naar het dorp is om te beginnen het uitzicht onherstelbaar bedorven. Aan alle kanten verrijzen nieuwbouwhuizen, hoekig, smakeloos, overdag goeddeels zonder bewoners, afgekaderd door tuintjes met struiken die je overal ziet, zelfs in de parkjes van de gemeente. Weg is het ruime erf waar Herman opgroeide, het omringende bouwland, de sloten, verderop de boomrijen langszij een polderweg, alles geometrisch aangelegd, daarboven de monumentale hemel, hoog en symbool voor de nietigheid van de aarde en zijn bewoners. Aan uitzicht in het nieuwe huis resteert een uitsnede van misschien 5 graden, een taartpuntje als horizon, een vergeten hoek tussen twee woonblokken. Wolken worden versneden en afgekapt door muren en daken, te hoog opgeschoten bomen. Buren vragen zich af wie daar vanuit een venster naar hen staat te kijken. Er is immers niets te zien waar niemand naar kijkt en wat niemand ziet, bestaat niet.

2

Het huis waarin Herman met zijn ouders woont, is nieuw en behoort tot de betere in de buurt. Het betreft een vrijstaande woning met aangebouwde garage, omringd door een tuin van enig aanzien naar dorpse maatstaven. Tot de nieuwe buren, die vanaf de straat diep in het huis kunnen kijken, behoren kantoorlui, leraren, aannemers en een beveiliger van overheidsgebouwen. Het zijn beroepen waar Herman nooit aan heeft gedacht, gelijk het geen moment bij hem is opgekomen dat hij uit zijn oude omgeving, leven en verwachtingen zou worden verwijderd.
We mogen nog van geluk spreken, beweert Moeder zonder dat naar haar mening is gevraagd, de gemeente wilde ons opbergen in een van die krotten naast de secretarie.
Dit klopt ongetwijfeld: aan de in het dorp heersende regentenmentaliteit is het gezin ternauwernood  ontkomen. Vader liet zich genadebrood uitdelen in de vorm van een bescheiden functie als gemeentebode, de laagste die op kantoor te vinden was. Op zijn 45e verjaardag heeft de zelfstandige akkerbouwer besloten een andere weg in te slaan. Er moet vooraf met mensen over gepraat zijn, maar niet met Herman. Wie of wat heeft Vader overtuigd, overgehaald? Zijn nieuwe bazen hebben hem een lijst verplichtingen toebedacht: een uniform dragen, werken in avondtijd, op kantoor koffie rondbrengen aan wie trek krijgt. Het is, alsof op kantoor alles bijeen is geveegd waarover al jaren ergernis bestond. Alleen huisvesting naar eigen wens wist Vader te handhaven. Een huurhuisje pal tegenover de werkplek heeft hij afgewezen. De verkoop van het bedrijf leverde voldoende geld op om een keurig huis te laten bouwen: tot blinde afgunst van menige collega en hoger geplaatste. Die verdomde boer met zijn kasteel.

3

Hoe heeft dit kunnen gebeuren, welke krachten zijn werkzaam geweest? Herman kijkt in verwarring terug op de laatste maanden. Eraan denken, blokkeert zijn gedachten in schaamte en angst, al snel opgewaardeerd tot regelrechte haat. Deze keert zich tegen zijn ouders, de buren, de werkgever van zijn vader, de winkelier van de SRV winkelwagen, de dorpshuizen en de straatstenen: wie in vredesnaam laat zich verlagen van zelfstandige landbouwer tot kantoorslaaf? Vooral dit raakt hem: opgeven van je vrijheid is geen optie, al ben je in de praktijk overgeleverd aan de belastingdienst, zoals Vader het dikwijls benoemde. Karigheid is beter te dragen dan horigheid en schaamte.
De sfeer in huis zakte van meet af onder het vriespunt. Vader probeert zich uit alle macht te handhaven in zijn nieuwe habitat, hij zweeft tussen een stalen verleden en een toekomst van bordpapier. Moeder daarentegen past zich moeiteloos aan, dominant en sluipend, gewend om zich baas in huis te voelen. Binnen een week na de verhuizing kon je per vertrek aangeven in welke mate haar zeggenschap van toepassing is. Woonkamer, hal en keuken voor 100%, net als de ouderlijke slaapkamer op de eerste etage en alle sanitaire voorzieningen. De resterende bovenvertrekken 80%, een voorzichtige schatting: Moeder loopt Hermans kamer binnen zonder kloppen en snuffelt in zijn agenda en cahiers. Alleen de garage ontkomt aan haar totalitair gezag. Hier moet ze delen met Vader, die er zijn auto stalt en zelfs met Herman, vanwege diens brommer, een opzichtig rode Kreidler. Regelmatig klaagt ze dan ook dat deze stinkt of in de weg staat. Moeder zou beter in een klooster gaan wonen.

4

Herman posteert zich voor het raam van zijn slaapkamer, uitzicht over de achtertuin, daarachter de muur van een belendende garage, stevig gehinderd door een dubbel woonhuis, bomen, meer naar links andere woningen, een straat met geparkeerde auto´s, mensen die op de stoep lopen.
Was ik maar dood. Hij bekijkt de sluiting van het venster, in de wetenschap dat dit geen nieuwe inzichten zal brengen. Het raam openen, met gespreide armen voorover neerslaan op de gewassen grindtegels. Dood zal ik niet zijn, maar mogelijk wel invalide, prooi van een tweewielig karretje en een kwijlbak, elke dag onder de verwijtende blikken van Moeder. Na drie weken zal zij bij Vader aandringen op mijn vertrek naar een tehuis. De gemeente gaat hen hierbij helpen.
Met gesloten ogen laat hij beelden van de afgelopen week passeren. Zijn vader, met een duimstok rondkruipend in de verse tuin, alsof met de inkrimping van zijn territorium ook zijn verstand is verschrompeld. In huis tikt de kostverdiener nog elke ochtend met zijn duimnagel tegen de mee verhuisde barometer. Alsof het erop aankomt welk weer het wordt, op kantoor. Moeder is in de woonkamer ineens met viltjes komen aanzetten. Hierop moeten voortaan de theekopjes worden neergezet, om de nieuwe tafel te vrijwaren van krassen of vlekken. Nog erger: zij heeft de werkster de stoelen rond de tafel laten inzepen met teakolie. Je mag niet meer achteroverleunen: daar komen witte vlekken van. Niet op je kleding, maar op de verdomde stoelen. Tegen een der kamerwanden is een hertshoorn in een pot geplaatst. Herman heeft er al eens bleekwater bij gegoten.
Wat een klerezooi. Hij proeft de woorden. Wat een allejezusse takkenbende.
Hij steekt een sigaret aan, blaast rook naar het vers gekalkte plafond, voelt zich draaierig worden en staart andermaal uit het raam. In zijn uitzicht gebeurt niets, terwijl er van alles in de weg staat.

5

Dagen als in bezettingstijd. Geen enkele ochtend meer ontwaken in het dromerige loeien van koeien, de zachte dreun van een tractor, de notie van zinvol werk. In de week starten auto’s in alle vroegte, een klusbedrijf hanteert de drilboor, Vader spoedt zich naar kantoor. Vandaag is gelukkig een zaterdag. Herman is in de morgen voor een paar lesuren naar school geweest. Deze ligt op ruime afstand van het dorp, maar op zijn brommer duurt de rit niet langer dan 20 minuten. Het zijn minuten die hij koestert.  Snelheid als middel om tijdelijk uit de benauwdheid te breken. Tegelijk lijkt het landschap dat hij doorkruist hem vijandig geworden: vuile deserteur. In een polder kun je ver zien. Hermans brein is doortrokken van de geometrie waarmee zijn habitat ooit werd aangelegd. Voortrazend op twee wielen stijgt en zakt de adrenaline in zijn bloed, al naar gelang hij oude plaatsen passeert: ik ben een Indiaan, versmolten met mijn omgeving, er is geen onderscheid.

6

In vaste slagorde staan de pannen op de eettafel. Vanaf de scheidingswand tussen kamer en keukentafel, zijn dat de groente (vandaag andijvie), de juspan (met gehaktballen) en de aardappelen (kruimige). De vla wacht nog in de keuken. De onwrikbare opstelling dateert uit het vorige huis en is onverkort overgenomen. Niemand haalt het in zijn hoofd aardappels en groente voor een keer van plek te wisselen. Neven de borden liggen lepels en vorken, sinds kort ook messen, waar eerder nooit met mes en vork werd gegeten. De messen hebben een zwart bakelieten heft. Na een kort gebed in stilte (ieder voor zich) schept Vader zijn bord vol en begint te eten, zwijgend en systematisch; van links naar rechts zal zijn bord leger en leger raken. Een paar jaar geleden heb ik in een driftaanval zo’n keukenmes doormidden geslagen. Nog geregeld zoekt Herman hiervoor bevestiging in de keukenlade, waar inderdaad slechts 5 messen liggen tegen 6 vorken en 6 lepels: ik moet wel heel kwaad zijn geweest. Maar mijn woede is gekanaliseerd, niemand die er iets van bemerkt.

7

In de middag loopt hij een ronde door het dorp, volgens een vaste route, in hetzelfde tempo, met gelijkmatige onverschilligheid voor wie hij tegenkomt. Lopen om te lopen, energie kwijt te raken, drift te doen slijten. Wat zei Moeder onlangs? Wat loop jij raar, er zit een huppeltje in. Herman was te verbouwereerd om haar af te snauwen.
Ter hoogte van de bakker stuit hij op Johan Bruinvis, met wie hij ooit samen naar de hbs ging, een project dat voor de voltallige jaargang van de dorpsschool mislukte. Johan is van de sociale soort, houdt van organiseren en dingen gedaan krijgen. Hij wil onderwijzer worden.
Je moet vanavond naar het Kluphuis komen. Aan de woordklank kun je horen dat Kluphuis met een K en een P wordt geschreven, niet met een C en een B. Verveling wordt tegenwoordig beloond met een eigen hok waar je mag doen wat je wilt. Zoiets heet een jeugdprogramma.
We hebben een politieke manifestatie van de PSP. Film en discussie, een biertje.
Herman is allesbehalve overtuigd, maar knikt. Het alternatief, thuis zitten wachten tot Moeder de tv na het journaal van 8 uur afzet waarmee hij naar zijn kamer wordt verdreven, lokt nog minder.
Het bier kost bijna niets. We hebben budget, al zal het geld binnenkort op zijn.
Het lijkt of Johan hem wil omkopen, maar het is vooral enthousiasme. Aan ieder ander zal hij dezelfde uitnodiging geven. Herman zegt toe. Ik kan nog altijd wegblijven, verhinderd zijn om bijvoorbeeld mijn ouders een gezellige avond bezorgen. De gedachte brengt zowaar een glimlach bij hem teweeg.

8

Tegen dat het journaal afloopt en een man komt vertellen welk weer er de komende dagen aankomt, stapt hij op. Bij de wasbak op de bovenverdieping poetst hij zijn tanden zonder zichzelf in de spiegel aan te kijken. Leven is gewoon het verrichten van handelingen, de ene na de andere, alsmaar door. Je ontwaakt, begint te bewegen en tegen sluitingstijd ga je naar bed.
In de garage is Vader begonnen een lekke koffiezetter te herstellen. Evenmin als zijn zoon wil hij in de woonkamer blijven plakken. Herman ziet een tube hittebestendige lijm liggen, maar zegt er niets over: dit gaat niet werken, arme vader, stomme ezel.
Hij rolt zijn Kreidler brommer naar buiten, zet de helm met eigenhandig geschilderd doodshoofd op, trapt de machine aan en scheurt de straat uit. Naar het Kluphuis, voormalig klaslokaal op de rand van een ijsbaan. Het is een ritje van niets. Tegen een lantaarnpaal waarvan de lamp in balorigheid is gesneuveld, staan meerdere fietsen.
In dit gebouwtje heb ik wiskundeles gehad. Het is pas twee of drie jaar geleden, maar het voelt aan of ik een bejaarde ben die terugkijkt in verwondering. Ik bracht het er goed vanaf, met goede cijfers, maar wat is goed wanneer je geen idee hebt waarheen te gaan, waartoe je verder zou leven?

9

Het interieur is sinds zijn laatste bezoek nauwelijks veranderd: een kale houten vloer, afgedankt schoolmeubilair, een krijtbord waarop allerhande mededelingen over optredende bandjes en fotootjes van de lang voorbije kermis prijken. Hermans blikken glijden willekeurig rond.
Na mijn vertrek is de school opgeheven. Een tijdperk kwam ten einde: het Mammoetonderwijs deed zijn vrolijke intrede, feestpakketten naar eigen keuze, niemand die nog Frans leert om iets te noemen.
Hij steekt vaag zijn hand op naar bekenden van vroeger, knikt naar anderen, vraagt zich af waarom hij als vreemde eend meteen wordt opgenomen en loopt door naar de achterkant van het lokaal. De wasbak met koudwaterkraan kent hij nog. Zelfs de zeephouder blijkt in orde.
Hij draait zich om en laat zijn blik andermaal langs de wanden dwalen. De ramen zijn geblindeerd zoals in een Kluphuis voor opgeschoten jeugd betaamt, posters decoreren de eigentijdse codes: een meisje in erotisch silhouet tegen de rode avondzon, reclame voor Italiaanse sportwagens in wit en groen en de iconische kop van Che Guevara, Cubaans revolutionair en arts, sigarenroker en avonturier, afgemaakt in Bolivia waar hij problemen zocht met het gezag. Bij de amateuristisch getimmerde bar scoort Herman een biertje, dat hij gratis meekrijgt.

10

De socialisten laten op zich wachten. Om 20.00 uur behoren zij er zijn, maar om half 9 is van hen nog geen spoor te bekennen. Herman betrapt zich erop, dit vervelend te vinden, waar het hem niets zou moeten uitmaken. Bij mijn vader moesten mensen niet proberen een half uur te laat komen. Zo ben ik ook, al denken mensen soms dat ik een lapzwans ben: tijd is tijd en wie te laat komt, kan beter meteen opsodemieteren.
Johan komt even gezellig babbelen. Hij heeft alweer een biertje voor Herman meegebracht. In zijn kielzog scharrelt een jongen, die zijn bewondering uitspreekt over de snelheid van Kreidler. Herman voelt zin om hem een klap te verkopen. Toch zegt de snotneus iets dat tot nadenken stemt: op het politiebureau loop je in de gaten met die brommer, kijk maar liever uit.
Herman knikt. De snelheid waarmee hij geregeld en dan nog overdag langs de politiepost rijdt, is inderdaad een uitnodiging hem staande te houden. Zijn blik blijft rusten op een zwartharig meisje, een Molukse, in oorsprong tenminste iemand uit een verloren kolonie. Het meisje kijkt terug. In een fractie van tijd worden essentiële zaken beslist.
Vanavond dus discussie. Johan plakt aan hem. Jij weet veel van politiek, lijkt me. Het zou leuk zijn om ze van katoen te geven. Wat denk jij?
Herman verstrakt. Hij denkt niets,  behalve dat hij genaaid wordt.

