Backfire

| Geen reacties

De oudste herinnering die ik heb aan een auto, stamt uit 1955. Ik was ruim 3 jaar oud. Het had te maken met de eerste verhuizing die ik meemaakte, een ritje van amper een kilometer. Ik zat op de voorbank van een waarschijnlijk kleine vrachtwagen. De herinnering bestaat uit een paar beelden: de lange versnellingspook op de vloer, de spijl in het voorraam en het verschuivende landschap. Verder vermoed ik een grommend geluid en een merkwaardig trillen of schudden. Ik vond het aanstonds geweldig, liefde op het eerste gezicht.

Het duurde nogal voor ik opnieuw in een auto zou zitten. Het bezit ervan was beperkt tot rijke mensen en hen die er beroepshalve een bezaten. Wij hadden thuis slechts een brommer en waren de enigen niet in die dagen.
Vrienden van mijn ouders kochten in 1961 een 2CV, de bekende Lelijke Eend. Zelfs het nummerbord weet ik nog: DX-17-01. Ze woonden in Tilburg, een stad die aan de rand van de wereld lag. Bij hun eerste bezoek werd de auto natuurlijk grondig bekeken. Ik herinner me vooral de kilometerteller in het voertuig. Het was een rond klokje dat apart tegen het dasboard was aangeschroefd. Het zag er een beetje armoedig uit. Dat ik dit heb onthouden, komt waarschijnlijk omdat ik in die dagen een kilometerteller op mijn fiets begeerde.
Met deze mensen, die wij kinderen oom en tante noemden, ben ik toen naar het strand geweest. Ik was niets gewend en vond het maar lang duren. Bovendien wiebelde de auto nogal en zaten we op elkaar gepakt, iets waaraan ik als kind al een hekel had.

Mijn vader kocht in 1964 zijn eerste auto. Het was een lichtblauwe tweedeurs Opel Record 1500, met witte zijvlakken op de banden die nog niet van het type radiaal waren. Ik zeg mijn vader, want als het aan moeder had gelegen waren er andere spullen gekocht, bijvoorbeeld voor in de huishouding.
De auto werd gebruikt voor kerkgang, bedrijfsdoeleinden en op zondag een enkele keer om iets leuks te bezoeken. Waarbij aangetekend, dat een nieuwsgierig kind als ik bijna alles de moeite waard vond. Bovendien ontwikkelde ik snel een nieuwe hobby: het onderweg noteren van nummerborden van auto’s die ons tegemoet kwamen of ons passeerden. Ik schreef er het merk bij en, ingeval het een Duitser of andere toerist betrof, ook het land van herkomst. Zoals het een grondige Monk betaamt, deed ik dit op een kladblok, om de gegevens later netjes over te pennen in een speciaal schrift met harde kaft, in kolommen die ik vooraf met potlood en liniaal had gemaakt. Dit schrift, meer een soort boekje, had ik gevonden op de lokale vuilnisbelt. Slechts een paar bladzijden waren beschreven en die ongewenste informatie had ik eruit gescheurd.
Graag zou ik dit resultaat van monnikenwerk nog eens in mijn handen houden, als bewijsstuk van een dapper en eenzaam jongensleven. Helaas, het is weggegooid, verdwenen, opgeruimd.

Ik denk terug aan die dagen met een zekere weemoed, het is niet anders. Auto’s waren veel schaarser dan vandaag. Het gebeurde geregeld dat ik van school naar huis, een afstand van een kilometer of zes, geen enkele auto tegenkwam. De polder was leeg. Je hoorde soms het monotone geluid van een trekker op het land en verder slechts de vogels en de wind in de boomkruinen.
In het dorp van mijn school, kwamen de onderwijzers met de fiets, tenminste niet met een auto. Wel stonden er vaak een paar geparkeerd voor het Heerenhuis, een statig gebouw waar je als gewone armoedzaaier nooit binnen kwam. Ik herinner me dat er een Chevrolet Impala voor dit polderpaleis was gestald. Op de motorkap prijkte een prachtig logo, breed en trots. Het daagde uit tot sloop, om er in de beslotenheid van mijn kamertje nog lang naar te kunnen kijken. Natuurlijk liet ik dit uit mijn hoofd, want als iemand er achter kwam, was je nog niet jarig.

Thuis leefde ik mijn belangstelling voor gemotoriseerde voertuigen uit in een paar handen vol Dinky Toys. Je mocht of moest lang kind blijven, hetgeen in ieder geval neerkwam op een leven zonder invloed op wat dan ook. Waar andere kinderen elkaar meetrokken in de gang naar volwassenheid, bleef ik wegens mijn geisoleerde woonplek bovendien hangen in een soort luchtledige, waarin de belangstelling voor speelgoed niet zo snel werd afgekeurd en weggelachen. Zolang je rustig was en niemand stoorde, kon je doen wat je wilde. Zo verwierf ik een witte Ford Mustang van Dinky toen ik al 14 was. Toch was te merken dat de tijd opschoof, want mijn aanwinst vloeide niet voort uit een verjaardag of iets dergelijks, maar was het gevolg van winkeldiefstal. Ik bezit dit autootje nog steeds. Een paar keer heb ik in een echte Mustang gezeten. Deze behoorde toe aan Willem Schoone, basgitarist en zanger van de Rob Hoeke R&B Group. Het was een uitgewoond hondenhok en ongetwijfeld bedoeld om het vrouwvolk te verleiden. Waar maak je anders muziek voor? In de wagen voelde je de kracht van de motor. Er ging een opwindende brutaliteit en dominantie vanuit.

Verdwenen beelden, geuren en geluiden. Het aanzien van straten en steden verandert met het wagenpark. De schaarste of juist overvloed is ook van belang. Ik denk dat wel eens wordt onderschat welke invloed ervan uitgaat.
Bijna hongerig kijk ik naar beelden uit de jaren 50 en 60. Komen er auto’s op voor en ken ik nog het merk en type? Waar is de geur van de tweetakt motor, zoals in een DKW was gemonteerd? En zelden hoor je nog het schorre blaffende geluid van een VW Kever, met bijbehorende backfire knal wanneer het gas plotseling werd losgelaten. Het duidde alles op iets, op van alles, een wereldbeeld, een verwachting, ja vooral een onbestemd en onvervuld verlangen.

Monk

17 april 2012

(Foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.