11

Om kwart over 9 betreden twee tanige mannen in spijkerpak eindelijk het gebouw. Geen twijfel mogelijk: de socialisten zijn gearriveerd. Er weerklinkt een kort gejuich als een van de heren verklaart dat ze wegens de ligging van het gebouwtje nogal hebben moeten zoeken. Steeds maar weer zijn ze uitgekomen bij de Kerkhoflaan. Onbedoelde humor is ook geschikt om mee te lachen.
Dit, terwijl we een hekel hebben aan autorijden. De toevoeging bevalt Herman matig. Liever dan op een brommer zou hij zich verplaatsen in een geblindeerde Mercedes. De mannen laten zich Keesjan en CeePee noemen. Het is twijfelachtig of ze in de burgerlijke stand ook zo staan vermeld.
Stoelen worden bijeen geplaatst en de platenspeler afgezet. De bezoekers installeren een draagbare projector met deksel luidspreker en ritsen een projectiescherm uit een koker. Ze zijn het kennelijk gewend in sobere omstandigheden te moeten werken.
We willen een korte film tonen over een Zuid Amerikaans land. De langste man (Keesjan) probeert de beeldmachine op te starten. Helaas moeten eerst elektrische snoeren uit de knoop gehaald worden om het stopcontact te kunnen bereiken. Herman komt erbij staan, steekt geen vinger uit, maar zegt wel: je kunt een snoer voortaan beter oprollen. Bij de balie weet hij een derde bier te bemachtigen. Deze keer moet hij twee kwartjes betalen.

12

De film begint onder luid geroep dat het stil moet worden. Dit initiatief komt niet van de partijmannen; de geluiden stijgen uit het publiek dat ongemerkt is aangegroeid tot een man of 20.
Het elektrisch licht gaat uit. Een ogenblik is het volslagen donker. Dan volgen bevende beelden in zwart wit, ze schuiven van links naar rechts. De meeste revoluties beginnen links en eindigen rechts.
Sinds de staatsgreep is Peru een dictatuur, licht CeePee toe. Zijn maat is erbij gaan zitten en rolt een sigaret. De macht is in handen van een rijke elite en voor de boerenbevolking is weinig hoop.
Herman schiet in de lach, het gebeurt gewoon.
Wil je iets zeggen?
Jawel. Dat zegt mijn vader ook altijd: dat er voor boeren weinig hoop is. Daarom werkt hij nu voor de gemeente.

Het lachen in de zaal houdt zolang aan dat de film moet worden stilgezet.
Laten we even serieus blijven en eerst de film afkijken. Daarna kunnen we verder praten.
De projector ratelt, maar beeld blijft uit. Het gewone licht, oude tl buizen uit de schooltijd, moet aan. Licht aan, licht uit. Zo stond ik vaak in de grote schuur als ik er ging voetballen. Ik probeerde te bewijzen dat elektriciteit tijd nodig heeft om van de schakelaar tot bij de lamp te komen.
Herman sluit zijn ogen. In de consternatie is het Molukse meisje ongemerkt naast hem neergestreken. Voorzichtig als een roofdier snuift hij haar geur op: muskus. Er is nog niets gebeurd, de twee kennen elkaar niet eens bij naam, maar je kunt met zekerheid voorzeggen wat er staat te gebeuren.
Wat een heerlijk geurtje heb je op! Mag ik even echt ruiken?

13

Paraderende militairen en brandende gebouwen in Lima, tanks op de pof gekocht in het buitenland. Velasco Alvarado, aan de macht gekomen via een militaire staatsgreep in 1968, jaar van wereldwijde opstanden. President van de Revolutionaire Overheid.  In het zaaltje maken vreemde namen en verre oorden geen indruk: wat malen Hollandse plattelandsjongeren om bloedvergieten ver van huis?
Aangenaam: Herman. Hoe mag ik jou noemen? Hij fluistert in haar warme oorschelp.
Maudy. Zeg maar Maud.
Zijn arm glijdt als een cobra om haar schouders. In zijn hoofd stampt een oud liedje van de Small Faces: sorry, she’s mine. Maar zover is het nog niet en het is de vraag of dit aan hem is.
Ik blijf je Maudy noemen. Zo gemakzuchtig ben ik niet dat ik een mooie naam zou afkorten.
Alweer gaat het licht aan. De mannen overleggen kort, bijna fluisterend. CeePee staat op van zijn stoel. Het maakt weinig uit of hij zit of staat.
Excuus vrienden. Dit zijn beelden uit Chili, niet uit Peru. Ik stel voor dat we gewoon verder kijken. De situatie in beide landen lijkt nogal op elkaar. Ook in Chili worden mensen die hervormingen willen, verjaagd en soms gedood.
Stilte in de zaal. Herman voelt dat iets in het verhaal wringt. Is het nu een linkse of een rechtse opstand, een staatsgreep, wat is het? Liever trekt hij Maudy voorzichtig naar zich toe: in haar opgaan, overstappen naar een nieuw leven, met haar meereizen en vergeten waar ik vandaan kom.
Toch wil hij ook iets gewoons zeggen, de indruk wekken dat de film hem interesseert.
Ik dacht dat die lui van de PSP pacifisten zijn. Deze film gaat alleen maar over geweld.

14

De voorstelling gaat verder. Veel aanwezigen vinden het wel prettig, zo in het halfdonker. Je hoort dat her en der de kat geknepen wordt. De projector zoemt in geruststellende regelmaat. Ging het met revoluties ook maar op die manier.
Een dorp in de Andes. Keesjan doceert over beginselen van arbeid en kapitaal. Hij kan het niet laten. Herman luistert zonder belangstelling, begrijpt dat Chili een tamelijk koud land is, wegens de hoogte. Maudy buigt zich naar hem toe en maakt een verlate opmerking die hem verrast.
Ze zijn niet van de PSP maar van de CPN, het zijn communisten.
Het duurt even voor Herman zijn gedachten opnieuw heeft geordend. CPN? Waarom had Johan het dan over de PSP? Er zit zoveel klankverschil tussen beide woorden dat hij het onmogelijk verkeerd kan hebben verstaan.  
Vanuit de gemeenschap is een commune opgezet waaraan ook vrouwen deelnemen.
De stem komt deze keer uit het plastic luidsprekerdeksel. Drie vrouwen verschijnen in beeld. Hun gezichten  staan op onweer, ze schreeuwen en gesticuleren. De luidsprekerstem vat dit gekrakeel samen: De vrouwen  beklagen zich over corruptie. Op de markt zijn zij steeds meer geld kwijt.
Het is een uitnodiging om de clown te gaan uithangen. Ergens links van Herman verheft een jongeman zijn stem.
Op de markt is je gulden een daalder waard!
Herman lacht mee, minder om de opmerking zelf dan omdat er geen serieuze stemming op gang wil komen. De warmte van het meisje maakt hem week en toegankelijk, hij merkt het aan zijn ademhaling en het bevalt hem maar matig.
Maudy, ik ben zo terug. Denk ik. Wie zal het zeggen.
Herman komt overeind, werkt zich voorlangs anderen. In aanvang is hij van plan naar de wc te gaan, maar onderweg bedenkt hij dat dit er een beetje raar kan uitzien. Daarom loopt hij naar de bar en trekt twee pijpjes bier uit een krat. Wie gaat hem dit verbieden? Thuis mag hij nog geen pak melk uit de koelkast nemen zonder toestemming. Niemand reageert.
Hee kijk, je moeder zit erbij!
Kennelijk toont de film een grappig moment. Gelach neemt de overhand, maar CeePee grijpt in. Hij kent het klappen van de zweep.
Let op! Daar heb je de politiek commissaris, een voorman uit de guerrilla beweging. Ik zie trouwens, dat het toch een film over Peru is.
De flesopener zit met een touwtje vast aan de bar. Herman keert terug naar zijn stoel en overhandigt Maudy een flesje. Ze schuift gezellig tegen hem aan.
Wat lief! Wel een beetje brutaal..
Nog vijf minuten
, eist CeePee geërgerd over de interrupties, zolang kunnen we het toch wel volhouden! Uit de zaal komt het antwoord: Nou, dadelijk ga ik huilen.

15

Aan alles komt een einde, zelfs aan socialistische films waar de jeugd veel van kan opsteken. Het helse licht van de tl balken aan het plafond blijft na afloop achterwege. Er blijkt een heuse schemerlamp te bestaan, mogelijk door iemand van huis meegebracht. De film is afgelopen. De meeste aanwezigen hebben geen notie waar Peru ligt, of Chili, wat maakt het uit. De mannen proberen desondanks de moed er in te houden. Ze zien zichzelf als zendelingen, brengers van een boodschap waaraan het land behoefte heeft.
Maar jullie kennen zonder twijfel Che Guevara!  Zijn poster hangt hier immers aan de wand.
Helaas. Verder dan Cuba en Fidel Castro komt het niet. Jonge mensen weten bitter weinig van wat hen voorging en, eerlijk is eerlijk, in geen enkele krant stond ooit duidelijk hoe dicht de wereld langs een kernoorlog scheerde wegens de Cuba Crisis nog geen tien jaar eerder. Onwetendheid is tegelijk de redding en de ondergang van de wereld.
Hermans gedachten dwalen af, het lijkt wel of zijn hersenen zich inspannen om de avond te verpesten, hem elke vreugde willen ontzeggen nog voor deze op gang kan komen.
Wat moet ik met een vriendin? Mijn moeder zal Maudy aanstaren, haar wegen als een zak sinaasappels. Ze zal vragen wat haar vader voor werk heeft en vooral denken aan de gevaren van onze verkering: zwangerschap omdat ik een stomme ezel ben, nee, omdat ik een man ben en mannen maar aan 1 ding denken, godverdomme. Na de kennismaking zal ze zeggen dat ik beter mijn huiswerk kan gaan maken, dat daar nog wel wat te winnen valt.

16

Hij steekt zijn hand op en trekt de aandacht van CeePee, die het zaaltje gebaart wat minder kabaal te maken: Een vraag. Zeg het maar!
Herman haalt diep adem. Hij is niet gewend te spreken in een groep, al helemaal niet om de aandacht te trekken. Eerder is hij een meester in onzichtbaar worden en verdwijnen.
Wat vinden jullie erger: een linkse of een rechtse dictatuur?

17

Om het vertrek van de zich tot communist ontpoppende socialisten te bevorderen en met Maudy te kunnen dansen, helpt Herman de mannen met de snoeren en het scherm. Keesjan is baas over het materiaal. Herman bekijkt zijn gelooide gezicht, te vroeg verouderd door zorgen over het kapitaal en bovenmatige tabaksconsumptie. Hij spreekt hem toe, zoals je een kind kennis bijbrengt.
Che Guevara? Na Cuba kwam Bolivia. Niemand daarginder wilde hem, hoogstens om hun kwalen en zweren te tonen, of hij er iets aan kon doen. Hij was immers arts. Ze hebben Che verraden en vermoord. Weet je dat zijn handen werden afgehakt om met de vingerafdrukken een premie te kunnen opstrijken? Met die handen sjouwden ze dagenlang door het oerwoud.
Veel mensen zijn blij met een kroket, een bloem, een gebaar van erkentelijkheid of vriendschap. Communisten veren op bij gebleken kennis van de Heilige Zaak.
Jij weet er dus wel van! Waarom zei je daarnet niets? Nu kunnen wij er niets meer mee.
Het klinkt verwijtend, zelfs een beetje verbolgen. Herman slaat meteen terug.
Ik begrijp nog steeds niet waarom jullie een dictator goedpraten. En wat is er verheven aan ongeschoolde arbeiders? Denk je dat iemand hier zich voor revolutie interesseert? Revolutie tegen wie, tegen wat?

18

Herman voelt zijn boosheid toenemen, maar breekt zijn betoog af omdat hij oog op Maudy wil houden. Zij staat bij Johan en een derde, iemand met een gezicht om meteen te vergeten. Ze lijken zich nogal te vermaken.
Het is de sukkelaar die op school jaar in jaar uit moeite had met lezen. Hessel of Kessel, weet ik veel. Waarom zou je met zo iemand willen praten, waarover dan?
Naast hem praat PeeCee gewoon door, kennelijk zonder op te letten of Herman luistert.
Niet alles kan in deze setting, vriend. Mensen zijn niet dom, hoogstens onontwikkeld. Waarom kom je niet een keer naar een bijeenkomst van onze partij? Daar krijg je de echt belangrijke zaken te horen.
Naar een vergadering van de CPN? Herman is de zoon van een vrije boer, gedegradeerd, maar toch. Zijn oorlog gaat niet tegen Kerk of Kapitaal, maar tegen zijn ouders, schoolmeesters, duffe dorpsgeest, tegen zichzelf.
Ja, schei maar uit. We gaan zo sluiten.

19

De kleine man roept naar het uiteenvallende publiek, het zoveelste verzoek om stilte.
Luister even. Wij komen helemaal uit Amsterdam en krijgen geen cent subsidie voor dit werk.
De aanwezigen begrijpen hem wel en scanderen voor de grap: CeePee, CPN! CeePee, CPN!
Ieder werpt een muntstuk in de pet die rondgaat. Het zijn allemaal toegankelijke jongens en meisjes, vreedzaam, liever lui dan moe.

20

Tegen middernacht verlaat Herman met het laatste groepje het Kluphuis. De langspeelplaten zijn minstens twee keer gedraaid, er is gedanst, de kratjes bier zijn leeggedronken en evengoed werd niemand zat.
Johan heeft de kwestie over PSP en CPN uitgelegd: ik dacht dat je anders niet zou komen.
Het blijven raadselachtige woorden.
Maudy duikt op aan Hermans zijde, juist voordat hij zijn brommer wil bestijgen, de stilte verscheuren met de huilende cilinder.
Ik ben je heus niet vergeten hoor. Breng je me naar huis?
Hij is in de war, voor even toch. Dan schiet hem een vraag te binnen.
Wat zag ik daarstraks: drink je sherry? Was het witte wijn?
Ten diepste wil hij van haar af. Of met haar meegaan, samen in haar bedje kruipen en nooit meer thuiskomen. Elk compromis hiertussen is twijfelachtig en vervelend. In gedachten staat hij al voor de woning van zijn ouders, het valt te bezien of zij eraan hebben gedacht de sleutel onder de vuilnisbak te leggen.
Dan ben ik verplicht aan te bellen als een bedelaar. Een eigen sleutel is onbespreekbaar, want die zal ik maar verliezen. Je moet gewoon op tijd thuiskomen. Hij voelt dat hij transpireert.
Wijn? Dat is er niet. Het is whisky. Johan heeft een geheime fles onder de balie.
Ze heeft hem wel gehoord. De schat klimt bijna tegen hem op, heft haar gezicht en glimlacht gelukzalig. Het wordt de hoogste tijd zijn nieuwe vlam te omarmen en te kussen zoals geliefden doen, met handen overal en hete gedachten. Een wrede steek doortrekt zijn brein.
Ze is een voormalig liefje van Johan. Terwijl ik werkte op het land van Vader, zat Johan met zijn vingers aan Maudy. Ik ben voor alles te laat. Ik ben een indringer, een parasiet.

21

De tongkus duurt ellenlang. De anderen vertrekken zonder afscheid. In de nachtelijke koude kruipt Maudy dicht tegen hem aan, achterop de brommer. Ze slaat haar stevige armen om zijn middel. De machine start feilloos. De machine is de enige met toekomst.

Monk,  maart 2020
naar aantekeningen uit 1980
Foto: Monk

16 maart 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Plagues and people

Plagues and people

Maandagochtend 16 maart 2020, 8.30 uur. De straat is stil, doodstil. Ik ontwaak met muziek in mijn hoofd: everything is coming to a grinding halt, van The Cure. Meteen realiseer ik mij, dat het land op slot zit, het uitgaansleven is afgeschaft, scholen dicht, het sociale leven teruggedraaid naar het niveau dat mijn moeder haar hele leven nastreefde. Vergeefs zoek ik in mijn geheugen naar een vergelijkbare situatie die ik meemaakte.
Denkend aan mijn jeugd, schiet mij een voedselproduct te binnen dat ik in geen 50 jaar gegeten of zelfs maar heb geroken: broeder.

Wat heeft hier met wat te maken? Het is hoe mijn brein werkt: associatief, grillig, onvoorspelbaar. Je kan stellen, dat ik mijn hersens niet in de hand heb. Het komt er op neer dat ik onraad bespeur: angst voor armoede.
Het land verkeert in een situatie die nog bijna niemand kan bevatten. Armoede, verval van inkomen en vooruitzichten, ligt op de loer. Mijn leven lang ben ik mij bewust van kwetsbaarheid en dreiging: niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook maatschappelijk, een vage maar onmiskenbaar aanwezige vrees voor mensenmassa’s, opgejaagd door duistere krachten. Wij leven in een luchtbel van zelfbedachte veiligheid.

Broeder is een ouderwets deegproduct dat weliswaar vult maar nauwelijks voedt, zonder vitaminen, lastig te maken bovendien omdat het gedurende de bereiding in een linnen zak zomaar kan instorten en verworden tot een smerige klomp varkensvoer. Moeder zette dit soms op de zaterdagse eettafel, met name  in de wintermaanden. Geen wonder, dat we geregeld rondliepen met steenpuisten, symptoom van tekorten aan verse groenten en fruit. De stank van door de huisarts verstrekte teerzalf krijg ik nooit meer uit mijn neus.

Moeder had al op jonge leeftijd de neiging om haar orders op het laatste moment kenbaar te maken. Ingeval er broeder op tafel werd gedacht, uitte zij dit idee enkele uren voor de maaltijd, niet bijvoorbeeld drie dagen eerder. Met als gevolg, dat mijn zus of ik acuut naar het meest nabije dorp werd gestuurd om ginder bij een bakker een dubbeltje gist te halen, verpakt in een vierkant papiertje ter grootte van een flinke dobbelsteen. Gist is een onmisbaar onderdeel voor de bereiding van broeder. Eenmaal aan tafel, aten we deze aan keukenspons verwante troep met stroop en gesmolten boter. Wat overbleef, werd een paar dagen later opgebakken in dikke plakken, als avondmaaltijd voor ons kinderen wanneer we van school kwamen.

Everything is coming to a grinding halt. Muziek is in mijn leven een transmitter, boodschapper van het onderbewustzijn. Ik beschouw het als intuïtie. Onbewust is dit verschijnsel in de loop der jaren gecultiveerd, of de weerstand ertegen opgegeven, dat kan ook. In mijn schedel malen dag en nacht ritmes en riffen. Stilzitten is mij niet gegeven: aan mij beweegt altijd wel iets, bij voorkeur staccato. Beweging begeleidt de gedachtegang als eindproduct van een permanente reis door het onbewuste.

Broeder staat bij mij voor armoede, de term die ook bij me opkomt wanneer ik denk aan de manier waarop wij collectief omgaan met het coronavirus. De politiek getinte toespraken van onze premier, reacties van gewone mensen op straat, het hersenloze gewauwel van BN’ers over het virus, de arrogantie van vaste panel leden in het praatjesprogramma van BNN/VARA: de Aziaten hebben het virus onder controle gekregen omdat het gedweeë mensen zijn. Gedwee, dus niet bijvoorbeeld gedisciplineerd of omgevingsbewust. Inmiddels is Europa het epicentrum van de uitbraak.

Deze dagen ervaren we weinig staatsmanschap en omgekeerd juist veel slecht verpakt partijbelang. De inhoud moet komen van mensen die geen deel uitmaken van embedded vaste commissies: filosofen, historici, medisch specialisten, samen te vatten als het denkende deel van de natie. Dertig jaar onderwijsafbraak kon niet bewerkstelligen dat deze categorie nog altijd bestaat. Nota bene Rutte zei dat we conclusies aangaande het virus niet aan (onder meer) historici kunnen overlaten. Nee, liever aan economen die geen enkele crisis zien aankomen. Ik adviseer hem en u om het in 1976 verschenen Plagues and people van historicus William McNeill te lezen, over de invloed van besmettelijke ziekten op de loop der geschiedenis. Dit boek is nog altijd nieuw verkrijgbaar.

Op de zinvolle adviezen van deze in beginsel belangeloze mensen bouw ik maar, in de hoop dat het land onder gebrek aan uithoudingsvermogen en discipline niet zal inzakken tot een kleffe brij, alleen geschikt voor de hond in de pot.

Monk
16 maart 2020
(foto: Monk)

1 maart 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Sterrenstof

Sterrenstof

Oostzaan

Bij Sterrenwacht Oostzaan volgde ik enige cursussen: kosmologie, fysische geografie en astronomie. Oud hoofdonderwijzer Jan Voet draagt zijn kennis van het universum met liefde en precisie uit.
Denk erom, waarschuwde hij meer dan eens, astronomie heeft niets te maken met astrologie. Alleen al voor zijn gelaatsuitdrukking wanneer hij het woord astrologie proeft, geef ik het volle cursusgeld.

Astrologie, de wijsheid die wordt ontleend aan de stand van sterren en planeten op een specifiek moment. Afhankelijk wanneer je bent geboren, uitgedrukt in zogenaamde sterrenbeelden, kun je leren over je karakter, kansen op voorspoed en dreigende gevaren. Door de oude Grieken en Romeinen werden op vergelijkbare manier schapendarmen en oude pis bestudeerd.

Niet bij brood alleen*, luidde de politieke slogan van het CDA in 1977. Hiermee werd ingespeeld op de aloude behoefte van de mens aan zingeving, anders dan door arbeid en investeringen.  De slogan was intelligenter dan het militante Voorwaarts en niet vergeten van de PvdA en het onsamenhangende Vrijheid, werk, samenleving van de VVD.  De mens heeft behoefte aan spiritualiteit, hoe irrationeel deze ook mag zijn.

In Wikepedia kun je lezen hoe uitgebreid, om niet te zeggen ongebreideld, de geschiedenis van spiritualiteit is. Het gaat van Lou de Palingboer naar scientologen, van transcendente meditatie naar humanisme, van materialisme en neoliberalisme naar mindfulness en veganisme. De lijst is oneindig en kritiek nodigt uit tot felle discussie of erger. Blijft staan, dat de mens niet bij brood alleen wil leven. Ten diepste is hij/zij irrationeel en emotioneel, op gezette tijden zelfs levensgevaarlijk voor andersdenkenden.

Een onschuldige afwijking op logica en rationaliteit betreft de astrologie. Astrologie grijpt ongetwijfeld terug op een oeroude menselijke behoefte aan uitleg en troost. Daarbij bestaat permanent de mogelijkheid omhoog te kijken naar het nachtelijk uitspansel. God kun je niet zien, maar sterren en planeten wel.

In bladen als Margriet en Libelle, alsook in bijna elke dagelijkse krant kun je lezen over wat de sterren voor jou in petto hebben. De teksten zijn zo grofmazig en vaag dat je er alle kanten mee uit kan, reden voor lezers om er achteraf belangwekkende aanwijzingen in te vinden. Meestal is het onschuldig tijdverdrijf, zoiets als een recept waar je nooit aan begint of de weersverwachting voor een gebied waar je toch niet heen gaat. Geen vrees, geachte Monkwisers: de sterren hebben helemaal niets in petto. Het zijn laaiende kerncentrales op onwaarschijnlijke afstand van de aarde.

Vandaag beleeft astrologie een revival, nota bene onder wie normaliter behoren tot het denkende deel van de natie. In de sociale media circuleren talrijke accounts met duizenden volgers, op datingsites worden sterrenbeelden uitgewisseld om de slagingskans te beoordelen en wanneer het leven hapert, kun je als oorzaak verwijzen naar een ongunstige stand der hemellichamen: Mars en Jupiter stonden niet in conjunctie, dus ja, niet gek dat ik een verkeerde keuze maak. Daarbij past astrologie, als onderwerp waarop je aanhoudend met jezelf bezig bent, perfect in deze tijd. Naar het schijnt wordt er gelukkig ook geregeld gelachen om wat je kunt samenvatten als astrologische belevingen.

Kom ik terug bij Jan Voet en zijn op wetenschappelijke leest geschoeide cursussen. Het universum biedt letterlijk een onafzienbaar domein aan nog onverklaarde fenomenen. Wetenschap is bovendien allesbehalve saai, maar juist een levende bron van kennis en vreugde. Astrologie daarentegen gaat helemaal nergens over. Ik zal dit even bewijzen.

De stand der sterren mag constant lijken, maar dat is zij niet. Alles in het universum beweegt en meestal verdomde snel. Alleen de afstanden en daarmee de tijd die vergaat om iets te kunnen waarnemen, maakt dat de verschuivingen in een mensenleven niet of nauwelijks waarneembaar zijn.
De aarde en andere planeten draaien om onze ster, het zonnestelsel raast door de Melkweg en deze miljarden sterren bevattende cluster is ook al op weg naar nergens.

Het veronderstellen van een sterrenbeeld berust op gezichtsbedrog, een 3-dimensionale mindfuck.  De samenstellende sterren van zo’n toevallige en zelfbedachte voorstelling bevinden zich op totaal verschillende afstand van ons. Er staan geen draken, vissen en stieren aan het firmament, alleen maar menselijke projecties van angst en hoop.

Laat dit geen domper zijn, maar juist een aansporing om astrologie in te ruilen voor astronomie. Stop met enig belang te hechten aan de stand van het steendode planeetje Mercurius, als oorzaak van pech of liefde. Astrologische kennis schijnt tegenwoordig statusverhogend te zijn. Wat dacht u van het tegendeel?

Monk
1 maart 2020

Foto: Monk

10 februari 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Barcelona Eldorado, een stolling in de tijd

Barcelona Eldorado, een stolling in de tijd

Het betreft een enorme locatie in de duinen met imposante gebouwen en walmende schoorstenen, ongeziene silo’s en neerdrukkende muren. Een deel van deze spookstad bevindt zich ondergronds. Je kunt er gemakkelijk verdwalen. Locomotieven slepen wagons vol kolen, erts en kokend staal over het terrein. Vrachtschepen meren aan om lading te lossen, het lawaai is oorverdovend, stofwolken rollen naar alle kanten, vogels die overvliegen hebben een goede kans dood neer te vallen.

Inleiding

Al woonde hij op flinke afstand, Reindert Wieland kende Hoogovens NV van kindsbeen af zonder zelfs de schoorstenen te hebben gezien. In zijn groene leefomgeving was de naam synoniem voor elke vervelende geur van elders, om het even uit de Zaanstreek, het Amsterdamse havengebied of de IJmond. Je ruikt de Hoogovens, was een gangbare uitdrukking. Eind jaren vijftig maakte hij hardhandig kennis met zogeheten hoogovenslakken, uitgebrand en messcherp puin dat je voor een habbekrats kon bestellen om rijpaden op te hogen. Hij ging met de fiets onderuit op het dijkpad voor zijn ouderlijk huis en doorstond jammerend de schoonmaakactie om gruis uit zijn gehavende knie te verwijderen:  ja jongen, moet je maar uitkijken!

Hoofdstuk I

Met zijn benen languit op het pluche zat Reindert in de schuilplek voor spijbelaars, leeglopers en krakers. Het betrof een heel oud café zonder drankvergunning, gelegen aan een smalle gracht in het oude deel van Alkmaar, de stad waar ooit de Victorie tegen Spanje begon. Het afgetrapte etablissement opende om een uur of 10 in de morgen en sloot tegen middernacht. Grammofoonplaten werden er grijs gedraaid, thee en koffie werd onafgebroken geserveerd en met geluk kon je een tosti bemachtigen. Dit alles tegen vriendenprijs, want chef Patrick was er de man niet naar om jongeren het vel over de oren te trekken.

Met een half oor luisterde Reindert naar de mededelingen die hem door opgewonden klasgenoten werden aangeleverd. Op deze dag, minder dan een uur geleden, waren de examenuitslagen van de hbs bekend gemaakt. Reindert had niet de moeite genomen zijn verwachte nederlaag persoonlijk in ontvangst te nemen. Slecht nieuws reist snel en dus was hij gewoon in het café blijven zitten.
Het kwam erop neer, dat hij twee vakken moest overdoen. Eigenlijk viel de schade nog mee, zo kwam uit de toonzetting van de boodschappers naar voren, maar Reindert wist wel beter. Nagenoeg niets begreep hij van de gewraakte examens boekhouden en handelsrekenen, zelden had hij de deprimerende boeken opengeslagen, huiswerk had hij op z’n best overgepend van anderen.
Ik ben volkomen kansloos, maar ik kan het niemand uitleggen.

In het ietwat chaotische gesprek kwamen ook leuke details aan het licht. Het lerarenkorps had over Reinderts resultaten langdurig vergaderd. De meeste docenten hadden de hardleerse spijbelaar zonder pardon de genadeslag willen toedienen, maar anderen hielden hem kennelijk de hand boven het hoofd.

“Ga even zitten”, onderbrak Reindert de woordenstroom, “laat het universum op je inwerken. Sigaret?”
Hij vond het wel aardig om klasgenoten als het ware te ontvangen in een omgeving die hen vreemd was en waarin hijzelf bekend was als de bonte hond.
“Geld om jullie te trakteren heb ik niet. Ik ben straatarm. Dat is omdat mijn ouders al het geld opmaken. Zelfs de voor mij ontvangen kinderbijslag gaat eraan. Heb ik al gezegd dat ze komend weekeinde naar de Veluwe gaan?”
De nieuwkomers, drie jongens en een meisje, schoten in de lach. Ze bestelden een glas thee aan de bar en schoven aan op de ribfluweel bank, het pronkstuk van het café. Sjonge jonge: dus hier was Reindert wanneer zij zelf braaf in het leslokaal zaten!
“We hebben nog naar je gezocht”.
Reindert probeerde vergeefs de naam van het meisje te achterhalen, maar liet niets merken.
“Iedereen zoekt mij. Maar zeg eerlijk: zou je verkering met mij willen?”

De ruimte waarin zij zaten, was donker en benauwd van het vele roken, maar gelachen werd er genoeg. Toch vond hij het hinderlijk dat ze hem zo gemakkelijk hadden gevonden. Het duidde op halfbakken werk van zijn kant. Hij had zich laten vinden om van zijn lot op de hoogte te geraken.

“De directeur heeft meermalen je naam genoemd en speurend rondgekeken. De man kon maar niet geloven dat iemand die examen heeft gedaan, wegblijft als de uitslag bekend wordt gemaakt”.
De directeur, slungelige Limburger, eersteklas conformist.
“Ik kende de uitslag op afstand” antwoordde Reindert droog, “ik wist het drie maanden geleden al”.

In het plotselinge besef dat hij misschien zijn hand overspeelde en dat iemand hem met een enkele rake opmerking buitenspel kon zetten, liet hij erop volgen:
“Dat is overigens geen verdienste. Ik was niet meer bij machte die vreselijke boeken open te slaan. Was ik gebleven, dan was ik op een dag dood in elkaar gezakt”.

Er arriveerden meer voormalige klasgenoten; het begon te lijken op een feestje. Reindert keek het met lede ogen aan.
Geslaagd zijn, je diploma op zak en dan even naar de dierentuin.
Na een half uur van praten en diploma’s bekijken, voelde hij zich onrustig en neerslachtig worden. Het werd tijd om te vertrekken, de onvermijdelijke gang naar huis te maken, zijn halve nederlaag kenbaar te maken en aan te schuiven voor de warme prak.

“Je hebt nog bijna twee maanden om het in orde te maken”, concludeerde zijn moeder nadat hij de tijding had overgebracht, “daarin kun je die boeken zowat uit je hoofd leren”.
Dat Reindert de kloeke delen voornamelijk kende naar het gewicht dat ze in zijn dagelijkse schooltas vormden, hield hij maar voor zich.
Moeder, u weet niet waar u het over heeft, of in uw eigen woorden: u praat naar het verstand dat u heeft.
Zwijgend zat hij aan tafel, prakte op welhaast mechanische wijze aardappels en groente door elkaar en wierp een blik op zijn chagrijnige vader.
Deze man weet dat hij nooit ofte nimmer een betere baan zal krijgen. Hij heeft zelfs geen visitekaartje om de wereld mee te verbazen. Toch gaat hij elke dag naar zijn baas. De vraag is, of dit dapper is dan wel meelijwekkend. Toch houd ik van hem, al is het eenrichtingsverkeer.

Na de maaltijd vluchtte hij naar zijn kamer en zette de radio zodanig zachtjes aan dat hierover door niemand geklaagd kon worden. Daar lag de verdomde examenstof: Boekhouden I en II, samen goed ruim voor een kilo hartverzakking en dan lag daar nog het leerboek Handelsrekenen. Reindert ging voor het raam staan en keek naar buiten, naar de morele grenzen van zijn blikveld, gevormd door de vensters van nieuwbouwhuizen.
Ik behoor immers nergens naar binnen te kijken, al kan ik bijna niet anders dan juist dat.

Merendeels jonge mensen woonden er, maar erg opwindend leek het leven niet te zijn in die doorzonkamers met cyclamen en luxaflex voor de ramen. Geen moment kwam er iets van na-ijver bij hem op. Het ontbrak hem eenvoudig aan voorstellingsvermogen om zoiets ook voor zichzelf te wensen.
De mensen nemen een baan en trouwen, ze krijgen een jankend kind en kopen een Volkswagen Variant. God sta ons bij.

Een opdringerig zure geur bereikte zijn neus. Moest hij nu alweer onder de douche? Douchen kwam hem buitengewoon vermoeiend voor: niet alleen vanwege het uitkleden en de kranen op de juiste temperatuur brengen, maar omdat er vanuit de keuken geheid geklaagd ging worden zodra je de warmwaterkraan aanraakte. Beneden in de keuken deed zijn moeder immers de afwas; hier was veel warm water voor nodig. Of anders zou ze zaniken, dat het nemen van een douche de boiler leegmaakte waardoor je weer uren moest wachten op nieuwe voorraad, enzovoorts, enzovoorts.
Alleen God ziet het allemaal, maar wat heb ik aan een God die niet bestaat?

Zonder in beweging te komen, liet hij de voorbije middag nog eens passeren.
Boekhouden en handelsrekenen. Als je daarvan geen verstand hebt, dan krijg je geen diploma, dan kun je achterlijk werk gaan doen alsof je nergens meer voor deugt. Dat ik godverdomme 100 boeken op mijn literatuurlijst Nederlands had staan, kan niemand iets schelen.

In de krant werd beweerd dat rekenmachines en computers boekhoudkundig werk veel beter deden dan zelfs geschoolde klerken: razendsnel en foutloos! Dit was de toekomst! Zelfs de nederigste aap kon na een cursus van drie dagen de elektronica bedienen, zijn baas verrassen met puntgave facturen, verkoopoverzichten en positieve banksaldi. Reindert zuchtte diep. Het bericht verbaasde hem allerminst. Juist dingen die je aan een machine kon overlaten, werden het meest gewaardeerd.
Archaïsch.
Dit was het juiste woord voor de manier waarop in het middelbaar onderwijs nog werd gewerkt met pen en papier. De opvatting stond dichter bij de lei en de griffel dan bij de elektrische schrijfmachine en de zakrekenmachine met een batterijtje, dichter bij 1930 dan bij 1980.

Reindert keek onderzoekend rond en opende zijn schooltas waarin groen en blauw uitgeslagen boterhammen van weken her lagen te schimmelen.
Dat krijg je ervan. Ik eet patat en tosti’s en ben nog te belazerd om mijn brood aan de eenden te voeren.
Hij sloot de tas zorgvuldig. Je kon moeilijk met de rommel naar de vuilbak lopen om hem leeg te schudden. Zijn moeder zou moord en brand roepen over verspilde boterhammen, om te zwijgen van het beleg.

De garagedeur van het huis werd van binnenuit geopend. Reindert deed een stap naar achteren om niet gezien te worden. Gestommel van metaal en voetstappen weerklonk.
Mijn vader heeft niets gezegd over mijn geklungel op school. Hij heeft er geen woord aan vuil gemaakt. Zo lijkt het of hij tolerant is, dat hij me de vrijheid laat. In wezen wil hij er niets mee te maken hebben. Zo vlug mogelijk naar de caravan op de Veluwe, dat is het levensmotto van mijn vader.

Beneden, op het tegelpad langs de tuin, werd de maaimachine gestart: een huilende benzinemotor die alle hersenspinsels binnen een straal van honderd meter vernielde.
Reindert liet zich op zijn bed zakken, sloot zijn ogen en viel binnen een minuut in slaap, het monotone lawaai ten spijt.

Hoofdstuk II

De volgende morgen was het schitterend weer. Reindert zette de gedachte aan studie uit zijn hoofd zodra hij zijn boeken in het oog kreeg.
Eerst maar eens het probleem van de PLP oplossen, de Permanent Lege Portemonnee. Maar hoe?
Lang behoefde hij niet na te denken; daarvoor waren de beperkte mogelijkheden al te dikwijls langsgekomen. Je kon bijvoorbeeld geld van je ouders stelen. Dit leverde weinig op en de pakkans was groot, net als de zekerheid van een wekenlang conflict. Dan was er in de buurt van Reinderts school een Postagentschap, ondergebracht in een soort bouwkeet en beheerd door een schlemielige kerel. In de krant had gestaan, dat bankpersoneel de instructie had om nimmer het leven te riskeren ingeval er een overvaller verscheen: geld afgeven en goed opletten, was het devies. Maar, had Reindert bedacht, waarmee moest hij de beheerder bedreigen? Met een hamer of schroevendraaier uit de garage werd je natuurlijk gewoon uitgelachen en vervolgens ingerekend.
Je kunt toch niet iemand met een klauwhamer neerslaan vanwege een paar honderd gulden?
Hij daalde de trap af, maakte in de keuken een boterham klaar en zag de beurs van zijn moeder liggen.
Het is een valstrik. Mijn ouders missen af en toe een rijksdaalder en ze hebben gedacht: we zullen de dief wel even vangen.

Met de boterham in zijn hand liep hij naar buiten.
Bloemen verwelken en schepen vergaan, maar de behoefte aan geld blijft immer bestaan, neuriede hij op een zelfbedachte melodie. De rest van de dag deed hij hoegenaamd niets.

Hoofdstuk III

“Als je niets beters weet dan de hele dag op je nest te luieren”, sprak Reinderts moeder de volgende dag op luide toon, “als je te belazerd bent om aan je herexamens te werken, dan ga je maar zolang een baantje zoeken. Er staan er genoeg in de krant. De dagen zijn voorbij dat je hier kunt rondhangen om alleen maar te eten en commentaar te leveren”.
“Die dagen herinner ik mij helemaal niet”, antwoordde Reindert, “we leven waarschijnlijk in verschillende tijden. Ik zal een kalender kopen om het na te kijken”.
Hij begaf zich naar de woonkamer en posteerde zich voor het venster dat uitzag op het huis van de aanpalende buren.
Ze hebben daar ook al zo’n leuk randje kant langs de vitrage, met van die domme kutplantjes op de vensterbank. Er zullen daar wel gauw kindjes gemaakt worden. Waar moet je elkaar anders mee vermaken?

“Er komt niets van mij terecht”, riep hij zonder om te zien het huis in. Zijn moeder zou de woorden toch wel opvangen. “Ik ben een ieder een doorn in het oog. Andere slagzinnen zijn altijd welkom”.
Hierna zweeg hij en ging een uur doodstil aan de woonkamertafel zitten, kijkend naar de handen van zijn moeder die zeer omslachtig in de weer ging om met een vulpen inkt uit een potje op te zuigen. Het potje was vrijwel leeg en moest schuin gehouden worden. Moeder leek evenwel vastbesloten geen hulp te vragen en Reindert bood niets aan. Tenslotte liep hij naar zijn eigen kamer en zocht in de kast tot hij zijn oude verrekijker had gevonden. Gewicht en formaat van de kijker vielen bij nader inzien een beetje tegen.

Het is vreemd om een voorwerp vast te houden dat ooit een functie heeft gehad maar deze door veranderde omstandigheden heeft verloren.
Toen Reindert nog op het akkerbouwbedrijf van zijn ouders in de polder woonde, had hij vaak languit in het dijkgras gelegen om de hemel af te zoeken naar vliegtuigen. Op deze manier had hij eens een satelliet waargenomen, een weerkaatsing van licht die zich razendsnel verplaatste.

Hij ging voor het raam zitten op zijn bijgeschoven stoel en keek door de kijker naar buiten.
Let op, de buren hebben in hun tuin plastic bordjes bij de planten gezet. Daar staan natuurlijk Latijnse namen op. ’s Avonds lezen ze in een dik boek over de gewenste verzorging. Op de kaft van het boek staat een goedlachse dikkerd, dat is HendrikJan de Tuinman.
Reindert zuchtte, volgde op straat een vrouw met een boodschappentas en zwaaide als een debiel. Zij keek terug zonder begrip. Vervolgens liet hij de kijker ronddwalen langs een rijtje vensters van slaapkamers. Hier was niets te zien. Zuchtend ging hij achterover op zijn bed liggen en voelde een diepe vermoeidheid.
Het is toch wat, het lijkt wel of iedereen iets van mij wil. Iedereen vindt dat ik iets moet doen, ondernemen en tegelijk lijkt iedereen mij tegen te werken. Je mag kiezen tussen de rol van Swiebertje en die van Bromsnor: gek zijn ze allebei.

Zijn overpeinzing werd onderbroken door een merkwaardig fenomeen. Hij verhief zich een weinig en stelde vast dat er een envelop onder de deurkier naar binnen werd gewerkt.
Het is mijn moeder. Zij is krankzinnig geworden.
De gedachte aan een oudere vrouw die daar op haar knieën moest zitten, vertederde hem bijna.
Mijn moeder heeft een bijbaantje aangenomen als postbode. Het is nooit te laat iets te ondernemen. Eigenlijk moest ik de deur opentrekken en zeggen: “Lekker weertje mevrouw, u treft het maar”.

Hij liet zich evenwel terugzakken en bleef geruime tijd onbeweeglijk liggen. Vervolgens raapte hij het poststuk op en scheurde de envelop open.
“U gelieve zich op 4 november te vervoegen op de voornoemde kazerne”, las hij twee keer, “alwaar u nader zult worden ingelicht omtrent de invulling van uw militaire dienstplicht. Besloten is, u onder te brengen bij de infanterie, gelegerd te Harderwijk”.
Reindert haalde diep adem, voelde acuut misselijkheid opkomen en zei luid: “Dat zullen we nog wel eens zien”.
Hierna ging hij weer liggen en keek naar het plafond, vervuld van boze gedachten en van vrees voor een onbekend leven, een bestaan dat hij voorzag, vol ongecontroleerd geweld, bevelen en andere vernederingen.
Soldaat Wieland, we krijgen jou wel kapot, stomme luie hippie!
Reindert viel in slaap en droomde dat hij geëxecuteerd werd.

Hoofdstuk IV

De advertentie in De Typhoon beloofde een salaris dat vergelijking met in de landbouw gebruikelijke uurlonen glansrijk doorstond. Het stond allemaal breeduit aangeprezen, met een keur aan gunstige toeslagen, gratificaties en Uitstekende Secundaire Voorzieningen.
De Hoogovens, gelegen aan de monding van het Noordzeekanaal konden personeel gebruiken. Reindert keek opnieuw naar de advertentie.
Ik kan er niet vrolijk van worden.

Hij wachtte tot hij alleen in huis was en belde de afdeling personeelszaken van de staalfabriek, half in de hoop dat het allemaal meteen zou afketsen, dat ineens hordes gastarbeiders waren ingevlogen, of een golf recent gesaneerde tuinders uit de kop van Noord-Holland voor de poort stond. Want dat was de achtergrond van de mensen die op een fabriek terechtkwamen.
“Er is voldoende plaats”, liet de telefoniste hem opgewekt weten. Reindert dacht aan zijn lege beurs en liet zich overhalen om de volgende dag langs te komen.
“U kunt gebruik maken van ons vervoerssysteem”, sprak de vrouw aan de andere kant van de lijn. Ze legde uit langs welke wegen er werd gereden en waar Reindert zich kon laten oppikken.
Reindert hoorde haar aan.
Een jonge vrouw, in een mantelpakje, met een naambordje op haar voorgevel om in de kantine te kunnen eten.
Wie kende ze niet, de autobussen van Beentjes & De Bruyn? Hij had ze al dikwijls gezien bij de stoplichten van Alkmaar als hij stond te liften. Hij herinnerde zich dadelijk slapende mannenhoofden die tegen de zijruiten van de bus leunden: de zombies van ’s lands vooruitgang.

Om half één stond hij langs de Provinciale Weg op de bedrijfsbus te wachten. De chauffeur schakelde grootlicht aan toen hij de hem onbekende jongeman zag gebaren om te stoppen. Met één voet op de treeplank legde Reindert zijn zaak voor: was er dan niets doorgegeven?
“Er zijn wel meer mensen die bellen”, zei de chauffeur gemelijk, “je hoort er nooit meer wat van”.
Hij gebaarde dat Reindert maar moest binnenkomen en plaatsnemen. De deur sloot sissend en de bus reed weg.
Reindert nam plaats naast een tanige veertiger die hem geringschattend opnam en vervolgens voortging met lezen in een tijdschrift dat over watervogels handelde.
Dat had ik ook kunnen doen.
Reindert overdacht de opmerking van de chauffeur. Hij keek naar buiten en snoof met tegenzin de scherpe dampen op van smeulende zware shag.
Ik had ook gewoon kunnen wegblijven.

De bus waarin hij zat, was nummer acht in de optocht die de slagbomen en de bewaking passeerde. Een paar beveiligers in uniform staken hun hand op naar de chauffeurs. Voor de passagiers toonden ze niet de geringste belangstelling.
We zijn aangekomen in de Efteling. Houdt uw toegangsbewijzen bij de hand.

Het houten noodgebouw waar Reindert moest zijn, was gemakkelijk te vinden. Hij liep evenwel met opzet de andere kant uit, over een smalle asfaltweg. De mogelijkheid om ongehinderd en van nabij de installaties te bezichtigen, zou zich wellicht nooit meer voordoen. Hij was bereid elk moment het terrein te verlaten en er nooit weer terug te keren. Als een toerist flaneerde hij tussen de kolossen van staal en beton, zich verbazend over deze karkassen van de westerse beschaving. Onbegrijpelijke, afgedankte machines lagen op een plateau te roesten. Metalen cilinders stonden in rijen opgesteld, als raketten met de koppen naar de hemel. En overal drong wee geurende rook uit de gebouwen: via pijpen, gaten en kieren: de Brouwerij van Frankenstein. Nee, hierover waren de lessen op school nooit gegaan.

Een kleine bestelwagen kwam naast hem tot stilstand. Bedrijfsbeveiliging met bijpassende pet. Een portier ruit werd omlaag gewenteld en hij kon de vraag al raden. Ja, er werd nog opgelet in Nederland.
“Ik zoek het inschrijfbureau voor vakantiepersoneel”.
Het klonk als de verklaring van een oplichter.
De bewaker liet hem instappen en reed verder het complex binnen: een stad van steen en ijzer, in asfalt gegoten spoorrails, bulkende vrachtwagens en knarsende transportbanden. Het was een decor voor films over zware misdaad of erger: een kampement voor gevangenen in een dictatuur. Via een omweg bereikten ze de parking voor touringcars waar hij eerder was uitgestapt.
“Daar moet je wezen”.

Aan het interieur van de bouwkeet was nauwelijks zorg besteed. De wanden waren geschilderd met een bezem, aan het plafond hingen lompe lampen met koud licht en in de wachtruimte stond een afgetrapte automaat voor gratis koffie en thee. Op de balie van formica lagen goedkope balpennen aan een kettinkje. Lang te wachten behoefde hij niet.
Staande bekeek hij de lijst van ziekten en mankementen die een mens kan opdoen. Uit de lengte van de lijst viel op te maken dat de mens ten dode is opgeschreven. Maar soms is er nog wat tijd om te werken. Die tijd werd begeerd door de Hoogovens.

“Ik kan niet goed tegen hitte”, sprak Reindert lijzig tegen de dienstdoende klerk. Hij zond hem aanvullend een geringschattende blik toe, de blik van iemand die zonder gevolgen kan weglopen.
Ga zelf lekker bij een smeltoven werken.
Foto’s van de hel hadden in de krant gestaan. Niet bedoeld als waarschuwing of aanklacht, maar juist als aanbeveling, als teken van maatschappelijke kracht en vooruitgang! Wie eraan gewend was, lette er misschien niet erg op, die keek alleen naar de loonstrook, de flauwekul van bruto en netto. Zo iemand was Reindert, alles bijeengenomen.

In een halve minuut werd hem uitgelegd hoe het ploegensysteem in elkaar stak: drie middagen achtereen werken – dag vrij – drie ochtend werken – dag vrij – drie nachten werken – drie dagen vrij en dan weer verder. Een shift duurde de volle 8 uur + reistijd. Een kind kan de was doen.
“Wilt u hieronder even tekenen?”

De bussen op de parking zouden binnen een half uur volstromen met werklui wier shift erop zat. Reindert bedacht dat je beter chauffeur kon zijn, maar voorlopig had hij geen rijbewijs. Hij verliet het gebouw en liep de weg af naar de slagboom.
Als iemand mij probeert tegen te houden, spring ik over die roodwitte balk. Dan denken ze aan een Palestijnse terrorist en schieten mij kogels in de benen. Al spoedig blijkt de akelige vergissing. Ik kom in de krant en ontvang een ruime schadevergoeding. Tegen mijn ouders zeg ik, dat het eenvoudig is om slapend rijk te worden. Op mijn ziekbed krijg ik ineens de geest en leer vlot handelsrekenen en boekhouden, de materie begint mij zelfs aan te spreken, feitelijk een kwestie van permanente hersenschade. Dat komt vooral door mijn banksaldo dat er nooit tevoren zo florissant heeft bijgestaan. Het alsnog slagen voor mijn examens ligt dan voor de hand, al was het maar omdat ook de Commissie zich coulant opstelt. Mijn vader zal het hoofd schudden en een heel weekeinde ziek van jaloezie in zijn caravan op de Veluwe liggen.

Maar de bewaker bleef roerloos in zijn hok toen hij Reindert zag naderen en vlak langs zijn loket zag schuiven. Reindert wierp een smalende blik naar ’s mans waterige ogen. Nee, de bewaking stelde weinig voor, een terrorist kon hier probleemloos zijn gang gaan.

Hij had gemakkelijk met dezelfde bus kunnen terugrijden. Wat hield hem tegen? Het moest te maken hebben met walging, eenonderliggend gevoel van gezichtsverlies en afhankelijkheid. Hoe het zijn ouders uit te leggen ingeval hij met lege handen thuis kwam? Bij een halte wachtte hij netjes op een lijnbus, om pas drie uur later de garagedeur open te trekken.
Je bent gewoon te besodemieterd om een tijdje het werk te doen dat anderen hun halve leven moeten uitvoeren.En daarna sterven.
De laatste gedachte intrigeerde hem aanstonds.
Daarna gaan de mensen dood aan kanker en maagbloedingen, veroorzaakt door giftige rook, dampen van zink en zwavel. Het is net als in Duitsland tijdens de oorlog: de nazi’s rekenden precies uit hoeveel een dwangarbeider in de mijnen of een munitiefabriek mocht kosten. Inclusief de kogel die als afsluiting werd gebruikt.

Hoofdstuk V

Het regende. Reindert’s moeder liet haar oogappel slapen tot tien uur. De jongen moest immers fit zijn voor de arbeid die om twee uur in de middag zou aanvangen en tot laat in de avond ging duren. Het was wel zeker dat zij naar zijn vertrek uitzag, want moeder had het huis graag voor zich alleen.

Langzaam kleedde Reindert zich aan en wachtte met tegenzin op het middageten.
Wie eet er nou bloemkool en gehaktballen als je net uit bed bent?
Vervolgens fietste hij naar de hoek van de Provinciale Weg en was juist op tijd om, zijn Hoogoven pasje in de hand, de bus binnen te stappen. Met hem stapten meerdere mannen in, weggedoken in hun jas.
De chauffeur was een andere dan de eerste keer, maar ook hij had geen belangstelling voor pasjes of andere documenten.
“Middag”, zei hij mechanisch tegen elke instapper en een ieder echode de groet terug. Het leek wel of Reindert al jaren op deze wijze naar zijn werk ging.

De meeste passagiers hingen achterover in hun stoel, met gesloten ogen alsof ze zo ver wilden wegdromen dat ze niet meer wisten of ze nu in de bus naar de staalfabriek zaten of naar hun vakantiebestemming. Anderen waren wakker en praatten wat met elkaar. Naast Reindert, aan de overzijde van het looppad, zat een magere man zeer diep in zijn neus te graven. Telkens bekeek hij de top van zijn pink waarmee hij de zaak van binnen uitbaggerde. Als het resultaat hem beviel, wreef hij zijn handen krachtig over elkaar, veegde ze af aan zijn broek en begon opnieuw.

Met twee nieuwe ploegmaten werd Reindert begeleid naar een gebouw van baksteen. Vanachter een toonbank schatte een man met een horrelvoet lengte en schedelmaat van de jonge mannen. Hij hinkte naar achteren, trok uit vakken een paar blauwe overalls, schoeisel en een witte plastic helm: de plunje van een uiteengeslagen veldleger.
“Mijn vader zou zeggen jullie zijn weer het heertje“, sprak Reindert op zachte toon tegen de jongen naast hem. Maar deze verstond of begreep hem niet en Reindert had geen lust op zijn opmerking te herhalen.

Ze liepen langs een massieve fabriekshal en hielden halt voor een deur van staal. De begeleider drukte met zijn rug deze deur open.
“Hier kunnen jullie je omkleden”. Het portaal toonde kleine, vierkante vloertegels. Achterin was een hoog venster, waaronder een rood brandblusapparaat. Verder was er niets in deze tochtsluis. Een tweede deur werd tegengewerkt door een batterij drukveren. Een windvlaag zoog de mannen in een grote vierkante ruimte met witte wanden en een vloer van marmoleum. Je kon denken aan een zaal voor gymnastiek. Half en geheel geklede mannen liepen door elkaar. Aan de rechterkant sloeg stoom uit ruimten waar kennelijk douches waren. Werkpakken en privékleding hingen hoog opgetakeld: jassen, broeken, tassen en schoenen vormden een eigen wereld tegen het plafond.
Reindert liet zijn armen vol bedrijfskleding langzaam zakken. Een plotselinge angst verlamde zijn spieren. Vergast en verbrand zou hij hier worden. Het wachten was op bewakers met zwepen, op bevelen en marsmuziek uit luidsprekers. Op deze manier waren de Joden en Zigeuners te grazen genomen waar ze ergens diep in Polen uit een Duitse trein getrapt werden. Een vermoeide Todeskandidat zou zijn hoofd kaalscheren, het lange haar een ogenblik tussen zijn vingers laten spelen., god mocht weten wat je van mensenhaar kunt maken.
Misschien eindig ik nog eens in een goedkope barometer. Daarin worden immers de haren van een paard verwerkt.
Versuft keek hij rond.
Het laat zich raden wat er in de douches gebeurt. Eenmaal uitgekleed, worden we vergast. Zo komen ze van de werkloos geraakte boeren af. Na het gas slepen ze ons in een crematorium. Vandaar dat het bij de Staalfabriek altijd zo stinkt.
Tersluiks wierp hij een blik op de gezichten van zijn beide nieuwbakken lotgenoten, maar verbazing of afkeer kon hij bij hen niet ontdekken. Een mengsel van schaamte en woede steeg naar zijn wangen omdat hij, precies als de sukkels naast hem, op geen betere gedachte was gekomen om geld te verdienen.

Elke De nieuwkomer kreeg een sleutel uitgereikt. Deze behoorde bij een genummerd hangslot waarmee je een lange ketting met kledinghaken omlaag kon brengen, tot vlak boven de vloer. Reindert had nummer 87.

Hoofdstuk VI

Het meeste in het leven draait uit op sleur en regelmaat, verveling en aanvaarding. Onvermijdelijk volgden de dagen en nachten van reizen en werken, melk drinken tegen de kwaaie dampen, ouwehoeren, slapen en aan je kop krabben, elkaar op. Het mag verbazing wekken hoe snel een mens kan degenereren. Zodra je de bus binnenkwam, wist je dat het foute boel was.

Al spoedig leerde hij nieuwe geuren onderscheiden. Die van zware shag, cokes en besmeurd ondergoed, okseldampen, scheten, zweetschoenen en een mengsel van gekookte bloemkool en bakeliet. Het kwam hem voor dat de mensheid niets deed dan ruften. Machteloos hing hij in de bus op zijn bankje van skai.

Er is geen hoop, de mannen doen alles wat hen wordt voorgekauwd of ze apen hun baas na in de hoop dat ze daarmee ook zelf een beetje baas worden. Zelfs hier in de bus bestaat een hiërarchie. Degene met de grootste bek zit naast de chauffeur met een houding of hij zelfstandig kan bepalen waarheen de bus zal rijden. Nieuwkomers als ik moeten genoegen nemen met de achterbank. Daar krijg je met iedere hobbel in het wegdek een schop onder je kont om je eraan te herinneren dat je zelfs onder ongeschoolde armoedzaaiers niets hebt in te brengen.

De grote wandklok in het kleedlokaal tikte langzaam, maar ze tikte. Van lieverlee moesten de werkpakken neergelaten en aangetrokken worden, de zware schoenen om de voeten gesloten. Onherroepelijk verdwenen je eigen spullen naar het hoge plafond, buiten bereik van anderen, want gestolen werd er ook.

Reindert keek rond en zag hoe het werkte. Bij aankomst had niemand haast. Iedere gelegenheid werd aangegrepen om tijd te rekken, over elke nietige opmerking kon eindeloos en op luide toon worden gemolken. Soms vielen er woorden, zelfs een enkele keer een klap. Daarna, met het almaar doortikken van de tijdmachine aan de wand, ratelden de kettingen omlaag, werd er gezwegen of hooguit gekankerd op de nieuwe dag, het weer, de voetbaluitslagen, de onderbroekenlucht van de buurman. En dan, precies op tijd, stroomde het hele zootje naar buiten. De ratten werden de fabrieken ingejaagd, de treinstellen op, de keldertrappen af.

De afdeling waar Reindert werkte met de altijd vermoeide Duursema en de Spanjaarden Castro en Rodriguez, bestond uit een klein perron met daaronder een immens complex van stortbakken en transportbanden. Elk uur rolden ertswagons over de rails binnen, om vervolgens boven trechters te worden gelost. Ze kwamen van heinde en ver: Italië, Oostenrijk, Frankrijk. Reindert stond op de roosters, keek omlaag, zag hoe het gruis onder zijn voeten werd weggezogen, de ertswanden afbrokkelden en instortten. Boven dit alles hing een mist van stuivend stof.

Met Castro klauterde hij op de bruingeroeste wagons, schoof grendels opzij en draaide aan een spaakwiel zoals je op oude schepen ziet. Twee kleppen aan weerszijden van de wagon braken open en het verpulverde erts stroomde door de roosters naast en onder de rails weg. Hij kneep zijn ogen dicht en wrong het wiel met onmachtige mensenkracht in de oude positie.
Dadelijk kom ik het hok binnen en dan vertelt Duursema mij op zijn toonloze manier dat er wel eens een lijk in zo’n wagon is gevonden: een omgekomen Joegoslavische mijnwerker of een toerist die ’s nachts van een viaduct is gesprongen.
Het hok: een soort wachthuisje waarin de knoppen van de stortkokers werden bediend. Maar Duursema stond de Telegraaf te lezen, dronk koffie uit een meegebrachte thermosfles en schopte een dode rat van zich af.

Hoofdstuk VII

En zie: de doden keren weer en worden levenden. Hoedt u, want zij kennen geen angst.

De werktijd zat erop. Het leek of een bliksem de arbeiders terug naar het leven sloeg. Als kleine jongens wierpen ze bezems en scheppen in de kast, graaiden hun tassen met broodtrommels en kranten bijeen en snelden naar de kleedruimte alsof er vaten met radioactief afval achter hen aan werden gerold.

Sommigen droegen tijdens het werk niets dan hun beschermende overall. Deze mannen stonden waarschijnlijk achter de vuren, ze loodsten kokende staven metaal naar een plek om af te koelen. Zij waren de echte mannen van de samenleving. Voor een paar procenten toeslag knapten zij de gevaarlijkste klussen op. In de kleedruimte schroomden ze niet de bedrijfsbroek omlaag te sjorren en onderwijl voort te praten met een buurman. Daar stonden ze in hun blote kont, een kluit kloten tussen de benen. Wie zou deze mannen het recht ontzeggen, voorin de bus te zitten, op de betere plekken?

Er was daar iemand met grijzend haar en van atletische bouw die tijdens de dagelijkse verkleed- en plenspartij langs de douches schuifelde, de opmerkingen en grappen negerend, loerend als een vos naar een geschikte kip. Reindert geneerde zich om onder de douche te stappen, zijn private delen prijs te geven aan wie er maar belangstelling voor kon hebben. Hij waste zijn handen, gezicht en nek en droogde zich met een van huis meegebrachte handdoek.
De rest doe ik thuis wel. In de badcel met het slot op de deur.

Door zijn halfbakken manier van schoonmaken, was hij altijd de eerste die gereed was om te vertrekken. Dan zat hij op het bankje bij de uitgang en sloeg het schouwspel gade.
Met zulke mensen moet ik op school hebben gezeten. Zij waren geen uitverkorenen die naar een goede middelbare school gingen, zoals ik. Zij lazen in de laatste klas van de lagere school nog met een vinger onder de regel en kwamen nooit door het boekje Eenvoudig Cijferen. Zij waren bestemd om altijd te verliezen, het onderspit te delven. Toch heb ik nooit mededogen met hen gehad. Integendeel, ik haatte hun traagheid en onbegrip, de lege blik in hun ogen, de logge gewilligheid als er opdrachten werden gegeven. Al zou ik hier vijfentwintig jaar werken en een lintje krijgen, dan nog zou ik hen verfoeien.

Hoofdstuk VIII

De bus reed in een optocht van soortgelijke bussen. Bij iedere afslag van de snelweg verdwenen er een paar: de tentakels van een systeem. Reindert peuterde zwarte brokken uit zijn neusgaten, keek af en toe naar buiten, maar weigerde in slaap te vallen met zijn hoofd tegen het ruit.
Dit begint op mijn zenuwen te werken. En thuis wachten die verdomde studieboeken. Daarna moet ik in militaire dienst. Godverdomme.

“Je moet melk drinken”, had Duursema hem voorgehouden, “koffie en thee zijn uilenzeik. Met melk leef je drie jaar langer, want het breekt gif in je lichaam af. Of denk je dat we hier toffees maken?”
De melk zat in kartonnen pakjes van een kwart liter. Je kon ze overal tegen inleveren van een muntstukje uit een automaat trekken. Overal hingen die automaten alsof ze wilden zeggen: drink ons gauw leeg, doe je het niet moet je het zelf maar weten, ben je binnen de kortste keren dood, stomme klootzak. De automaten behoorden natuurlijk tot de in De Typhoon vermelde Uitstekende Secundaire Voorzieningen.

Thuis stapte Reindert regelrecht naar de badcel: spoelen, tanden poetsen, gorgelen. De smaak van scheikundige processen bleef evenwel aanwezig op zijn tong en in zijn neus. Hij keek in de spiegel, naar de rode vlekken op zijn huid.
Dit  zijn de eerste symptomen. Ik wed dat ze binnenkort weer wegtrekken, net als bij syfilis. Daarna krijg ik pijn in mijn liezen of in mijn hals. Dat trekt ook weer weg. Vervolgens voel ik een bult onder mijn oksel en krijg ik te horen dat ik kanker heb, een kwaadaardige tumor. Dit vertel ik thuis aan mijn ouders, bijvoorbeeld tijdens het eten, want dan wordt er tenminste opgelet. Mijn moeder huilt een beetje, maar niet te lang, want ze begrijpt al vlug dat ze mij verzorgen moet en daar zit niemand op te wachten. Mijn vader zal na twee maanden een mooi boek voor me kopen, begrijpelijke lectuur van bijvoorbeeld Jan de Hartog die mijn lijden verzacht. Als ik het boek uitgelezen heb, ben ik gereed en bereid om voor God’s aangezicht te verschijnen. Zo wordt alles toch nog mooi en geweldig.
Hij draaide de doucheknoppen open en ging onder de straal staan, zijn gezicht frontaal naar de sproeier gekeerd.

Hoewel hij langdurig had geslapen, bleef hij na het ontwaken in bed liggen. Hij keek naar het plafond en hoorde buiten een auto passeren, de nieuwe Volvo van een achterbuurman die gymnastiekleraar was.
Waarom zou ik opstaan, wat is er voor leuks of zinnigs te doen?
Al snel richtte hij zijn leven naar de werktijden van Hoogovens BV.
Bij nacht de man, bij dag de man.

Onmachtig sukkelde hij weer in slaap. Plotseling bevond hij zich in een groot oud huis in de negorij straat van een achterbuurt. Er schuifelden mensen heen en weer, doelloos, als figuranten in een slechte speelfilm. Vanuit de verte drong een aanzwellend geluid tot hem door: ontploffingen die steeds dichterbij kwamen. Toch bleef hij kijken. Pas toen een geweldige inslag het ruit voor zijn gezicht verbrijzelde, draaide hij zich om en wilde weglopen. Te laat: hij voelde de hitte van gesmolten glas als een zweepslag in zijn ogen: het huis van zijn geboorte.

Tegen het middaguur stond hij eindelijk op en nam een koude douche. Met de deur op een kier luisterde hij vervolgens naar geluiden in het huis. Hij hoorde niets, keerde terug naar zijn kamer en kleedde zich aan. Hierna pakte hij zijn schooltas, Deze kwam hem vreemd voor, als iets uit een ver verleden. Onbegrijpelijk dat hij tot voor kort hiermee dag in dag uit naar de stad was gereisd. Hij daalde de trap af, liep gelijk door naar de garage en stortte de restanten beschimmeld brood in de vuilnisbak.
Zo ziet het resultaat van mijn schoolopleiding eruit. Was ik maar dom geboren, te dom om mij dingen in het hoofd te halen. Wat overblijft, zijn plastic zakken met beschimmeld brood. En een baantje tussen ezels.

Aan niets wilde hij denken: niet aan het ritueel van fiets, bus, kleedhok, perron, kantine en aan het geld, aan het einde van de week ontvangen in een papieren zakje aan de balie met een balpen aan een kettinkje. Evenmin wilde hij gezellig uitgaan in Alkmaar of de Zaanstreek, rondhangen met vrienden, een biertje drinken of dansen in een dancing met foute soulmuziek en opgewarmde meiden die lachten naar de enige zwarte saxofonist van de stad. Het leven werd snel gereduceerd tot een maatvoering rond de werkblokken in de kelders van de staalfabriek.
Laat in de middag stond hij weer te wachten op de bus van Beentjes & De Bruyn.

Hoofdstuk IX

Klamme mist overspoelde het terrein. Rails kwam uit het niets en verdween aan de andere kant in een watten deken. Af en toe klonk een schrille fluittoon, dan doemde er een locomotief op, een driehoek van felle koplichten en het diepe dreunen van staal op staal. Aan de geur van brand en fabrieksgeweld was nergens te ontkomen.
Deze wereld bestond al toen ik nog op het land woonde.  Ik heb hooguit eens een platenboek gezien over de industrie.
Ondergronds zocht hij een weg naar de zeekant, de plaats waar vrachtschepen op hun plek werden geduwd, waar kranen de inhoud weghaalden, hap na hap. Een uur lang dwaalde hij door ellenlange gangen en sluizen, besteeg stalen trappen en daalde weer af. Tenslotte kreeg hij het koud en keerde om, in lichte paniek de juiste opgang weer te vinden.

Vier werkuren duren lang voor een jonge man. Reindert raakte af en toe het zicht kwijt op het einde van een werkblok. Zo kon een pauze hem toch nog verrassen.
“Kom op”, riep Duursema, “wegwezen hier”.
Het werd Reindert langzaam duidelijk dat de baas hem aardig vond, of minstens betrouwbaar om een klus af te maken, er in gewone zinnen mee te praten.
Hij wachtte tot Reindert zijn schop netjes in de kast had gezet en zei: “Ik kan wel zien dat je nieuw bent en een Hollander bovendien. Italianen en Turken laten de troep vallen waar ze staan en als je ze erop aanspreekt, blijken ze ineens geen woord te verstaan”.

Reindert liep naast de veteraan alsof deze zijn vader was. Over Turken en andere buitenlanders had hij nooit nagedacht. Je zag hen hooguit in de stationsbuurt om hoeren te bezoeken, samen klittend in groepjes. Een enkele had een auto, meestal een Ford Taunus met roest onderaan de portieren.
“Vind je het werk eigenlijk zwaar?”, wilde Duursema weten.
Reindert liet de vraag op zich inwerken.
Zwaar? Op het land van vader maakte ik dagen van gemakkelijk tien of twaalf uren, slepend met kisten en zakken, in weer en wind.
“Nee hoor”, antwoordde hij, “het is eentonig, maar zwaar is het niet”.
Stomvervelend is het woord, maar dat kan ik niet tegen deze vriendelijke man zeggen.

Uit de spelonken van het complex borrelden werknemers tevoorschijn, allemaal met een haast alsof ergens diep onder de aarde oorlog was uitgebroken en je een goed heenkomen moest zoeken.

In de kantine kwam het geraas van krassende stoelpoten, het stampen van ijzerbeslag onder schoenen, het gerinkel van borden en bestek en het geschetter van Hilversum 3 allemaal samen. Het vormde een oorverdovende herrie. Helmen werden neergesmeten op de tegelvloer. Reindert zag dat enkele hiervan waren beschilderd met de wulpse lijnen van naakte vrouwen. Andere toonden kreten als Sevilla Prima en Barcelona Eldorado. Heimwee op je helm.

“Me gustaría conocer à todos los amigos de Castro”, sprak Reindert met een stelligheid alsof niet de Spanjaarden uit Spanje kwamen, maar hijzelf. Spaans was een van de weinige vakken waaraan hij op school nu juist wel iets had gedaan. Dit ging bovendien op vrijwillige basis. Het groepje gastarbeiders bij wie hij aanschoof, wendde verbaasde gezichten naar hem: hier had een gorilla mensentaal gesproken! De verbazing steeg nog, toen Reindert uit zijn overall zijn Spaanse leerboekje tevoorschijn haalde en declameerde: “Alrededor de Madrid hace una llanura seca, casi sin àrboles. En verano hace mucho calor”.
Hierop brak een hysterisch lachen uit en Reindert werd op zijn schouders geslagen als was hij voetballer die de wedstrijd had beslist.
Verrast door de reactie, knikte Reindert en lachte terug. Het zag er naar uit dat hij Spaanse vrienden kreeg.

Hoofdstuk X

Vanuit de kantineramen had je uitzicht op Fabriek 6 waar dikke gele dampen langs de muren omlaag krulden, dampen zwaarder dan de gewone atmosfeer. Een massieve locomotief denderde over het terrein en deed de vloer licht trillen. Een serie torpedo’s met kokende lava kroop langs de ramen. Uit de bovenkant sloegen aanhoudend vlammen, alsof er stukken van de zon werden vervoerd.

Tijd is niets dan bewustzijn, de beleving van voortgaande processen, de onomkeerbaarheid van wat geweest is. En alles wat je ziet, is hiermee toegevoegd aan de diepe put die we verleden noemen.

De ploegbazen vergeleken de stand van zaken op hun horloges en stelden unaniem vast dat het tijd was om naar het werk terug te keren. Ze stonden als eerste op en schoven hun stoel met kabaal onder de tafel. Aan onzichtbare touwtjes volgden de anderen, de ondergeschikten. Naast Castro slenterde Reindert over de vlakte van rails en putdeksels, brandkranen en treindelen. Hij presenteerde hem een sigaret, een simpel gebaar zonder woorden. Samen daalden ze de trappen af van hun werkplek, een bijna onvindbare speldenknop onder het aardoppervlak. Zou er boven hun hoofden een woeste brand uitbreken, dan waren zij de laatsten die het zouden merken. Castro plaatste een kruiwagen op z’n kant om een zitplaats te hebben. Uit zijn zak haalde hij een sinaasappel en begon deze met zijn nagels te schillen: pauze, deel 2.

Vanaf een vierkant fotootje bewonderde Reindert Castro’s familie. Een ranke vrouw met een intelligent gezicht, getrouwd met de verkeerde man. Twee kleine kinderen. Ze stonden in een zee van klaprozen: Barcelona Eldorado.

Of Reindert al een meisje had: signorita, muchacha, chiquita? Reindert schoot in de lach, dacht bij het woord chiquita aan een banaan, de banaan in zijn broek. Hij probeerde uit te leggen dat hij daar geen tijd voor had, maar kwam onderweg op de gedachte dat dit verkeerd kon worden uitgelegd. “Signoritas en todas partes”, haspelde hij erop los, meiden vind je overal. Dat hij van al die mogelijkheden nooit iemand mee naar het huis van zijn ouders had gebracht, zelfs een dorpsliefje niet had gegroet uit vrees door zijn moeder hierop te worden aangesproken, hield hij voor zich.
Castro omarmde Reindert plechtig en noemde hem “el estudiante”.

Zodra hij weer bovengronds kwam en als een mol tegen het daglicht knipperde, zag hij Rodriguez staan. Reindert kende hem voornamelijk uit de kelders waar de Spanjaard een eigen pismuur had. Tegen ieder die het maar wilde horen, sprak Rodriguez gedetailleerd over zijn seksuele prestaties, een reden hem te mijden.
“Toda signorita un bombon!” Rodriguez had bijpassende gebaren van grote borsten en smalle heupen. De rest van het verhaal ging verloren, al meende Reindert tirarse te verstaan, een woord dat voor hem geen betekenis had.
Je moest over veel fantasie beschikken om je deze broodmagere bok voor te stellen met een vrouw. Zijn lijf moest er ziekelijk en versleten uitzien, in zijn geel omrande mond stonden nog anderhalve tand.
Ploegbaas Duursema kwam erbij staan. Hij hoorde Rodriguez’ verhaal geduldig aan.
“Jij wilt vrouwtje neuken hè?” zei hij neerbuigend, zijn duim tussen twee vingers klemmend, “moet jij eerst perron schoonmaken, goed schoonmaken met bezem. Anders jij geen centjes krijgen voor vrouwtje”. Je zag de baas denken: stom varken.

Hoofdstuk XI

Castro werd ziek en er kwam geen vervanging. Reindert nam schep en bezem uit het hok en daalde alleen af in de kelders onder de stortbakken.
Een uur lang probeerde hij de vloer schoon te krijgen, het stof dat dik was als kwik, onder controle te krijgen en af te voeren. Hulp zou uitblijven, je kon je hier doodwerken, of eraan denken dat je een excuus had voor half werk, mocht je er ooit op worden aangesproken.
In die kubus van beton, diep onder de denderende treinstellen, schopte hij de kruiwagen op z’n kant en ging zitten. Jong geleerd is oud gedaan. Links en rechts van hem raasden transportbanden van bijna twee meter breed en een kilometer lang.

Hij at een appel en wierp het klokhuis op de meest nabije transportband. Als wisselgeld rammelden kiezelstenen hem tegemoet. Ze ketsten tegen het beton en bleven voor zijn voeten liggen. Reindert’s huid was door het zweten dichtgeslagen, zijn keel verdroogd alsof er van binnenuit kalkaanslag groeide. De appel smaakte of ze een week in dieselolie had gelegen.
De schooldirecteur moest me zo eens zien, die slappe Limburger.
Maar voor zijn geestesoog verscheen zijn leraar Engels, een man op de rand van pensioen, met een enorm voorhoofd. Voorspellende woorden kon hij uitspreken: “Het zal mij een rotzorg zijn of jullie opletten, it’s your own funeral!”

Er haperde iets aan een transportband. Reindert stond behoedzaam op en zette de kruiwagen overeind. Verweg uit de kelder kwam stof opzetten, in trage, tastbare wolken. Een krijsend geluid van wringend metaal klonk dichterbij. Onmiddellijk stopte de band, een rode lamp gloeide op en een rinkelend alarm braakte uit alle hoeken.
Voor de wolk uit rende hij de trap op naar de buitenlucht. Het was een andere trap dan hij gewoonlijk gebruikte, waardoor hij uitkwam aan de achterzijde van het gebouw.
Opgelucht haalde hij diep adem. Er kwamen anderen bovengronds, zonder haast, alsof het routine betrof. Gezamenlijk liepen ze naar het perron. Hier stond Duursema te praten met een beveiliger. De magere Spanjaard Rodriguez trok grimassen naar wei maar wilde kijken. Reindert kwam naderbij, ving op dat een transportband finaal was gescheurd. Het was in een kelder, honderd meter verder, het rubber was aan flarden. Er was een stalen balk gevonden die onmogelijk via de roosters kon zijn binnen geraakt. Maar hoe dan wel?
Ongeluk? Toeval? Sabotage? De beveiliger sprak een aantal onverstaanbare zinnen in zijn walkie talkie, schoof de antenne van het apparaat helemaal uit en vroeg om versterking. Een ogenblik keek hij vorsend naar Reindert. Nee, zo zagen saboteurs er niet uit. Hij draaide zich om, verliet het perron en stapte in een kleine personenwagen die onmiddellijk wegreed.

Hoofdstuk XII

De nieuwe week begon met een ochtenddienst: aantreden om 6.00 uur. Dit betekende dat Reindert moest opstaan om half vijf om de bus te halen.
Slaapdronken stond hij in de keuken, uitkijkend op de tuin, de lege straat, alles kleurloos, de zon was nog achter de horizon. Hij dronk koude melk, at staande een boterham met kaas, zag de portemonnee van zijn vader liggen en wendde zijn blik af. Nee, nu hij wat verdiende, liet hij andermans geld liggen. Benzine tanken kon hij volop als hij wilde. Alleen was hij al enkele weken de deur niet uit geweest. Geen enkel café had hij bezocht en geen band horen spelen. Vrienden had hij verwaarloosd, de hangplekken in de stad moesten het zonder hem stellen.
Het komt door die ploegendienst. Je ritme wordt aanhoudend in de war geschopt. Als ik hiermee doorga, weet ik binnenkort niet meer of het dag of nacht is en kan het me ook niets meer schelen.
Hij stak een plak ontbijtkoek in folie en nam zich voor dit in de bus op te eten. Juist voor hij de buitendeur doorging, realiseerde hij zich het fnuikende aan dit voornemen.
Ik werk daar wel, maar wil er niets mee te maken hebben.
Hij haalde het pakje uit zijn jaszak en legde het op de wasmachine in de garage.

Vanaf de werkplek werden Duursema en zijn mannen opgehaald om deel te nemen aan een maandelijkse bijeenkomst: vergadering! De staalfabriek was een democratisch bedrijf met oprechte belangstelling voor haar personeel, hoe gering in aanzien ook.

Na het wassen van handen en gezichten namen zo’n dertig mannen plaats rond een tafel. Vrouwen zag Reindert niet, geen enkele. Dadelijk werden sigaretten en zelfs sigaren aangestoken: ook op kantoor moest er voldoende rook en stank zijn voor de aanwezigen. Een heertje van een jaar of vijfendertig trad binnen. Hij droeg vrijetijdskleding van bruine ribstof en blies gestaag beschaafde kringen uit een krom pijpje van geslepen hout. Hij was van een andere orde. Hij werd getolereerd omdat men hem vreesde. Twee werklieden fungeerden als tolk voor de buitenlanders. Zij mochten naast hem zitten.

“Luister goed, mannen! Vannacht is helaas één van ons omgekomen. Kraandrijver (onverstaanbare naam) is met cabine en al op de kade terechtgekomen. Hij was op slag dood”.
Een mededeling. Stilte en onpeilbare gezichten. Daarna volgde de overbodige vertaling in het Spaans, Italiaans, Turks en Arabisch. De stilte hield aan.
“Het is wonderlijk”, vervolgde het heertje, “de man had een thermosfles bij zich en die was nog heel!”
De opmerking, misschien een relativering of zelfs kwinkslag, werd half begrepen en nog minder gewaardeerd.

Er kwamen andere zaken aan de orde. Productiecijfers, doelstellingen, de situatie op de wereldmarkt voor staal, de nieuwe platenwals, een vechtpartij met dronken zeelui van een schip uit China. Vandaag kon je praten waarover je wilde, maar voor Reindert bleef alleen het beeld van de kraandrijver over: de klap die de man gemaakt moest hebben, collega’s die hem zijn gore overall hadden uitgetrokken, hem weer tot mens hadden gemaakt, al was hij dan dood.

“Nieuwe ogen zien nieuwe dingen”, sprak het heertje tenslotte, “hebben de nieuwkomers nog iets op te merken?”
Kijk om je heen en trek je conclusies.
Reindert wist ogen op zich gericht, maar zweeg. Hij schrok feitelijk een beetje, niet gewend dat hem om zijn mening werd gevraagd.
Op de teruggang naar het werk sprak Duursema hem aan.
“Je ziet er beroerd uit jongen. Eet je wel voldoende?”
“Het gaat wel.”
En plotseling grappiger: “Ik ben mager omdat ik socialist ben”.
Duursema grijnsde kort, maar hief ook zijn wijsvinger.
“Je kunt beter gaan eten. Geen meisje zit op een socialist te wachten”.

Hoofdstuk XIII

Nachtdienst in de haven. Onder het licht van schijnwerpers stonden ze andermaal op de wagons en draaiden de kleppen open. De ladingen van de eerste nachttrein waren nat en moesten met een zwaar blok van metaal en rubber worden losgeslagen. In een speciale kooi sprong het blok onregelmatig op en neer, als een onwillig paard in een Amerikaanse rodeo. De wagons dansten op de rails. De mannen keken toe met de handen tegen hun oren gedrukt. Hun overalls wapperden in de koude nachtwind.
Een kwartier later was de hele trein gelost. Reindert pakte een krant en vertrok naar de kelders. Hier ging hij zitten en raadde de tijd op vier minuten na.
Ik heb het goed gezien: vooral de verveling is verschrikkelijk.
Hij schraapte zijn keel en rochelde tegen de muur. Het speeksel droop als een bel over de vettige stoflaag.
Dit is de waarheid. Zo ziet de waarheid eruit.
Hij stak een sigaret aan. De rook gaf hem een prettig loom gevoel van verdoving. Was hij op de betonnen vloer gaan liggen, was hij beslist in slaap gevallen. Een nieuwe gedachte doorbrak de aandrang.
Over een paar maanden moet ik in militaire dienst. Dan sta ik voor een balie waar een mannetje met een scheve voet mij een pak dienstkleding geeft. Hij denkt dat ik die zal aantrekken. Iedereen verwacht dat ik dit zal doen. Maar het gaat niet gebeuren, er gaat niets van terechtkomen.

Na een uur van schrapen en scheppen, stond hij op.
Het wordt tijd voor een spreuk, ik moet mijn nieuwe broeders steunen in hun strijd, ook al denken ze alleen aan vrouwen en voetbal.
Op de muur naast de trap schreef hij in grote letters:

EEN JAAR STOF IS VIJF JAAR EERDER DOOD

Hij bekeek het resultaat. Vooral de houterige letters bevielen hem.
Niemand zal denken dat een Hollander dit schreef, zeker geen student als ik.
Nu er toch niemand was, kon hij meteen even tegen een muur pissen, dezelfde waar Rodriguez had gestaan.
Ik kan Duursema zeggen dat er weer eens is gepist. Of beter van niet?

Castro herstelde, maar veel sprak hij niet meer. Hij hield zich afzijdig en werkte even gestaag als zonder inspiratie.
“De ene is nog niet terug, of de ander is uitgeschakeld”, klaagde Duursema tegen Reindert, “het lijkt wel of ze elkaar aflossen”.
Wat kon de oorzaak zijn?
“Die lamzak is met zijn bezopen kop onder een auto beland. Zal wel doodgaan, met zo’n uitgeteerd lijf. Ik hoop het. Krijgen we tenminste een ander, een betere”.
Reindert hoorde verbittering in de stem, de behoefte eens flink uit te pakken over frustraties en ergernissen.
“Ik moet beneden nog wat afronden”. Snel verliet hij het hok met de regelknoppen.

Tijdens de pauze kondigde Reindert zijn besluit aan: het werd tijd weer aan de studie te denken. Een volle maand draaide hij me in het circus aan het Noordzeekanaal. Hij voelde geen enkele aandrang Boekhouden I te openen, of de courtage van een theoretische handelstransactie te berekenen. Hij wilde alleen maar weg, uitslapen tot hij uit bed zou vallen, zijn neus definitief leeg peuteren, de zwarte stukjes van zich afschieten tussen duin en wijsvinger, in de avond naar het journaal kijken en de tank van zijn brommer volgooien met verse benzine.

Dat Duursema niets zei, kon hem weinig schelen. Het zwijgen van Castro zat hem minder lekker. Castro leek heel goed te begrijpen dat Reinderts vertrek in feite een vlucht was, een capitulatie, het vertrek van iemand die de kans altijd heeft om uit de rotzooi te ontsnappen. Er zat voor Reindert weinig anders op dan gewoon weg te lopen. Met het gevoel dat hij verraad pleegde, sloot hij aan in de rij van werknemers die naar huis mochten, met de bus van Beentje en De Bruyn.

Monk
11 februari 2020
Foto: Monk

9 februari 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Het collectieve brein

Het collectieve brein

Onderzoeker Groeskamp werkt bij het NIOZ op Texel. In verband met de opwarming van de aarde heeft hij een idee ontwikkeld om de lage delen van noordwest Europa te beschermen tegen stijgend zeewater. Een stelsel van 640 kilometer aan dijken en dammen moet de Noordzee intomen. Het idee bevestigt weer eens, dat het er minder toe doet wat wordt gezegd dan door wie dit gebeurt.

Zonder mezelf op de borst te willen kloppen, kan ik namelijk melden dat dit idee al een halve eeuw eerder bij ondergetekende is opgekomen. Als gesjeesde hbs snotneus wist ik dat de Noordzee pas na de laatste ijstijd onder water liep en dus niet heel diep is. Ik dacht evenwel niet aan waterkering, maar aan landwinning. En waar Groeskamp een dijk projecteert tussen Bretagne en de zuidwest punt van Engeland, keek ik naar Calais en Dover. Ik was destijds 13 jaar en het laat zich raden wat mijn omgeving van mijn idee vond. De leraar aardrijkskunde herinnerde mij eraan dat er rivieren in zee uitkomen en vader verklaarde somber dat de bodem van de Noordzee bezaaid ligt met bommen uit twee wereldoorlogen. Daar kon je beter wegblijven.

Ik hoor u wel schamperen: wat een blaaskaak, die Monk! U mag denken wat u wilt. Zolang u zelf denkt, is uw lach mij om het even. Wat ik vooral bedoel, is dit: waar een plattelands scholier op een idee komt, lopen meer mensen rond met soortgelijke visioenen. Ik noem dit het collectieve brein. Het vergt slechts een autoriteit en/of het juiste tijdstip om het idee echt op de agenda te zetten. In 1965 dacht niemand aan de Noordzee: het IJsselmeer was groot genoeg om nieuwe landbouwgronden droog te leggen en bij stijgend zeewater werd hoogstens gedacht aan verzilting van het land.

Kan het misschien een eenmalige treffer zijn geweest, dat dolle idee van mij? Iedereen denkt per slot wel eens iets dat naderhand wordt uitgevoerd. Of was het slechts een caprice, een geintje van een puber? Ik geef twee andere voorbeelden, vooral dus om het collectieve brein aannemelijk te maken.

In 1966 tekende ik een vliegende auto. Gewoon aan tafel in de woonkamer van mijn ouderlijk huis. Gebaseerd op geheim agent 007 (van wie ik geen enkele film had gezien) dacht ik aan wat een allround autopiraat nodig kon hebben: (dubbele) wieken van een helikopter, straalmotoren voor snelheid en een buitenboordmotor ingeval je te water geraakt. Van ene Glenn Curtis die al in 1917 een vliegende auto construeerde noch van Waldo Waterman die in 1937 een auto bracht waarmee je in de lucht meer dan 170 km/u kon halen, had ik gehoord.

Een paar jaar later werd ik een fanatieke brommerpiraat. Met snelheden tot rond 90 km/u jakkerde ik door de bewoonde wereld. Op zekere dag bemerkte ik, dat spaakwielen kwetsbaar zijn, gevoelig voor stoepranden en hobbels in het wegdek. Hierdoor raakt het wiel uit balans, gaat trillen en wordt de tweewieler slecht bestuurbaar. Om hiervoor een oplossing te bedenken, bedacht ik een ander model velg, met 4 of 5 brede stroken tussen as en velg, vergelijkbaar met een aluminium autowiel. Weg met die kwetsbare spaghetti spaken! Vanaf de jaren 80 werden lichtmetalen wielen algemeen toegepast op brommers en scooters.

Is afsluiting van de Noordzee een reële optie? Mij lijkt het buitengewoon onwaarschijnlijk. Niet alleen wegens bouwtechnische problemen (die aanzienlijk zijn), evenmin om de investering (die veel lager uitpakt dan afzonderlijke nationale maatregelen tegen overstromingen). Nee, omdijken zal stuiten op geopolitieke, economische en militaire bezwaren. De recente Brexit is hiervan een onheilspellende voorbode.

Nu ik de feiten doorlees, valt me op dat het collectieve brein kennelijk nogal traag werkt. Gelukkig kunnen we ook individueel denken.

Monk
9 februari 2020
Foto: Monk, tekening 1966

2 februari 2020
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Tweede versies

Tweede versies

Den Helder Tonijn

The Washington Post publiceerde in december vorig jaar de resultaten van een uitgebreid onderzoek naar 18 jaar Amerikaanse oorlogvoering in Afghanistan. Conclusie: de operatie is een volslagen mislukking.

En dat, terwijl door de jaren heen optimistische statistieken en prognoses werden voorgehouden. Er werd almaar voortgang geboekt en een goed eindresultaat was een kwestie van tijd. Nu liggen, als waardige opvolger van de Pentagon Papers uit 1971 die het failliet van de Amerikanen in Vietnam aantoonden, de Afghanistan Papers op tafel en ze liegen er niet om.

Na de aanslagen van 9/11 besloot Bush Afghanistan binnen te vallen: de veronderstelde basis van Osama bin Laden en zijn trawanten. En passant zouden een democratisch bestuur en de Vrije Markt Economie worden ingevoerd. Diplomatie werd overgeslagen: de militaire cowboys zouden het varkentje wel even wassen. Aan het lot van de Russen, die van 1979 tot 1988 een hopeloze oorlog in het land voerden, had men geen boodschap. Hooguit werd in de filmzaal van West Point gekeken naar films als Red Dawn (1984) en The Beast of War (1988). Oorlog als entertainment.

Om Kamervragen vóór te zijn, kwam Den Haag onlangs met een verklaring. Ons land zit immers vanaf den beginne in de Afghaanse oorlog. Eerst was er de militaire missie Uruzgan, vervolgens de missie Kunduz die ging om training van Afghaanse politie. En we zijn daarginder nog steeds. Ook door Den Haag werd de situatie structureel en doelbewust veel te positief voorgesteld. Twee dozijn dode militairen en een paar miljard euro later geldt ook hier: Afghanistan is een debacle. Zou je tenminste denken.

Het Ministerie van Buza geeft de moed evenwel niet op: de doelstellingen van de regering zijn altijd zo realistisch mogelijk verwoord. Je proeft de bedoeling: klop niet bij ons aan als de resultaten tegenvallen. Maar bij wie dan wel? Kamerleden van de coalitie en gedoogpartijen steunden het kabinet, ongetwijfeld als wisselgeld voor andere wensen. Dit geldt ook voor Groen Links, dat de Missie Kunduz steunde, onder humanitaire voorwaarden die niet alleen onrealistisch waren, maar de opdracht bovenal praktisch onuitvoerbaar maakten. Clangebonden analfabeten binnen een tijdsbestek van een paar maanden opleiden tot rechtschapen politieagenten die mensenrechten respecteren? De opleiders mochten al blij zijn, wanneer zij niet door hun pupillen als indringers en ongelovige honden overhoop werden geschoten in opdracht van lokale stamhoofden.

Nederlandse deelname aan de oorlog in Afghanistan ging uiteraard niet over democratie, laat staan over zoiets als vrouwenrechten. Dit geleuter was voor de grachtengordel.
Het ging om ons bondgenootschap met de USA, om handelsbelangen en realistisch oefenterrein voor F16 piloten.

Is dit erg? Vindt u het fris, om high-tech bommen te smijten op een land van ezels en houten karren? Bin Laden zat trouwens in Pakistan. In ieder geval is het een politieke doodzonde om het Parlement stelselmatig voor te liegen.
Den Haag loopt aan de leiband van Washington, zo simpel is het. Op dit moment vaart het Nederlandse fregat De Ruyter richting Straat van Hormuz, om akkevietjes op te vangen die kunnen ontaarden in een gevaarlijke oorlog tussen de USA en Iran. Het schip moet eigenlijk gerepareerd worden, maar de plicht roept: we gaan er vanuit dat er geen schot wordt gelost, aldus de optimistische leiding. Ik zou vast aan een tweede versie van deze tekst beginnen.

Monk
2 februari 2020
foto: Monk

23 november 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Lekker participeren

Lekker participeren

Amsterdam Noord

Het Sociaal en Cultureel Planbureau smijt een rapport op tafel: de Participatiewet* is mislukt. Dit gedrocht van de centrum rechtse coalitie uit 2014 verordonneert dat iedereen in Nederland die kan werken ook daadwerkelijk aan het werk moet. In politieke termen is dit ingekort tot: iedereen moet werken. VVD staatssecretaris Van Ark komt nu met een aanvullende oekaze: gemeenten worden wettelijk verplicht een tegenprestatie te eisen. Op straffe van boete en terugvordering uiteraard, want Den Haag vertrouwt niemand. Voor liberalen is de mens hebzuchtig tot het tegendeel bewezen is. Dat krijg je wanneer je de eigen achterban als referentie kiest. Is er werkelijk sprake van een mislukking zoals het CPB beweert?

De Participatiewet werd ingevoerd per 1 januari 2015. De naam is slim gekozen, want hij klinkt naar Inclusive en andere gelegenheidspraat. Helaas, het was een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Nederland werd bezocht door een economische crisis die niemand had zien aankomen omdat de coalitie in sprookjes geloofde. De nieuwe wet verving de WWB*, WSW* en Wajong*.

De gemeenten werden belast met de uitvoering, in formele propaganda begeleiding naar regulier werk in de marktgeleide economie. Prachtig! Ondergetekende werkte jaren voor de grootste sociale dienst van Nederland en ondervond 35 jaar geleden al dat 100% tewerkstelling onhaalbaar is, zelfs voor hen die geacht worden te kunnen werken. Nog eind jaren 90 werd dit begrepen en gerespecteerd; niet perse uit humanitaire overwegingen maar op grond van gezond verstand. Je wilt geen ex gedetineerde aan het ziekbed van je moeder en met een sitar hippie kun je leuren tot je een ons weegt.

De gemeentelijke uitvoerder budgettair afknijpen is 1 ding. Het onuitgesproken doel van de wet was evenwel de arbeidsmarkt te destabiliseren met goedkope arbeidskrachten. Werkgevers kregen de kans een goedkope onder dwang gestuurde kracht te verkiezen boven een duurdere met bewezen dienstjaren. Een ruime arbeidsmarkt houdt de lonen lekker laag. Waar je dit combineert met een vereenvoudigd ontslagrecht, afbraak van WW rechten, faciliteren van 0 uren-contracten en valse verwachtingen voor zzp, krijg je de arbeidsmarkt wel kapot. Tegelijk kreeg het UWV de opdracht mee om arbeidsongeschikten hoe dan ook buiten te houden of te werken. Zei ik al, dat de PvdA aan dit alles van harte meewerkte? Nog bedankt Diederik en ik hoop dat je nieuwe baan bij Timmerfrans in Brussel je bevalt!

Gemeenten moeten werklozen, vaak WSW of Wajong, gescheiden en in de put, kansloze ouderen en regelrechte klunzen, een passend aanbod doen. Insiders weten wat de term inhoudt: elk aanbod is passend. Bovendien heeft een doorsnee gemeente slechts zeer beperkte mogelijkheden.

Van het rapport over de Participatiewet trekt Van Ark zich niets aan. Zij heeft nooit drie uur in een wachtkamer van UWV gezeten, laat staan boodschappen bij de Voedselbank gehaald. Conform de VVD opvatting dat alleen rijke mensen deugen, dwingt zij gemeenten tot scherpere controles en uitvoeriger administratie, ofwel repressie en meer van hetzelfde. Over een jaar kan worden vastgesteld dat ook haar maatregel is mislukt. Tegen die tijd storten overigens wel meer VVD kastelen in langs de route die je kunt berijden met een maximale snelheid van 100 km/u.

Sommige mensen zijn gewoon ongeschikt voor werk, al geef je ze elke dag slaag in plaats van eten. Ze passen gewoon niet in de productie format. Daarbij is krapte op de arbeidsmarkt niet 1 op 1 op te lossen met willekeurige werklozen. Alleen in de liberale droomwereld kan iedereen alles: boeken schrijven, concerten dirigeren, lachend de plee boenen voor een fooi.

Neem van mij aan: gemeenten doen hun best, maar hebben de kennis noch het geld om iedereen aan de slag te krijgen. Het is bovendien allemaal eerder geprobeerd, door uitbesteding aan particuliere graaibureautjes. Met voorspelbare uitkomsten: werklozen die zichzelf ook hadden gered, werden geholpen, moeilijke gevallen leverden niets op en vraten absurde bemiddelingsbedragen.

Bovendien staat de nieuwe oekaze van de staatssecretaris haaks op een essentieel liberaal standpunt: dat van de vrije markt. Eigenlijk stelt Van Ark mij als liberaal zwaar teleur. Van haar had ik een echt radicale uitspraak verwacht, bijvoorbeeld: wie niet meedoet kan verrekken. Om bendevorming en opstand te voorkomen, kun je uitvreters oppakken en in werkkampen dumpen. Is het wat, jongens? Of heeft het recente VVD Festival betere denkbeelden opgeleverd?

De coalitie van VVD, CDA, CU en De-Partij-Die-Niets-Voor-Elkaar-Krijgt is inconsequent waar het gaat over participatie. Met name grote werkgevers ontlopen met steun van Den Haag al decennia een normale belastingaanslag. Voor de F1 van Prins Pand gaan alle remmen los. Het kostte bijna fysiek geweld om Rutte af te brengen van zijn voorstel om de dividendbelasting voor multinationals af te schaffen. Hoezo: participatie?

Inmiddels kunnen we stellen dat de arbeidsmarkt verregaand is ontwricht, dat bedrijven de afgelopen decennia veel meer profiteerden dan werknemers en erger: dat de samenleving doordrenkt is geraakt van denken in termen van competitie, identiteit en egoïsme. Een omslag zal vele jaren vergen en ik vraag me af of de wil ertoe bestaat.
Gefeliciteerd dus, liberale vrienden!

Monk
23 november 2019
Foto: Monk

* WWB = Wet Werk en Bijstand. WSW = Wet Sociale Werkvoorziening. Wajong = Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten.

15 november 2019
door admin
Reacties uitgeschakeld voor Voltreffer

Voltreffer

Zeventig burgerdoden en nog meer gewonden. Het gebeurde in 2015 door een aanval met een Nederlandse F-16 op een autobommenfabriek van Islamitische Staat in Irak.
Een geweldige voltreffer! Nederlandse F-16’s voerden wel 2000 missies uit, waarvan het merendeel bewapend. Nederland stapte maar wat gretig in het conflict met IS, onder instemming van de Kamer.
Hoe komt het trouwens dat burgers nabij een bommenfabriek wonen? Werken ze daar misschien?

Toenmalig Minister Jeanine Hennis-Plasschaert informeerde de Kamer beperkt over de aanval. Inmiddels komt een volgende minister tot een bijeen gehaspeld excuus over dit “verzuim”. Rutte III herinnert zich niets van de zaak. Kan ik me voorstellen: iemand zonder visie zal ook een geheugen ontberen en het speelde alweer 4 jaar geleden. Misschien moeten we het de vroegere versies van Rutte vragen. De premier reflecteert tegenwoordig vaker over zijn desastreuze eerdere kabinetten.

Onze luchtmacht opereerde onder de vlag van een internationale coalitie. De orders kwamen van betreffend hoofdkantoor. Je zou denken dat de militairen uitsluitend verantwoording afleggen aan dit commando, maar het ligt ingewikkelder. Naar een recept dat al eerder fataal uitwerkte in voormalig Joegoslavië, eist de Kamer verantwoording van de regering en bemoeit zich graag overal mee. Toenmalig premier Kok vierde zijn polonaise met de in hun onderbroek uit Srebrenica ontsnapte Dutchbatters en ook de Kamer reageerde verheugd: goed gedaan, jongens en meisjes! Het falen van de missie werd mede veroorzaakt door naïviteit, gierigheid en morele oordelen van Den Haag inclusief de Kamer. Of denkt u dat de militaire leiding van Dutchbat niet begreep dat ze geen enkele serieuze aanval kon weerstaan? Couzy en Karremans wisten maar al te goed door wie ze waren gestuurd maar stelden zich op zoals Defensie betaamt: de dood of de violen.

Nederland neemt graag deel aan militaire missies in den vreemde. Staat goed op de internationale CV waarvan figuren als De Hoop Scheffer profiteerden. Deze missies vinden altijd plaats onder de paraplu van een groter geheel: NATO, VN of een andere coalitie. Er wordt een opperbevel aangesteld en uitvoering vindt plaats onder bepaalde wetten en normen. Evaluatie en eventuele sancties ten aanzien van betrokken militairen liggen bij dit opperbevel. Wat kan ervan terechtkomen als elke bijdragende natie de uitvoering kan oordelen of zelfs interveniëren? Begin er dan niet aan.

Het probleem aan oorlogvoeren, is dat hierbij nu eenmaal doden en gewonden vallen onder burgers die in de weg lopen. Oorlog mag ver van ons bed plaatsvinden – het blijft een smerig bedrijf. Den Haag inclusief delen van de Kamer volharden evenwel in hun droomwens van een schone oorlog. In 2010 zagen we Groen Links akkoord gaan met een missie in Uruzgan, Afghanistan. Deze moest beperkt blijven tot een politietrainingsmissie. Stel het u zich voor: kogels vliegen je om de oren, bermbommen blazen je auto van de weg, een geïnfiltreerde Taliban blaast zich op in de kantine. Nog te zwijgen van de manier waarop ook de politie in oorlogsgebied arrestanten behandelt, al is het maar uit lijfsbehoud. Groen Links dacht kennelijk aan het uitdelen van parkeerbonnen, iets waar bolwerk Amsterdam inderdaad een expert in is.

Liegen tegen de Kamer is een politieke doodzonde. Terecht. Alleen moet duidelijk zijn waarover je vragen mag stellen en wat geheim moet blijven. Onder druk van moraliserende partijen als GL en SP slaat minister Bijleveld dan ook de verkeerde weg in door meer toekomstige transparantie toe te zeggen. Wanneer je besluit tot militaire deelname in een conflict, behoort de verantwoordelijkheid bij het militair commando te liggen en is politieke zwijgzaamheid om meerdere redenen geboden. Minstens zolang de missie gaande is. De Raad van State oordeelde in 2018 terecht in deze zin. Achteraf mag de Kamer de regering aanspreken op de condities van deelname. En eventueel de laan uitsturen.

Tot de F-16 piloot die de IS autobommenfabriek raakte, wil ik zeggen: sterkte met uw gemengde gevoelens wegens de burgerdoden, maar uw actie was perfect en redde zonder twijfel (andere) levens.
Mijn plaatsvervangend excuus voor het Haagse gereutel hierover.

Monk
15 november 2019
Foto: Monk